Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5473

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
18.950047-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich ten overstaan van de politie en ter terechtzitting van 30 september beroepen op zijn zwijgrecht.

Namens verdachte is door zijn raadsman aangevoerd dat slechts wettig en overtuigend bewezen kan worden het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne in de periode van 13 mei 2014 tot 2 juli 2014.

Er is naar de mening van de raadsman onvoldoende bewijs uit het dossier te putten dat er daadwerkelijk eerder transacties hebben plaatsgevonden.

De rechtbank volgt dit betoog van de verdediging niet en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 juli 2013 tot en met 2 juli 2014 in de gemeente Emmen cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.950047-14

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 14 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 30 september 2014.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. G.H. Thasing, advocaat te Emmen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2013 tot en met 2 juli 2014, in elk geval in het jaar 2013 en/of het jaar 2014 (tot en met 2 juli 2012), te of bij Emmen, in ieder geval in de gemeente Emmen, en/of elders in het arrondissement Noord-Nederland, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Houwink acht hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

Hij vordert een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van de dagen in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 139 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, hetgeen mede zal inhouden een meldingsgebod en een alcohol- en drugsverbod.

Verder vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring van de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen/goederen, te weten een personenauto (merk Volkswagen, type Lupo, kenteken 20 KXP 7, kleur grijs), een mobiele telefoon (merk Nokia, kleur grijs), een mobiele telefoon (merk Samsung, kleur zwart) en een geldbedrag van € 271,50.

Bewijsmotivering

Verdachte heeft zich ten overstaan van de politie en ter terechtzitting van 30 september beroepen op zijn zwijgrecht.

Namens verdachte is door zijn raadsman aangevoerd dat slechts wettig en overtuigend bewezen kan worden het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne in de periode van 13 mei 2014 tot 2 juli 2014.

Er is naar de mening van de raadsman onvoldoende bewijs uit het dossier te putten dat er daadwerkelijk eerder transacties hebben plaatsgevonden.

De rechtbank volgt dit betoog van de verdediging niet en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 juli 2013 tot en met 2 juli 2014 in de gemeente Emmen cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De rechtbank baseert zich voor het bewijs van het tenlastegelegde feit op de verklaringen van de afnemers/gebruikers [getuige 1] (pag. 63 t/m 66), [getuige 2] (pag. 168 t/m 171) en [getuige 3] (pag. 203 t/m 206), de waarneming en bevindingen naar aanleiding van onderzoek naar telecommunicatie van de verbalisanten E. Hoogland (pag. 137 t/m 145, pag. 182 en 183) en R.J.van der Leest (pag. 193 en 194, pag. 207 en 208, pag. 226 en 227), de waarneming en bevindingen naar aanleiding van de verbalisanten bij gelegenheid van de observaties op respectievelijk 5 juni 2014 (pag. 107 t/m 109), 12 juni 2014 (pag. 111 t/m 115) en 2 juli 2014 (pag. 130 t/m 135), zoals opgenomen in het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Noord-Nederland, Districtsrecherche Drenthe, Unit Districtsrecherche Zuidoost, genaamd onderzoek Qubo, bestaande uit een 2-tal ordners, proces-verbaalnummer 2014048863, d.d. 19 augustus 2014 met bijlagen.

- Afnemer/gebruiker [getuige 1] verklaart op 2 juli 2014 ten overstaan van de politie (pag. 63 t/m 66) -kort samengevat- dat hij al 5 jaar drugs gebruikt, dat hij net voor € 50,00 cocaïne heeft gekocht van [verdachte], dat hij de drugs telefonisch heeft besteld, dat hij al een jaar lang cocaïne bij [verdachte] koopt, en dat [verdachte] in een grijze Lupo rijdt.

- Afneemster/gebruikster [getuige 2] verklaart op 3 juli 2014 ten overstaan van de politie (pag. 168 t/m 171) -kort samengevat- dat zij cocaïne gebruikt, dat zij op 2 juli 2014 voor € 40,00 cocaïne heeft gekocht van [verdachte], dat zij de drugs telefonisch heeft besteld, dat zij de afgelopen 2 à 3 weken drie keer cocaïne van [verdachte] heeft gekocht.

- Afnemer/gebruiker [getuige 3] verklaart op 8 juli 2014 ten overstaan van de politie s (pag. 203 t/m 206) -kort samengevat- dat hij al de afgelopen 8 maanden regelmatig cocaïne heeft gekocht van [verdachte].

Uit de door de afnemers ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen acht de rechtbank het -anders dan verdachtes raadsman heeft betoogd- aannemelijk geworden dat verdachte zich al medio juli 2013 met het handelen in en vervoeren van cocaïne heeft ingelaten.

De rechtbank neemt bij haar oordeelsvorming daarbij ook in ogenschouw de frequente, versluierde telecommunicatie van verdachte met zijn afnemers en het bij de insluitingsfouillering in de broekzak van verdachte aantreffen (zie proces-verbaal aanhouding pag. 42) van 9 gripzakjes met wit poeder, bevattende cocaïne (zie rapport NFI, pag. 238 en 239).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 juli 2013 tot en met 2 juli 2014 in de gemeente Emmen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet;

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsman van de verdachte; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 augustus 2014.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 180 dagen met aftrek van de dagen in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 139 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, hetgeen mede zal inhouden een meldingsgebod en een alcohol- en drugsverbod.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat hij zich kan vinden in het advies van de reclassering en in de eis van de officier van justitie, indien de rechtbank tot een veroordeling mocht komen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne, gedurende een periode van ongeveer 1 jaar.

Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen grote schade toebrengen aan het sociaal-maatschappelijk functioneren van diegenen die daaraan verslaafd zijn. Bovendien brengt de verslavingsproblematiek en de daarmee samenhangende criminaliteit van drugsgebruikers mee dat aan de maatschappij jaarlijks grote schade wordt berokkend. Verdachte heeft zich bewust ingelaten met de handel in verdovende middelen en heeft daarmee de verslaving van gebruikers en de geschetste, daaraan gerelateerde problematiek gefaciliteerd. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf verder rekening met de omvang van de handel in de verdovende middelen en de periode gedurende welke deze handel werd gevoerd, zoals hiervan uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.

Voorts heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat verdachte niet of nauwelijks zijn medewerking heeft verleend aan het opsporingsonderzoek.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank tenslotte rekening gehouden met de omstandigheden en achtergronden van de verdachte zoals omschreven in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 augustus 2014.

Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de officier van justitie niet in zijn eis volgen.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, en gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting, van oordeel dat aan verdachte dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur 180 dagen met aftrek van de dagen in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 139 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, hetgeen mede zal inhouden een meldingsgebod en een alcohol- en drugsverbod. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte tevens zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Motivering van de verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen voorwerpen/goederen, te weten: een personenauto, merk Volkswagen, type Lupo, kleur grijs en gekentekend

20-KXP-7, een mobiele telefoon, merk Nokia, kleur grijs, een mobiele telefoon, merk Samsung, kleur zwart, een geldbedrag van € 271,50, vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren, en met behulp van deze voorwerpen de feiten zijn begaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 33a, 33b, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit 120 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan een gedeelte groot 139 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

De rechtbank beveelt, dat het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering Nederland tot toezicht op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden overeenkomstig artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het wetboek van strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen 14 dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden zal melden bij Reclassering Nederland te Assen en zich zal houden aan alle hem door de reclassering te geven aanwijzingen, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde, en zich gedurende door de reclasseringsorganisatie bepaalde perioden zal blijven melden zo frequent als de reclassering deze perioden nodig acht;

- zich volledig zal onthouden van het gebruik van drugs en alcoholhoudende drank;

- zal meewerken aan eventuele controles op het gebruik van drugs en/of alcohol, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

De rechtbank verklaart verbeurd de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen/goederen, te weten: een personenauto, merk Volkswagen, type Lupo, kleur grijs en gekentekend 20-KXP-7, een mobiele telefoon, merk Nokia, kleur grijs, een mobiele telefoon, merk Samsung, kleur zwart, een geldbedrag van € 271,50.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. J.J. Schoemaker, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 14 oktober 2014.