Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5500

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
18.830236-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring o.m. poging tot doodslag. Volledig ontoerekeningsvatbaar. Ontslag van alle rechtsvervolging. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 350, 287, 180, geldigheid: 2014-11-07
Opiumwet 2, 10, geldigheid: 2014-11-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830236-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

6 november 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 juli 2014 te [pleegplaats 1]

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent van

politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, althans een persoon, van het leven te beroven,

met dat opzet (met) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

- een of meer malen heeft gestoken naar, althans in de richting van, de borst,

althans het lichaam, en/of de arm(en) van die politieambtenaar/persoon,

en/of

- ( vervolgens) op die politieambtenaar/persoon is afgelopen, en/of

(bovenhands) een of meer stekende bewegingen naar, althans in de richting

van, het hoofd en/of lichaam van die politieambtenaar/persoon heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 juli 2014 te [pleegplaats 1]

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk aan een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent van

politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, althans een persoon, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet (met) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

- een of meer malen heeft gestoken naar, althans in de richting van, de borst,

althans het lichaam, en/of arm(en) van die politieambtenaar/persoon, en/of

- ( vervolgens) op die politieambtenaar/persoon is afgelopen, en/of

(bovenhands) een of meer stekende bewegingen naar, althans in de richting

van, het hoofd en/of lichaam van die politieambtenaar/persoon heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 juli 2014 te [pleegplaats 1]

een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie),

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

althans een persoon, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte

opzettelijk dreigend (met) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

- een of meer malen heeft gestoken naar, althans in de richting van, de borst,

althans het lichaam, en/of arm(en) van die politieambtenaar/persoon, en/of

- ( vervolgens) op die politieambtenaar/persoon is afgelopen, en/of

(bovenhands) een of meer stekende bewegingen naar, althans in de richting

van, het hoofd en/of lichaam van die politieambtenaar/persoon heeft gemaakt,

en/of

(aldus) een voor die politieambtenaar/persoon dreigende situatie geschapen;

2.

hij op of omstreeks 15 juli 2014 te [pleegplaats 1]

een of meer politieambtenaren, te weten [slachtoffer 2] (aspirant van politie)

en/of [slachtoffer 3] (inspecteur van politie) en/of [slachtoffer 4] (brigadier van

politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar/hun bediening, althans een of meer personen,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft/is verdachte

opzettelijk dreigend (met) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

- een of meer malen gestoken naar, althans in de richting van, die

politieambtena(a)r(en)/perso(o)n(en), en/of

- vooruit gestoken (houdend) op die politieambtena(a)r(en)/perso(o)n(en)

afgelopen, en/of

- ( ongecontroleerd) om zich heen gezwaaid, en/of

- aan die politieambtena(a)r(en)/perso(o)n(en) getoond, en/of

(aldus) een voor die politieambtena(a)r(en)/perso(o)n(en) dreigende situatie

geschapen;

3.

hij op of omstreeks 15 juli 2014 te [pleegplaats 1]

opzettelijk en wederrechtelijk een deur (van [perceel]), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [coffeeshop], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op of omstreeks 15 juli 2014 te [pleegplaats 1]

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,259 gram amfetamine, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

(gevoegd parketnr. 18-203942-13)

hij op of omstreeks 09 november 2013 in [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3],

in elk geval in de gemeente [pleegplaats 3],

toen de aldaar dienstdoende opsporingsambtenaren [slachtoffer 5]

(hoofdagent van politie), [slachtoffer 6] (hoofdagent van politie), [slachtoffer 7] (agent

van politie) en/of [slachtoffer 8] (hoofdagent van politie) verdachte op verdenking

van het overtreden van artikelen 8.2.a Wegenverkeerswet 1994 en/of 162.3

Wegenverkeerswet 1994, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van

enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en

vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste te geleiden

voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een

plaats van verhoor, te weten een politiebureau,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner

bediening, door opzettelijk gewelddadig en/of dreigend

- zijn arm weg te trekken en/of te rukken en te trekken in een richting

tegengesteld aan die, waarin de opsporingsambtenaren [slachtoffer 5]

en/of [slachtoffer 6] verdachte trachtte(n) te geleiden en/of zich uit de greep

van die opsporingsambtenaren [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] los te

rukken en/of die opsporingsambtenaar [slachtoffer 5] (weg) te duwen,

en/of (vervolgens) zijn vuisten te ballen en/of (daarbij) agressief te

schreeuwen tegen/naar die opsporingsambtenaren [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]

[slachtoffer 6], en/of

- tegen die opsporingsambtenaren [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] te zeggen "Ik heb

jullie gezichten in mijn hoofd geprint. Ik ga jullie vinden en maak jullie

dood" en/of "Ik onthoud je gezicht, ik zoek je op, ik maak je dood, ik

verkracht je kinderen en maak ze dood", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde wijst de officier van justitie met name op de camerabeelden waarop is te zien dat verdachte het slachtoffer op een haar na heeft gemist met het mes.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde kon bij de politieambtenaren [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de redelijke vrees ontstaan dat zij zwaar letsel zouden oplopen dan wel dodelijk gewond zouden raken doordat verdachte dreigend met een mes heeft gezwaaid.

Ook ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, de vernieling de deur, wijst de officier van justitie op de camerabeelden. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde wijst de officier van justitie op het feit dat bij verdachte de amfetamine is aangetroffen. Verdachte heeft het onder 5 ten laste gelegde bekend.

Ten aanzien van het opzet heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

Hoewel verdachte volgens het psychiatrische rapport volledig ontoerekeningsvatbaar wordt geacht kan het opzet van verdachte op de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend worden bewezen. Er is geen sprake van een verdachte die totaal geen inzicht heeft in de reikwijdte van zijn gedragingen. Uit het psychiatrisch rapport blijkt onder meer dat verdachte zich het ten laste gelegde grotendeels kan herinneren en ook uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat verdachte zich deels herinnert wat er is voorgevallen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde, nu het opzet niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet aan te merken als gedrag dat is gericht op de dood. De stekende bewegingen van verdachte in de richting van het [slachtoffer 1] zijn niet van dien aard geweest dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood heeft aanvaard. Daarbij heeft de raadsvrouw er op gewezen dat de afstand tussen verdachte en [slachtoffer 1] ongeveer 5 meter bedroeg, de stekende bewegingen ter hoogte van de romp waren en dat [slachtoffer 1] een veiligheidsvest droeg.

Bij verdachte kan voorts geen sprake zijn van opzet omdat verdachte volledig heeft gehandeld onder invloed van een geestelijke stoornis en ieder inzicht van verdachte in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak.

Objectief gezien is er ook geen opzet op zware mishandeling, nu de bewegingen die verdachte met het mes in zijn hand heeft gemaakt niet tot gevolg konden hebben dat een ander zwaar gewond zou raken.

Aan de verklaringen van de verbalisanten kan in deze zaak niet de bijzondere bewijswaarde worden toegekend als bedoeld in artikel 344 lid 2 Sv, omdat zij als slachtoffers persoonlijk en emotioneel zijn betrokken bij de zaken.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven. Daarbij is ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Feiten 1 primair, 2 en 3.

Een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [slachtoffer 4] d.d. 16 juli 2014, opgenomen op p. 9 e.v. van het dossier met nr. 2014077242, d.d. 22 juli 2014, van Politie Eenheid Noord-Nederland, district Groningen,

Op 15 juli 2014 zag ik te [pleegplaats 4] dat de man in zijn rechterhand een mes had en dat hij met gestrekte arm het mes wijzende in de richting van de bijrijder [slachtoffer 3] rende. Ik zag dat de verdachte wederom op collega [slachtoffer 3] afrende met het mes nog steeds in zijn rechter hand. Ik zag dat de man met gestrekte arm en het mes gekeerd in de richting van collega [slachtoffer 3] rende. Ik hoorde de man daarbij de gehele tijd roepen en schreeuwen.

Ik zag vervolgens dat de verdachte nog steeds het mes in zijn rechter hand had en daarmee in onze richting gericht stond. Ik zag dat de verdachte met het mes in zijn rechterhand op ons af kwam stormen. Ik zag dat de verdachte ons op dat moment ook tot op een meter genaderd was en met zijn mes een stekende c.q hakende beweging richting ons bovenlichaam maakte.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 15 juli 2014, opgenomen op p. 42 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4]

Ik zag dat de man een mes in zijn rechterhand had. Ik zag dat het een vrij groot zilverkleurig mes was wat de man in zijn hand had. Ik zag dat de man met een gestrekte arm met daarin het mes, op de collega’s in de auto af rende.

Ter hoogte van de [hoek], zag ik dat de man met het mes in zijn gestrekte arm/hand hard op collega [slachtoffer 3] afliep. Ik zag dat [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) de deur van de [coffeeshop] probeerde te openen en dat er plots een arm/hand met daarin een zilverkleurig mes naar buiten kwam en stekende bewegingen om de deur heen maakte. Ik zag dat [slachtoffer 1] zijn linkerarm terugtrok van de deur om te voorkomen dat hij werd geraakt door het mes. Als [slachtoffer 1] zijn linkerarm niet weg had getrokken, had het mes hem zeker geraakt. In de [coffeeshop], zag ik dat de man ongeveer 4 a 5 meter voor mij stond met het mes voor zich in zijn handen. Ik hoorde dat de man schreeuwde en zwaaiende bewegingen maakte met het mes. Ik zag dat de man recht op ons af kwam lopen met het mes in zijn gestrekte hand. Dit was erg dreigend. De man bleef op ons af rennen met het mes in zijn hand. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar links wegdook. Ik ben in een reflex naar rechts weggedoken om de man en het mes te ontwijken. Ik denk dat de man op dat moment binnen een meter van mij af was. Ik weet zeker dat als ik niet was weggedoken, de man mij had gestoken met het mes. Ik zag namelijk dat de man met zijn linkerarm voor zijn gezicht op mij af kwam rennen. Ik zag dat de man hierbij stekende bewegingen maakte met het mes in zijn hand.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 15 juli 2014, opgenomen op p. 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1]

In de [coffeeshop] zie ik de verdachte staan met in zijn rechterhand het mes nog steeds vast. Met dit mes maakte hij stekende bewegingen in mijn richting. Het mes kwam tot ongeveer 20 cm voor mij. Ik heb mij achteruit bewogen en de deur snel dicht getrokken. Als ik dit niet had gedaan, had hij mij zeker met het mes geraakt. Ik zag en hoorde dat de verdachte met het mes meerdere keren op het glas stak. Bij de laatste keer brak de ruit. Er ontstond een ster in het glas. Toen ik de koffieshop binnen stapte zag ik dat de verdachte wilde steekbewegingen naar mij maakte. De verdachte raakte mij bijna met zijn mes.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 16 juli 2014, opgenomen op p. 46 e.v. in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2]

Ik zag dat [verdachte] een mes had van ongeveer 20 cm. Toen ik uit was gestapt zag ik dat [verdachte], zwaaiend met zijn mes, richting collega [slachtoffer 3] liep. Ik zag toen dat [verdachte] naar mij toe, stekende bewegingen maakte met het mes. Op dat moment was hij mij op ongeveer tweeënhalve (2 1/2) meter genaderd. Door het feit dat hij met zijn mes stekende bewegingen maakte en mij steeds dichter naderde voelde ik mij bedreigd. Ik zag dat hij langs mij liep en nog steeds stekende bewegingen richting mij maakte met zijn mes. Ik zag in de [coffeeshop] vervolgens dat [verdachte], door de kier van de deur, stekende bewegingen maakte met

zijn mes en hiermee collega [slachtoffer 1] probeerde te steken. Ik zag dat [verdachte] nog steeds stekende bewegingen maakte in de richting van collega [slachtoffer 1]. Zoals ik verklaarde werd ik door [verdachte] bedreigd met een mes. Hij maakte diverse keren stekende bewegingen in mijn richting. Tijdens deze stekende bewegingen met genoemd mes stond [verdachte] op een afstand van ongeveer twee en halve meter bij mij vandaan. Ik voelde me ernstig bedreigd.

Een proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 3] d.d. 16 juli 2014, opgenomen op p. 13 e.v. van voornoemd dossier

Toen ik uit het dienstvoertuig stapte kwam de man dreigend met zijn mes gericht op mij op mij af. Ik voelde me bedreigd en dacht dat de man mij zou neersteken. Iets verderop kwam de man met zijn mes in zijn hand in de richting van collega [slachtoffer 2] en mij gelopen. Ik zag dat de man coffeeshop de [coffeeshop] binnen ging. Ik zag dat collega [slachtoffer 1] naar binnen ging, vlak daarna gevolgd door collega [slachtoffer 4]. Ik zag dat de man zwaaiende en stekende bewegingen maakte met het mes.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 17 juli 2014, opgenomen op p. 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende ene beschrijving van de camerabeelden in coffeeshop de [coffeeshop].

00.08

seconden is zichtbaar dat de verdachte de voordeur opent en de coffeeshop binnenkomt. De verdachte heeft zichtbaar een mes in zijn rechterhand en draagt dit mes onderhands. Het lemmet van het mes steekt aan de duimzijde uit de hand van de verdachte.

00.42

seconden is zichtbaar dat de deur gedeeltelijk geopend wordt en dat er een geüniformeerde politieman de zaak inkijkt. De verdachte maakt bij de deureen zwaaiende beweging van zijn rechterarm waarin hij het mes nog op dezelfde wijze vast heeft in de richting van de politieman. De afstand is op dat moment ongeveer een halve meter en de stekende beweging is ongeveer op borst hoogte.

01.10

seconden is zichtbaar dat de verdachte met een zwaaiende beweging op borsthoogte naar de hand van de politieman steekt met het mes wat hij nog steeds op dezelfde wijze vast heeft. Kort daarna is te zien dat de verdachte met dit mes rechttoe insteekt op de deur en

op het glas van de deur. Dit doet hij meerdere keren achter elkaar.

01.17

seconden is zichtbaar dat de verdachte het mes tijdens het achteruitlopen met hulp van zijn linkerhand in zijn rechterhand overpakt van onderhands naar bovenhands. Hiermee komt het lemmet dus aan de pinkzijde uit zijn hand en waardoor het voor de verdachte mogelijk is om bovenhands te steken.

01.21

seconden is zichtbaar dat er twee politiemannen de coffeeshop binnen komen en de pepperspray in hun hand hebben. De verdachte loopt op de beide politiemannen af. De afstand tussen de politiemannen en de verdachte is op dat moment ongeveer 2.5 tot 3 meter en wordt alleen maar kleiner doordat hij in komt lopen op de politiemensen

01.23

seconden is zichtbaar dat de verdachte in loopt op de politieman en vervolgens een bovenhandse steekbeweging maakt met zijn rechterarm naar het hoofd/lichaam van de politieman die hem nog maar net kan ontwijken door zijdelings /achterwaarts te springen. De afstand van het mes en het hoofd/borst van de politieman is op dat moment slechts 20 tot 30 cm.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 15 juli 2014, opgenomen op p. 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige]

Op dinsdag 15 juli 2014 kwam via de voordeur van coffeeshop de [coffeeshop] te [pleegplaats 4] een manspersoon naar binnen. Ik zag meteen dat deze man een mes in zijn hand hield. Ik zag dat de man meerdere keren met het mes op de deur in stak. Ik zag dat hij de politieagent probeerde te raken met zijn mes. De man stak het mes om de deur heen, in de richting van de agent die aan de andere kant van de deur stond. Ook toen de agent binnenkwam maakte de man zwaaiende en stekende bewegingen richting de agent. Er is schade ontstaan aan het kozijn en er zitten nu krassen op liet raam. Deze schade is ontstaan omdat de man met een mes op liet raam en het kozijn instak.

Feit 4

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2014, als los document gevoegd bij voornoemd dossier

Tijdens de insluiting van verdachte [verdachte] is in zijn portemonnee zakjes met witte poeder, vermoedelijk verdovende middelen, aangetroffen. Ik, verbalisant [slachtoffer 4], heb deze goederen in beslag genomen. Deze zakjes zijn overgedragen aan FO.

Een proces-verbaal verdovende middelen d.d. 30 juli 2014, als los document opgenomen in voornoemd dossier

Op 28 juli 2014 ontvingen wij uit handen van het sporenbeheer te Assen een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen. De verdovende middelen zijn voorzien van een Spoor Identificatie Nummer (SIN): AAGW8203NL.

Het bovenstaande goed werd getest met de NMC Opiaten/Amfetamine test: positief op Amfetamine.

Een NFI rapport nr. 2014.08.04.003 d.d. 8 augustus 2014, opgemaakt door Ing. A.G.A. Sprong, opgenomen in voornoemd dossier

AAGW82O3NL: In totaal volgens opgave 1,259 gram, crèmekleurig poeder; aantal onderzocht: één-> bevat amfetamine.

Feit 5

Een proces-verbaal aanhouding d.d. 9 november 2013, opgenomen op p. 6 e.v. van dossier met nr. PL01PD 2013118965 d.d. 14 november 2013 van Politie Eenheid Noord-Nederland, district Groningen,

Verdachte had wegens het rijden onder invloed een rijontzegging tot 9 november 2013 tot 10:00 uur, dit in verband met de 505 ug/l die de verdachte had geblazen. De verdachte zou rijden in een Opel Astra caravan voorzien van het [kenteken]. Wij, verbalisanten, [slachtoffer 5], hoofdagent van politie, en [slachtoffer 6], hoofdagent van politie, zagen te [pleegplaats 2] het voertuig van verdachte rijden. Verdachte werd om 05.55 uur aangehouden wegens het rijden tijdens een rijverbod. Ik, verbalisant [slachtoffer 6], heb nogmaals een blaastest bij de verdachte afgenomen middels het voorselectie apparaat voor alcohol. Dit voorselectie middel gaf de indicatie “Alcohol”.

Ik, verbalisant [slachtoffer 5], heb de verdachte vervolgens bij zijn rechter arm gepakt en probeerde hier de handboeien aan te slaan. Echter op het moment van aanslaan van de handboeien trok de verdachte zijn arm naar binnen en pakte de handboeien vast. Wij verbalisanten probeerden hierop de verdachte die zich met kracht tegen zijn aanhouding verzette te fixeren op de motorkap van ons dienstvoertuig. De verdachte wist zich los te rukken en nam hierop een dreigende houding aan tegenover ons verbalisanten.

De verdachte gaf vervolgens een duw in de richting van mij, verbalisant [slachtoffer 5], en drukte mij hiermee tegen ons dienstvoertuig aan. De verdachte nam opnieuw een dreigende houding aan. Dit door middel van zijn vuisten te ballen en agressief te schreeuwen richting ons verbalisanten.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2013, opgenomen op p. 9 e.v. van voornoemd dossier

Wij, [slachtoffer 7], agent van politie, en [slachtoffer 8], hoofdagent van politie, waren aanwezig tijdens de aanhouding van [verdachte]. Wij hoorden dat de verdachte ons de gehele rit naar [pleegplaats 3] uitschold voor van alles en nog wat en ons tevens bedreigde met de dood. Wij hoorden dat de verdachte meerdere keren herhaalde: “Ik heb jullie gezichten in mijn hoofd geprint. Ik ga jullie vinden en maak jullie dood!” of woorden van gelijke strekking. Ik, verbalisant [slachtoffer 7], zat links achterin de dienstauto naast de verdachte. Ik zag dat de verdachte mij in de ogen keek en zei: “Ik onthoud je gezicht, ik zoek je op, ik maak je dood, Ik verkracht je kinderen en maak ze dood, je bent een kanker mongool.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in casu de dood - aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijke opzet zal, indien de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte heeft getracht aangever [slachtoffer 1] meerdere keren met een mes te steken op vitale lichaamsdelen. Verdachte heeft in coffeeshop de [coffeeshop] een bovenhandse steekbeweging gemaakt naar het hoofd/lichaam van aangever [slachtoffer 1]. De afstand tussen het mes en het hoofd/ de borst van aangever [slachtoffer 1] is op enig moment slechts 20 tot 30 centimeter. Deze gedraging van verdachte - te weten de stekende bewegingen met een mes op korte afstand van kwetsbare onderdelen van het menselijke lichaam, namelijk naar het hoofd en de borst van aangever - kan naar het oordeel van de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van aangever [slachtoffer 1] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Gelet op vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet had op de dood van aangever [slachtoffer 1].

Ten aanzien van het beroep van de de raadsvrouw op het ontbreken van opzet van verdachte in verband met zijn ernstige geestelijke stoornis stelt de rechtbank voorop dat een dergelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken (vgl. onder meer HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775). Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Het enkele feit dat de verdachte gedurende de psychose "ontoerekeningsvatbaar" was, sluit niet uit dat sprake is geweest van opzettelijk handelen. De rechtbank komt in dit geval tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte verkeerde in een toestand waarin hem elk inzicht in de reikwijdte van zijn handelen heeft ontbroken. Weliswaar verkeerde verdachte in een psychose, maar verdachte is niettemin in staat geweest zijn agressie jegens dan wel angst voor de politiemensen te vertalen in een met die agressie of angst te rijmen consistente reeks handelingen, te weten handelingen met een bedreigende of gewelddadige strekking gericht jegens die politiemensen. Van het geheel ontbreken van opzet is dan ook geen sprake.

De verklaringen van de verbalisanten kunnen naar het oordeel van de rechtbank voor het bewijs worden gebezigd. De verklaringen vinden niet alleen steun in onderlinge bevestiging van de inhoud daarvan maar worden tevens ondersteund door objectieve bewijsmiddelen te weten de camerabeelden en de verklaring van getuige De Knegt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is eveneens komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], meerdere keren met een mes heeft bedreigd.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 15 juli 2014 te [pleegplaats 4]

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een politieambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent van

politie), gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, van het leven te beroven, met dat opzet met een mes,

- heeft gestoken naar de borst, en

- ( vervolgens) op die politieambtenaar is afgelopen, en

bovenhands stekende bewegingen naar het hoofd en lichaam van die politieambtenaar heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 15 juli 2014 te [pleegplaats 4] politieambtenaren, te weten [slachtoffer 2] (aspirant van politie) en [slachtoffer 3] (inspecteur van politie) en [slachtoffer 4] (brigadier van

politie), gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (met) een mes,

- gestoken naar die politieambtenaren, en

- vooruit gestoken (houdend) op die politieambtenaren afgelopen, en

- ongecontroleerd om zich heen gezwaaid, en

- aan die politieambtenaren getoond, en

aldus een voor die politieambtenaren dreigende situatie geschapen.

3.

hij op 15 juli 2014 te [pleegplaats 4]

opzettelijk en wederrechtelijk een deur van [perceel],

toebehorende aan [coffeeshop], heeft beschadigd.

4.

hij op 15 juli 2014 te[pleegplaats 4]

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,259 gram amfetamine,

zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

5.

(gevoegd parketnr. 18-203942-13)

hij op 09 november 2013 in [pleegplaats 2],

toen de aldaar dienstdoende opsporingsambtenaren [slachtoffer 5]

(hoofdagent van politie), [slachtoffer 6] (hoofdagent van politie), [slachtoffer 7] (agent

van politie) en [slachtoffer 8] (hoofdagent van politie) verdachte op verdenking

van het overtreden van artikelen 8.2.a Wegenverkeerswet 1994 en 162.3

Wegenverkeerswet 1994, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en

vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau,

zich met geweld en bedreiging met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner

bediening, door opzettelijk gewelddadig en/of dreigend

- zijn arm weg te trekken in een richting

tegengesteld aan die, waarin de opsporingsambtenaren [slachtoffer 5]

en/of [slachtoffer 6] verdachte trachtten te geleiden en zich uit de greep

van die opsporingsambtenaren [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] los te

rukken en die opsporingsambtenaar [slachtoffer 5] (weg) te duwen,

en (vervolgens) zijn vuisten te ballen en daarbij agressief te

schreeuwen naar die opsporingsambtenaren [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], en

- tegen die opsporingsambtenaren [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] te zeggen "Ik heb

jullie gezichten in mijn hoofd geprint. Ik ga jullie vinden en maak jullie

dood" en "Ik onthoud je gezicht, ik zoek je op, ik maak je dood, ik

verkracht je kinderen en maak ze dood".

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair

poging tot doodslag

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen

4. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

5. Wederspannigheid

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch rapport d.d. 26 september 2014 opgemaakt door D.W. Oppedijk. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in dat verdachte lijdt aan een paranoïde vorm van schizofrenie en aan een afhankelijkheid van cannabis. Verder heeft betrokkene mogelijk kenmerken van diverse persoonlijkheidsstoornissen. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde waren de paranoïde vorm van schizofrenie en de afhankelijkheid van cannabis aanwezig. Mogelijk waren er ook kenmerken van diverse persoonlijkheidsstoornissen aanwezig. De paranoïde vorm van schizofrenie, de afhankelijkheid van cannabis en de mogelijke persoonlijkheidspathologie beïnvloedden verdachte 's gedagskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden. Door de paranoïde vorm van schizofrenie en de afhankelijkheid en het gebruik van cannabis was zijn besef van de realiteit afwezig. Geadviseerd wordt verdachte als (volledig) ontoerekeningsvatbaar te beschouwen met betrekking tot het feit waarvan hij verdacht wordt.

In het psychologisch rapport d.d. 9 september 2014, opgemaakt door H. Scharft, is aangegeven dat verdachte niet heeft willen meewerken aan het psychologische onderzoek. Uit het dossier zijn zeer sterke aanwijzingen gevonden dat er bij verdachte sprake is van ernstige psychiatrische problematiek.

De rechtbank is van oordeel, mede gelet op de toedracht van de feiten, de persoon van verdachte en de conclusie van de psychiater, dat verdachte ten tijde van het plegen van de onder 1 tot en met 4 bewezen verklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was en dat deze feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Met betrekking tot het onder 5 bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat verdachte toen niet in een wezenlijk andere psychische toestand verkeerde dan ten tijde van de onder 1 tot en met 4 bewezen verklaarde feiten.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte derhalve niet strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten en dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft gevorderd dat de rechtbank gelast dat verdachte voor een termijn van een jaar wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 37 Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, gepleit voor ontslag van alle rechtsvervolging op basis van de conclusie van het psychiatrische rapport, dat verdachte ontoerekeningsvatbaar kan worden geacht. Voor verdachte is oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis een te zwaar traject. Verdachte geeft de voorkeur aan een ambulante behandeling in Lentis te Winschoten.

Oordeel van de rechtbank

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard een poging doodslag op een politieambtenaar. Verdachte heeft met een mes stekende bewegingen gemaakt naar onder meer het hoofd van aangever [slachtoffer 1]. Aangever kon daarbij ternauwernood de steekbewegingen ontwijken. Het mag een wonder heten dat aangever daarbij niet dodelijk is verwond. Verdachte heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij zowel het slachtoffer als de omstanders. Dit blijkt ook uit de verklaring van het slachtoffer waarin hij aangeeft dat hij al 27 jaar werkzaam is geweest bij de politie maar dat hij nog nooit zo dichtbij en zo direct is bedreigd met de dood.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van politieambtenaren met meerdere messteken, bezit van amfetamine en verzet bij een aanhouding.

Verdachte heeft deze feiten alle gepleegd terwijl hij verkeerde in een psychotische toestand, waardoor de feiten niet aan hem kunnen worden toegerekend

In het hiervoor genoemde psychiatrische rapport wordt aangegeven dat het risico op herhaling van het bewezen verklaarde gedrag, als hoog wordt ingeschat, indien geen behandeling en begeleiding plaatsvindt. Vanwege de (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid adviseert de psychiater toepassing van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Naar verwachting biedt oplegging van deze maatregel voldoende mogelijkheden en tijd om de noodzakelijke behandeling te continueren binnen een daartoe aangewezen instelling met een beveiligingsniveau dat passend is bij de situatie van betrokkene. Een ambulante behandeling van verdachte binnen de psychiatrie dan wel de verslavingszorg is op dit moment geen reële optie vanwege het gewenste hoge zorgniveau. Omdat een vrijwillige klinische behandeling door verdachte niet gewenst lijkt te worden, resteert louter een gedwongen klinische behandelsetting. Daarnaast kan tijdens de klinische opname ook gewerkt worden aan zijn verslavingsproblematiek. Voorts kan een klinische opname worden gebruikt om verdachte te motiveren akkoord te gaan met een gedwongen ambulante behandeling in de toekomst.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden opgelegd voor de duur van één jaar. De rechtbank neemt in aanmerking dat is voldaan aan de daarvoor vereiste wettelijke voorwaarden, te weten dat het strafbare feit wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat de veiligheid van verdachte en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de maatregel eist.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37, 45, 57, 180, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4, en 5 ten laste gelegde bewezen en te kwalificeren zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1 primair, 2, 3, 4, en 5 is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor de termijn van één jaar.

Dit vonnis is gewezen door J.V. Nolta, voorzitter, H.L. Stuiver en P.H.M. Smeets, rechters, bijgestaan door mr. T.J. de Wind, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 november 2014.