Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5247

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
18.730294-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Op 21 oktober 2014 heeft rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, een man veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeval op een kruising waarbij een ander werd gedood. Verdachte verkeerde ten tijde van het veroorzaken van het ongeval onder invloed van alcoholhoudende drank. Daarnaast passeerde hij de kruising met een forse overschrijding van de aldaar geldende maximum snelheid.

De rechtbank heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en 240 uur onbetaalde arbeid. Daarnaast heeft de rechtbank een voorwaardelijke rijontzegging opgelegd voor de duur van 3 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens deze periode zich dient te onthouden van het besturen van motorrijtuigen, met uitzondering van landbouwvoertuigen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in de afgelopen jaren reeds meermalen met justitie in aanraking is gekomen voor rijden onder invloed. Verdachte lijkt te gemakkelijk in de auto te stappen na het nuttigen van alcohol. Verdachte heeft daarnaast in 2014, derhalve nà het ongeval, nog een boete gekregen voor een forse overschrijding van de maximum snelheid. Verdachte is kennelijk hardleers in het verkeer. Dit werkt strafverzwarend.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 22
Wegenverkeerswet 1994 6, 175, 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730293-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboortedatum 1],

wonende te [geboortedatum 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Groenewegen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 november 2013 in de gemeente [plaats]

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam 1] (N359), gaande

in de richting van Leeuwarden en gekomen bij de kruising of splitsing van die

[straatnaam 1] (N359) en de [straatnaam 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in

elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

-terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank-

met een snelheid liggende tussen 112 en 163 kilometer per uur, in elk geval

met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum

snelheid van 80 kilometer per uur, te rijden en/of genoemde kruising of

splitsing op te rijden op het moment dat een bestuurster (te weten [slachtoffer]) van

een ander motorrijtuig (personenauto) die kruising of splitsing van de

[straatnaam 1] (N359) en de [straatnaam 2], komende uit de richting van de

[straatnaam 2], overstak of opreed, althans zich op genoemde kruising of

splitsing bevond, en/of in plaats van genoemde bestuurster tijdig op te merken

en/of tijdig te stoppen voor en/of tijdig en/of voldoende uit te wijken voor

en/of voldoende rekening te houden met genoemde bestuurster,

met het door verdachte bestuurde motorrijtuig is aangereden en/of gebotst

tegen dat andere motorrijtuig,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of

tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, en/of terwijl het feit is veroorzaakt

of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde

maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.

hij op of omstreeks 09 november 2013 in de gemeente [plaats]

als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd,

na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van

verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid,

aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,78 milligram, in elk geval

hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

B.

hij op of omstreeks 09 november 2013 in de gemeente [plaats]

als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg,

de [straatnaam 1] (N359), gaande in de richting van Leeuwarden en gekomen bij

de kruising of splitsing van die [straatnaam 1] (N359)en de [straatnaam 2]

-terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank-

met een snelheid liggende tussen 112 en 163 kilometer per uur, in elk geval

met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum

snelheid van 80 kilometer per uur, heeft gereden en/of genoemde kruising of

splitsing is opgereden op het moment dat een bestuurster (te weten [slachtoffer])

van een ander motorvoertuig (personenauto) die kruising of splitsing van de

[straatnaam 1] (N359)en de [straatnaam 2], komende uit de richting van de

[straatnaam 2], overstak of opreed, althans zich op genoemde kruising of

splitsing bevond, en/of in plaats van genoemde bestuurster tijdig op te

merken en/of tijdig te stoppen voor en/of tijdig en/of voldoende uit te wijken

met het door verdachte bestuurde motorvoertuig is aangereden en/of gebotst

tegen dat andere motorvoertuig,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

- oplegging van 12 maanden gevangenisstraf en 3 jaar ontzegging van de rijbevoegdheid waarvan 2 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen personenauto, Volkswagen Transporter.

Beoordeling van het bewijs

Aan verdachte is primair tenlastegelegd overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

Gelet op het bepaalde in artikel 6 WVW 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander werd gedood.

De vraag is of de feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt in dat een bestuurder zijn rijgedrag dient aan te passen aan de omstandigheden ter plaatse.

Eerst het in aanmerkelijke mate niet in acht nemen van de normaal te verlangen voorzichtigheid levert schuld in de zin van genoemd artikel op. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Op 9 november 2013 reed verdachte als bestuurder van een personenauto op de [straatnaam 1], komende uit de richting van Bolsward en gaande in de richting van Leeuwarden. Op de kruising van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2], buiten de bebouwde kom van [plaatsnaam], is verdachte in botsing gekomen met een personenauto, waarvan de bestuurster komende van de [straatnaam 2] de [straatnaam 1] op reed. Bij deze botsing is de bestuurster van die personenauto gedood.

Verdachte reed volgens eigen zeggen ter hoogte van de kruising met een snelheid van ruim 100 km/uur. Bij nadering van de kruising heeft de verdachte zijn snelheid niet aangepast tot de voorgeschreven 80 km/uur. Hij is met nagenoeg onverminderde snelheid doorgereden. Hij heeft naar eigen zeggen even het gaspedaal losgelaten om te kijken wat de personenauto deed, maar heeft, toen hij het idee had dat de personenauto zou stoppen, weer gas gegeven. Op dat moment reed de bestuurster van de personenauto de kruising op, waarop verdachte haar niet meer kon ontwijken en een botsing het gevolg was. Uit onderzoek is gebleken dat op het moment van de botsing de snelheid van verdachtes voertuig minimaal 113 km/u moet zijn geweest.

Verdachte had bovendien alcoholhoudende drank gedronken. Blijkens het daartoe uitgevoerde onderzoek bleek het alcoholgehalte van verdachte 0,78 milligram alcohol per milliliter bloed te zijn.

De rechtbank is op grond van de hiervoor vastgestelde gedragingen van oordeel dat verdachte de op hem in het verkeer rustende zorgplicht niet in acht heeft genomen.

De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte, nu hij de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, en hij -nadat hij de naderende personenauto had waargenomen waarvan hij niet met zekerheid kon weten dat deze personenauto zou stoppen- met nagenoeg onverminderde te hoge snelheid over een gevaarlijke kruising is gereden, terwijl hij alcoholhoudende drank had gebruikt, zeer onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond.

Gelet hierop kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank grove schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 worden verweten.

Naar aanleiding van het verweer van de raadsman dat de bestuurster van de personenauto medeschuld heeft aan het ongeval, nu zij geen voorrang heeft verleend, merkt de rechtbank op dat in zijn algemeenheid de eventuele medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, schuld aan de zijde van de verdachte niet opheft. Daar komt nog bij dat, indien verdachte overeenkomstig de ter plaatse toegestane maximumsnelheid zou hebben gereden, het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, althans vermijdbaar zou zijn geweest. De rechtbank verwijst daartoe naar het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, betreffende de “snelheidsbepaling naar aanleiding van het verkeersongeval in [plaatsnaam]”, waarin door de deskundige Spek wordt gesteld dat de verhoogde naderingssnelheid van verdachte is te beschouwen als een noodzakelijke factor voor het ontstaan van het ongeval, tenzij de Toyota relatief traag overstak. In het geval van een trage oversteek was er voor verdachte, als die met de toegestane snelheid van 80 km/uur had gereden, de mogelijkheid geweest om het ongeval door een remming te voorkomen.

Bewijsmiddelen

1. De door verdachte op de terechtzitting afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 9 november 2013 reed ik ter hoogte van [plaatsnaam] als bestuurder van mijn bedrijfsauto over de [straatnaam 1] in de richting van Leeuwarden. Ter hoogte van de kruising met de [straatnaam 2] reed ik met een snelheid van ruim 100 km/uur. Bij nadering van de kruising heb ik mijn snelheid niet aangepast tot de daar voorgeschreven 80 km/uur. Ik ben met nagenoeg onverminderde snelheid doorgereden. Ik heb even het gaspedaal losgelaten toen ik een personenauto vanuit [plaatsnaam] het kruispunt zag naderen. Toen ik het idee had dat de personenauto zou stoppen, heb ik weer gas gegeven. Op dat moment reed de bestuurster van de personenauto de kruising op. Ik kon haar niet meer ontwijken. Ik ben toen in botsing gekomen met die personenauto. Ik had alcoholhoudende drank gedronken voordat ik in mijn auto stapte.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2013127645, gesloten op 10 juni 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02KB 2013127645-1, d.d. 10 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Op 9 november 2013 omstreeks 22:56 uur kregen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], de melding om te gaan naar een verkeersongeval ter hoogte van [plaatsnaam].

Locatie : [straatnaam 1] – N359

Ter hoogte van : de aansluiting van deze weg met de [straatnaam 2]

Maximum snelheid : 80 km/uur

Ter plaatse troffen wij in de middenberm twee zwaar beschadigde voertuigen aan waarvan een personenvoertuig en een bedrijfsauto liggend op de zijkant. Wij zagen dat het wegdek versperd lag met brokstukken / onderdelen van kennelijk de betrokken voertuigen.

Ik, [verbalisant 2], ben bij de slachtoffers gaan kijken. Als eerste kwam ik bij het personenvoertuig dat er zwaar beschadigd uit zag. Ik zag dat het slachtoffer met de bestuurderstoel ter hoogte van de bijrijderstoel zat. Gezien de schade aan het voertuig en de plaats waar het slachtoffer in het voertuig zat kreeg ik de indruk dat het ongeval met een hoge snelheid had plaats gevonden. De inzittende persoon was niet aanspreekbaar.

Wij zijn vervolgens naar het andere voertuig gelopen. Nadat we de bedrijfsauto passeerden, zagen wij een manspersoon in de middenberm zitten. De manspersoon verklaarde dat hij de bestuurder was van de bedrijfsauto.

Bestuurder voertuig 1: [verdachte]

Bestuurder voertuig 2: [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2].

Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02KB 2013127645-11, d.d. 10 juni 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 9 november 2013 te 22:56 uur, kreeg ik, [verbalisant 1], kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straatnaam 1] - N359 ter hoogte van de aansluiting van deze weg met de [straatnaam 2] gelegen buiten de bebouwde kom onder [plaatsnaam], binnen de gemeente [plaats].

Ik, [verbalisant 1], heb op 9 november 2013 te 23:25 uur van de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, als bedoeld in artikel 160 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994, nader geregeld krachtens artikel 163, tiende lid van die wet.

Met medewerking van de bestuurder heb ik deze de ademtest afgenomen. Als resultaat van deze test nam ik een alcoholindicatie boven de wettelijk vastgestelde limiet waar, te weten een A indicatie.

De verdachte gaf mij op te zijn genaamd: [verdachte].

Ik heb de verdachte gevraagd zijn toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte verleende daartoe toestemming.

Op 10 november 2013 te 01:28 uur heeft de arts R. Noordbruis, in aanwezigheid van mij,

[verbalisant 1], de verdachte door middel van een venapunctie bloed afgenomen.

Ik heb het bloedmonster overeenkomstig het bepaalde in de Regeling van 4 juli 1997 nr. 639325/97/6, Stcrt. 129 houdende regeling Bloed- en urineonderzoek, gewaarmerkt en direct verpakt, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde identiteitszegel met het nummer TAAJ9749NL.

Een schriftelijk stuk, te weten een rapport "Alcohol in het verkeer" van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2013.11.14.008, d.d. 19 november 2013 opgemaakt door K.S. Kruseman, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Datum aanvraag : 10 november 2013.

Naam bloedgever : [verdachte], [geboortedatum 1].

Verbalisant : [verbalisant 1].

Op 13 november 2013 werd op het NFI ontvangen een bloedblok voorzien van het SIN TAAJ9748NL.

Het buisje bestemd voor analyse was voorzien van het SIN TAAJ9749NL.

Het buisje bestemd voor contra-expertise was voorzien van het SIN TAAJ9750NL.

De bepaling van het alcoholgehalte in het bloed geschiedde door twee onafhankelijk van elkaar werkende analisten volgens de ADH methode.

Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie

0,78 milligram alcohol per milliliter bloed.

Een ambtsedig proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, nummer 09.11.13.23.30.2265, d.d. 18 april 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Op 9 november 2013, omstreeks 23:30 uur, hebben wij ter plaatse een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het hierna bedoelde verkeersongeval.

Bij dat ongeval waren de volgende voertuigen betrokken.

Voertuig 1: personenauto, merk Toyota, type Yaris, [kenteken 1]

Voertuig 2: (bedrijfsauto) merk Volkswagen, type Transporter, [kenteken 2].

Het ongeval had die dag omstreeks 22.56 uur plaatsgevonden op de [straatnaam 1] (N359), ter hoogte van de aansluiting van deze weg met de [straatnaam 2], ter plaatse gelegen buiten de bebouwde kom onder [plaatsnaam], gemeente [plaats]. De bestuurster van de Toyota had gereden op de [straatnaam 2] en was voornemens de [straatnaam 1] op te rijden, vermoedelijk om links af te slaan. Bij het oprijden van de [straatnaam 1] verleende zij geen voorrang aan de haar van links naderende en op een voorrangsweg rijdende bestuurder van de Volkswagen.

De bestuurder van de Volkswagen reed op de [straatnaam 1], komende uit de richting van Bolsward en gaande in de richting van Leeuwarden.

Laatstgenoemde bestuurder botste met de voorzijde van het door hem bestuurde voertuig tegen de linkerzijde van de Toyota. De bestuurster van de Toyota overleed ter plaatse aan het letsel tengevolge van het ongeval.

De ongevalslocatie bevond zich op de oostelijke rijstrook van de [straatnaam 1] (N359) ter hoogte van de kruising van deze weg met de [straatnaam 2]. Voornoemde kruising was uitgevoerd als een zogenaamde bajonetkruising. Ter hoogte van deze kruising bestond de [straatnaam 1] uit twee gescheiden rijstroken. Een rijstrook (de oostelijke) voor verkeer richting Bolsward - Leeuwarden en een rijstrook (de westelijke) voor verkeer richting Leeuwarden Bolsward. De oostelijke rijstrook van de [straatnaam 1] was voor de aansluiting met de [straatnaam 2] voorzien van een rechtsafvak bestemd voor afslaand verkeer gaande in de richting van de [straatnaam 2]/[plaatsnaam]. Ter hoogte van de aansluiting van de [straatnaam 2] bevond zich naast de oostelijke rijstrook een linksaf vak. De oostelijke rijstrook van de [straatnaam 1] had een breedte van ongeveer 3 meter.

De [straatnaam 2] was voorzien van twee rijstroken. De rijbaan van de [straatnaam 2] maakte voor de aansluiting op de [straatnaam 1] een bocht naar rechts. De aansluiting van de [straatnaam 2] op de [straatnaam 1] was haaks dan wel nagenoeg haaks. Ter hoogte van de aansluiting op de [straatnaam 1] bevond zich een verhoogde verkeersdruppel op de wegas van de [straatnaam 2].

De [straatnaam 1] was middels borden overeenkomstig model G3 van de Bijlage 1 van het RW 1990 als autoweg aangeduid. Ter hoogte van de kruising van de [straatnaam 1] met de [straatnaam 2] was de [straatnaam 1] een “gewone” weg.

Op een afstand van ongeveer 300 meter voor de kruising waren als vooraanduiding van het einde van de autoweg borden overeenkomstig model G4 met onderbord “300 meter” van de voornoemde bijlage geplaatst. Op een afstand van ongeveer 35 meter voor het referentiepunt waren borden overeenkomstig model G4 van voornoemde bijlage geplaatst.

Het wegdek van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] was ten tijde van het ongeval schoon. Het wegdek van beide wegen was nat. Het wegdek vertoonde geen oneffenheden welke van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van dit ongeval.

Lichtomstandigheden: nacht

Wegverlichting: aanwezig en brandend.

Weersgesteldheid: regenachtig, bewolkt.

De betrokken voertuigen waren nog op de ongevalslocatie aanwezig en bevonden zich op de plaats en in de positie waarin deze na het ongeval tot stilstand waren gekomen.

Voertuig 1: Toyota. Wij zagen dat de Toyota tot stilstand was gekomen in de middenberm, links naast de oostelijke rijbaan van de [straatnaam 1]. Wij zagen dat het voertuig met de voorzijde in de richting van de rijstrook stond. Wij zagen dat de Volkswagen na het ongeval tot stilstand was gekomen in de middenberm, links van de oostelijke rijstrook van de [straatnaam 1]. Het voertuig lag met de voorzijde in de richting van de oostelijke rijstrook. Wij zagen dat de Toyota onherstelbaar was beschadigd.

Voertuig 2: Volkswagen Transporter. Het voertuig was rondom beschadigd.

Wij zagen dat de snelheidsmeter van het voertuig kennelijk in de bedrijfsstand was stilgevallen. Wij zagen dat de naald van de snelheidsmeter stilstond tussen de 150 en 155 km /uur.

Voor zover kon worden vastgesteld verkeerde dit voertuig voor het ongeval rijtechnisch in een voldoende staat van onderhoud. Er werden in ieder geval geen gebreken of afwijkingen waargenomen welke van invloed waren of konden zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

Bij ons ontstond het vermoeden dat de bestuurder van de Volkswagen sneller had gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 km/uur.

Gezien ons vermoeden werden onze bevindingen voorgelegd aan Ir. A.C.E. Spek, deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

In zijn rapport verklaarde de deskundige Ir. A.C.E. Spek dat hem uit onderzoek was gebleken dat de botssnelheid van de Volkswagen minimaal 113 km/u en maximaal

162 km/u is geweest.

Gezien vorenstaande heeft de bestuurder van de Volkswagen de ter plaatse toegestane snelheid van 80 km/u vrijwel zeker overschreden. Hoewel de aangetroffen stand van de snelheidsmeter van de Volkswagen niet betrouwbaar is, past de aangewezen snelheid wel binnen de voornoemde marge van minimaal 113 km/u en maximaal 162 km/u.

Gezien vorenstaande heeft de bestuurder van de Volkswagen zijn snelheid vermoedelijk niet aangepast op het gedeelte van de [straatnaam 1] waar de maximum snelheid 80 km/u bedroeg.

Een schriftelijk stuk, te weten een verslag betreffende een niet natuurlijke dood,

op 10 november 2013 opgemaakt en ondertekend door R. Noordbruis, arts GGD Fryslân, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Ondergetekende, lijkschouwer van de gemeente [plaats], verklaart gedurende de laatste twee jaar geen genees- heel of verloskundige raad of bijstand te hebben verleend aan [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2]

Verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd.

Bijzonderheden: Slachtofferongeval op de [straatnaam 1] bij op/afrit [plaatsnaam]. Door busje aan de linkerflank aangereden. Bij schouw bleek er sprake te zijn van verschillende breuken in verschillende delen van het lichaam, o.a. de nek, ribben en benen.

Conclusie: niet natuurlijk overlijden, slachtoffer ongeval.

Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.11.19.005, d.d. 4 april 2014 opgemaakt door Ir. A.C.E. Spek, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Het consult was gericht op het uitvoeren van het bepalen van een naderingssnelheid van de Volkswagen Transporter.

Uit de ontvangen informatie zijn voor het onderzoek het volgende uitgangspunten afgeleid:

Het verkeersongeval betrof een aanrijding tussen een bedrijfsauto (Volkswagen Transporter) en een personenauto (Toyota Yaris).

Er zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:

1. Wat was de snelheid van de Volkswagen op het laatste moment direct voor de botsing?

2. Bepaling van de eventuele vermijdbaarheid van het ongeval.

In het kader van de tweede vraag wordt nagegaan of een eventuele te hoge snelheid (meer dan de toegestane rijsnelheid) te beschouwen is als een omstandigheid die noodzakelijk was voor het ontstaan van het ongeval. In het vakgebied is dat een gebruikelijke invulling van het begrip "vermijdbaarheid".

Bij de vermijdbaarheidsbeschouwing wordt nagegaan of er ook contact tussen beide voertuigen zou zijn geweest als de Volkswagen met de toegestane snelheid zou hebben gereden. Uitgangspunt is daarbij de situatie zoals die was op een zeker moment voorafgaande aan de botsing. Vanaf dat moment wordt een hypothetisch scenario beschouwd waarin de Volkswagen een lagere snelheid heeft, namelijk de toegestane snelheid. Door die lagere snelheid zou de Volkswagen dus later aankomen op de kruising. Er was dan dus extra tijd beschikbaar geweest voor de oversteek van de Toyota, en als die extra tijd had volstaan dan is de te hoge snelheid daarmee (dus) aangewezen als een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van het ongeval. Dat is, als de snelheid van de Volkswagen bij het naderen van de kruising in werkelijkheid hoger was dan de toegestane snelheid.

Snelheidsberekening

Na de botsing was de uitloopsnelheid van elk van de betrokken voertuigen gelegen tussen de 76 km/u en de 105 km/u. Hieruit wordt een minimale botssnelheid voor de Volkswagen berekend van 113 km/u en een maximale botssnelheid van 162 km/u.

Voor het berekenen van de botssnelheid van de Volkswagen is een aantal aannamen gedaan die voortkomen uit de aangeleverde informatie. Dit heeft tot gevolg gehad dat de botssnelheid van de Volkswagen met een ruime marge berekend is. Als waarden voor met name de vertraging bij de uitloopbewegingen meer nauwkeurig bekend waren, dan zou een hogere ondergrenssnelheid en/of een lagere bovengrenssnelheld berekend kunnen worden, en (dus) een nauwkeuriger botssnelheid.

Uit de aangeleverde informatie is op te maken dat in de Volkswagen het instrumentenpaneel is aangetroffen met een 'bevroren' aanwijzing. De snelheidsmeter in het instrumentenpaneel stond vast op een snelheid van 152 km/u. Op grond van het berekende interval voor de botssnelheid, is de 'aangewezen' snelheid mogelijk.

Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de aangewezen snelheid op snelheidsmeters in voertuigen, mag een aanwijzing van 152 km/u corresponderen met een werkelijke snelheid tussen 134 km/u en 152 km/u.

Conclusie

De botssnelheid van de Volkswagen op het laatste moment direct voor de botsing was minimaal 113 km/u en maximaal 162 km/u.

Uitgaande van een normale oversteekmanoeuvre is daarmee de snelheidsoverschrijding te zien als een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van het ongeval. Alleen bij een trage oversteek door de Toyota is dat wellicht niet het geval. Door die trage oversteek zou in dat geval voor de bestuurder van de Volkswagen vrij lang zichtbaar zijn geweest dat de Toyota overstak. Die lange zichtbaarheid bood dan de mogelijkheid voor een remming waarmee het ongeval te voorkomen zou zijn geweest.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 9 november 2013 in de gemeente [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam 1] (N359), gaande in de richting van Leeuwarden en gekomen bij de kruising van die [straatnaam 1] (N359) en de [straatnaam 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig

-terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank-

met een snelheid liggende tussen 112 en 163 kilometer per uur, een aanmerkelijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur, te rijden en genoemde kruising op te rijden op het moment dat een bestuurster (te weten [slachtoffer]) van

een ander motorrijtuig (personenauto) die kruising van de [straatnaam 1] (N359) en de [straatnaam 2], komende uit de richting van de [straatnaam 2], overstak en in plaats van tijdig te stoppen voor en tijdig of voldoende uit te wijken voor en voldoende rekening te houden met genoemde bestuurster, met het door verdachte bestuurde motorrijtuig is aangereden en gebotst tegen dat andere motorrijtuig, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, en terwijl het feit is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en het feit is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Dit feit is strafbaar, nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte voorlichtingsrapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank acht bewezen dat het aan de schuld van verdachte is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een ander is gedood, terwijl verdachte alcoholhoudende drank had gedronken en het ongeval is veroorzaakt doordat verdachte de toegestane maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Ter zitting heeft de dochter van het slachtoffer namens de nabestaanden een indrukwekkende slachtofferverklaring afgelegd. Zij heeft naar voren gebracht welke leegte het overlijden van haar moeder door verdachtes handelen heeft veroorzaakt en hoe groot het gemis is. De nabestaanden van het slachtoffer zullen de rest van hun leven moeten leven met dit grote verlies. Een dergelijk feit is niet alleen schokkend voor de nabestaanden maar ook voor de maatschappij in zijn algemeenheid.

Als uitgangspunt voor strafbare feiten als de onderhavige hanteert het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) ter oriëntatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van

12 maanden en 3 jaar ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in de afgelopen jaren reeds meermalen met justitie in aanraking is gekomen voor rijden onder invloed. Verdachte lijkt te gemakkelijk in de auto te stappen na het nuttigen van alcohol. Verdachte heeft daarnaast in 2014, derhalve nà het ongeval, nog een boete gekregen voor een forse overschrijding van de maximum snelheid. Verdachte is kennelijk hardleers in het verkeer. Dit werkt strafverzwarend.

Daar staat tegenover dat verdachte veehouder is en een eigen veehouderijbedrijf heeft, waardoor de gevolgen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging voor hem groot zullen zijn. Deze persoonlijke omstandigheden weegt de rechtbank ook mee.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende en deze afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een werkstraf van 240 uren passend en geboden.

Tevens acht de rechtbank een onvoorwaardelijke rijontzegging van drie jaren op zijn plaats. De rechtbank zal deze rijontzegging echter in voorwaardelijke vorm opleggen met daarbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te onthouden van het besturen van motorvoertuigen, met uitzondering van het besturen van landbouwvoertuigen in de uitoefening van zijn werkzaamheden als veehouder. Op deze wijze wordt verdachte in de gelegenheid gesteld zijn landerijen te kunnen bewerken.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen bedrijfsauto, merk Volkswagen Transporter, moet worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich thans daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde voorts:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 3 jaren.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd dient te onthouden van het besturen van motorrijtuigen -bromfietsen daaronder begrepen- met uitzondering van het besturen van landbouwvoertuigen in de uitoefening van zijn werkzaamheden als veehouder.

Gelast de teruggave aan [verdachte] voornoemd van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, Volkswagen Transporter Tdi, [kenteken 2].

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 oktober 2014.

Mr. Tuinstra en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Wijma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

De Wit

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730293-14

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 7 oktober 2014

Tegenwoordig:

mr. L.G. Wijma, voorzitter,

mr. M.B. de Wit en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, en

A. van Dijk, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. M. Groenewegen.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De voorzitter belast de oudste rechter met de leiding van het onderzoek.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de oudste rechter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboortedatum 1],

wonende te [geboortedatum 1].

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen.

Tevens is verschenen als nabestaande van het slachtoffer mevr. J. Jaarsma-Kuitert.

………………………..

De oudste rechter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 21 oktober 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

De griffier is buiten staat dit proces-verbaal mede te ondertekenen.