Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5534

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
18.730029-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging uitgeven van valse bankbiljetten. Zij heeft daarmee een groot aantal kleine middenstanders en particulieren in Friesland benadeeld. Betalingen met vals geld schaden het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in contante betalingen wordt gesteld in ernstige mate. Verdachte heeft verder verscheidene winkeldiefstallen gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf onvoldoende rechtdoet aan de ernst van de feiten. In beginsel is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank houdt echter in sterke mate rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en legt daarom, naast een werkstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 209, 214, 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730029-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 oktober 2014.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.T. Kooistra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 8 oktober 2013, in ieder geval in het jaar 2013 (tot en met 8 oktober 2013), in de provincie Friesland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

A.

te weten

- op of omstreeks 8 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 1], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 3 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in gemeente Leeuwarden, bij [slachtoffer 2], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 3 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Het Bildt, bij [slachtoffer 3], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 6 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Sûdwest Fryslân, bij [slachtoffer 4], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 6 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Sûdwest Fryslân, aan [slachtoffer 5], bij een kraam op een vlooienmarkt, opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 6 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Leeuwarden, bij [slachtoffer 6], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Dantumadiel, bij [slachtoffer 7], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 7], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Dantumadeel, bij [slachtoffer 8], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, [slachtoffer 9], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Dantumadeel, bij [slachtoffer 10], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 11], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 8 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 12], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- op of omstreeks 8 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 13], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro, en/of

- in of omstreeks de periode omvattende de dagen 8 oktober 2013 en 9 oktober 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, aan [slachtoffer 14], opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven of doen uitgeven, te weten (een) vals(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro,

waarvan (telkens) de valsheid of vervalsing verdachte en/of haar medeverdachte(n), toen zij dat/die bankbiljet(ten) ontving(en), (telkens) bekend was, en/of

B.

opzettelijk meerdere valse bankbiljetten van vijftig euro, waarvan (telkens) de valsheid of vervalsing verdachte en/of haar medeverdachte(n), toen zij die bankbiljetten ontving(en), (telkens) bekend was, (telkens) heeft ontvangen en/of verschaft en/of vervoert en/of in voorraad heeft gehad, (telkens) met het oogmerk om deze als echte en onvervalste bankbiljetten uit te geven of uit te doen uitgeven;

2.

zij op of omstreeks 12 september 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Dantumadiel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkelpand (gelegen aan of bij [pleegadres]) heeft weggenomen meerdere speelgoed knuffels (Furby's) en/of twee paraplu's en/of een (snelkook)pan en/of speelgoedfiguurtjes en/of een of meerdere pennen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkelbedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

3.

zij op of omstreeks 18 september 2013 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Boarnsterhim, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkelpand (gelegen aan of bij [pleegadres]) heeft weggenomen twee autostoeltjes (kinderzitjes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkelbedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde;

- oplegging van een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een ambulante behandelverplichting bij de forensische psychiatrie;

- onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen bankbiljetten;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij 1];

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 50,00;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij 2];

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 50,00.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02JS 2013113302, gesloten op 6 november 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02BB 2013113302-2,
d.d. 8 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 1];

1.2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02BB 2013113302-2,
d.d. 8 oktober 2013, inhoudende de verklaring van [aangever 2];

1.3.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013113302-7,
d.d. 8 oktober 2013, inhoudende de verklaring van [aangever 3];

1.4.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02SM 2013113302-23,
d.d. 9 oktober 2013, inhoudende de verklaring van verbalisanten;

1.5.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2013114107-1,
d.d. 10 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 2];

1.6.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02IA 2013111360-1,
d.d. 4 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 5];

1.7.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02JS 2013114233-1,
d.d. 10 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 6];

1.8.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02JS 2013114654-1,
d.d. 11 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 7];

1.9.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL 2013116437-1,
d.d. 16 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 8];

1.10.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02SM 2013116437-3,
d.d. 17 oktober 2013, inhoudende de verklaring van verbalisant;

1.11.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013112907-1,
d.d. 7 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 9];

1.12.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02BB 2013112902-1,
d.d. 7 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 10];

1.13.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013114016-1,
d.d. 10 oktober 2013, inhoudende de verklaring van [aangever 11];

1.14.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02BB 2013113524-1,
d.d. 9 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 12];

1.15.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02 BB 2013113524-2,
d.d. 9 oktober 2013, inhoudende de verklaring van [aangever 13];

1.16.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013113573-1,
d.d. 9 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 14];

1.17.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013113663-1,
d.d. 9 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 15];

1.18.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013113686-1,
d.d. 9 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 16];

1.19.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013113522-1,
d.d. 8 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 17];

1.20.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02R2 2013116929-1,
d.d. 17 oktober 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 18];

1.21.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02R1 2013113302-39,
d.d. 11 oktober 2013, inhoudende de verklaring van verdachte;

1.22.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2013113302-48,
d.d. 15 oktober 2013, inhoudende de verklaring van [medeverdachte].

Bewijsoverweging

Naar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van alle onder 1. A ten laste gelegde feiten sprake van medeplegen, nu verdachte en [medeverdachte] gedurende de periode 1 tot en met 9 oktober 2013 gezamenlijk optrokken, afspraken maakten over de te bezoeken locaties en beiden een substantiële, naar aard en inhoud vergelijkbare, bijdrage leverden aan de misdrijven. Wie precies welke handelingen verrichtte, was daarbij steeds betrekkelijk willekeurig. Om die reden stelt de rechtbank vast dat er - ook ten aanzien van die feiten waarbij door slechts één van beide verdachten vals geld is ingewisseld - sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

t.a.v. feit 2:

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02JS 2013113302, gesloten op 6 november 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013104440-1,
d.d. 17 september 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 19];

1.2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD 2013104440-2,
d.d. 1 oktober 2013, inhoudende de verklaring van [aangever 20];

1.3.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02R1 2013104440-7,
d.d. 11 oktober 2013, inhoudende de verklaring van verdachte.

t.a.v. feit 3:

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02JS 2013113302, gesloten op 6 november 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02BB 2013105012-1,
d.d. 18 september 2013, inhoudende de aangifte van [aangever 21];

1.2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02SM 2013105012-5,
d.d. 15 oktober 2013, inhoudende de verklaring van verbalisant;

1.3.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02SM 2013105012-3,
d.d. 10 oktober 2013, inhoudende de verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 8 oktober 2013 in de provincie

Friesland tezamen en in vereniging met een ander, meermalen,

A.

te weten:

- op 8 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 1] opzettelijk als echt en onvervalst bankbiljetten heeft uitgegeven, te weten valse bankbiljetten van vijftig euro en

- op 3 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Leeuwarden, bij [slachtoffer 2], opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro en

- op 3 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Het Bildt, bij [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3] opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro en

- op 6 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Súdwest Fryslân bij [slachtoffer 4], opzettelijk als echt en onvervalst bankbiljetten heeft uitgegeven, te weten valse bankbiljetten van vijftig euro en

- op 6 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Súdwest Fryslân aan [slachtoffer 5], bij een kraam op een vlooienmarkt, opzettelijk als echt en onvervalst bankbiljetten heeft uitgegeven, te weten valse bankbiljetten van vijftig euro en

- op 6 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Leeuwarden, bij [slachtoffer 6] opzettelijk als echt en onvervalst bankbiljetten heeft uitgegeven, te weten valse bankbiljetten van vijftig euro en

- op 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Dantumadiel, bij [slachtoffer 7], opzettelijk als echt en onvervalst bankbiljetten heeft uitgegeven, te weten valse bankbiljetten van vijftig euro en

- op 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 7], opzettelijk als echt en onvervalst bankbiljetten heeft uitgegeven, te weten valse bankbiljetten van vijftig euro en

- op 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Dantumadiel, bij [slachtoffer 8] opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro en

- op 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 9], opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro en

- op 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Dantumadiel, bij [slachtoffer 10] opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro en

- op 7 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 11], opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro en

- op 8 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Tytsjerksteradiel bij [slachtoffer 12] opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro en

- op 8 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Tytsjerksteradiel, bij [slachtoffer 13], opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro en

- in de periode omvattende de dagen 8 oktober 2013 en 9 oktober 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Tytsjerksteradiel, aan [slachtoffer 14] opzettelijk als echt en onvervalst een bankbiljet heeft uitgegeven, te weten een vals bankbiljet van vijftig euro,

waarvan de valsheid of vervalsing verdachte en haar medeverdachte, toen zij die

bankbiljetten ontvingen, telkens bekend was en

B.

opzettelijk meerdere valse bankbiljetten van vijftig euro, waarvan de valsheid of vervalsing verdachte en haar medeverdachte, toen zij die bankbiljetten ontvingen, bekend was, heeft ontvangen, vervoerd en in voorraad gehad, met het oogmerk om deze als echte en onvervalste bankbiljetten uit te geven of uit te doen uitgeven;

2.

zij op 12 september 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Dantumadiel, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een

winkelpand, gelegen aan [pleegadres], heeft weggenomen meerdere speelgoedknuffels (Furby’s), twee paraplu’s, een pan en meerdere pennen, toebehorende aan [winkelbedrijf]

[winkelbedrijf];

3.

zij op 18 september 2013 te [pleegplaats], in de gemeente Boarnsterhim, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand,

gelegen aan [pleegadres], heeft weggenomen twee autostoeltjes (kinderzitjes), toebehorende aan [winkelbedrijf].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. A. Medeplegen van opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid haar, toen zij ze ontving, bekend was, als echt en onvervalst uitgeven, meermalen gepleegd;

1. B. Medeplegen van het in voorraad hebben en vervoeren van bankbiljetten, waarvan de valsheid haar bekend was toen zij ze ontving, en met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven;

2. Diefstal door twee of meer verenigde personen;

3. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de over haar door Reclassering Nederland op 17 juli 2014 opgemaakte rapportage, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, gedateerd 16 september 2014, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich verschillende malen schuldig gemaakt aan het uitgeven van valse bankbiljetten, waarmee zij een groot aantal ondernemers en particulieren heeft benadeeld. Betalingen met vals geld schaden het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer wordt gesteld in contante betalingen in ernstige mate. De wetgever heeft de ernst van dit misdrijf benadrukt door het strafmaximum vast te stellen op een gevangenisstraf van negen jaren. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij bewust particulieren en kleine middenstanders als slachtoffers koos om de kans op ontdekking zo klein mogelijk te maken.

Verdachte heeft daarnaast een aanzienlijk aantal winkeldiefstallen gepleegd in een relatief korte periode. Zij heeft door dit handelen overlast en schade veroorzaakt voor winkeliers.

De rechtbank is, mede gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat de ernst van de feiten, alsmede de wijze waarop en de frequentie waarmee verdachte deze heeft gepleegd, onvoldoende tot uitdrukking komen in de door de officier van justitie geëiste straf. De rechtbank komt daarom tot een aanmerkelijk zwaardere strafoplegging.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat echter in sterke mate rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder met de omstandigheid dat zij als enige de zorg heeft over haar twee kinderen. Daarnaast weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat zij, blijkens de rapportage van de reclassering, inzicht lijkt te hebben in haar daden en gemotiveerd zegt te zijn haar leven een andere wending te geven. Tevens merkt de rechtbank op dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en dat zij daarom als first offender wordt aangemerkt.

Alles afwegend zal de rechtbank na te noemen straf opleggen.

Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de valse bankbiljetten, de onttrekking aan het verkeer zal worden bevolen. De rechtbank overweegt dat artikel 214bis van het Wetboek van Strafrecht dwingend voorschrijft dat valse of vervalste bankbiljetten ten aanzien waarvan een veroordeling wegens een in Boek 2, Titel X omschreven misdrijf is gevolgd, verbeurd worden verklaard. De rechtbank zal de bankbiljetten daarom verbeurdverklaren.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 2] heeft zich ter terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan haar als een gevolg van haar handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

[slachtoffer 5] heeft zich ter terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan haar als een gevolg van haar handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 33, 36f, 47, 57, 209, 214bis en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 100 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Een gevangenisstraf voor de duur van 123 dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 120 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 in Leeuwarden en dat zij zich hierna blijft melden zolang en zo frequent als Reclassering Nederland dit nodig acht;

2. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN) of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de door of namens die instelling aan te geven tijden en plaatsen, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen valse bankbiljetten van vijftig euro.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 50,00 (zegge: vijftig euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 50,00 (zegge: vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 50,00 (zegge: vijftig euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het [slachtoffer 5], te betalen een bedrag van € 50,00 (zegge: vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het [slachtoffer 5], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. M. Jansen en

mr. S. Timmermans, rechters, bijgestaan door mr. J.C. Huizenga, griffier, en

uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2014.

Mr. Wiersma en mr. Timmermans zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Jansen

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Huizenga

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730029-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 24 oktober 2014

Tegenwoordig:

mr. Th.A. Wiersma, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. S. Timmermans, rechters, en

mr. J.C. Huizenga, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. S.T. Kooistra.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De voorzitter belast de oudste rechter met de leiding van het onderzoek.

De verdachte, genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. H.D. Postma, advocaat te Leeuwarden.

Ter terechtzitting zijn tevens verschenen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5].

De behandeling van de zaak tegen de verdachte geschiedt - op praktische gronden - gelijktijdig met de behandeling van de zaak onder parketnummer 18/730028-14 tegen de [medeverdachte], maar zonder dat deze zaken worden gevoegd.

De raadsman voert, zakelijk weergegeven, als volgt het woord.

Verdachte heeft zich pas gistermiddag tot mij gewend. Zij geeft aan dat zij aan hartritmestoornissen lijdt en dat zij daarom niet in staat is ter terechtzitting te verschijnen. Ik beschik niet over medische stukken waaruit haar gezondheidstoestand blijkt. Verder ben ik niet in de gelegenheid geweest de zaak inhoudelijk voor te bereiden. Ik verzoek de rechtbank om het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd te schorsen.

De rechtbank trekt zich terug ter beraadslaging. Na de beraadslaging zet de rechtbank het onderzoek voort. De oudste rechter deelt mee dat de rechtbank het verzoek van de raadsman tot schorsing van het onderzoek afwijst. Uit de akte van betekening blijkt dat de dagvaarding reeds een maand voorafgaand aan de zitting in persoon aan verdachte is betekend. Verdachte heeft nagelaten om in een eerder stadium juridische bijstand te zoeken. Met betrekking tot de medische redenen wijst de oudste rechter op het landelijk aanhoudingenprotocol, waarin is bepaald dat een verhindering voldoende dringend en aannemelijk moet zijn. Een enkele mededeling volstaat niet. Nu verdachte noch de raadsman stukken heeft overlegd waaruit van dringende medische bezwaren blijkt en er ook uit het procesdossier en de reclasseringsrapportage niet is gebleken van dergelijke bezwaren, acht de rechtbank geen dringende redenen aanwezig om het onderzoek te schorsen.

De rechtbank verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van verdachte wordt voortgezet.

***

De oudste rechter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 7 november 2014

te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de oudste rechter en de griffier.