Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5581

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
18.730307-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord Nederland heeft vandaag een man veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2014-11-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730307-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 juni 2014 te [pleegplaats 1], in ieder geval in de gemeente

Tytsjerksteradiel,

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pinautomaat van de

ABN AMRO Bank, gevestigd aan of bij de [straat 1] en/of heeft

weggenomen ongeveer 150 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of (vervolgens)

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pinautomaat van de

Rabobank gevestigd aan of bij de [straat 2] heeft weggenomen ongeveer

900 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte,

waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs (die

pinautomaat) heeft verschaft en/of het weg te nemen geld onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de pinpas (en/of

pincode) toebehorende aan die [slachtoffer 1];

2.

hij in of omstreeks de periode van 6 juni 2014 tot en met 10 juni 2014 te of

bij [pleegplaats 2], in ieder geval in de gemeente Achtkarspelen, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening vanaf een (bedrijfs)terrein heeft weggenomen een

voedingskabel (lengte ongeveer 80 meter), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 9 juli 2014 te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening van een bouwplaats gelegen aan de [straat 3] heeft weggenomen

een grote hoeveelheid dieselolie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [bedrijf 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van verbreking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 9 juli 2014 te [pleegplaats 4] ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

vanaf een (bedrijfs)terrein weg te nemen een of meerdere hoeveelhe(i)d(en)

diesel(olie) en/of een accu, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [bedrijf 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot tank waarin

die diesel(olie) zich bevond te verschaffen en/of die/dat weg te nemen

diesel(olie) en/of accu, althans die/dat goed(eren), onder zijn/hun bereik te

brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), althans

alleen, met een auto het terrein van die [bedrijf 2] is opgereden en/of

vervolgens een hangslot van een tank heeft verwijderd en/of een

brandstoffilter uit een tank heeft gebroken en/of met een flex tegen een slot

van een 1500 litertank heeft geflext en/of meerdere sloten van een aggregaat

heeft vernield en/of een accupool van die aggregaat heeft doorgeknipt en/of

diesel(olie) uit een of meerdere tanks heeft gehaald en/of diesel(olie) in

jerrycans heeft ondergebracht en/of die jerrycans in een auto heeft

geplaatst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van ambulante behandeling;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van

€ 1.050,00;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 1.050,00;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [bedrijf 1].

Beoordeling van het bewijs

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat er een aangifte ligt van diefstal van geld. Verdachte heeft erkend dat hij geld heeft gepind met aangeefsters pas, maar hij was in de veronderstelling dat de pinpas van een bekende was. De officier van justitie acht dit ongeloofwaardig nu op camerabeelden te zien is dat verdachte op een briefje kijkt terwijl hij de pincode intoetst. Dit lijkt het briefje te zijn welke aangeefster in haar portemonnee bewaarde met haar pincode. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat hoewel duidelijk is dat verdachte degene is geweest die gepind heeft met de pinpas van aangeefster, dit niet betekent dat hij dit opzettelijk heeft gedaan. Hij kreeg de pinpas van een bekende, waardoor hij in de veronderstelling verkeerde dat het de pinpas van die persoon betrof. De raadsman is van mening dat het niet zo kan zijn dat verdachte door niet te controleren of de pinpas wellicht van een ander was, hij daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de pinpas van een ander persoon dan de bekende was. Verdachte heeft volgens de raadsman voorts ter zitting een duidelijke verklaring afgelegd omtrent de door hem doorgeknipte pinpas. Dit betrof zijn eigen pinpas, welke beschadigd was en niet meer werkte.

Het oordeel van de rechtbank

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 7 juni 2014 heeft gepind met een pinpas waarvan hij dacht dat deze van een bekende was. Samen met deze bekende zou verdachte naar [pleegplaats 1] zijn gereden om daar bij twee pinautomaten te pinnen. Verdachte kreeg nog € 250,-- van deze bekende. De rest van het door verdachte gepinde geldbedrag zou hij aan deze bekende hebben afgegeven. Volgens verdachte klopt het dat naderhand is gebleken dat dit de pinpas van aangeefster betrof. Later op de dag is hij nog eenmaal gaan pinnen, toen hij met zijn vriendin [vriendin] en [getuige 1] op pad was.

De rechtbank constateert dat deze verklaring van verdachte niet past bij de verklaringen die [vriendin] en [getuige 1] hebben afgelegd. Zij hebben verklaard dat zij de dag samen met verdachte hebben doorgebracht en hebben niet verklaard over een andere persoon met wie verdachte die dag zou zijn geweest. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in gezelschap van [vriendin] en [getuige 1] slechts eenmaal (met zijn eigen pas) heeft gepind, terwijl [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte tweemaal gepind heeft, achtereenvolgens bij een pinautomaat van ABN AMRO bank en een pinautomaat van de Rabobank in [pleegplaats 1]. Deze verklaring sluit volledig aan bij het pinnen door verdachte met de pinpas van aangeefster. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat verdachte overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met zijn eigen pas heeft gepind toen hij in gezelschap was van [vriendin] en [getuige 1], acht de rechtbank verdachtes verklaring op dat punt ongeloofwaardig. Die ongeloofwaardigheid wordt nog versterkt doordat verdachte eerst ter terechtzitting heeft verklaard dat hij op 7 juni 2014 niet alleen heeft gepind met de pas van aangeefster, maar ook met zijn eigen pas en dat hij toen hij met zijn eigen pas pinde in het gezelschap was van [vriendin] en [getuige 1].

Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij toen hij met [vriendin] en [getuige 1] [pleegplaats 1] uitreed, een bankpas heeft weggegooid, maar dat dit zijn eigen pas was. Uit boosheid dat de pas het niet meer deed, heeft verdachte deze doorgeknipt en weggegooid. Ook deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig. Verdachte heeft eerst ter terechtzitting een verklaring gegeven over het doorknippen van de pas. Bovendien heeft [vriendin] verklaard dat verdachte bij het doorknippen van de pas zou hebben gezegd “Nu moet ik het kaartje wel breken”, hetgeen veeleer past bij een situatie waarin verdachte met succes heeft gepind met een gestolen pinpas dan bij een uiting van boosheid, zoals verdachte heeft verklaard. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat het pasje dat verdachte heeft doorgeknipt en weggegooid, het pasje van aangeefster is geweest.

Gelet op de inhoud van de hierna opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte welbewust gebruik heeft gemaakt van de pas van aangeefster en dat hij daartoe niet gerechtigd was.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 27 oktober 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik met de pinpas van [slachtoffer 1] heb gepind bij de ABN AMRO en de Rabobank in [pleegplaats 1]. Ik word ook wel [verdachte] genoemd.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014098081, gesloten op 6 september 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1

een ambtsedig proces-verbaal van aangifte, nummer PL02AD-2014060194-1, d.d. 8 juni 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik wil graag aangifte doen van diefstal van mijn fietstas met inhoud, waaronder mijn portemonnee. Op 7 juni 2014 ben ik met mijn vriendin vanuit [plaats 1] op de fiets vertrokken naar [pleegplaats 1]. Toen ik mijn fiets op slot had gezet, wilde ik mijn opzettas pakken. Deze was verdwenen. We zijn naar mijn zoon gefietst. Hij is gemachtigd voor mijn bankzaken. Terwijl mijn zoon ingelogd was, zag hij dat er 150 euro werd gepind van mijn rekening. Bij deze pintransactie stond dat deze werd gedaan bij Rabobank [straat 1] in [pleegplaats 1]. Enkele minuten hierna werd er nog een transactie gedaan van een bedrag van 900 euro van Regio Drachten Noord. Vlak hierna hebben we meteen mijn pas geblokkeerd.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer PL02R2-2014060194-20, d.d. 27 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 26 juli 2014 ben ik in gesprek gegaan met [vriendin] en diens moeder. Ik deelde mee dat ik van haar wilde horen op welke momenten en met wie zij op de [camping] in [plaats 7] is geweest. Haar moeder merkte op dat ze er in ieder geval geweest was op hun trouwdag, te weten 7 juni 2014.

Ik hoorde dat [vriendin] zei:

- dat [getuige 1] en [verdachte] later die nacht terugkwamen bij het chalet en daar toen hebben geslapen.

- dat ze in de namiddag naar een landweggetje in de buurt van [plaats 5] waren gereden omdat daar de auto van [getuige 1] was achter gebleven.

- dat zij vervolgens vlak voor sluitingstijd, omstreeks 18.00 uur, bij de Poiesz in [plaats 4] samen met [verdachte] een boeket bloemen had gekocht in verband met de trouwdag van haar ouders.

Ik vroeg haar vervolgens of [verdachte] die zaterdagmiddag nog ergens geld had gepind. Ik hoorde dat [vriendin] zei:

- dat [verdachte] na het pinnen tegen [getuige 1] zei 'nu moet ik het kaartje wel breken.'

- dat ze meende dat [verdachte] dat gebroken pasje toen bij de stoplichten uit het raam van de auto heeft gegooid.

2.3.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, nummer PL02AD-2014060194-21, d.d. 30 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1]:

Ik kan me herinneren dat ik die zaterdag bij [verdachte] en [vriendin] was in de chalet op de [camping] in [plaats 7]. We zijn toen in de loop van de middag weggegaan met de BMW van [verdachte], die op mijn naam staat. We zijn naar [plaats 5] gereden omdat ik mijn Golf daar had staan. Voordat we naar [plaats 5] gingen zijn we eerst naar het centrum van [pleegplaats 1] gereden, omdat [verdachte] moest pinnen. Hij kwam na het pinnen weer terug en stapte weer in de auto. Hij zei toen dat het niet lukte en dat hij naar de Rabobank moest. [verdachte] is toen uitgestapt en ik zag dat hij bij de Rabobank opnieuw ging pinnen. Na het pinnen stapte [verdachte] weer rechts voorin. In de buurt van de verkeerslichten naar [plaats 6] zag ik dat [verdachte] de pinpas kapot knipte. Ik zag toen dat hij via het geopende raam van zijn autoportier die stuk geknipte pinpas naar buiten gooide.

2.4.

een proces-verbaal vordering verstrekking historische gegevens, nummer 20140606194, d.d. 11 juni 2014 op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Het opsporingsonderzoek richt zich op het achterhalen van de identiteit van degene die op 7 juni 2014 een bedrag van 900 euro heeft gepind uit een geldautomaat van Rabobank Drachten, welke zich bevindt aan het adres [straat 2] te [pleegplaats 1].

2.5.

een proces-verbaal vordering verstrekking historische gegevens, nummer 20140606194, d.d. 11 juni 2014 op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Het opsporingsonderzoek richt zich op het achterhalen van de identiteit van degene die op 7 juni 2014 een bedrag van 150 euro heeft gepind uit een geldautomaat van ABN AMRO, welke zich bevindt op de [straat 1] te [pleegplaats 1].

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht dat [bedrijf 1] aangifte heeft gedaan van de diefstal van voedingskabel. [getuige 2] heeft bevestigd dat verdachte bij hem koperdraad heeft ingeleverd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard bij de politie dat hij samen met verdachte de diefstal van de voedingskabel heeft gepleegd. De officier van justitie acht het onder 2. ten laste gelegde op basis daarvan wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat [getuige 1] heeft verklaard dat het om een kabel van 30 meter ging die hij samen met verdachte zou hebben weggenomen, terwijl uit de aangifte blijkt dat het om een kabel van 80 meter gaat. Het is volgens de raadsman onduidelijk dat het om dezelfde kabel gaat, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

Bij [bedrijf 1] is tussen 6 en 10 juni 2014 voedingskabel weggenomen. Verbalisanten hebben op 19 juni 2014 achter het chalet waar verdachte destijds verbleef een dikke kabel aangetroffen, welke vermoedelijk was afgeknipt. Na onderzoek op de kranen bij aangever [bedrijf 1] bleek dat deze kabels identiek waren. Medeverdachte [getuige 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte 30 meter voedingskabel heeft weggenomen bij [bedrijf 1] en dat hij in de week daarna een stuk van die kabel samen met verdachte heeft gestript, waarna zij samen het koperdraad uit die kabel hebben verkocht aan [getuige 2] in Leeuwarden. Zij hadden het koperdraad in een plastic tas bij zich. [getuige 2] heeft de verklaring van [getuige 1] bevestigt voor wat betreft (de wijze van) het inleveren van het koperdraad. Voorts heeft de vriendin van verdachte, [vriendin], verklaard tegenover verbalisant dat zij de betreffende kabel nog niet eerder achter het chalet had gezien. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat deze kabel waarschijnlijk van de vorige eigenaar van het chalet was derhalve niet aannemelijk. Voorts acht zij verdachtes verklaring dat de kabel die hij bij [getuige 2] heeft ingeleverd niet van hem was, maar van degene bij wie de kabel achter in een auto had gezeten, ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte en zijn mededader de voedingskabel onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, aangezien niet is gebleken dat het toegangshek tot het bouwterrein waarvandaan de kabel is weggenomen is opengebroken en het breken overigens heeft bestaan uit het doorknippen dan wel -zagen van de kabel en aldus op het wegnemen daarvan. De verbreking is niet aan de wegnemingshandeling voorafgegaan zodat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van diefstal met braak.

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014098081, gesloten op 6 september 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1. een ambtsedig proces-verbaal van aangifte, nummer PL02AD-2014061117-1, d.d. 10 juni 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik wil aangifte doen van diefstal van koperen voedingskabel behorende bij kraan H. Ik ben als hoofd technische dienst gemachtigd tot het doen van aangifte namens mijn werkgever [bedrijf 1].

Op vrijdag 6 juni 2014 heeft mijn collega, [kraanoperator], voornoemde kraan met daaraan voornoemde voedingskabel onbeschadigd en in goede staat achter gelaten. Vervolgens is het terrein afgesloten middels een schuifhek. Op maandag 10 juni 2014 ontdekte [kraanoperator] dat er voedingskabel was weggenomen van genoemde kraan.

Ik zag dat genoemde kabel aan beide uiteinden was doorgeknipt. De kabel is zo'n 5 centimeter in doorsnee en heeft een zwarte omhulzing.

2. een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, nummer PL02R2-2014061117-5, d.d. 30 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1]:

Rond middernacht 6 juni 2014 en 7 juni 2014 hebben [verdachte] en ik de vriendin van [verdachte] opgehaald uit [plaats 4] en naar het chalet gebracht van [verdachte] op [camping] te [plaats 7]. Hierna zijn [verdachte] en ik weer vertrokken met de BMW. We kwamen toen in [pleegplaats 2]. Ik heb tijdens mijn opleiding tot elektromonteur stage gelopen bij het bedrijf [bedrijf 1]. Tot onze verbazing zagen we dat het schuifhek aan de achterkant van het bedrijf helemaal open stond. Ik reed met de BMW en kon zo het bedrijfsterrein oprijden. We zijn achter de portaalkranen uitgestapt. We zagen toen een dikke stroomkabel van de portaalkranen liggen. Ik heb aan de ene uiteinde de kabel met een kniptang de kabel doorgeknipt en [verdachte] heeft op het andere uiteinde de kabel met een ijzerzaag doorgezaagd. We hebben dat stuk kabel tussen de kraan en de aanwezige betonelementen doorgetrokken richting de BMW en daar hebben wij toen de kabel ingeladen in de kofferruimte. Ik schat de lengte van het stuk kabel op ongeveer 25 a 30 meter. Verderop in die week heb ik overdag samen met [verdachte] ongeveer een kwart van de totale lengte van de kabel gestript. Met de gestripte koperdraden uit die kabel zijn we toen naar de [getuige 2] in Leeuwarden gegaan. Van het geld hebben we vlees voor de barbecue opgehaald.

3. een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, nummer PL02R2-2014061117-8, d.d. 31 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1]:

U vraagt mij hoe dat is gegaan met het inleveren van dat gestripte koper bij [getuige 2]in [pleegplaats 4]. [verdachte] en ik zijn daar toen met de BMW naartoe gereden. Wij hebben daar toen dat gestripte koper in een boodschappentas afgeleverd.

4. een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, nummer PL02R2-2014061117-9, d.d. 31 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2]:

U toont mij een foto van een manspersoon die ik herken als zijne een persoon die begin juni 2014 bij mij een partijtje gestript koper kwam aanbieden. Hij had dat koper in een bigshopper van de Jumbo of iets dergelijks bij zich.

En als opmerking van verbalisant:

[getuige 2] toonde ik de foto van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

5. een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer PL02R2-2014061117-2, d.d. 20 juni 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 19 juni 2014 hebben wij onderzoek ingesteld en het volgende bevonden. Het was mij, [verbalisant 1], bekend geworden dat uit de verhoren van [verdachte] en diens medeverdachten naar voren was gekomen dat hij zou verblijven in een chalet op [camping] te [plaats 7]. Ik sprak de beheerder van de camping die mij, nadat ik hem een foto van verdachte toonde, vertelde dat deze man sinds een paar weken zou verblijven in chalet nummer 55. Terwijl ik, [verbalisant 1], met [vriendin] in gesprek was, liep ik, [verbalisant 2], naar de achterzijde van het chalet. Ik, [verbalisant 2], zag daar een dikke kabel met een doorsnee van circa 5 centimeter liggen. Ik, [verbalisant 2], zag dat deze kabel niet voorzien was van een stekker of iets dergelijks en vermoedelijk ergens vanaf was geknipt.

Vervolgens hebben wij, verbalisanten, een onderzoek ingesteld bij [bedrijf 1] in [pleegplaats 2]. Wij zagen dat de aanwezige kabels van de portalkranen identiek waren aan de door ons bij het chalet aangetroffen stuk kabel.

4. een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer PL02R2-2014060194-20, d.d. 27 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 26 juli 2014 ben ik in gesprek gegaan met [vriendin] en diens moeder. Ik deelde mee dat ik van haar wilde horen op welke momenten en met wie zij op de [camping] in [plaats 7] is geweest. Ik had haar namelijk bij de eerdere aanhouding van verdachte op 19 juni 2014 getroffen bij de chalet nr. 55 waarover door [verdachte] werd verklaard. Omdat mij, verbalisant, bekend was dat tussen 6 en 10 juni 2014 die dikke kabel, die wij op 19 juni 2014 bij het chalet aantroffen, was ontvreemd bij het bedrijf [bedrijf 1] te [pleegplaats 2], vroeg ik haar wanneer zij voor het eerst die kabel had gezien. Ik hoorde dat ze tegen mij zei dat zij die kabel voor het eerst zag op het moment dat ik haar trof bij het chalet en dat ze zich niet kon herinneren dat ze die kabel eerder had gezien.

Feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat er aangifte is gedaan van de weggenomen diesel. Voorts is er een huurauto aangetroffen met de diesel waarin tevens goederen van verdachte zijn gevonden, waaronder zijn mobiele telefoon. Bovendien is verdachte vaker veroordeeld voor diefstal van diesel. De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat het ontoereikend is om aan te nemen dat verdachte schuldig is aan het wegnemen van diesel nu zijn telefoon is aangetroffen in de auto waarin de gestolen diesel is gevonden. Volgens de raadsman moet er een vrijspraak volgen nu er geen wettig en overtuigend bewijs is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen nu uit de bewijsmiddelen in het dossier geen directe betrokkenheid van verdachte kan volgen. Er blijkt niet van een feitelijke uitvoeringshandeling door verdachte, noch blijkt dat hij anderszins betrokken is geweest bij het wegnemen van diesel. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 7 juni 2014 te [pleegplaats 1], in de gemeente Tytsjerksteradiel,

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pinautomaat van de ABN AMRO Bank, gevestigd aan of bij de [straat 1] heeft weggenomen 150 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1], en vervolgens

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pinautomaat van de Rabobank gevestigd aan of bij de [straat 2] heeft weggenomen 900 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de pinpas en pincode toebehorende aan die [slachtoffer 1];

2.

hij in de periode van 6 juni 2014 tot en met 10 juni 2014 te [pleegplaats 2], in de gemeente Achtkarspelen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening vanaf een bedrijfsterrein heeft weggenomen voedingskabel, toebehorende aan [bedrijf 1].

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

2. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage van Reclassering Nederland d.d. 25 september 2014, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 2 september 2014, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen, waarmee hij te kennen heeft gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen. Daarnaast heeft hij ook de eigenaren overlast en schade bezorgd. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte al vanaf zijn 21e jaar regelmatig in contact komt met politie en justitie. Veelal gaat het dan om vermogensdelicten. Hij heeft een aantal lange gevangenisstraffen ondergaan. Verdachte lijkt de vaardigheid te missen om in de omgang met mensen te onderscheiden wie een positieve of negatieve invloed op hem heeft. Wanneer hij dan impulsief handelt kan hij gemakkelijk in delicten verzeild raken. Het recidiverisico wordt dan ook als hoog ingeschat. Ter zitting is gebleken dat verdachte op 17 september 2014 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd, waarbij als bijzondere voorwaarden zijn opgelegd toezicht van de reclassering en het volgen van een van ambulante behandeling, eveneens voor vermogensdelicten. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing. De rechtbank is van oordeel dat nu verdachte al onder toezicht van de reclassering staat, het wederom opleggen van reclasseringstoezicht en de verplichting van ambulante behandeling niets zal toevoegen. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank acht de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals hierna te melden, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, met name omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot het bedrag ad € 1.050,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gedeeltelijk gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

[gemachtigde] heeft zich namens [bedrijf 1] voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door [bedrijf 1] geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank heeft geconstateerd dat niet is gebleken dat [gemachtigde] is gemachtigd als degene die namens [bedrijf 1] als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding kan indienen. Nu het dossier ook geen aanknopingspunten biedt waaruit kan blijken dat [gemachtigde] is verbonden aan voornoemd bedrijf, kan de rechtbank niet anders dan de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3. primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2014.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.050,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. A.W. Wassink, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 november 2014.

Mr. A.W. Wassink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Wiersma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Vlietstra

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Gosselaar

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730307-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 27 oktober 2014

Tegenwoordig:

mr. Th.A. Wiersma, voorzitter,

mr. N.A. Vlietstra en mr. A.W. Wassink, rechters, en

mr. L.S. Gosselaar, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. P.F. Hoekstra.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats]

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

…..

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 10 november 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.