Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5468

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
C-17-137083 - FJ RK 14-966
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming medische behandeling.

Minderjarige ouder dan 12 jaar.

Kinderrechter anticipeert op toekomstig artikel 1:265h BW.

Minderjarige niet in staat tot redelijke waardering van haar belangen vanwege onder meer PTSS.

Kinderrechter volgt raadsman niet in zijn betoog dat alleen verstandelijk beperkte minderjarigen niet in staat zijn tot een redelijke waardering van belangen.

Behandeling PTSS is medische behandeling in de zin WGBO.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 264
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 450
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0330
GJ 2015/37 met annotatie van mr. dr. J.H.H.M. Dorscheidt
JPF 2015/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

clusternummer: 7878

zaak-/rekestnummer: C/17/137083 / FJ RK 14-966

beschikking van de kinderrechter d.d. 5 november 2014

vervangende toestemming medische behandeling ex art 1:264 BW

inzake

het verzoekschrift van de Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland, verder te noemen: de stichting,

met betrekking tot

de minderjarige:

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

De kinderrechter merkt naast de minderjarige als belanghebbenden aan:

vader: [de vader], gezag,

moeder: [de moeder], gezag.

1 Het procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 19 september 2014, heeft de stichting verzocht, op grond van artikel 1:264 BW vervangende toestemming te verlenen voor een medische behandeling van de minderjarige.

1.2.

Op 17 oktober 2014 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn daarbij:

namens de stichting: mevrouw K. Potgieter en mevrouw W. Setz-de Hoo,

vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. G.J.P.M. Grijmans,

[de minderjarige].

2 De feiten

2.1

Bij beschikking van de kinderrechter van 14 mei 2014 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige uitgesproken ingaande 14 mei 2014 tot 14 mei 2015.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 31 oktober 2014 is machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een residentiële voorziening verleend, ingaande 31 oktober 2014 tot 14 mei 2015.

2.3.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ouders met het ouderlijk gezag over de minderjarige zijn belast.

3 De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan

3.1.

De stichting verzoekt vervangende toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige [de minderjarige]. De stichting heeft daartoe het volgende aangevoerd. [de minderjarige] is in de zomerperiode, samen met haar broertjes, zusjes en moeder, door een team van specialisten (waaronder een psychiater) van [het behandelcentrum], gedurende drie weken dagelijks van 09.00 tot 15.00 uur onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken is dat in het gezin, waarvan [de minderjarige] deel uitmaakt, jarenlang huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, waarbij [de minderjarige], en de andere tot het gezin behorende kinderen, lichamelijk zijn mishandeld en chronisch emotioneel zijn verwaarloosd. Vast staat dat in ieder geval twee meisjes in het gezin seksueel zijn misbruikt door een oudere broer. Daarnaast zijn er sterke vermoedens van seksueel misbruik door andere mensen in het netwerk ten tijde van het verblijf van het gezin in [het buitenland]. De stichting maakt zich ernstig zorgen over [de minderjarige]. Zij is door [het behandelcentrum] onder andere gediagnosticeerd met PTSS en traumatisering door seksueel misbruik. Zij vertoont depressieve klachten en stiekem gedrag (stelen), heeft suïcidale gedachten en een zeer vermijdende copingstijl. Bovendien zijn er zorgen over het eetgedrag van [de minderjarige] en zijn er vermoedens van seksueel actief gedrag. Zij heeft behandeling nodig om een verdere bedreiging in haar ontwikkeling te voorkomen. [het behandelcentrum] heeft psycho-educatie (depressie en trauma), gevolgd door enerzijds stabilisatie voor traumabehandeling en anderzijds depressiebehandeling (cognitieve gedragstherapie op grond van evident negatieve kerncognities van [de minderjarige], of zo nodig een combinatie van psychotherapie en farmacatherapie) voor haar geadviseerd. Geadviseerd wordt om [de minderjarige] hiertoe op te nemen in een behandelwoongroep van[de residentiële instelling]. Ook kan nader onderzoek naar eventuele zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornissen geïndiceerd zijn. De stichting heeft het advies van [het behandelcentrum] overgenomen. Moeder heeft ingestemd met de geadviseerde behandeling. Vader weigert echter zijn toestemming voor noodzakelijke behandeling te verlenen.

3.2.

Namens en door vader is primair gesteld dat de orthopedagoog, mevr. drs. [X] van [het behandelcentrum], die de regie met betrekking tot het door [het behandelcentrum] uitgevoerde onderzoek lijkt te hebben, geen medicus is en derhalve geen diagnose kan stellen, op grond waarvan vader verzoekt de stichting niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek. Namens vader is subsidiair bepleit om het verzoek af te wijzen. De raadsman wijst er op dat [de minderjarige] ouder is dan 12 jaar. Het verzoek van de stichting is volgens de raadsman dan ook gedaan op grond van een verkeerd wetsartikel (artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Verder is aangevoerd dat [de minderjarige] zelf in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen, nu zij niet verstandelijk beperkt is, zodat een analoge toepassing van dit artikel niet aan de orde kan zijn. Voorts voert hij aan dat geen sprake is van een medische behandeling, maar van een orthopedagogische. Vader heeft bovendien absoluut geen vertrouwen in de stichting. Hij wordt door hen als een crimineel behandeld en wordt niet betrokken bij de situatie van [de minderjarige].

3.3.

De kinderrechter overweegt dat indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, deze toestemming ingevolge artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van een stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, kan worden vervangen door die van de kinderrechter.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:450 van het BW is voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst de toestemming van de patiënt vereist. Voor de minderjarige in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar geldt dat naast zijn toestemming ook de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen, vereist is. Als de minderjarige, na weigering van de toestemming van die ouder(s), de verrichting weloverwogen blijft wensen, kan die verrichting zonder die toestemming worden uitgevoerd. Er is echter een lacune voor zover het betreft de minderjarige die ouder dan twaalf jaar is, maar niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn om een minderjarige, die ouder is dan twaalf jaar, in een nadeliger positie te brengen dan een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt. De wetgever is overigens voornemens om voor deze situatie bij de aanstaande herziening van kinderbeschermingsmaatregelen een regeling te treffen. Gelet hierop acht de rechtbank zich dan ook bevoegd om, vooruitlopend op de nieuwe wetgeving (het toekomstige artikel 1:265h BW) en met analoge toepassing van artikel 1:264 van het BW, vervangende toestemming voor een medische behandeling te geven, indien het geval zich voordoet dat een gezaghebbende ouder toestemming weigert, de minderjarige twaalf jaar of ouder is en niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is en de medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige te voorkomen.

De kinderrechter overweegt dat [de minderjarige] tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft aangegeven dat zij eerst haar examenjaar af wil ronden en daarom niet wil verblijven in een behandelwoongroep van [de residentiële instelling] en dat zij ambulant behandeld wil worden. De kinderrechter is anders dan de raadsman van oordeel dat het niet in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen zich niet beperkt tot minderjarigen die verstandelijk beperkt zijn. In onderhavig geval is naar het oordeel van de kinderrechter sprake van een situatie dat [de minderjarige] niet is staat is tot een redelijke waardering van haar belangen. Onder de gegeven omstandigheden waarbij de ouders van mening verschillen over de noodzaak van de behandeling, bij [de minderjarige] onder meer sprake is van een forse onbehandelde chronische vroegkinderlijke traumatisering (diagnose posttraumatische stressstoornis, chronisch), haar probleeminzicht nog onvolledig is en zij vermijdend is ten aanzien van de problematiek, is de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige] niet in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen, en derhalve ter zake wilsonbekwaam is. De kinderrechter acht zich dan ook bevoegd om op het verzoek te beslissen.

3.4.

De raadsman heeft voorts betoogd dat geen sprake is van een medische behandeling als bedoeld in Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Volgens de raadsman is sprake van een orthopedagogische behandeling en kan deze niet worden aangemerkt als een medische behandeling gelijk de kinderrechter te Rotterdam heeft beslist op 4 oktober 2012, LJN:BX9923.

De kinderrechter overweegt dat voor een uitleg van het begrip medische behandeling aansluiting dient te worden gezocht bij de begripsomschrijving daaromtrent in de WGBO. Artikel 7:446 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder handelingen op het gebied van de geneeskunst wordt verstaan alle verrichtingen – het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen – ertoe strekkende een persoon van een ziekte te genezen, een persoon voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen.

Anders dan in de door de raadsman aangehaalde beschikking, betreft het hier geen behandeling gericht op een gedragsverandering bij de minderjarige, maar een behandeling gericht op (onder meer) de door [het traumacentrum] van [het behandelcentrum] vastgestelde posttraumatische stressstoornis en chronische klachten van depressieve aard. De kinderrechter stelt vast dat de door de stichting bedoelde behandelingen kunnen worden aangemerkt als medische behandelingen in de zin van de WGBO, dit geldt eveneens voor het door [het behandelcentrum] in het kader van de behandeling noodzakelijke geachte uitgebreide intelligentieonderzoek.

3.5.

De kinderrechter gaat voorbij aan de stelling van de raadsman waarbij hij de diagnose betwist, nu deze volgens hem niet door een arts maar door een GZ-psycholoog/orthopedagoog is gesteld. Uit de door de stichting ter zitting gegeven toelichting en de brief van [het traumacentrum] van Fier Fryslân van 2 september 2014 blijkt dat de diagnose tot stand is gekomen na een dagbehandeling gedurende drie weken, waarbij meerdere deskundigen (waaronder een GZ-psycholoog en een psychiater) waren betrokken. De kinderrechter ziet in de verder niet onderbouwde stelling van de raadsman geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de diagnose.

De kinderrechter is voorts van oordeel dat op grond van de door [het traumacentrum] van [het behandelcentrum] gestelde diagnose voldoende duidelijk is dat de gevraagde behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [de minderjarige] te voorkomen. [de minderjarige] is met een machtiging uithuisplaatsing geplaatst bij [de residentiële instelling] op de groep [A]. De kinderrechter heeft recent bij beschikking van 31 oktober 2014 de hierop gerichte machtiging tot uithuisplaatsing verlengd. Naar het oordeel van de kinderrechter is het noodzakelijk dat [de minderjarige] gedurende haar verblijf bij [de residentiële instelling] ook de voor haar noodzakelijke behandeling krijgt.

3.6.

Voor zover het verzoek ziet op het geven van vervangende toestemming voor de behandeling gericht op de depressie, is de kinderrechter van oordeel dat thans onvoldoende de noodzaak is gebleken voor behandeling bestaande uit een combinatie van psychotherapie en farmacotherapie. Dit dient immers, zo verstaat de kinderrechter, afhankelijk van het verloop van de behandeling nog nader te worden bepaald. Het verzoek dient in zoverre dan ook te worden afgewezen.

4 De beslissing

De kinderrechter:

4.1.

verleent vervangende toestemming tot de verzochte medische behandeling, bestaande uit psycho-educatie (depressie en trauma), stabilisatie voor traumabehandeling, depressiebehandeling (cognitieve gedragstherapie), traumabehandeling en een uitgebreid intelligentieonderzoek, betreffende de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats];

4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jukema-Teertstra, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 315)

Van deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen.

Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!