Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5461

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
18.930117-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Door het zenden van seksuele handelingen naar het slachtoffer en haar te bewegen tot het verrichten van seksuele handelingen bij haar zelf, heeft verdachte niet alleen op onaanvaardbare wijze inbreuk gemaakt op de fysieke integriteit van het slachtoffer maar heeft verdachte ook mogelijk de kiem gelegd voor psychische problemen voor het slachtoffer in de toekomst. Verdachte heeft door te handelen zoals hij heeft gedaan de kwetsbare positie van het slachtoffer uitgebuit uitsluitend ter bevrediging van zijn eigen lusten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 240a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930117-14

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 14 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

postadres [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 30 september 2014.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. D. Jakobs, advocaat te Emmen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 22 oktober 2013 tot en met 27 oktober 2013 te in de gemeente(n) Zwartewaterland en/of Emmen, althans in Nederland, (telkens)[slachtoffer], van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele

handelingen, hebbende verdachte (telkens) met behulp van (een) mobiele telefoon(s), althans van digitale apparatuur, die [slachtoffer] een filmpje getoond en/of verstrekt en/of aangeboden waarop zichtbaar was dat iemand zich aan het aftrekken was;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 22 oktober 2013 tot en met 27 oktober 2013 te in de gemeente(n) Zwartewaterland en/of Emmen, althans in Nederland, (telkens) een afbeelding en/of filmpje, een voorwerp en/of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding en/of filmpje waarvan de vertoning schadelijk was te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, heeft verstrekt, aangeboden en/of vertoond aan de minderjarige[slachtoffer], van wie hij (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan zestien jaar, hebbende verdachte (telkens) met behulp van (een) mobiele telefoon(s), althans van digitale apparatuur, die [slachtoffer] een filmpje verstrekt, aangeboden en/of vertoond, waarop zichtbaar was dat iemand zich aan het aftrekken was;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 22 oktober 2013 tot en met 27 oktober 2013 te in de gemeente(n) Zwartewaterland en/of Emmen, althans in Nederland, (telkens) als degene die wist of ernstige reden had om te vermoeden dat een afbeelding en/of filmpje of voorwerp aanstotelijk voor de eerbaarheid was, zijnde die afbeelding en/of filmpje/dat voorwerp (telkens) een filmpje waarop zichtbaar was dat iemand zich aan het aftrekken was, die afbeelding en/of filmpje/dat voorwerp (telkens) aan [slachtoffer], anders dan op haar verzoek, heeft toegezonden;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlasteleggingen worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. B.D. van der Burg, acht hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd wettig en over bewezen.

De officier van justitie vordert dat de rechtbank verdachte voor dit feit zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 61 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering hetgeen mede een meldplicht en een ambulante behandeling bij de AFPN, en/of Trajectum zal inhouden.

Verder vordert de officier van justitie de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 893,99 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vrijspraak

De verdachte dient van het hem primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit feit, evenals de verdachte, diens raadsvrouw en anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Artikel 248d stelt het seksueel corrumperen van minderjarigen beneden de zestien jaar strafbaar. Van seksueel corrumperen is sprake wanneer een minderjarige beneden de zestien jaar wordt uitgenodigd daadwerkelijk door de dader uitgevoerde seksuele handelingen te aanschouwen of bij te wonen. Het moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook gaan om daadwerkelijk door de dader uitgevoerde handelingen. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen om te kunnen bewijzen dat de toegezonden filmbeelden door verdachte seksuele handelingen van hem zelf betroffen.

Een uitnodiging om filmbeelden of andersoortig (digitaal) materiaal te aanschouwen valt onder de delictsomschrijving van artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht.

Met de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het subsidiair tenlastegelegde wel kan worden bewezen.

Bewijsmiddelen

Nu verdachte, hetgeen de rechtbank ten aanzien van het tenlastegelegde bewezen zal verklaren, niet heeft weersproken en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

De rechtbank hanteert voor het bewijs van het subsidiair tenlastegelegde de navolgende bewijsmiddelen:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 september

2014.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Eenheid Noord- Nederland, District Zuidwest, Basiseenheid Hoogeveen/Midden Drenthe, proces-verbaalnummer PL033V-2013093157, d.d. 20 mei 2014 met bijlagen, opgemaakt door Jeanette Bult, hoofdagent en bevoegd zedenrechercheur van Politie Drenthe, onder meer inhoudende:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van Regiopolitie IJsselland, Tactische Recherche, proces-verbaalnummer PL04RE 2013090997-1 d.d. 31 oktober 2013, houdende de verklaring van [aangeefster], wonende te Hasselt, namens haar dochter [slachtoffer], (pagina’s 12 t/m 18);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van Regiopolitie IJsselland, Tactische Recherche, proces-verbaalnummer PL04RE 2013090997-5 d.d. 31 oktober 2013, houdende de verklaring van de [getuige], wonende te Hasselt (pagina’s 20 t/m 23);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van Politie Drenthe, Regiopolitie Groningen, proces-verbaalnummer PL0100-2013093157-4 d.d. 21 februari 2013, houdende het studioverhoor van [slachtoffer], (pagina’s 29 t/m 53);

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 22 oktober 2013 tot en met 27 oktober 2013 te in Nederland, telkens een afbeelding en/of filmpje, waarvan de vertoning schadelijk was te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, heeft verstrekt, aan de minderjarige [slachtoffer], van wie hij telkens wist dat deze jonger was dan zestien jaar, hebbende verdachte telkens met behulp van een mobiele telefoon, die [slachtoffer] een afbeelding en/of filmpje verstrekt, waarop zichtbaar was dat iemand zich aan het aftrekken was.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het subsidiair bewezen geachte levert de volgende kwalificatie op:

Een afbeelding, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de

leeftijd van zestien jaar, vertonen aan een minderjarige van wie de dader redelijkerwijs

moet vermoeden dat deze jonger is dan zestien jaar, meermalen gepleegd.

strafbaar gesteld bij artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 augustus 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.

De officier van justitie heeft voor het primair tenlastegelegde feit gevorderd een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 61 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering hetgeen mede een meldplicht en een ambulante behandeling bij de AFPN, en/of Trajectum zal inhouden.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich voor wat betreft de op te leggen straf, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt verder als volgt:

Het aan de verdachte verwetene is strafbaar, omdat dit handelingen betreffen, waarbij de geldende sociaal-ethische norm, voortvloeiende uit het bepaalde in artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht, ruimschoots wordt overschreden.

Door het zenden van seksuele handelingen naar het slachtoffer en haar te bewegen tot het verrichten van seksuele handelingen bij haar zelf, heeft verdachte niet alleen op onaanvaardbare wijze inbreuk gemaakt op de fysieke integriteit van het slachtoffer maar heeft verdachte ook mogelijk de kiem gelegd voor psychische problemen voor het slachtoffer in de toekomst. Verdachte heeft door te handelen zoals hij heeft gedaan de kwetsbare positie van het slachtoffer uitgebuit uitsluitend ter bevrediging van zijn eigen lusten.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de slachtofferverklaring van de vader van het slachtoffer waaruit de rechtbank duidelijk is geworden dat verdachtes handelen ook veel verdriet heeft veroorzaakt bij de vader en de moeder van het slachtoffer.

In beginsel is op grond van de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden.

De rechtbank houdt echter ook rekening met de bevindingen van de psychiater J.M. Westenbroek die de verdachte in zijn briefrapport van 19 augustus 2014 typeert als een verstandelijk beperkte man die door zijn handicap niet volledig het overzicht heeft over de reikwijdte van zijn handelen. Hij heeft al jaren begeleiding van de zorggroep Vitez en is vanwege het onderhavige tenlastegelegde aangemeld bij de AFPN en Trajectum voor behandeling gericht op zijn seksualiteit.

Bovendien zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheden van de verdachte zoals omschreven in het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 19 september 2014.

De rechtbank acht in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden de deels voorwaardelijk straf, met de bijzondere voorwaarden, zoals door de officier van justitie gevorderd passend en geboden.

Benadeelde partij, de ouders van[slachtoffer]

De ouders van de benadeelde partij hebben een vordering tot vergoeding van geleden schade ingediend ten bedrage van € 1.643,99, bestaande uit een bedrag van € 143,99 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,00, aan immateriële schade.

Ter terechtzitting van 30 september 2014 heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering voor wat betreft het immateriële gedeelte verminderd tot een bedrag van

€ 1.000,00 en haar vordering voor wat betreft het materiële deel gehandhaafd op het bedrag van € 143,99, zodat thans nog een bedrag van € 1.143,99 wordt gevorderd.

De officier van justitie vorderde tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 893,99.

De raadsvrouw van verdachte verzocht de rechtbank rekening te houden met het feit dat bij het plegen van de feiten geen sprake is geweest van dwang en dreiging, terwijl de vordering daar kennelijk wel is opgestoeld.

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de materiële en immateriële schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering voor wat betreft het materiële gedeelte acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt.

De onderbouwing van de vordering voor wat het immateriële gedeelte is echter gebaseerd op andere situaties, namelijk waar sprake van dwang of dreiging is.

De vordering voor dat gedeelte acht de rechtbank tot een bedrag van € 500,00 voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot een bedrag van € 643,99 voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal het meer of anders gevorderde aan immateriële schade afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. de ouders van [slachtoffer]

Met betrekking tot de in het bewezen verklaarde acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot een bedrag van € 643,99 aansprakelijk voor de schade, die door dat strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit 40 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 61 dagen, waarvan een gedeelte groot 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank beveelt, dat het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot toezicht op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden overeenkomstig artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het wetboek van strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen veertien werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de Reclassering Nederland, Nijlandstraat 147-155 te Assen, telefoon 050-3188188, en zich hierna blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit tijdens de proeftijd noodzakelijk acht;

- meewerkt aan een behandeling voor zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag door de AFPN en/of door Trajectum of door soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering en waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling en of behandelaar zullen worden gegeven.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, de ouders van [slachtoffer] van de som van € 643,99 ter zake schade, bestaande uit een bedrag van € 143,99 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank wijst af het meer of anders gevorderde aan immateriële schade.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 643,99 ten behoeve van het slachtoffer, de ouders [slachtoffer], bij gebreke van betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voor-meld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. J.J. Schoemaker, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 14 oktober 2014.