Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5609

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
830202-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

aanranding van buurmeisje. Bewijsoverweging

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246, geldigheid: 2014-11-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/830202-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

10 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

27 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. van der Burg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 oktober 2012 te Ezinge, gemeente Winsum, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), hebbende verdachte

- haar ge(tong)zoend en/of

- ( in) haar (met kleding bedekte) borst(en) geknepen en/of gestreeld en/of

aangeraakt en/of

- haar buik heeft gestreeld en/of aangeraakt

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- voornoemde ontuchtige handeling(en) onverhoeds heeft verricht en/of

- bezig is geweest de knoop van haar broek los te maken

en/of hij (aldus) voor die [slachtoffer] een situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet, althans onvoldoende, aan bovengenoemde handelingen kon onttrekken;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 21 oktober 2012, te Ezinge, gemeente Winsum, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn minderjarige bediende (te weten, als oppas) [slachtoffer], geboren op 22 mei 1995, immers heeft hij

- haar ge(tong)zoend en/of

- ( in) haar (met kleding bedekte) borst(en) geknepen en/of gestreeld en/of

aangeraakt en/of

- haar buik heeft gestreeld en/of aangeraakt.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om tot een veroordeling van het primair en subsidiair ten laste gelegde te komen. De aangifte wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De door verdachte verzonden sms'jes en email kunnen niet als steunbewijs gebruikt worden, nu de inhoud van deze berichten geen betrekking heeft op de kern van het ten laste gelegde. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel sprake is van voldoende wettig bewijs, dan is het wettig bewijs niet overtuigend, hetgeen ook moet leiden tot vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster op essentiële punten ongeloofwaardig is. Zo heeft aangeefster verklaard dat verdachte tijdens het zoenen zijn linkerhand op de rechterschouder van aangeefster legde en zijn rechterhand op haar rechterborst. Dit is een bijzonder onpraktische en zeer onnatuurlijke houding. Ook zou verdachte aangeefster onhandig voorover bukkend hebben gezoend. Voorts blijkt uit de stukken in het dossier dat vlak na de vermeende ontuchtige handelingen diverse personen niet hebben gemerkt aan aangeefster dat er iets bijzonders met haar aan de hand was. Tot slot heeft aangeefster haar moeder en broer niet meteen verteld over de ontuchtige handelingen, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid was.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

De verklaring van verdachte, ter terechtzitting afgelegd, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb een email aan het bestuur van de dartclub gestuurd.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 november 2012, opgenomen op pagina 8 e.v. van dossier nummer PL01ML 2012107812 d.d. 11 maart 2013, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Op 21 oktober 2012 ben ik aangerand door [verdachte]. Ik ben tussen 21:30 uur en 22:00 uur naar het huis van [verdachte] en [partner verdachte] gegaan om op hun kinderen te passen. Tegen 01:45 uur hoorde ik dat [verdachte] thuis kwam. Ik zag dat hij op een andere bank ging zitten.

Hij duwde met zijn linkerhand tegen mijn rechterschouder, zodat ik met mijn rug tegen de bankleuning kwam. Hij zoende mij op mijn mond.

Toen raakte hij met zijn rechterhand mijn rechterborst aan. Hij hield hem echt vast. Zijn duim was onder de kleding, de rest niet. Hij kneep erin. Zijn duim bewoog heen en weer.

Nadat hij had gezegd dat niemand het hoefde te weten ging hij weer door met zoenen. Hij was met die ene hand nog met mijn borst bezig en met zijn andere hand ging hij via mijn buik naar beneden, naar de knoop van mijn broek.

Op 29 oktober 2012 kregen mijn ouders allebei een sms'je van [verdachte] met de tekst: "[vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer], tot vanmiddag 12 uur wist ik zeker dat er niets gebeurd was. Om 12 uur belde [partner verdachte] mij of ik thuis wilde komen. Het blijkt dat ik eerder vrouwen betast heb. Ik ben hier vreselijk van geschrokken. Ik schaam me diep tegenover jullie en [slachtoffer]. Mede doordat ik de hele week overtuigd was dat het niet zo was. Dit kan nooit een excuus zijn voor wat er gebeurt is, dat begrijp ik. Graag zou ik vanavond (of een andere keer) langs willen komen."

Op 31 oktober 2012 kreeg ik een sms'je van [verdachte] met de tekst: "[slachtoffer], ik loop al twee dagen te denken of ik dit moet doen en ik weet ook niet of ik hier goed aan doe of niet. Mijn gevoel zegt dat ik dit moet doen. Ik vind het vreselijk wat er afgelopen tijd allemaal gebeurd is. Ik ben afgelopen maandag erg geschrokken toen ik hoorde dat ik eerder heb geprobeerd vrouwen te betasten terwijl ik te veel gedronken had. De hele week daarvoor op Ameland was ik ervan overtuigd dat er niets gebeurd was en heb me constant afgevraagd waarom jij had gezegd van wel. Nu men mij verteld heeft dat het eerder is gebeurd, kan ik er alleen maar vanuit gaan dat jij de waarheid hebt verteld. En daar heb je goed aan gedaan. Ik schaam me vreselijk tegenover [partner verdachte] en mijn kinderen, jouw ouders, maar vooral tegenover jou. Ik heb jou nooit willen kwetsen, of kwaad willen doen en het spijt me echt vreselijk als dit gebeurd is. Zulke dingen mogen nooit gebeuren, ook al is er drank in het spel en ik begrijp dat dat ook nooit een excuus kan en mag zijn. [verdachte]."

Een proces-verbaal d.d. 3 januari 2013, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben rond 01:30 uur naar huis gegaan. Toen ik thuiskwam zat [slachtoffer] op de bank. Ik heb [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] een sms gestuurd waarin stond dat ik nog drie vrouwen betast zou hebben.

Het klopt dat ik op 31 oktober 2012 een sms aan [slachtoffer] heb gestuurd.

Een ander geschrift, zijnde een email van [verdachte] aan "[mailadres]", opgenomen op pagina 72 van voornoemd dossier, inhoudende:

Je weet wat er afgelopen tijd gebeurd is tussen mij en de fam [van het slachtoffer]. Ik heb altijd de verwachting (en hoop) gehad dat ik hierover eens met de fam [van het slachtoffer] zou kunnen praten. Helaas is het niet zo ver gekomen. Afgelopen weekend kreeg ik een brief in de deur van de politie om begin volgend jaar op het bureau te verschijnen, alwaar ik zal worden aangehouden en zal worden verhoord. Aangezien ik er nog steeds van overtuigd ben dat de zaak behoorlijk aangedikt is, heb ik toch besloten om te stoppen met alle organisaties die ik doe. Ik heb diverse avonden georganiseerd om een gezellige avond te creëren en gezellig een biertje met iedereen te drinken.

Nu kan ik wel besluiten om die avonden aan de fris te gaan, maar dan mis ik (vind ik) toch een stukje gezelligheid, alwaar het mij mede om te doen was. Een andere reden is dat ik zoveel mogelijk risico wil uitsluiten waardoor ik weer in een soortgelijke situatie terrecht zou kunnen komen. Dat is het mij echt niet waard! Mijn café bezoeken zullen dan ook tot een minimum (tot niet) beperkt blijven. Daarom zal ik ook niet meer op darten verschijnen. Ik heb [vriend 1] ook een mail gestuurd. Ik vond dat jij (omdat je de rest ook al wist) ook even moest weten (verder heb ik [vriend 1], [vriend 2] en [vriend 3] een mail gestuurd). Groet, [verdachte].

Bewijsoverweging met betrekking tot het primair ten laste gelegde

De rechtbank dient te beoordelen of de verklaring van aangeefster betrouwbaar te achten is en dus bruikbaar is voor het bewijs.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat er bij aangeefster sprake was van een spontane disclosure (de eerste keer dat zij over het vermeende misbruik heeft verteld). Uit de stukken in het dossier blijkt voorts dat aangeefster zeer gedetailleerd heeft verklaard; niet alleen over de ontuchtige handelingen, maar ook over hetgeen verdachte voorafgaand hieraan tegen haar gezegd heeft. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten in het dossier voorhanden zijn die erop duiden dat er sprake is van een ongeloofwaardige verklaring. De rechtbank acht de door aangeefster afgelegde verklaring over het seksueel misbruik betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs.

Het standpunt van de verdediging dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen omdat de aangifte in casu op dit punt geen steun vindt in andere bewijsmiddelen, volgt de rechtbank niet.

Volgens artikel 342 lid 2 Sv en de op die bepaling betrekking hebben jurisprudentie van de Hoge Raad kan en mag het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (wettig) bewijsmateriaal. Uit deze jurisprudentie volgt dat niet is vereist dat ieder essentieel onderdeel van de tenlastelegging (in casu de door de verdediging betwiste ontuchtige handelingen) steun vindt in een ander bewijsmiddel.

Voldoende is dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, te weten de verklaring van verdachte, het door verdachte verstuurde sms'je aan aangeefster, het door verdachte verstuurde sms'je aan de ouders van aangeefster en het door verdachte verstuurde emailbericht aan de dartclub. Met betrekking tot de door verdachte verstuurde berichten merkt de rechtbank op dat deze berichten weliswaar geen "gave bekentenis" inhouden, maar gelet op hun inhoud niettemin wel bijdragen aan het wettig en overtuigend bewijs. Dit brengt mee dat de verklaring van aangeefster niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 21 oktober 2012 te Ezinge, gemeente Winsum, door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte

- haar gezoend en

- in haar (met kleding bedekte) borst geknepen en deze aangeraakt en

- haar buik aangeraakt

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte

- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en

- bezig is geweest de knoop van haar broek los te maken

en hij aldus voor die [slachtoffer] een situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet aan bovengenoemde handelingen kon onttrekken.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit en de gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad.

Aan de andere kant heeft de officier van justitie rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het feit dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een aan verdachte op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van aanranding, door zijn destijds 17-jarige buurmeisje in zijn woning onverhoeds te zoenen en haar buik en borst te betasten. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast kan een gebeurtenis als deze schade toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. De schriftelijke slachtofferverklaring vermeldt dat zij ten gevolge van het strafbare feit traumatherapie heeft gevolgd. Tot slot voelt het slachtoffer zich niet meer veilig in haar eigen woonomgeving, omdat verdachte bij haar in de straat woont.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alles afwegende zal de rechtbank een werkstraf van na te noemen duur aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde, alsmede de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2012.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 24c, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 150 uren werkstraf.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.025,80 (zegge: duizend vijfentwintig euro en tachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2012. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1.025,80 (zegge: duizend vijfentwintig euro en tachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2012, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 625,80 aan materiële schade en € 400,= aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Fokkema, voorzitter, mrs. L.H.A.M. Voncken en

A.F. Gerding, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 november 2014.