Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5296

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
18.950045-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen dat het eerste onderdeel van de tenlastelegging, de afpersing in vereniging, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Uit één en ander leidt de rechtbank af dat verdachte niet alleen een vergaande mate van betrokkenheid bij de overval had, maar ook dat hij er ernstig rekening mee hield dat er iemand thuis zou zijn en dat deze persoon, desnoods door geweld of bedreiging met geweld, bewogen moest worden de zich in de kluis bevindende geweren en het geld af te geven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.950045-14

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 28 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in [verblijfplaats]

.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 14 oktober 2014.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. B.M.A. Jegers, advocaat te Heerlen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 19 augustus 2013 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) geld(bedrag), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- ( met kracht) de hals van die [slachtoffer] heeft (vast) gepakt en/of die [slachtoffer] op/tegen de grond heeft geduwd en/of

- ( daarbij/vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op, althans getoond aan, die [slachtoffer] en/of

- ( daarbij/vervolgens) de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking tegen die [slachtoffer] heeft gezegd en/of geroepen: "Geld, geld, geld!" en/of "Kluis!";

en/of

hij op of omstreeks 19 augustus 2013 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- ( met kracht) de hals van die [slachtoffer] heeft (vast) gepakt en/of die [slachtoffer] op/tegen de grond heeft geduwd en/of

- ( daarbij/vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op, althans getoond aan, die [slachtoffer] en/of

- ( daarbij/vervolgens) de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking tegen die [slachtoffer] heeft gezegd en/of geroepen: "Geld, geld, geld!" en/of "Kluis!";

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. A.M. Ariese acht hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

Hij vordert voor het tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de dagen in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht.

Bewijsmiddelen

De rechtbank hanteert voor het bewijs de navolgende bewijsmiddelen:

1.de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2014, zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Ik werd benaderd om op 19 augustus 2013 drie personen naar het Noorden te vervoeren. Twee van hen zitten hier nu naast mij in de zittingzaal, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Men moest richting Assen. Ik beschikte over een TomTom.

Ik heb de tip gekregen, dat er op het betreffende adres geld te halen was en dat op dat adres mogelijk wapens aanwezig waren. De tipgever gaf me het adres van de woning en vertelde me ook dat drie personen uit Rotterdam naar Eindhoven zou komen, die ik aldaar met mijn auto zou moeten oppikken om met hen vervolgens naar [pleegplaats] te rijden. De drie personen uit Rotterdam zouden in [pleegplaats] het geld en eventueel de wapens moeten ophalen. Het was de bedoeling dat ik een gedeelte van de buit zou krijgen.”

2.de verklaring van getuige [medeverdachte 1] afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2014, zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Ik blijf bij de verklaringen, die ik ten overstaan van de politie heb afgelegd. Ik had het telefoonnummer van de hier ter zitting aanwezige [verdachte] via een kennis gekregen. Een paar dagen voor de overval heb ik hem gebeld voor cocaïne. Ik ben op die bewuste 19 augustus 2013 toen tezamen met de hier ter terechtzitting eveneens aanwezige [medeverdachte 2] van Rotterdam naar Eindhoven gegaan. Ik ken de heer [medeverdachte 2] al heel lang, ik ken hem al van Aruba, waar wij vandaan komen. In Eindhoven zijn we bij [verdachte] in de auto gestapt. Hij zou voor ons goede coke regelen. We zijn toen samen, [verdachte], [medeverdachte 2] en ik, dus met zijn drieën, richting het Noorden gereden.

Bij een woonwagenkampje in Stegeren aangekomen stapte [verdachte] uit. [medeverdachte 2] en ik moesten in de auto blijven wachten. Nadat we de coke van [verdachte] hadden gekregen, zei hij dat we nog door gingen richting Assen. Hij zou nog geld van iemand te goed hebben uit [pleegplaats]. [verdachte] vertelde ons dat wij dat voor hem moesten ophalen. In het huis van die persoon zou veel geld aanwezig zijn en er zouden ook wapens aanwezig zijn. [verdachte] heeft ons de betreffende woning in [pleegplaats] aangewezen.

[medeverdachte 2] en ik zijn uitgestapt en richting de woning gelopen. [medeverdachte 2] en ik zijn via een niet afgesloten achterdeur de woning binnengegaan. Er bleek wel iemand in de woning te zijn. Ik zag in de woonkamer een oude en zieke man op het bed liggen, deze man zat aan een zuurstofapparaat. Ik ben vervolgens de trap opgegaan om op de bovenverdieping naar de wapens te zoeken, die in een wapenkast zou zitten. De wapenkast met wapens hebben we niet aangetroffen. De oude man vertelde dat hij de wapens niet meer thuis had. Wij hebben de man vervolgens gevraagd om aan ons geld af te geven. De man heeft toen geld uit zijn portemonnee gepakt en aan ons gegeven. Wij hebben toen ook nog een horloge uit de woning meegenomen. Wij zijn toen naar de auto gelopen, waarin [verdachte] zat te wachten, en we zijn vervolgens weggereden. Het weggenomen geld hebben we met zijn drieën gedeeld. Wij hebben de man wel min of meer gedwongen geld af te geven. Wij wilden niet zonder geld bij [verdachte], die buiten zat te wachten, aankomen.”

3.het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van Politie Eenheid Noord-Nederland, Recherche District Drenthe, proces-verbaal 2013060282 van 24 juli 2014, genaamd [onderzoek], met bijlagen, de pagina’s genummerd 0001 t/m 2000 en bestaande uit een 5-tal-ordners, en een aantal nagezonden stukken, zijnde de pagina’s genummerd 2001 t/m 2057, opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur van Politie Eenheid Noord-Nederland, met bijlagen, onder meer inhoudende:

a.het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van Politie Drenthe, District Noord, Basiseenheid Noordenveld/Tynaarlo/Aa en Hunze, proces-verbaalnummer PL031W-2013060282-1, d.d. 20 augustus 2013, opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van Politie Drenthe, houdt zakelijk weergegeven onder meer in:

als op dinsdag 20 augustus 2013 aan de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever, [slachtoffer], wonende te [pleegplaats], [adres], zakelijk weergegeven (pagina’s 79 t/m 82):

Aangever [slachtoffer] verklaarde in het kort dat hij op maandag 19 augustus 2013, tussen 22.00 uur en 22.14 uur werd overvallen in zijn hoekwoning aan de [adres] in [pleegplaats]. Hij woont alleen op dit adres en is ernstig ziek. De achterdeur van de woning was op dat moment dicht, maar niet op slot in verband met de komst van iemand van de thuiszorg. Aangever werd in zijn woning door twee daders overvallen. Aangever [slachtoffer] werd bij zijn hals gepakt, op de grond geduwd. Op het moment dat aangever tegen de grond werd gewerkt, verloor aangever zijn zuurstofbril waar zijn leven afhankelijk van was. Hij voelde op dat moment pijn en hij was benauwd. Tijdens de bedreiging werd aangever gedwongen tot afgifte van geld. De daders zeiden “geld geld geld” en vroegen naar een kluis. Nadat de daders aangever [slachtoffer] hadden geholpen met het terugplaatsen van de zuurstofbril, overhandigde aangever hen een geldbedrag van 265 euro uit zijn portemonnee.

Ook hebben de mannen een horloge van aangever weggenomen. Dit horloge lag naast de stoel van aangever op een tafeltje. Aangever sprak over twee daders, zwarte huidskleur, tussen de 20 en 25 jaar oud. Ze droegen donkere kleding en gymschoenen. Nadat de daders waren vertrokken heeft aangever zelf 112 gebeld.

b.het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van Politie Drenthe, District Noord, Basiseenheid Noordenveld/Tynaarlo/Aa en Hunze, proces-verbaalnummer PL031W-2013060282-3, d.d. 20 augustus 2013, opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier, en [verbalisant 3], hoofdagent, beiden van Politie Drenthe, houdende de eigen waarneming, wetenschap en bevinding van de verbalisanten, zakelijk weergegeven (pagina’s 83 en 84):

Naar aanleiding van de 112 melding gingen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse.

Op maandag 19 augustus 2013 omstreeks 22.27 uur werd door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] contact gemaakt met slachtoffer [slachtoffer], die in zijn woning zat. Zij zagen dat het slachtoffer bloedde en forse blauwe plekken had. [slachtoffer] vertelde dat hij zojuist was overvallen in zijn eigen woning en dat deze verwondingen waren veroorzaakt door de overvallers toen hij door hen tegen de grond werd gewerkt. De overvallers wilden geld en vroegen naar de kluis. De woning was door beide daders doorzocht, waarbij waarschijnlijk ook de wapenkluis op de bovenverdieping werd gezien. Nadat [slachtoffer] had verteld dat er niets van waarde in die kluis zat, behalve patronen van zijn jachtgeweer, hebben ze dat verder met rust gelaten. Nadat [slachtoffer] geld had gegeven en de woning was doorzocht hadden de daders de woning verlaten.

c.het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van sporenonderzoek van Politie Drenthe, Divisie Recherche Ondersteuning SSC, Unit Forensisch-Technische Expertise, proces-verbaalnummer PL03N3-2013060282-10, d.d. 29 augustus 2013, opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van Politie Drenthe, houdende de eigen waarneming, wetenschap en bevinding van de verbalisant, zakelijk weergegeven (pagina’s 877 en 878):

Op maandag 19 augustus 2013 om 22.25 uur werd door verbalisant [verbalisant 4] ter plaatse een forensisch onderzoek uitgevoerd. [slachtoffer] had op zowel zijn armen als in zijn halsstreek aanzienlijke blauwe plekken. Sommige van deze verwondingen waren open en bloedden. [slachtoffer] werd behandeld door de [GGD-arts] en vervolgens door een dienstdoende huisarts.

4. de letselrapportage van de Forensische Geneeskunde GGD Drenthe d.d. 19 juni 2014, opgemaakt door de forensisch arts J. Dekker, betreffende het letsel van aangever [slachtoffer]. Dit rapport houdt onder meer als conclusie in dat het beeld van de geconstateerde letsels zeer wel kunnen passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte als dader van deze overval kan worden aangemerkt. De raadsman stelt daartoe dat verdachte weliswaar is getipt dat er in de betreffende woning geld te halen was, maar dat impliceert niet dat hij dader is van deze overval. Verdachte is verzocht drie personen tegen vergoeding uit Rotterdam naar [pleegplaats] te brengen en daar weer vandaan te halen. Er kan hooguit sprake zijn van medeplichtigheid volgens de raadsman en dat is de verdachte niet tenlastegelegd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten en dat sprake is van medeplegen. Verdachte is derhalve ook voor die handelingen die niet feitelijk door hemzelf, maar door zijn medeverdachten zijn verricht, aansprakelijk.

Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij een paar dagen voor de overval contact heeft gelegd met verdachte [verdachte] omdat hij coke wilde kopen. Hij is toen met medeverdachte [medeverdachte 2] naar Eindhoven gereisd, waar zij door verdachte werden opgepikt en zij zijn vervolgens via Stegeren naar [pleegplaats] afgereisd. Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij de tip heeft ontvangen dat er in het huis in [pleegplaats] geld en mogelijk wapens te halen waren en dat hij daartoe in Eindhoven drie jongens uit Rotterdam moest oppikken om het geld en eventueel de wapens op te halen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij en medeverdachte [medeverdachte 2] in Eindhoven bij verdachte [verdachte] in de auto zijn gestapt en dat zij toen met zijn drieën naar het Noorden zijn gereden. Over een eventueel vierde persoon wordt door medeverdachte [medeverdachte 1] niet gerept. Verdachte [verdachte] heeft hen in [pleegplaats] de woning aangewezen, hij en [medeverdachte 2] zijn de woning binnengegaan en verdachte [verdachte] is in de buurt van de woning in de auto blijven wachten. Medeverdachte [medeverdachte 1] zegt ook dat ze het weggenomen geld met zijn drieën hebben gedeeld en dat zij vervolgens via Stegeren huiswaarts zijn gegaan.

Verdachte en de medeverdachten traden naar het oordeel van de rechtbank op als min of meer gelijkwaardige participanten, wier aandeel in het delict van gelijkwaardige betekenis kan worden geacht. Bovendien was er naar het oordeel van de rechtbank een bewuste en nauwe samenwerking. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat verdachte het initiatief heeft genomen om naar [pleegplaats] af te reizen om uit de woning geld op te halen en eventueel wapens.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen dat het eerste onderdeel van de tenlastelegging, de afpersing in vereniging, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ook acht de rechtbank bewezen dat er daadwerkelijk geweld is gebruikt, gelet op de verklaring van aangever, de processen-verbaal van bevinding inzake bloedende wonden en de rapportage van de forensische arts Dekker.

De rechtbank volgt evenmin het verweer van verdachte dat hij geen opzet zou hebben gehad op het geweld ook niet in voorwaardelijke zin, omdat hij niet geweten zou hebben dat er iemand thuis was. Zoals uit vorenstaande blijkt gaat de rechtbank ervan uit dat het initiatief bij verdachte lag. Hij was degene die de tip had gekregen over de aanwezigheid van wapens en geld in een kluis, hij was degene die van de omstandigheden die men in [pleegplaats] zou aantreffen op de hoogte was, hij was degene die regelde dat er een aantal mensen meeging om naar binnen te gaan en hij was degene die niet door het slachtoffer gezien mocht worden en daarom niet meeging naar binnen in de woning.

Uit één en ander leidt de rechtbank af dat verdachte niet alleen een vergaande mate van betrokkenheid bij de overval had, maar ook dat hij er ernstig rekening mee hield dat er iemand thuis zou zijn en dat deze persoon, desnoods door geweld of bedreiging met geweld, bewogen moest worden de zich in de kluis bevindende geweren en het geld af te geven.

De rechtbank is echter van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat bij dit feit gebruik is gemaakt van een vuurwapen dan wel op een vuurwapen gelijkend voorwerp nu slechts de aangever daar over rept.

Evenmin kan aan de verdachte de diefstal van het horloge worden toegerekend, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 augustus 2013 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachten:

- met kracht de hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en die [slachtoffer] tegen de grond heeft geduwd en

- daarbij/vervolgens de volgende woorden tegen die [slachtoffer] heeft geroepen: "Geld, geld, geld!" en "Kluis!".

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit; de omstandigheden waaronder het feit is begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsman van de verdachte; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen justitiële documentatie d.d. 23 september 2014, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 6 jaren met aftrek van de dagen in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan en verzocht de rechtbank verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt het volgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing in vereniging van een geldbedrag in een woning. Het slachtoffer -een terminaal zieke, oudere en daardoor zeer kwetsbare man- werd door geweld en met bedreiging met geweld gedwongen het geldbedrag af te geven. Door het slachtoffer krachtig vast te pakken en naar de grond te werken ontstonden bij het slachtoffer bloedende letsels.

De afpersing werd in de avonduren gepleegd nadat verdachten de tip hadden ontvangen dat bij het slachtoffer geld en (jacht-)wapens konden worden weggenomen. De afpersing is van tevoren gepland waarbij verdachte met zijn auto met de beide andere verdachten vanuit het zuiden van Nederland naar de woning van het slachtoffer is gereden en de medeverdachten in de woning het feitelijke geweld en de bedreiging daarmee hebben gepleegd.

De rechtbank rekent bovenstaande de verdachten zeer zwaar aan.

Niet alleen hebben de verdachten het zeer kwetsbare slachtoffer aan geweld en bedreiging daarmee bloot gesteld, ook is het gevolg van het handelen van verdachte geweest dat het slachtoffer de laatste weken van zijn leven in grote angst heeft doorgebracht.

Afpersing in een woning schendt niet alleen op grove wijze het grondwettelijk beschermde huisrecht maar wakkert ook gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving aan en schokt de rechtsorde.

De rechtbank heeft acht geslagen op het landelijk oriëntatiepunt voor straftoemeting “overval woning” en vindt in de hiervoor beschreven omstandigheden van dit geval aanleiding een hogere straf op te leggen dan het desbetreffende oriëntatiepunt de rechter adviseert te doen.

De rechtbank heeft er eveneens rekening mee gehouden dat alle drie verdachten reeds eerder wegens het plegen van een misdrijf zijn veroordeeld.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank tenslotte rekening gehouden met de omstandigheden en achtergronden van de verdachte zoals omschreven in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland te Zutphen van 8 september 2014.

De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van vier jaren met aftrek van het voorarrest.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. J.G. de Bock en mr. B.I. Klaassens, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 28 oktober 2014.