Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5456

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
77738 - HA ZA 06-636
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Samenlevingsovereenkomst, verrekening overwaarde woning, hooguit nominale vergoedingsplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: C/17/129644 / HA ZA 13-280

vonnis van de enkelvoudige kamer d.d. 3 september 2014

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P. van Bommel, kantoorhoudende te Franeker,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats ],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P. Bollema, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- de comparitie van partijen, gehouden op 10 juli 2014.

1.2.

Ter comparitie zijn partijen en hun advocaten verschenen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond van mei 1994 tot halverwege 2011.

2.2.

Op 10 mei 1999 hebben partijen bij notariële akte een samenlevingsovereenkomst gesloten (verder: de samenlevingsovereenkomst).

2.3.

In de samenlevingsovereenkomst is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

"Huishouding.

Artikel 1.

1.a. Uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding worden gedaan ten laste van een gemeenschappelijke bank en/of girorekening en/of kas, waartoe maandelijks of wekelijks door ieder een bedrag beschikbaar wordt gesteld. Tenzij anders wordt overeengekomen, worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders netto inkomsten uit arbeid.

(…)

Jaarlijkse verrekening overgespaarde inkomsten.

Artikel 1.a.

1. Partijen verplichten zich jegens elkaar jaarlijks ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun inkomsten uit arbeid niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede is gekomen.

(…)

Levensverzekering en dergelijke.

Artikel 2.

Premies en koopsommen van een levensverzekering (daaronder een ongevallenverzekering begrepen) en al hetgeen overigens in dit verband wordt verschuldigd, vallen niet onder de kosten van de huishouding, maar worden gedragen door degene die deze is verschuldigd. Deze premies en koopsommen zijn en blijven voor rekening van de premieplichtige, ook in geval van verrekening van inkomsten als bedoeld in artikel 1.a.

(…)

Woning in eigendom.

Artikel 4.

1. In geval een door partijen gezamenlijk te bewonen woning wordt gekocht, zal deze zo mogelijk door hen gemeenschappelijk in eigendom worden verkregen, ieder voor de helft. In dat geval zullen zij, voorzover redelijkerwijs mogelijk, in het bij gelegenheid van de aankoop uit eigen middelen te financieren bedrag, ieder voor de helft bijdragen. Indien niet gelijkelijk wordt bijgedragen, ontstaat voor degene die méér dan de ander bijdraagt, een renteloze vordering ter vergoeding, opeisbaar bij vervreemding van de woning (waronder begrepen economische eigendomsoverdracht) en bij het einde van de samenwoning, alsmede bij faillissement van de schuldenaar of diens surséance van betaling.

(…)

Roerende zaken.

Artikel 5.

1. Indien roerende zaken voor gezamenlijk rekening zijn verkregen zullen deze door partijen als gemeenschappelijke eigendom worden aangemerkt. Voorzover nodig, worden deze reeds bij voorbaat voor de helft aan de ander in eigendom overgedragen.

2. In alle gevallen waarin tussen partijen verschil van mening bestaat over de eigendom van een roerende zaak en geen van beiden het eigen recht daarop kan bewijzen, wordt die roerende zaak geacht gemeenschappelijk eigendom te zijn, ieder voor de helft.

(…)

Partnerpensioen.

Artikel 9.

Partijen wijzen elkaar over en weer aan als gerechtigde tot het partnerpensioen indien de

pensioenregeling waaraan partijen deelnemen, hiertoe de mogelijkheid biedt. Partijen

accepteren deze wederzijdse aanwijzing bij deze.

(…)

Einde van de samenleving anders dan door overlijden.

Artikel 10.

(…)

3.a. Indien de redelijkheid dit gebiedt is degene die de bewoning voortzet verplicht een redelijke financiële bijdrage te leveren aan verhuis- en herinrichtingskosten van de ander, zo nodig vast te stellen door de kantonrechter.

b. De (contante) waarde van het spaardeel van de eventuele polis van levensverzekering, gesloten in verband met de financiering van de woning, zal tussen partijen gelijkelijk worden verdeeld.

(…)

Artikel 11.

Deze overeenkomst wordt ontbonden doordat de samenleving van partijen eindigt (…).

(…)

De comparanten verklaarden tenslotte:

1. dat hun gemeenschappelijke goederen de volgende zijn:

alle inboedelgoederen, waaronder die welke, met aanduiding van hun herkomst, zijn vermeld op een aan deze akte te hechten lijst, alsmede de op die bijlage als gemeenschappelijk vermelde vervoermiddelen.

2. dat hun persoonlijke goederen zijn: die welke uit hun aard persoonlijk zijn en de goederen vermeld op de aan deze akte te hechten lijst."

2.4.

Aan de samenlevingsovereenkomst is een bewijsovereenkomst gehecht. Daarin is

- voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

"Bewijsovereenkomst

[de man] (…) heeft bij het aangaan van het samenlevingscontract met mevrouw [de vrouw] in eigendom:

- de woning aan [adres woning];

- een schuld wegens hypothecaire geldlening jegens de RVS Levensverzekering N.V., in hoofdsom groot NLG 138.000,--;

(…)

[de vrouw] (…), heeft bij het aangaan van het samenlevingscontract met de heer [de man] in eigendom:

(…)"

2.5.

De woning aan [adres woning] (verder: de woning) is alleen op naam van de man gesteld.

2.6.

Ten tijde van het aangaan van de samenlevingsovereenkomst is de oorspronkelijk op de woning rustende hypothecaire schuld overgesloten en uitgebreid met een kredietfaciliteit onder hypothecair verband. Op grond van de betreffende notariële hypotheekakte zijn partijen beide hoofdelijk aansprakelijk voor die schuld aan RVS Levensverzekering N.V.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

In conventie heeft de vrouw - samengevat - gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. de man veroordeelt om aan haar te voldoen:

1. de helft van de waarde van de diverse vermogensbestanddelen die de man in eigendom heeft;

2. een nader in rechte te bepalen vergoeding voor de verhuis- en inrichtingskosten;

3. de eventuele kosten van de tenuitvoerlegging van de sub a. en b. gevraagde beslissingen, voor zover die door de man worden veroorzaakt;

b. althans in goede justitie een verdeling van de gemeenschap van goederen bepaalt, met veroordeling van de man tot medewerking aan die verdeling, met toescheiding van een in goede justitie te bepalen onderbedelingsbedrag aan de vrouw, te vermeerderen met wettelijke rente en op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

In reconventie heeft de man - kort gezegd - gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de vrouw veroordeelt afschriften over te leggen van al haar bankrekeningen, waaronder die met bankrekeningnummer [A], vanaf 1 januari 1999 tot heden, en - indien de vrouw daaraan niet voldoet - voor recht verklaart dat het overgespaarde inkomen van de vrouw dient te worden bepaald op € 115.200,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

b. de vrouw veroordeelt tot betaling van de helft van de (te taxeren) waarde van de inboedel;

c. van diverse vermogensbestanddelen bepaalt dat deze alleen aan de man in eigendom toebehoren, althans een beslissing neemt over de verrekening van de waarde daarvan.

3.3.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd tegen elkaars vorderingen. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De standpunten en de beoordeling daarvan in conventie en in reconventie

4.1.

Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de rechtbank deze gezamenlijk beoordelen. Gelet op wat tijdens de comparitie aan de orde is gesteld, alsmede de inhoud van het dossier, overweegt de rechtbank het volgende.

- de peildatum

4.2.

Partijen zijn het er over eens dat 19 december 2011 als peildatum moet worden aangemerkt. Onduidelijk is of zij van mening zijn of de peildatum geldt voor zowel de omvang als de waardering van het te verdelen en/of te verrekenen vermogen. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat onderscheid gemaakt moet worden tussen vermogensbestanddelen die:

a. gezamenlijk eigendom zijn van partijen;

b. eigendom zijn van één van partijen, maar waarvan de waarde op grond van de samenlevingsovereenkomst ter verrekening staat.

Voor de eerste categorie (a.) geldt als hoofdregel dat als peildatum voor de vaststelling van de waarde van deze bestanddelen moet worden uitgegaan van het moment van feitelijke verdeling. Voor de tweede categorie (b.) geldt op grond van artikel 11 van de samenlevingsovereenkomst het moment van ontbinding daarvan - te weten 19 december 2011 - als peildatum voor de waardering. De rechtbank zal in beginsel het voorgaande als uitgangpunt nemen.

- de samenlevingsovereenkomst

4.3.

Partijen geven ieder een andere uitleg aan (de bepalingen uit) de samenlevings-overeenkomst. De vrouw stelt - kort gezegd - dat partijen voor ogen stond om een volledig gezamenlijke huishouding te voeren en alle bezittingen, waaronder de woning, tot gezamenlijk eigendom te maken. Volgens de vrouw komt haar dan ook de helft van de waarde van alle bezittingen toe. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Volgens hem hebben partijen nooit de bedoeling gehad om al hun bezittingen gezamenlijk te maken.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag hoe de verhouding van partijen is geregeld in de samenlevingsovereenkomst, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen uit die overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken zouden hebben, gelezen in de context van de schriftelijke overeenkomst als geheel, bij de uitleg daarvan echter vaak wel van groot belang (vgl. HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427). Tot slot vindt, anders dan de vrouw meent, (de bewijsregel uit) artikel 1:141 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) geen toepassing, nu dat artikel alleen ziet op verrekenbedingen die zijn opgenomen in huwelijkse voorwaarden. Met inachtneming van het vorenstaande, zal de rechtbank de verschillende vermogensbestanddelen hierna afzonderlijk bespreken.

a. de woning, de hypothecaire geldlening en de verzekeringspolissen

4.5.

Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat uit (de tekst van) artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst niet volgt dat partijen bedoeld hebben de woning gezamenlijk eigendom te maken.

In het betreffende artikel wordt gesproken van 'een te kopen woning'. Ten tijde van het aangaan van de samenlevingsovereenkomst had de man de woning aan [adres woning] echter al in eigendom. In de slotverklaring worden - zoals ook de man heeft aangevoerd - de gemeenschappelijke goederen van partijen expliciet benoemd. In die opsomming is de woning niet opgenomen. Daarbij komt dat in de aan de samenlevingsovereenkomst gehechte bewijsovereenkomst de woning wordt genoemd als eigendom van de man. De rechtbank kan de vrouw niet volgen in haar lezing die zij geeft aan (de eerste regel van) die overeenkomst, te weten dat daarin een opsomming wordt gegeven van de goederen die gezamenlijk eigendom zijn van partijen. Naar het oordeel wordt op die lijst juist de goederen opgesomd die partijen respectievelijk ieder voor zich en gezamenlijk in eigendom hebben. Met de man is de rechtbank van oordeel dat wanneer partijen voor ogen had gestaan alle goederen tot gemeenschappelijk eigendom te maken, het opstellen van de bewijsovereenkomst overbodig zou zijn geweest. In de gegeven situatie sluit die bewijsovereenkomst echter juist naadloos aan bij de slotverklaring in de samenlevingsovereenkomst en onderdeel 2 daarvan in het bijzonder. Ook in de notariële hypotheekakte, die is gepasseerd op dezelfde dag als de samenlevingsovereenkomst van partijen, staat vermeld dat de woning aan de man alleen in eigendom toebehoort. De enkele omstandigheid dat de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening door partijen gezamenlijk is aangegaan, maakt het voorgaande - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet anders. De vrouw is weliswaar hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van de hypothecaire schuld, maar gesteld nog gebleken is dat zij uit dien hoofde is aangesproken door de bank. In het licht van voormelde feiten en omstandigheden kan de vrouw niet worden beschouwd als mede-eigenaar van de woning, en evenmin volgt daaruit dat dit de bedoeling is geweest van partijen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vrouw op die grond dan ook geen aanspraak kan maken op verdeling van de (over)waarde van de woning en de kapitaals-verzekeringspolissen die zijn verbonden aan de op de woning rustende hypothecaire schuld (verder ook: de verzekeringspolissen).

4.6.

De rechtbank begrijpt uit de stellingen van de vrouw verder dat zij van mening is dat (een deel van) de (over)waarde van de woning en de verzekeringspolissen, voor verrekening in aanmerking komen. Uit de stellingen van de vrouw leidt de rechtbank af dat zij meent dat de beleggingsleer van toepassing is naar analogie van artikel 1:141 BW. De vrouw heeft in dat verband gesteld dat partijen voor eenzelfde deel, al dan niet in natura, hebben bijgedragen in de betaling van de rente, de aflossing en de verzekeringspremies. De vrouw is in haar processtukken slechts summier ingegaan op die aspecten. De man op zijn beurt heeft volstaan met de - niet weersproken - stelling dat de vrouw tot juni 2010 haar inkomen niet op de gezamenlijke rekening van partijen heeft gestort, zodat hij feitelijk jarenlang alle lasten alleen heeft gedragen.

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Het wettelijke systeem voor ongehuwd samenwonenden wijkt in belangrijke mate af van dat voor gehuwden. Ook artikel 1:141 BW geldt slechts voor verrekenbedingen die zijn opgenomen in huwelijkse voorwaarden. Er wordt algemeen van uitgegaan dat dit wetsartikel niet analoog kan worden toegepast op verrekenbedingen die zijn opgenomen in een samenlevings-overeenkomst.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw geen, althans onvoldoende argumenten aangedragen die in de gegeven situatie tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de vrouw géén aanspraak kan maken op de (een deel van) de (over)waarde van de woning en de verzekeringspolissen omdat daarin volgens haar overgespaarde inkomsten zijn geïnvesteerd, die voor verrekening in aanmerking komen.

4.8.

Voor zover de vrouw met haar stellingen bedoeld heeft te bepleiten dat partijen alsnog moeten overgaan tot periodieke verrekening, overweegt de rechtbank als volgt. De man heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat gedurende de relatie zijn gehele inkomen werd besteed aan de vaste lasten en de kosten van levensonderhoud van partijen en hun kinderen. De vrouw op haar beurt heeft ter comparitie gesteld dat zij nooit heeft gespaard van haar inkomen, maar dat het steeds is besteed aan uitgaven ten behoeve van partijen. Nu partijen de stellingen op dit punt - over en weer- niet hebben weersproken, stelt de rechtbank vast dat partijen gedurende hun relatie in zoverre geen inkomsten hebben overgespaard, zodat voor verrekening daarvan evenmin plaats is. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de vordering van de man de vrouw te veroordelen een bedrag van € 115.200,00 aan hem te voldoen (wegens niet verrekende inkomsten van de vrouw), bij eindvonnis zal afwijzen.

4.9.

Het vorenstaande is slechts anders voor zover partijen privévermogen hebben geïnvesteerd in goederen die behoren tot het privévermogen van de ander. In dat kader heeft de vrouw gesteld dat haar inkomen is geïnvesteerd in de woning en de kapitaalsverzekering, die beide aan de man in eigendom toebehoren. De vrouw heeft diverse afschriften van bankrekeningen en salarisspecificaties overgelegd waaruit blijkt dat haar salaris - in elk geval gedurende de laatste periode van de relatie - is overgemaakt op de gezamenlijke bankrekening van partijen (waarvan ook de met de woning verband houdende kosten werden voldaan). De man heeft dat ook niet, althans onvoldoende weersproken. Enkel de hiervoor bedoelde informatie volstaat echter niet om op dit punt nu een beslissing te kunnen nemen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de vrouw op te dragen haar standpunt ter zake nader te onderbouwen. Daarbij dient de vrouw ten minste:

a. rekeningafschriften in het geding te brengen waaruit blijkt wanneer en hoeveel van haar salaris is overgemaakt op de gezamenlijke rekening van partijen waarvan ook de met de woning en de verzekeringspolissen verband houdende kosten werden voldaan;

b. te motiveren welk deel van het onder a. bedoelde inkomen is geïnvesteerd in de woning (waaronder in de vorm van aflossingen op de daarop rustende hypothecaire geldlening) en de betaling van premies van kapitaalsverzekeringen;

c. aan de hand van een (cijfermatige) berekening te motiveren welk bedrag volgens haar voor nominale vergoeding in aanmerking komt.

De man zal in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk te reageren. De rechtbank zal elke verdere beslissing op dit punt aanhouden.

4.10.

De rechtbank heeft hiervoor - kort gezegd - geoordeeld dat (de waarde van) de woning en de verzekeringspolissen niet ter verrekening staan, maar er hooguit een nominale vergoedingsplicht geldt van de man jegens de vrouw. Dat leidt ertoe dat de rechtbank de reconventionele vordering van de man om de vrouw te veroordelen om met ingang van 19 december 2011 bij te dragen in de aan de woning verbonden lasten (rente, verzekering en belastingen) bij eindvonnis zal afwijzen, bij gebrek aan een wettelijke of verbintenisrechtelijke grondslag daarvoor.

b. het pensioenrecht

4.11.

Ter zitting is gebleken dat partijen elkaar niet als partner hebben aangemeld bij hun pensioenverzekeraar. In zoverre is ook geen plaats voor de door de vrouw gevorderde verdeling van de waarde van het pensioenrecht dat de man heeft opgebouwd gedurende de periode dat de samenlevingsovereenkomst van kracht was. Weliswaar hebben partijen elkaar in artikel 9 van de samenlevingsovereenkomst over en weer aangewezen als gerechtigde tot partnerpensioen, echter alleen voor zover de pensioenregelingen waaraan zij deelnemen, hiertoe de mogelijkheid bieden. De vrouw heeft niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat de pensioenverzekeraar van de man de mogelijkheid bood om partnerpensioen op te bouwen. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de vordering van de vrouw op dit punt bij eindvonnis afwijzen.

c. de BinckBank beleggingsrekening

4.12.

Uit de door de man overgelegde rekeningafschriften (met transactienummers 10 tot en met 20) blijkt dat het saldo op de beleggingsrekening in de periode van 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2013 nooit meer heeft bedragen dan € 1,47. Dit betekent dat op het onder 4.2. bedoelde peilmoment geen sprake was van een te verrekenen saldo. De vraag of (het saldo op) de beleggingsrekening überhaupt voor verrekening in aanmerking komt, kan daarmee onbesproken blijven. Dat - zoals de vrouw ter comparitie heeft aangegeven - op 11 januari 2011 op die rekening nog een saldo aanwezig was van € 428,74, maakt het voorgaande niet anders.

4.13.

Gelet op wat de rechtbank onder 4.7. en 4.8. heeft overwogen, komt de waarde van de effecten niet voor verrekening in aanmerking (op grond van het niet uitgevoerde periodieke verrekenbeding). De rechtbank overweegt verder dat de vrouw niet heeft gesteld, noch dat anderszins is gebleken dat zij vanuit haar privévermogen heeft bijgedragen aan de aanschaf van de effecten. In zoverre is ook geen (nominaal) vergoedingsrecht ontstaan. De rechtbank zal de vordering van de vrouw op dit punt daarom bij eindvonnis afwijzen.

d. de sloep met trailer, de Audi en de BMW motor

4.14.

De vrouw stelt dat de sloep met bijbehorende trailer, de Audi en de BMW motor eigendom zijn van partijen gezamenlijk, zodat deze voor verdeling in aanmerking komen. De man heeft dat weersproken. Volgens hem heeft hij die goederen gekocht met geld dat hij van zijn moeder heeft gekregen. Van die stelling heeft hij bewijs aangeboden.

4.15.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag wie eigenaar is van roerende goederen, is - anders dan de man klaarblijkelijk meent - niet van belang wie deze heeft betaald; de eigendom van roerende goederen wordt immers verkregen door bezitsverschaffing. Als de man het door hem aangeboden bewijs levert, staat daarmee dus nog niet vast dat hij ook eigenaar is van de sloep, de trailer, de Audi en de BMW. De rechtbank zal dat bewijsaanbod dan ook passeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verder geen van partijen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt wie wel de eigenaar is. De rechtbank ziet daarom aanleiding om er, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst, vanuit te gaan dat de sloep, de trailer, de Audi en de BMW motor gezamenlijk eigendommen zijn van partijen die voor verdeling in aanmerking komen. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

4.16.

Ter comparitie is gebleken dat geen van partijen de sloep en de trailer toegedeeld wil krijgen tegen vergoeding van de helft van de waarde aan de ander. De rechtbank zal daarom bij eindvonnis beslissen dat de verdeling moet plaatsvinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:185 lid 2, sub c BW, dat wil zeggen door verkoop en verdeling van de verkoopopbrengst bij helfte.

4.17.

De man heeft - gemotiveerd - aangevoerd dat de waarde van de Audi hooguit

€ 1.500,00 bedraagt. De vrouw heeft dat standpunt slechts in algemene zin betwist, maar zij heeft niet toegelicht wat volgens haar de waarde van die auto is. De rechtbank zal daarom het standpunt van de man volgen. Dit betekent dat de rechtbank bij eindvonnis de Audi aan de man zal toedelen, waartegenover hij een bedrag van

€ 750,00 aan de vrouw dient te vergoeden.

4.18.

De man heeft de waarde van de motor geschat op € 750,00, welke schatting door de vrouw niet is weersproken. De rechtbank zal bij eindvonnis de motor dan ook aan de man toedelen, waartegenover hij een bedrag van € 375,00 aan de vrouw dient te vergoeden.

4.19.

Anders dan door de man (subsidiair) gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de vrouw te veroordelen bij te dragen in de kosten van wegenbelasting en onderhoud die zijn gemaakt na het feitelijk uiteengaan van partijen. De door de man genoemde kosten - nog daargelaten dat hij die niet met bijvoorbeeld facturen heeft onderbouwd - moeten naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als gebruikerslasten. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de man de Audi en de BMW motor sinds het uiteengaan van partijen is blijven gebruiken, dienen die kosten dan ook voor zijn rekening te blijven. De rechtbank heeft daarbij in ogenschouw genomen dat de vrouw ook de kosten van haar eigen vervoer(smiddelen) alleen zal hebben gedragen.

e. de Renault Clio

4.20.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Renault Clio weliswaar voor het uiteengaan van partijen is gekocht, maar na beëindiging van hun relatie aan de man in eigendom geleverd. De rechtbank passeert de niet onderbouwde en weersproken stelling van de vrouw dat de auto is gekocht van haar 'zwart geld'.

De rechtbank stelt dan ook als onvoldoende weersproken vast dat de Renault, na inruil van een Volkswagen Passat, volledig is gefinancierd. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de man overgelegde financieringsovereenkomst. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat ook de aanschaf van die Volkswagen is voldaan met geleend geld. Die stelling is door de vrouw niet, althans onvoldoende weersproken. Tot slot heeft de man - eveneens onweersproken - aangevoerd dat hij met de financiering van de Renault verband houdende maandlast steeds alleen heeft voldaan. Onder voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen plaats is voor verrekening van de waarde van de Renault. De op die auto rustende schuld was aanvankelijk immers gelijk aan de aanschafprijs, terwijl op die schuld na de peildatum door de man is afgelost. Daarmee is geen privévermogen van de vrouw geïnvesteerd in de auto. De rechtbank zal de vordering van de vrouw tot verrekening van de waarde van de Renault Clio dan ook bij eindvonnis afwijzen.

f. de gezamenlijke bankrekening(en)

4.21.

Ter zitting heeft de man aangevoerd dat partijen tot 2011 gebruik hebben gemaakt van de gezamenlijke bankrekening met nummer [B] en dat die rekening vervolgens is opgeheven en vervangen door de rekening met nummer [C]. De vrouw heeft die gang van zaken niet weersproken. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de bankrekening met nummer [B] op de peildatum niet meer bestond.

4.22.

De rechtbank leidt verder uit de stellingen van partijen af dat zij het er over eens zijn dat het saldo op de peildatum op de gezamenlijke bankrekening met [C] voor verdeling bij helfte in aanmerking komt. Uit het door de vrouw overgelegde bankafschrift (productie 6 bij de dagvaarding) volgt dat het saldo op die rekening op 19 december 2011 € 6.289,54 bedroeg. Nu verder niet in geschil is dat de betreffende rekening sinds het uiteengaan van partijen bij de man in gebruik is gebleven, zal de rechtbank bij eindvonnis de rekening met nummer [C] en het daarop aanwezige saldo aan de man toedelen, waartegenover hij een bedrag van (€ 6.289,54 ÷ 2 =) € 3.144,77 aan de vrouw dient te vergoeden.

g. de privé-bankrekeningen

4.23.

Gelet op wat de rechtbank onder 4.7. en 4.8. heeft overwogen, is geen plaats voor een verrekening van de saldi op de privé-bankrekeningen van partijen. Verder is evenmin gebleken dat (één van) partijen vanuit zijn privévermogen heeft bijgedragen aan een (op de peildatum aanwezig) saldo op een rekening van de wederpartij. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen plaats is voor verrekening/verdeling van de saldi op de privérekeningen van partijen. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om - zoals door de man gevorderd - de vrouw op te dragen al haar afschriften vanaf 1 januari 1999 over te leggen.

h. de inboedel

4.24.

Partijen verschillen van mening over wie van hen welke inboedelgoederen onder zich heeft. Wat daar ook van zij, geen van hen heeft toegelicht waaruit de inboedel bestond en wat de waarde daarvan is. Ook ter comparitie hebben partijen op dat punt geen duidelijkheid verschaft.

Nu de inboedel op grond van de (slotverklaring) van de samenlevingsovereenkomst gezamenlijk eigendom is partijen, ziet de rechtbank dan ook aanleiding om deze bij eindvonnis te verdelen door aan partijen toe te delen die goederen die ieder van hen feitelijk onder zich heeft, zonder verdere verrekening van de waarde.

i. de verhuiskostenvergoeding

4.25.

Op grond van artikel 10 lid 3, sub a van de samenlevingsovereenkomst kan, indien de redelijkheid dat gebiedt, van de man gevergd worden dat hij een bijdrage levert aan de verhuis- en inrichtingskosten van de vrouw. Nu de vrouw een dergelijke vergoeding vordert, is het naar het oordeel van de rechtbank aan haar feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan de man die in redelijkheid aan haar verschuldigd is. De vrouw heeft dat echter nagelaten. Ook ter comparitie heeft de vrouw volstaan met de opmerking dat zij aanspraak maakt op een vergoeding van

€ 5.000,00. Daarbij heeft de man gemotiveerd weersproken dat de vrouw een verhuis- en herinrichtingsvergoeding toekomt. De rechtbank is daarom, mede gelet op hetgeen zij onder 4.24. heeft overwogen, van oordeel dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De rechtbank zal de vordering van de vrouw op dit punt daarom bij eindvonnis afwijzen.

j. samenvatting

4.26.

Tot dusver heeft de rechtbank beslist dat:

a. de sloep en de trailer moeten worden verkocht, waarna de verkoopopbrengst bij helfte door partijen dient te worden gedeeld (4.16.);

b. de Audi aan de man zal worden toegedeeld, waartegenover hij een bedrag van

€ 750,00 aan de vrouw dient te vergoeden (4.17.);

c. de motor aan de man zal worden toegedeeld, waartegenover hij een bedrag van

€ 375,00 aan de vrouw dient te vergoeden (4.18.);

d. de bankrekening met nummer [C] en het daarop op de peildatum aanwezige saldo aan de man zal worden toegedeeld, waartegenover hij een bedrag van € 3.144,77 aan de vrouw dient te vergoeden (4.22.);

e. aan de man en de vrouw de inboedelgoederen worden toegedeeld die zij feitelijk onder zich hebben, zonder verdere verrekening van de waarde (4.24.).

4.27.

Uitsluitend met betrekking tot de (nominale) vergoeding van de investeringen van de vrouw in de woning en de kapitaalsverzekering resteert een beslissing van de rechtbank. Alvorens de rechtbank die beslissing kan nemen zal door partijen het nodige uitzoek- en rekenwerk moeten worden verricht. De rechtbank geeft partijen daarom uitdrukkelijk in overweging om te proberen dit geschil in onderling overleg te beëindigen, met inachtneming van wat de rechtbank in dit vonnis heeft overwogen.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 1 oktober 2014 voor akte aan de zijde van

de vrouw zoals hiervoor overwogen onder 4.9., waarna de zaak zal worden verwezen

naar de rol van vier weken later voor het nemen van een antwoordakte door de man;

5.2.

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Leeuwarden door mr. M. van der Hoeven, lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 september 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

(505)