Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5531

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
18.720142-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt verweten dat zij haar zoon heeft onttrokken aan het opzicht van Bureau Jeugdzorg Friesland. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte aangevoerde redenen voor haar handelen niet kunnen leiden tot haar straffeloosheid. Het gegeven dat verdachte via de civiele weg haar doel niet heeft weten te bereiken, maakt niet dat zij daarmee gerechtigd is het recht in eigen hand te nemen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47, 279, geldigheid: 2014-11-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720142-14

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/885496-12

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. Nix, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode 12 juni 2014 tot en met 17 juni 2014 te [pleegplaats],

(althans) in de gemeente Súdwest-Fryslân en/of elders in Nederland, tezamen en

in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

een minderjarige, te weten [minderjarige], geboren op [geboortedatum],

heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige(n) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende

(te weten de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland),

immers heeft verdachte en/of haar mededader(s)

(in strijd met een door de Rechtbank Noord Nederland uitgesproken (verlenging)

Ondertoezichtstelling over de periode 14 oktober 2013 tot 14 oktober 2014

en/of een (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing in een 24-uurs

voorziening gedurende de periode tot 14 juli 2014, welke uitvoering daarvan

was opgedragen aan genoemde Stichting)

die [minderjarige] opgehaald bij [persoon 1] (wonende te [pleegplaats]) en vervolgens die

[minderjarige] (in een auto) meegenomen naar [adres] en/of vervolgens meegenomen naar

[adres] en/of (vervolgens) die [minderjarige] daar (enige tijd) gehouden,

en aldus voornoemde minderjarige gebracht buiten het bereik en/of de

invloedssfeer van het wettig gestelde gezag of onttrokken aan het opzicht van

degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, te

weten genoemde Stichting,

zulks terwijl voornoemde minderjarige beneden de twaalf jaren oud was.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 135 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

- oplegging van 160 uren taakstraf, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis;

- tenuitvoerlegging van 40 uren werkstraf.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 oktober 2014;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02JS-2014062478-7, d.d. 13 juni 2014, inhoudende de verklaring van [persoon 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode van 12 juni 2014 tot en met 17 juni 2014 te [pleegplaats], in de gemeente Súdwest-Fryslân en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [minderjarige], geboren op [geboortedatum], heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende,

te weten de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland, immers heeft verdachte en haar mededader, in strijd met een door de Rechtbank Noord-Nederland uitgesproken (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing in een 24-uurs voorziening gedurende de periode tot 14 juli 2014, welke uitvoering daarvan was opgedragen aan genoemde Stichting, die [minderjarige] opgehaald bij [persoon 1], wonende te [pleegplaats], en vervolgens die [minderjarige] in een auto meegenomen naar [adres] en vervolgens meegenomen naar [adres] en vervolgens die [minderjarige] daar enige tijd gehouden, en aldus voornoemde minderjarige onttrokken aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, te

weten genoemde Stichting, zulks terwijl voornoemde minderjarige beneden de twaalf jaren oud was.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Door en namens verdachte is aangegeven dat er bij haar handelen sprake was van de keuze tussen twee wettelijke plichten, te weten enerzijds de plicht om de machtiging tot uithuisplaatsing te respecteren, anderzijds de plicht te waken voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van haar kind. Verdachte had van haar zoon gehoord dat hij hardhandig bij de arm was vastgepakt door een bepaalde begeleider die hem tijdens een eerdere uithuisplaatsing ook al eens hardhandig had vastgepakt en dat er een soort nekklem wordt toegepast om kinderen rustig te krijgen. De zoon van verdachte heeft erg geleden onder de eerste uithuisplaatsing. Een kinderpsycholoog heeft PTSS bij de zoon vastgesteld. De zoon klaagt met name over de bejegening door het personeel van de instelling waar hij ook nu weer werd geplaatst. Verdachte heeft op verschillende manieren geprobeerd een einde te maken aan de situatie onder meer via zittingen bij de kinderrechter, een aangifte bij de politie en een klacht bij Bureau Jeugdzorg Friesland en de Inspectie voor de Jeugdzorg. Dit heeft niet het door verdachte gewenste resultaat opgeleverd. Om haar zoon tegen verdere mishandeling te beschermen heeft verdachte hem onttrokken aan het toezicht van Bureau Jeugdzorg Friesland. Er was sprake van een toestand van overmacht in de zin van noodtoestand zodat er sprake is van een strafuitsluitingsgrond en verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt als volgt.

De uithuisplaatsing van een minderjarige is een door de overheid genomen maatregel in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Deze maatregel wordt ingezet wanneer de met het gezag beklede ouder naar het oordeel van de overheid zelf onvoldoende in staat is deze belangen te waarborgen. Het gevolg van de opgelegde maatregel is dat de ouder het ouderlijk gezag nog maar zeer beperkt kan uitoefenen. Op 14 april 2014 is de zoon van verdachte, [minderjarige], uit huis geplaatst en is Bureau Jeugdzorg Friesland belast met zijn opvoeding en verzorging. Verdachte is hierdoor strikt genomen ontslagen van haar wettelijke verplichting feitelijk te waken voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van haar kind zodat zij geen beroep kan doen op deze wettelijke bepaling.

De rechtbank begrijpt uit het verweer dat verdachte zich in ieder geval moreel verplicht voelde haar kind te beschermen en dat zij zich vanuit deze morele verplichting gedwongen heeft gevoeld te handelen in strijd met het in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde verbod.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte aangevoerde redenen voor haar handelen niet kunnen leiden tot haar straffeloosheid. Welke wegen verdachte heeft bewandeld om haar zoon in een ander gezinsvervangend tehuis te krijgen, is ter zitting kort besproken. Of daarmee alle beschikbare civiele acties zijn ondernomen is de rechtbank niet duidelijk. Echter het gegeven dat verdachte via de civiele weg haar doel niet heeft weten te bereiken, maakt niet dat zij daarmee gerechtigd is het recht in eigen hand te nemen. Daarvoor is tevens vereist dat in objectieve zin vaststaat dat haar zoon in een situatie verkeert die een ouder niet hoeft te dulden. De rechtbank is op dat punt onvoldoende geïnformeerd nu er van de zijde van verdachte slechts een geluidsfragment in het geding is gebracht waarop het relaas van de zoon te horen was. De rechtbank weegt tevens mee dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat zij in het verleden in de opvoeding van [minderjarige] fouten heeft gemaakt en dat zij zich ook niet verzet tegen de uithuisplaatsing.

De rechtbank acht verdachte, nu ook overigens niet is gebleken van enige strafuitsluitingsgrond, strafbaar.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over haar opgemaakte rapportage en het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Het op de dagvaarding genoemde ad informandum gevoegde feit zal door de rechtbank niet worden meegewogen bij de oplegging van de straf nu verdachte dit feit ter terechtzitting heeft ontkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft haar zoon onttrokken aan het toezicht van Bureau Jeugdzorg Friesland door hem, nadat hij weggelopen was uit het gezinsvervangende tehuis, niet terug te brengen maar mee te nemen naar verschillende adressen en hem zo verborgen te houden voor Bureau Jeugdzorg. Verdachte heeft hierbij willens en wetens de beslissing van de kinderrechter tot uithuisplaatsing van haar zoon gefrustreerd. Het kan niet anders dan dat deze handeling van verdachte ook voor haar zoon veel onrust heeft veroorzaakt doordat hij op korte termijn verschillende malen verplaatst is en in een onzekere situatie verkeerde. Daarnaast heeft hij in deze periode ook geen school kunnen bezoeken. Verdachte heeft daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, niet gehandeld in het belang van haar zoon.

Uit de reclasseringsrapportage komt naar voren dat verdachte al jarenlang in een strijd is gewikkeld met de jeugdhulpverlening en dat de kans op recidive reëel lijkt zolang de situatie ongewijzigd blijft. De reclassering onthoudt zich van een advies over een eventueel op te leggen sanctie.

De rechtbank wil wel aannemen dat verdachte in haar beleving gegronde redenen had voor haar handelen en opkwam voor de belangen van haar zoon maar de rechtbank acht dit onvoldoende grond om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, zoals door de raadsman bepleit. De rechtbank betrekt hierbij dat verdachte al eerder is veroordeeld voor het onttrekken van de minderjarige aan het bevoegd opzicht en voor het niet naleven van de Leerplichtwet. Alles afwegende acht de rechtbank evenwel oplegging van een gevangenisstraf zoals geëist nog niet aan de orde. De rechtbank zal volstaan met het opleggen van een werkstraf waarbij het aantal uren gematigd zal worden in verband met de door de reclassering gesignaleerde zeer geringe draagkracht van verdachte.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 juli 2013, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 27 juli 2013.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 22 juli 2014 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de haar bij voornoemd vonnis voorwaardelijk opgelegde werkstraf. De rechtbank ziet geen redenen de tenuitvoerlegging niet of slechts gedeeltelijk te gelasten zoals door de raadsman bepleit.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 22c, 22d, 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 40 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

17/885496-12:

Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden d.d. 12 juli 2013, te weten: 40 uren werkstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. S. Timmermans, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2014.

w.g.

Wiersma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Timmermans

locatie Leeuwarden,

Komrij

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720142-14

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/885496-12

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 24 oktober 2014.

Tegenwoordig:

mr. Th.A. Wiersma, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. S. Timmermans, rechters, en

T.L. Komrij, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. P.M. van der Spek.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. L. Nix, advocaat te Amsterdam.

….

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 7 november 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.