Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5505

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-11-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
18.830087-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging doodslag; verwerping beroep op (putatief) noodweer (exces).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830087-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

26 mei 2014, 18 augustus 2014, 29 september 2014 en 21 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Steller, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. P.G.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 februari 2014 te Groningen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te

beroven, met dat opzet (meermalen):

- met een (brood)mes in het hoofd en/of (elders) in het lichaam van die

[slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of

- met voornoemd (brood)mes, stekende en/of snijdende beweging(en) heeft

gemaakt in de (directe) richting van het hoofd en/of de halsstreek van die [slachtoffer]

[slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 februari 2014 te Groningen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- met een (brood)mes in het hoofd en/of (elders) in het lichaam van die

[slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of

- met voornoemd (brood)mes, stekende en/of snijdende beweging(en) heeft

gemaakt in de (directe) richting van het hoofd en/of de halsstreek en/of

(overige) lichaamsdelen van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 februari 2014 te Groningen, opzettelijk een persoon, te

weten [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte:

- met een (brood)mes in het hoofd en/of (elders) in het lichaam van die

[slachtoffer] gestoken en/of gesneden en/of

- met voornoemd (brood)mes, stekende en/of snijdende beweging(en) gemaakt in

de (directe) richting van het hoofd en/of de halsstreek en/of (overige)

lichaamsdelen van die [slachtoffer],

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van verdachte en de verklaringen van de [getuige 1] en [getuige 2]. Uit deze verklaringen blijkt dat verdachte, nadat hij met [getuige 1] zijn woning had verlaten, opeens een 'ander mens' werd en dat hij flipte. Aangever verklaart dat toen verdachte terugkwam in de woning hij al over de rooie was en dat er "een totaal andere [verdachte]" binnenkwam.

De verklaring van aangever dat hij de laptops niet onder zich had is geloofwaardig.

Op een bepaald moment heeft aangever de woning van verdachte kunnen verlaten met in zijn kielzog verdachte die zwaaiende en stekende bewegingen makend met een mes in zijn handen achter hem aan rende. Diverse getuigen hebben hierover verklaard. Eén van die getuigen ([getuige 2]) verklaart dat aangever door verdachte met een mes werd geraakt. Hierdoor is een wond ontstaan op het hoofd van aangever. Het hoofd is een zeer kwetsbaar, vitaal deel van het lichaam. Wanneer het mes van verdachte aangever op een andere plek van het hoofd had geraakt had dit de dood tot gevolg kunnen hebben. De officier van jusititie acht poging tot doodslag bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de wond aan het hoofd van aangever niet kan zijn ontstaan door het door verdachte gehanteerde mes toen op straat een confrontatie tussen aangever en verdachte ontstond tijdens een achtervolging. Geen van de getuigen heeft gezien dat verdachte aangever met een mes in het hoofd heeft geraakt en ook aangever is daar onduidelijk over. Als de wond wel door toedoen van verdachte zou zijn ontstaan, dan nog valt uit het dossier niet af te leiden dat dit handelen de aanmerkelijke kans inhield dat aangever hierdoor zou overlijden. Om dezelfde reden acht de raadsman een poging tot zware mishandeling evenmin bewezen.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat dit niet kan worden bewezen, omdat het bewijs voor het steken of snijden ontbreekt en het enkele maken van stekende of zwaaiende bewegingen met een mes geen pijn of letsel kan veroorzaken. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak ten aanzien van alle ten laste gelegde varianten.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, telkens zakelijk weergegeven.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd:

Ik had geen bril op, terwijl ik normaal mijn +6 bril op heb. Ik moest me focussen op [slachtoffer] en de hond. Ik ben een van de beide mannen geweest die getuige [getuige 2] bij de politie beschrijft.

Een proces-verbaal d.d. 19 februari 2014, opgenomen op pagina 147 e.v. van een dossier nummer PL01ML-2014018783 d.d. 12 maart 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer]:

Op 18 februari 2014 was ik in de woning van [verdachte] in Groningen. [verdachte] ging op een gegeven moment weg.

Toen hoorde ik hem terug komen, ik hoorde de deur heel hard dichtklappen. [verdachte] kwam binnen en begon te schreeuwen: "waar is mijn telefoon?" Maar ik had die niet.

Hij was buitenzinnig. Ik merkte dat aan zijn hele gedrag. Hoe hij op me afkwam en dat hij me beschuldigde. Ik heb tegen hem gezegd: "[verdachte], als ik wat had gepakt, dan was ik hier toch niet meer geweest".

Vanaf het moment dat hij binnenkwam was hij al over de zeik. Ik heb nog tegen hem gezegd: "Ik ben hier en ik blijf hier". "Kijk maar, ik heb hem niet", maar hij luisterde niet.

Toen liep hij naar de keuken, pakte daar een groot keukenmes, zeker 30 cm, en kwam hij op me af. Toen ben ik hem gesmeerd. Mijn hond heb ik toen meegenomen.

Op straat komt [verdachte] achter mij aan. Hij kwam heel dicht bij. Hij zat constant maar een meter achter mij.

[verdachte] rende achter mij aan en maakte hakkende beweging met het mes. Ik kon veel bewegingen afweren met mijn armen. De uiteindelijke steekwond op mijn hoofd heb ik vermoedelijk opgelopen in de [straat 1]. Ik heb het op het moment zelf niet gevoeld. Maar het meisje dat tussen ons is gesprongen, heeft gezien dat ik werd gestoken.

Een proces-verbaal d.d. 20 februari 2014, opgenomen op pagina 155 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer]:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag tegen [verdachte].

V: Nog even terug naar het moment wat jij allemaal bij je had, [verdachte] vertelde dat jij een rugzak bij je had?

A: Ik had een Nike rugzakje bij me. Op het moment dat hij opgefokt weer binnen kwam en schreeuwde over zijn telefoon, zei ik tegen hem: "kijk nou even rustig wat ik bij me heb".

Een proces-verbaal d.d. 19 februari 2014, opgenomen op pagina 113 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik liep terug naar huis, daar stond [slachtoffer] al een beetje klaar, ik vroeg hem waar mijn telefoon was. Ik miste gelijk mijn 2 laptops. [slachtoffer] stond klaar om weg te gaan met een rugzakje op. Ik had gelijk het idee dat ik bestolen werd.

[slachtoffer] zei: "ik heb het niet", hij heeft ook nog zijn rugzak laten zien.

Er ontstaat een worsteling in de woning. Maar ook buiten de woning. Ik schreeuwde vooral. Hij had zijn hond nog vast. Ik had een mes met karteltjes bij mij, dit had ik in mijn rechterhand.

V: Wie is achter wie aan gelopen toen [slachtoffer] en jij de woning uitgingen?

A: Ik loop achter hem. Hij wilde weg dus hij heeft het voortouw genomen.

Een proces-verbaal d.d. 18 februari 2014, opgenomen op pagina 68 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]:

Ik was vandaag, 18 februari 2014, omstreeks 20.45 uur in de [straat 1] in Groningen. Op een bepaald moment hoorde ik iemand drie keer om hulp roepen. Ik zag dat er toen twee mannen uit de richting van de [straat 2] kwamen. Ik kan u het volgende signalement geven van de mannen:

MAN 1 MAN 2

Huidskleur: Blank Huidskleur: Blank

Postuur: Mollig Postuur: Dun

Lengte: 1.70 Lengte: 1.80

Kleding: T-shirt, beige van kleur Kleding: Donkere kleding

Spijkerbroek, blauw Bijzonderheden: De man werd vergezeld

door een hond

Ik zag dat deze mannen in gevecht met elkaar waren.

Ik zag dat man 1 een mes in zijn rechterhand had. Ik zag vervolgens dat man 1 met het mes een zwaaiende beweging maakte in de richting van man 2. Ik zag dat man 2 daarbij geraakt werd ter hoogte van zijn hals. Ik zag dat man 1 dit met kracht deed. Ik zag dat er bloed uit de wond kwam.

(Gelet op de inhoud van het dossier leest de rechtbank voor man 1 en man 2 respectievelijk verdachte en [slachtoffer])

Een proces-verbaal d.d. 19 februari 2014, opgenomen op pagina 79 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Ik zie dat deze tweede man (verdachte, zo begrijpt de rechtbank) in de richting van de man met de hond (de rechtbank leest: [slachtoffer]) rent. Ik zie dat hij iets in zijn hand heeft dat glinstert. Ik zag ook dat hij heel veel stekende bewegingen maakte. Toen de tweede man deze stekende begingen maakte stond hij dichtbij de man met de hond. Met stekende bewegingen bedoel ik dat hij zijn hand van boven naar beneden bewoog. Ik zag dat de tweede man stekende bewegingen maakte richting de hond en richting de man.

Ik denk dat de tweede man op dat moment wel vijftien tot twintig keer stekende bewegingen maakte. Ik zag dat de man met de hond de stekende bewegingen probeerde te ontwijken.

Een proces-verbaal d.d. 26 februari 2014, opgenomen op pagina 93 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 4], zakelijk weergegeven:

Op het moment dat ik keek, zag ik dat de man met beige/kaki T-shirt de man met het slanke postuur en met hond met zijn beide armen aan het slaan was. Ik zag dat de man met het beige/kaki T-shirt een mes in zijn rechterhand had. Deze man had het lemmet van het mes naar boven toe. Hij sloeg richting de persoon met het slanke postuur.

Het sloeg met de onderkant van het mes richting de man. Het heeft ongeveer drie minuten geduurd. Ik denk dat de man met het beige/kaki T-shirt dertig keer uitgehaald naar de man het slanke postuur.

V: Heb jij gezien wat er aan de overkant van de [winkel] is gebeurd?

A: In de periode die ongeveer dertig seconden duurt, dat er geduwd en geslagen werd. Ik zag dat de man in de beige/kaki T-shirt dit deed in de richting van de man met het slanke postuur. (Gelet op de inhoud van het dossier leest de rechtbank voor 'man met beige/kaki T-shirt' telkens: verdachte en voor 'man met slank postuur en hond' telkens: [slachtoffer]).

Een brief van de GGD Groningen d.d. 17 maart 2014, los opgenomen bij voormeld dossier, inhoudende als verklaring van J. Keizer, arts maatschappij en gezondheid GGD Groningen, zakelijk weergegeven:

Betrokkene [slachtoffer] heeft zich op 18 februari 2014 op de centrale spoedopvang van het UMCG gemeld met een snijwond in de behaarde hoofdhuid. Deze snijwond zat aan de linkerzijde onder het hoofdhaar. De lengte bedroeg ongeveer 5 centimeter en door het letsel was het schedelbot met het blote oog zichtbaar.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en aangever na onenigheid in de woning van verdachte naar buiten zijn gegaan, in die zin dat aangever als eerste de woning heeft verlaten en dat verdachte achter aangever is aangerend. Buiten hebben meerdere getuigen gezien dat verdachte met een mes stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van aangever. Verdachte zelf verklaart dat hij een mes bij zich had. De verwonding aan het hoofd van aangever door toedoen van verdachte heeft buiten, in de Stoeldraaierstraat plaatsgevonden, volgens de verklaring van aangever en getuige [getuige 2]. Dat deze getuige verklaart dat zij heeft gezien dat het mes aangever ter hoogte van de hals raakte moet op een vergissing berusten gelet op de hiervoor genoemde medische verklaring en nu overigens niets erop wijst dat de verwonding op andere wijze is ontstaan.

De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte volgens zijn eigen verklaring geen bril op had, terwijl hij normaal gesproken zijn bril (dioptrie +6) draagt. Gelet hierop en gelet op de verklaringen van aangever en de getuigen dat verdachte meerdere stekende en zwaaiende bewegingen met het mes heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die aangever met het mes heeft geraakt en dat uit het zich aldus manifesterend gedrag van verdachte blijkt dat hij op geen enkele wijze bij het steken heeft willen voorkomen dat hij het hoofd van aangever met het mes zou raken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar, vitaal deel van het lichaam is. Verdachte heeft door op deze wijze op het slachtoffer in te steken en stekende en snijdende bewegingen in de richting van diens hoofd en halsstreek te maken, de wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat door zijn gedrag de dood van het slachtoffer zou kunnen intreden en heeft die kans ook bewust aanvaard.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 februari 2014 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet :

- met een mes in het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestoken en

- met voornoemd mes, stekende en/of snijdende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het hoofd en/of de halsstreek van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Het feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld. Voor zover geen sprake zou zijn van een noodweersituatie, heeft verdachte gehandeld uit putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het voor verdachte duidelijk was, op basis van het gedrag van aangever en de omstandigheid dat de laptops van verdachte niet meer lagen op de plaats waar hij die had achtergelaten, dat hij werd beroofd. Verdachte mocht op grond van de door hem aangetroffen situatie ervanuit gaan dat aangever degene was die deze goederen had weggenomen. Hij was derhalve gerechtigd zich tegen deze wederrechtelijke aanranding van goederen die hem in eigendom toebehoorden te verdedigen. Er was sprake van een noodweersituatie, althans meende verdachte dat sprake was van een noodweersituatie en mocht hij dat ook menen. Omdat even daarvoor door aangever geweld op verdachte was toegepast was verdachte gerechtigd iets bij zich te steken om mee te kunnen dreigen, in dit geval een mes.

Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op (putatief) noodweerexces. Verdachte was in woede ontstoken; hij was enkele maanden eerder al eens bestolen in zijn eigen huis. Verdachte verkeerde derhalve in een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door de ontdekte diefstal, toen hij zich op deze wijze tegen (vermeende) aanranding van de hem toebehorende goederen verdedigde.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Uit het dossier is niet gebleken dat aangever zich goederen van verdachte heeft toegeëigend, omdat de laptops in de woning van verdachte zijn aangetroffen.

Verdachte hoefde zich daarom niet te verdedigen tegen een (vermeende) wederrechtelijke aanranding van de hem toebehorende laptops. Verdachte komt derhalve geen beroep op noodweer en dientengevolge geen beroep op noodweerexces toe. Verdachte is dus strafbaar.

Oordeel van de rechtbank

Na de confrontatie in de woning van verdachte moet het, naar het oordeel van de rechtbank, aan verdachte vrijwel onmiddellijk duidelijk zijn geweest dat aangever de laptops niet had gestolen, nu deze zich niet in het door aangever gedragen rugzakje bevonden, wat verdachte zelf heeft kunnen constateren blijkens zijn eigen verklaring (proces-verbaal blz. 125). Evenmin is gebleken dat aangever op een andere, voor verdachte kenbare manier, de goederen buiten de macht van verdachte had gebracht.

Omdat er dus geen sprake is geweest van aanranding in welke vorm dan ook en er derhalve ook geen sprake was van een noodweersituatie verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer en in het verlengde daarvan ook het beroep op noodweerexces. Omdat het verdachte al in de woning duidelijk moest zijn dat aangever de laptops niet had, kan evenmin het beroep op putatief noodweer(exces) slagen.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op het psychiatrische onderzoeksrapport d.d. 15 mei 2014, opgemaakt door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 12 mei 2014, opgemaakt door drs. J.M. de Jonge, psycholoog. De psycholoog heeft de meest relevante onderzoeksvragen niet kunnen beantwoorden wegens gebrek aan medewerking aan het onderzoek door verdachte.

De conclusie van de psychiatrische rapportage luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis der geestvermogens, te weten een benzodiazepine afhankelijkheid en daarnaast een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens te weten een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken. De persoonlijkheidsstoornis bestond ook ten tijde van hetgeen verdachte ten laste is gelegd. Daarom is het aannemelijk dat verdachte voor het hem ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, met deze conclusie verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het primair ten laste gelegde te veroordelen tot 24 maanden gevangenisstraf en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Daarbij heeft hij met name aangevoerd dat aan alle voorwaarden waaraan een terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet voldoen, ten aanzien van verdachte is voldaan. De persoonlijkheid van verdachte en het grote gevaar voor herhaling rechtvaardigen de oplegging van de maatregel.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is primair betoogd dat de psychiater niet zozeer oplegging van de TBS-maatregel heeft geadviseerd, maar dat deze de maatregel noemt als mogelijkheid. TBS is een ultimum remedium. Onduidelijk is waarom deze stap moet worden genomen. In deze zaak, ook al zou de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, is het feit niet van dien aard dat dit een zware maatregel als TBS met dwangverpleging rechtvaardigt.

Naar de mening van de verdediging wordt in het TBS-advies door de psychiater onvoldoende gemotiveerd en omschreven wat er gebeuren moet en hoe. Bovendien oppert de psychiater ook oplegging van de ISD-maatregel als mogelijkheid.

In de door de officier van justitie geformuleerde eis klinkt onvoldoende de verminderde toerekeningsvatbaarheid door.

Verdachte is HIV-positief wat voor hem gemakkelijk stress oplevert. Hij is weliswaar niet detentieongeschikt, maar vastzitten is wel extra zwaar voor hem.

Als de eis wordt gevolgd, dan is verdachte zijn huis kwijt. Huisvesting is wel de basis voor het opbouwen van een normaal bestaan. Indien verdachte niet voor 31 oktober a.s. in staat wordt gesteld de nodige maatregelen te treffen, raakt hij zijn huis en inboedel kwijt. Als hij dan weer buiten komt heeft hij helemaal niets meer.

De raadsman heeft gepleit voor een vrijheidsstraf gelijk aan de voorlopige hechtenis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Motivering van de maatregel

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag -kort gezegd- door met een mes op het hoofd van het slachtoffer te steken. Dat het gevolg van het steken is beperkt gebleven tot een wond in de hoofdhuid is niet de verdienste van verdachte, maar te danken aan de omstandigheid dat een oplettende en moedige omstander het mes van verdachte heeft afgepakt. Een poging tot doodslag zoals bewezen verklaard rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank zal aan verdachte echter geen vrijheidsstraf, maar de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen.

Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld en het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verder moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat is uitgebracht door dr. T.W.D.P. van Os in bovengenoemde onderzoeksrapportage d.d. 15 mei 2014, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het risico op herhaling van een feit zoals het ten laste gelegde is groot. Indien het hem tenlastegelegde wordt bewezen, dan is onderzochte snel weer tot een recidive gekomen. Het is onderzochte -in samenwerking met de hulpverlenende instanties- niet gelukt om een prosociaal leven op te bouwen. Belangrijkste risicofactoren zijn de persoonlijkheidsstoornis waarbij met name de terugkerende enscenering van outcast, onwelkomen gast, van belang is. Een onderdeel van deze stoornis is de impulsiviteit, de beperkte gewetensfunctie en het gebrek aan empathie. Daarnaast is zijn middelengenbruik (benzodiazepinen, alcohol) een belangrijke risicofactor als ontremmer van zijn impulsen. Verder is van belang zijn neiging voorwaarden te overtreden, zijn beperkte ziekte-inzicht, zijn negatieve opstelling ten aanzien van de hulpverlening, de afwezigheid van een prosociaal netwerk, afwezigheid van een goede daginvulling, financiële problemen en zijn rigide en beperkte relationele vaardigheden. Onderzochte denkt het alleen te kunnen maar kan het niet en kan alleen maar op zijn voorwaarden hulp gedogen.

Zonder begeleiding en behandeling blijven de risicofactoren die van belang zijn in het hem ten laste gelegde onveranderd. Ingeschat wordt, op basis van de ernst van de stoornis, de complexiteit van de problematiek, alsmede de houding van verdachte ten opzichte van het hem ten laste gelegde feit en zijn houding ten aanzien van de hulpverlening, dat een intensief behandeltraject nodig is om dit aanwezige recidiverisico op soortgelijke feiten te reduceren tot een aanvaardbaar niveau.

Wanneer onderzochte wordt afgestraft dan zal hij onbehandeld weer op straat komen en is de kans groot dat de rancune groter is bij dezelfde onderliggende dynamiek, waardoor de kans op recidive eerder zal toenemen dan afnemen. Onderzochte voldoet aan de criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel. Ingeschat wordt echter, op basis van de ernst van de stoornissen, de complexiteit van de problematiek en zijn negatieve houding, dat een behandeltraject nodig is dat langer dan twee jaar duurt. Een klinische behandeling wordt hierbij noodzakelijk geacht.

Onderzochte adviseert om, indien het ten laste gelegde dit rechtvaardigt, een TBS-maatregel op te leggen, subsidiair de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat voor het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging aan verdachte op dit moment nog onvoldoende grond is.

Zoals hiervoor aangegeven, acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte wel geboden.

De rechtbank is daarbij van oordeel, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de complexiteit van de problematiek waarmee verdachte te kampen heeft, dat de maatregel voor de duur van twee jaar moet worden opgelegd. In verband met de hiervoor gerelateerde complexiteit van de problematiek van verdachte en de blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitieel documentatieregister oplopende mate van ernst van de door verdachte gepleegde geweldsdelicten zal de rechtbank geen aftrek als bedoeld in art. 38n, tweede lid Wetboek van strafrecht, toepassen.

De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking de over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage, waarin vermeld is -kort gezegd- dat de reclassering zich schaart achter het advies van de psychiater en het (onvolledige) rapport van voornoemde psycholoog.

Daarnaast neemt de rechtbank bij het opleggen van de maatregel in aanmerking de conclusie van voormelde psychiatrische onderzoeksrapportage, dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Legt verdachte de volgende maatregel op:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Agema, voorzitter, mr. L.H.A.M. Voncken en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door D. van der Ploeg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2014.

Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.