Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5437

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
C/19/103315 / FA RK 14-291 en C/19/107128 / FA RK 14-2597
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

In deze zaak gaat het om toepassing van het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel in de Wet Bopz, waardoor het verzoek om de machtiging voortgezet verblijf na 10 jaar gedwongen opname wordt afgewezen.

Betrokkene lijdt aan een pedofiele stoornis, Asperger (een autismespectrumstoornis) en is zwakbegaafd. In 1994 is hij veroordeeld voor een ‘hands on’ delict met een minderjarige en 1997 is hij veroordeeld in verband met een ‘hands of’ delict.

Vanaf 2004 is hij in het kader van de Wet Bopz gedwongen opgenomen. In maart 2014 is de machtiging voortgezet verblijf door de rechtbank met een half jaar verlengd en voor het overige aangehouden. De rechtbank overwoog: ‘om te voorkomen dat gedwongen opname daadwerkelijk disproportioneel wordt, dient er voortgang gemaakt te worden met het gecontroleerd verlenen van vrijheden en verloven aan betrokkene, zodat een beter, want op recentere gegevens gebaseerd, antwoord gegeven kan worden op de vraag in hoeverre de geestesstoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken en met name in hoeverre dit gevaar wellicht ook door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis, dan wel door het stellen van voorwaarden, kan worden afgewend.’

De rechtbank overweegt in de hierop gevolgde uitspraak van 4 november 2014 dat het ziekenhuis geen uitvoering heeft willen geven aan de uit het proportionaliteitsbeginsel voortkomende overwegingen als neergelegd in de beschikking van 13 maart 2014, er op gericht om betrokkene meer gecontroleerde vrijheden te verlenen om aldus meer inzicht te krijgen in de vraag in hoeverre de stoornis van betrokkene ook nu nog gevaar veroorzaakt en of dit gevaar wellicht ook op andere wijze dan een gedwongen opname kan worden afgewend. Dit betekent dat de door de rechtbank gewenste duidelijkheid er niet is gekomen. Dit gebrek aan duidelijkheid mag echter niet tot in lengte van dagen ten nadele van betrokkene blijven strekken.

Nu geen althans onvoldoende duidelijkheid bestaat over de kans dat het gevaar intreedt en over de ernst van het mogelijk intredende gevaar, terwijl de bewijslast hiervan primair rust op de officier van justitie, en verwacht had mogen worden dat dit extra zou zijn gemotiveerd in relatie tot de lange duur waarin betrokkene reeds gedwongen is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat het gedwongen verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel niet langer dient voort te duren. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat ook blijkens de meest actuele risico-analyse sprake is van een slechts matig risico op relatief milde seksueel grensoverschrijdende delicten.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2015/6 met annotatie van R.H. Zuijderhoudt

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Assen

Machtiging tot voortgezet verblijf / voorlopige machtiging

Zaak-/rekestnrs.: C/19/103315 / FA RK 14-291 en C/19/107128 / FA RK 14-2597

Beschikking van 4 november 2014,

van de Rechtbank Noord-Nederland naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis en tot verlening van een voorlopige machtiging tot het doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis van:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum],

verblijvend in het psychiatrisch ziekenhuis Hoeve Boschoord,

hierna te noemen betrokkene,

bijgestaan door E.M. Hoorenman, advocaat te Zwaag.

Procesverloop

Bij beschikking van 13 maart 2014, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de rechtbank Noord-Nederland het verzoek van de officier van justitie om het gedwongen verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te verlengen voor de duur van een jaar deels toegewezen, met dien verstande dat de machtiging tot voortzetting van het gedwongen verblijf van betrokkene is ingegaan op 13 maart 2014 en voort heeft geduurd tot en met 13 september 2014. Voor het overige is het verzoek aangehouden.

Op 3 oktober 2014 is een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging ingediend. Bij dit verzoek zijn eveneens een geneeskundige verklaring, een behandelplan en behandelaantekeningen gevoegd.

De rechtbank zal het verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf en het verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging gevoegd behandelen.

De rechtbank heeft op 13 oktober 2014 de volgende personen gehoord:

- de officier van justitie;

- betrokkene, bijgestaan door mr. E.M. Hoorenman;

- mevrouw [Y], psychiater;

- mevrouw [X], psycholoog.

Door de officier van justitie, de advocaat van betrokkene en mevrouw [X] zijn zittingsaantekeningen overgelegd.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nog kennis genomen van:

  • -

    de brief met bijlage van 23 oktober 2014 van de officier van justitie;

  • -

    de brief van 31 oktober 2014 van mr. Hoorenman namens betrokkene.

Door de officier van justitie is in reactie op het pleidooi van de advocaat verklaard dat een zwakzinnigeninrichting kan worden aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Het cannabisgebruik van betrokkene is niet slechts een overtreding van een “regeltje” van het ziekenhuis, maar leidt tot risico’s. De officier is van oordeel dat het proportionaliteitsvraagstuk gelet op de lange duur van het verblijf van betrokkene in beeld is, maar omdat in de huidige situatie sprake is van een stoornis en die stoornis gevaar veroorzaakt, moet de machtiging worden verleend. De officier heeft ter zitting de vraag gesteld of het gevaar op een andere wijze kan worden afgewend. Omdat de instelling zegt alles geprobeerd te hebben, ziet de officier echter geen alternatief. De officier erkent dat de ernst van het eerdere delictgedrag van betrokkene in verhouding tot bijvoorbeeld levensdelicten als relatief mild moet worden aangemerkt.

Namens betrokkene is naar voren gebracht dat Boschoord geen erkenning heeft als psychiatrisch ziekenhuis doch slechts als zwakzinnigeninrichting. Volgens betrokkene is de aanvraag voor de voorlopige machtiging gedaan omdat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een verpleeginrichting of zwakzinnigeninrichting.

Door en namens betrokkene wordt ontkend dat sprake zou zijn van een stoornis in de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz. Ten onrechte is gebruik gemaakt van het DSM-IV classificatiesysteem in plaats van DSM-5. Er is geen sprake van een pedofiele stoornis of fetisjisme. De stoornis van Asperger bestaat niet meer, dus lijdt betrokkene ook niet aan genoemde stoornis. Betrokkene is gebruiker van cannabis en geen misbruiker. Het gebruik van cannabis is geen stoornis. Ontkend wordt dat sprake zou zijn van zwakbegaafdheid.

Voorts wordt door betrokkene ontkend dat de stoornis, indien die er al zou zijn, een gevaar veroorzaakt. Betrokkene stelt dat de geneesheer-directeur een onjuiste maatstaf aanlegt door te overwegen dat onvoldoende consistent is gebleken dat betrokkene geen gevaar meer is voor kinderen. De vraag is juist waarom betrokkene wel een gevaar zou zijn. Het bestaan van gevaar is niet aangetoond. Cannabisgebruik vergroot een eventueel gevaar niet. Urofilie en zwakbegaafdheid veroorzaken eveneens geen gevaar.

Verder stelt betrokkene zich op het standpunt dat het gevaar langs alternatieve weg kan worden afgewend. Zo zou het gevaar kunnen worden afgewend door middel van een voorwaardelijke machtiging.

Ten slotte stelt betrokkene dat het gesloten verblijf disproportioneel is, mede onder verwijzing naar het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Rome 4 november 1950, Trb. 1951, 154 (hierna: EVRM).

Mevrouw [Y] heeft het volgende verklaard. Betrokkene heeft de keuze gehad tussen het gebruik van cannabis en verlof. Het gebruik is voor hem kennelijk belangrijker. Het gebruik is niet te doorbreken geweest in de tien jaar dat [Y] betrokkene in haar hoedanigheid van psychiater heeft gekend. De kliniek kan daarvoor niet verantwoordelijk worden geacht. Betrokkene heeft volgens [Y] verklaard cannabis te gebruiken omdat hij dan open blijft omtrent hetgeen hem bezighoudt. Dat laatste is op zichzelf wel positief, maar [Y] is als psychiater altijd tegen het cannabisgebruik geweest. Wat het gebruik betreft, heeft men vanuit het ziekenhuis, mede wegens gebrek aan sanctiemogelijkheden in de verlofsfeer, gekozen voor gedogen om betrokkene zo een enigszins humaan bestaan te laten leiden. Cannabisgebruik vergroot het risico. De stoornis is evident. De seksuele geaardheid is chronisch. De vraag is, of en zo ja, welk delictgedrag daaruit voortvloeit. Een andere vraag is of het risico dat gepaard gaat met het verlenen van ontslag genomen moet worden. Het ziekenhuis kan dat risico niet nemen. Dat zal de rechter moeten doen. Betrokkene heeft geen delicten gepleegd dankzij de structuur van de afdeling waar hij verblijft, hoewel daarbij moet worden opgemerkt dat er voor zover bekend ook geen delicten zijn gepleegd in de periode van zeven maanden dat betrokkene zich had onttrokken. Bij de proportionaliteit van de gedwongen opname moeten vraagtekens worden geplaatst. Verlof is in de huidige setting geen optie doordat de Ethische Commissie negatief heeft geadviseerd, hoewel [Y] betrokkene het voordeel van de twijfel zou willen geven. [Y] kan de beslissing niet nemen. Omdat betrokkene vrij is in zijn uitspraken omtrent zijn geaardheid loopt hij een risico dat hij agressie tegen zichzelf oproept. Het is echter de vraag of dat een reden is om iemand levenslang op te sluiten. [Y] heeft verklaard “als persoon” toe te zijn aan ontslag van betrokkene. Op grond van de regels van goed hulpverlenerschap is men bereid betrokkene ambulant te helpen, maar de verantwoording om het ontslag te verlenen kan niet worden genomen. De hulpverlening heeft gefaald en dat mag niet betekenen dat betrokkene levenslang blijft opgesloten.

Mevrouw [X] heeft het volgende verklaard. DSM-5 is wel vertaald in het Nederlands, maar wordt nog niet algemeen gebruikt. In de overgangsfase wordt zowel van DSM-IV als DSM-5 gebruik gemaakt. Dat is geen probleem aangezien de classificatie dient ter ondersteuning van de beschrijvende diagnostiek. Ten aanzien van de zwakbegaafdheid wordt gewezen op vier onderzoeken, afgenomen in de jaren 2003 tot en met 2011. Genoemde vier onderzoeken onderschrijven alle de zwakbegaafdheid en er is dus geen reden aan de diagnose te twijfelen. Beoordeeld naar zowel DSM IV als DSM-5 is sprake van een pedofiele stoornis. Betrokkene vindt niet dat hij bepaalde situaties (bijvoorbeeld plekken waar veel kinderen zijn, zoals een zwembad) moet vermijden, omdat hij zelf niet inziet dat dit tot problemen zou kunnen leiden. Betrokkene vindt dat hij dit soort situaties gerust kan opzoeken, omdat hij op deze manier kan laten zien dat hij zichzelf voldoende onder controle heeft. Daarin schuilt een groot risico. De stoornis van Asperger bestaat nog wel onder DSM-5, maar heet daar “autismespectrumstoornis”. Het cannabisgebruik van betrokkene is ook een stoornis in de zin van de wet. Er is jarenlang zonder resultaat geprobeerd om betrokkene te laten stoppen met cannabisgebruik. Zou betrokkene wel in staat zijn gebleken om te stoppen met cannabisgebruik dan had zijn behandeling er anders uitgezien en had hij gebruik kunnen maken van vrijheden buiten de kliniek. Betrokkene wist dit, wilde graag met verlof, maar bleef desondanks gebruiken. De kans dat een GGZ-instelling ambulante zorg wil verlenen aan betrokkene is klein. Het sociale netwerk van betrokkene kan niet voldoende toezicht en begeleiding bieden om seksueel grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. Betrokkene kan niet zonder passende begeleiding, toezicht en controle de maatschappij worden ingestuurd.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover verder nog van belang, in het onderstaande nader worden ingegaan.

Motivering

Psychiatrisch ziekenhuis

Met betrekking tot betrokkenes stellingen omtrent de vraag of Hoeve Boschoord een psychiatrisch ziekenhuis of een zwakzinnigeninrichting is overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan betrokkene lijkt te menen, is respectievelijk een (verlenging van de) machtiging tot voortgezet verblijf en een voorlopige machtiging verzocht (als op de wet gegrond) om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren en niet om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een verpleeginrichting of zwakzinnigeninrichting te doen voortduren. Daarenboven is de rechtbank van oordeel dat Hoeve Boschoord is aan te merken als een psychiatrisch ziekenhuis (tevens zwakzinnigeninrichting) in de zin van artikel 1 sub h van de Wet Bopz.

Geneeskundige verklaring

Niet is gebleken dat de geneeskundige verklaring niet aan de eisen van de wet voldoet.

Stoornis

Uit de geneeskundige verklaringen, de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens. De rechtbank verwijst uitdrukkelijk naar hetgeen is overwogen in de beschikking van 13 maart 2014. De overgang van DSM-IV naar DSM-5 brengt hierin geen verandering. De rechtbank deelt in dat opzicht de opvatting van mevrouw [X], dat thans in de praktijk zowel van DSM-IV als DSM-5 gebruik gemaakt wordt en dat zulks niet problematisch is aangezien de classificatie dient ter ondersteuning van de beschrijvende diagnostiek.

Het staat afdoende vast dat bij betrokkene gedurende een periode van zes maanden sprake is geweest van recidiverende intense seksueel opwindende fantasieën, seksuele drang en gedrag met betrekking tot seksuele handelingen met kinderen. Betrokkene stelt dat dit in ieder geval niet juist is voor de laatste zes maanden, maar dat is niet vereist om tot de classificatie “pedofiele stoornis” te kunnen komen. Dat betrokkene naar de seksuele drang heeft gehandeld staat, anders dan de advocaat van betrokkene meent, eveneens afdoende vast. Aangezien voor het overige niet bestreden is dat sprake is van een pedofiele stoornis, zijnde een stoornis die men – eenmaal vastgesteld – de rest van zijn leven ‘heeft’, staat de aanwezigheid van genoemde stoornis in rechte vast.

Dat betrokkene zwakbegaafd is, wordt door betrokkene betwist. De betwisting is gegrond op de stelling dat er telkenmale wordt vastgehouden aan één ondeugdelijke uitslag van een intelligentietest. Naar het oordeel van de rechtbank staat genoegzaam vast dat betrokkene zwakbegaafd is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat, anders dan de raadsman van betrokkene meent, niet één testuitslag beschikbaar is, maar dat in de loop der jaren vele tests zijn afgenomen, die allemaal als uitkomst hadden dat betrokkene zwakbegaafd is.

Eveneens wordt betwist dat sprake zou zijn van de stoornis van Asperger, aangezien genoemde stoornis in DSM-5 niet langer is opgenomen. De rechtbank overweegt dat de stoornis van Asperger inderdaad niet langer als zodanig is opgenomen in DSM-5, maar hierin wel is opgenomen onder het begrip “autismespectrumstoornis”. Er is hier dus wel sprake van een stoornis, los van de naam die men aan de stoornis wil geven.

De rechtbank is opnieuw van oordeel dat, de individuele stoornissen in onderlinge samenhang beschouwd, sprake is van een stoornis in de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz.

Gevaar

Ook is komen vast te staan dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken. Het betreft:

 het gevaar dat betrokkene, door zijn hinderlijk gedrag, agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen;

 het gevaar voor de psychische gezondheid van een ander;

 het gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

De rechtbank heeft in de beschikking van 13 maart 2014 nog geoordeeld dat de kans dat het gevaar intreedt groot is en dat de ernst van het mogelijk intredend gevaar groot is. Tevens heeft de rechtbank toen geoordeeld dat het er, gelet op aard en ernst van het gevaar, vooralsnog voor gehouden moest worden dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen.

De kans op het intreden van gevaar, alsook de ernst van het gevaar, worden ingeschat aan de hand van in het verleden gebleken feiten. Nadat die feiten zich hadden voorgedaan is betrokkene sinds 2004 opgenomen onder dwang in het kader van de Wet Bopz, met een tussenpoos van ruim zeven maanden waarin betrokkene voortvluchtig was. Dat betekent dat betrokkene reeds circa tien jaren gedwongen is opgenomen op grond van de inschatting van het gevaar in overwegende mate aan de hand van enkele feiten. Weliswaar zijn die feiten ernstig, maar ze zijn niet van dien aard dat het gedwongen verblijf in het ziekenhuis maar kan blijven voortduren op grond van de inschatting van het gevaar, die in hoofdzaak op die feiten is gebaseerd. In die zin begint zich een situatie aan te dienen waarin het verblijf op enig moment niet langer proportioneel is in verhouding tot die feiten. Weliswaar zijn die feiten als zodanig niet de grond voor gedwongen opname, maar spelen zij wel een belangrijke rol, omdat zij een belangrijke factor vormen voor de inschatting van het gevaar. Om te voorkomen dat gedwongen opname daadwerkelijk disproportioneel wordt, dient er voortgang gemaakt te worden met het gecontroleerd verlenen van vrijheden en verloven aan betrokkene, zodat een beter, want op recentere gegevens gebaseerd, antwoord gegeven kan worden op de vraag in hoeverre de geestesstoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken en met name in hoeverre dit gevaar wellicht ook door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis, dan wel door het stellen van voorwaarden, kan worden afgewend.’

Naar aanleiding van genoemde overwegingen heeft de rechtbank het verzoek tot verlenen van een machtiging voor de duur van een jaar niet volledig, maar slechts voor een half jaar toegewezen en voor het overige aangehouden.

Uit de stukken blijkt dat er op 25 juni 2013 en 12 september 2013 door de verlofcommissie van het ziekenhuis is geconcludeerd dat betrokkene met verlof kan, indien hij aan bepaalde voorwaarden voldoet, waaronder het niet gebruiken van cannabis voorafgaand aan het geplande verlof. Sindsdien is duidelijk geworden dat betrokkene geen vrijheden en verloven krijgt of zal krijgen in de gegeven situatie. Als argumenten om geen vrijheden en verloven te geven worden met name genoemd het cannabisgebruik van betrokkene en de gestelde onbetrouwbaarheid van betrokkene betreffende het nakomen van afspraken. Nergens blijkt evenwel uit dat betrokkene concreet de mogelijkheid van verlof is geboden onder concrete voorwaarden waaraan hij zou moeten voldoen. De geneesheer-directeur is hiertoe niet overgegaan nadat een interne Ethische Commissie in maart 2014 desgevraagd aan de verlofcommissie heeft geadviseerd geen verlof toe te staan. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij bereid is aan alle voorwaarden om voor verlof in aanmerking te komen, te voldoen.

De rechtbank acht het ongelukkig dat het ziekenhuis geen uitvoering heeft willen geven aan de uit het proportionaliteitsbeginsel voortkomende overwegingen als neergelegd in de beschikking van 13 maart 2014, er op gericht om betrokkene meer gecontroleerde vrijheden te verlenen om aldus meer inzicht te krijgen in de vraag in hoeverre de stoornis van betrokkene ook nu nog gevaar veroorzaakt en of dit gevaar wellicht ook op andere wijze dan een gedwongen opname kan worden afgewend. Dit betekent dat de door de rechtbank gewenste duidelijkheid er niet is gekomen. Dit gebrek aan duidelijkheid mag echter niet tot in lengte van dagen ten nadele van betrokkene blijven strekken.

De op 3 oktober 2014 overgelegde, niet gedagtekende behandelaantekeningen, blijkens opschrift ziende op week 3 van het jaar 2014 tot en met week 27 van dit jaar, vermelden dat de inschatting van het risico op grond van de risicoanalyse buiten de huidige context op korte termijn, de middellange termijn en de lange termijn op zowel “agressie” als “seksueel overschrijdend gedrag” te kenmerken is als “matig”. Daarbij staat vermeld: “[Het] risico bestaat […] dat cliënt zonder begeleiding zal vereenzamen en dan zowel passief als actief contact zal proberen te leggen met jonge kinderen. De verwachting is dat cliënt geen hands-on delict zal plegen, maar mogelijk wel grensoverschrijdend gedrag zal kunnen laten zien. Dat kan een gevaar voor de maatschappij vormen, maar ook een gevaar voor de cliënt in de het kader van victimisatie”.

Afgezet tegen andere mondelinge en schriftelijke verklaringen blijkt voorts dat ook bij de deskundigen binnen het ziekenhuis allerminst overeenstemming bestaat over de kans op intreden van gevaar en de ernst van het mogelijk intredende gevaar.

Nu geen althans onvoldoende duidelijkheid bestaat over de kans dat het gevaar intreedt en over de ernst van het mogelijk intredende gevaar, terwijl de bewijslast hiervan primair rust op de officier van justitie, en verwacht had mogen worden dat dit extra zou zijn gemotiveerd in relatie tot de lange duur waarin betrokkene reeds gedwongen is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat het gedwongen verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel niet langer dient voort te duren. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat ook blijkens de hierboven weergegeven meest actuele risico-analyse sprake is van een slechts matig risico op relatief milde seksueel grensoverschrijdende delicten.

Het resterende deel van het verzoek van 4 februari 2014 strekkende tot een machtiging voortgezet verblijf en het verzoek van 3 oktober 2014 strekkende tot een voorlopige machtiging zullen dan ook worden afgewezen.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank reden gezien op de voet van artikel 8a Wet Bopz aan de officier van justitie het gevoelen voor te leggen dat een voorwaardelijke machtiging mogelijk passender is en de officier van justitie verzocht om een daartoe strekkend verzoek in te dienen. De officier van justitie, die daartoe uiteraard gesteund dient te worden door de behandelaars, heeft geen mogelijkheid gezien om tot een verzoekschrift strekkende tot een voorwaardelijke machtiging te komen omdat blijkens de brief van 23 oktober 2014 het volgens de geneesheer-directeur niet mogelijk is om voorwaarden op te stellen, aangezien in het verleden is gebleken dat betrokkene niet in staat is om zich daaraan te houden.

Tot slot en ten overvloede overweegt de rechtbank dat het gevolg van een en ander nu is dat betrokkene zonder enige afdwingbare controle weer in de maatschappij zal gaan integreren. Dit had kunnen worden voorkomen door deze integratie onder voorwaarden te laten plaatsvinden. Nu de officier van justitie geen verzoek tot een voorwaardelijke machtiging heeft willen indienen ontbreekt een verdere juridische mogelijkheid om de re-integratie van betrokkene op (afdwingbare) gecontroleerde wijze te laten plaatsvinden.

De rechtbank acht het raadzaam dat tussen betrokkene en de instelling op vrijwillige basis tot afspraken over begeleiding van betrokkene door de instelling wordt gekomen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het resterende deel van het verzoek van 4 februari 2014 strekkende tot een machtiging voortgezet verblijf;

wijst af het verzoek van 3 oktober 2014 strekkende tot een voorlopige machtiging.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.P. Dresselhuys-Doeleman, voorzitter, J.S. Bartstra en H.R. Eising, rechters, bijgestaan door mr. J.J. Smeenge, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.

mr. J.J. Smeenge mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman

(griffier) (voorzitter)

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.