Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5140

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
18.930079-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren ter zake van een overval op een tankstation.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 10, 24c, 27,
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930079-14

Vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 21 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats],

[adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 15 juli 2014 en 07 oktober 2014.

De verdachte is telkens verschenen en werd bijgestaan door mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat hij

hij op of omstreeks 31 maart 2014 te [pleegplaats], in ieder geval in de gemeente Emmen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het [tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte in het pand van dat tankstation die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, de woorden heeft toegevoegd: "I have a gun, give me the money.", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking, en/of daarbij met zijn linkerhand een gebaar in zijn vestzak, in elk geval kleding, heeft gemaakt en daardoor de indruk bij die [slachtoffer] heeft gewekt dat verdachte een (vuur-)wapen in zijn vestzak, in elk geval kleding, voorhanden had.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. E.R. Jepkema acht hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank de verdachte voor dit feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Verder vordert de officier van justitie de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 626,10, met de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie vordert tenslotte de verbeurdverklaring van het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 380,00.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte van het hem tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte en zijn raadsman hebben aangevoerd dat verdachte op het tijdstip van de overval niet in Nederland was en dat hij een alibi heeft. Verdachte had namelijk, na een verkeerscontrole, door de politie in [plaats 1] (Duitsland) een rijverbod opgelegd gekregen. Daarnaast zouden zijn vader en zijn vriendin kunnen verklaren dat verdachte die dag in Duitsland was en kan uit geldopnames in Duitsland blijken dat verdachte op het tijdstip van de overval niet in Nederland was. Ten slotte wordt betwist dat de auto van verdachte op de beveiligingscamerabeelden van het tankstation is te zien.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog.

De rechtbank is van oordeel dat een (eventueel) opgelegd rijverbod in Duitsland er niet aan in de weg staat dat verdachte zich op het tijdstip van de overval in Nederland heeft bevonden. Daarnaast kan uit de afgelegde verklaringen van de vader en de vriendin van verdachte niet blijken dat verdachte zich op het tijdstip van de overval in Duitsland bevond. Tenslotte blijkt de verklaring van verdachte dat hij op 31 maart 2014 bedragen van € 620,-- en € 30,-- in Duitsland heeft opgenomen blijkens het Vermerk van de Polizeikommissariat [plaats 2] in strijd met de waarheid. De betwisting door de raadsman en verdachte dat de auto die op de camerabeelden is te zien de auto van verdachte is, doet niet af aan de waarneming van [getuige]. Hij heeft immers het Duitse kenteken genoteerd van de auto waarin de overvaller is gevlucht. Verdachte is eigenaar van een groene [auto] met het door de getuige aangegeven kenteken.

De rechtbank acht -evenals de officier van justitie- wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde afpersing heeft gepleegd.

De rechtbank hanteert voor het bewijs de navolgende bewijsmiddelen:

Op 31 maart 2014 deed medewerkster [slachtoffer], mede namens [tankstation] aangifte1 van de overval op het [tankstation] te [pleegplaats]. Zij was deze avond werkzaam in de shop. Omstreeks 18:18 komt de overvaller de shop binnen en zegt in de Engelse taal, "I have a gun, give me the Money". Hierbij houdt hij zijn hand onder zijn shirt en doet alsof hij een vuurwapen heeft. De medewerkster staat achter een open balie voor de kassa. Zij doet een greep in de kassalade en geeft de overvaller een geldbedrag. Vervolgens verlaat de overvaller de shop. Een klant die op dat moment ook aanwezig was in de shop heeft het kenteken van de overvaller opgeschreven, [kenteken], type [auto] kleur groen.

[Verbalisant] verklaart2 dat er op maandag 31 maart 2014 een melding binnenkomt dat er zojuist een overval had plaatsgevonden op het [tankstation] te [pleegplaats]. Een getuige meldt dat het gaat om een groene [auto] met een Duits kenteken [kenteken].

[getuige] verklaart3 dat hij op maandag 31 maart 2014, omstreeks 18:20 uur bij het tankstation [tankstation] te [pleegplaats] is. Hij ziet dat er een persoon uit de shop komt rennen. Vervolgens hoort hij de medewerker van de shop zeggen dat ze zojuist is overvallen. Getuige heeft het Duitse kenteken (het was [kenteken] met iets) genoteerd van de auto van de overvaller, een groene [auto].

Op dinsdag 1 april 2014 wordt er door de politie4 een groene [auto] met Duits kenteken [kenteken] gezien bij het [tankstation] te [pleegplaats]. Deze auto is gebruikt bij de overval op het tankstation van maandag 31 maart 2014. De bestuurder gaf [verbalisant] op te zijn [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] en wonende te [plaats 2] (Duitsland). De bestuurder van de aangetroffen auto komt overeen met signalement van de overvaller. Vervolgens wordt de bestuurder aangehouden.

Verdachte verklaart5 op 1 april 2014 dat hij eigenaar is van een groene [auto] met kenteken [kenteken].

De vriendin van verdachte [naam] verklaart6 dat zij met verdachte samenwoont te [plaats 2]. Zij verklaart dat verdachte op zaterdag in de ochtend is vertrokken in zijn auto met kenteken [kenteken] en dat ze daarna geen enkel contact meer met hem heeft gehad. Totdat dinsdag de politie aan de deur stond en vertelde dat hij vast zat in Nederland. De dag dat hij vertrok had hij een blauwe spijkerbroek aan, sportschoenen grijs Nike, een grijze pet en ook een grijze trainingsblouse met capuchon.

De kleren die de [verdachte] aan had tijdens zijn aanhouding komen overeen met de kleding van de dader van de overval op het tankstation. Hiervan is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt7 met daarbij foto's van de dader van de overval en een foto van de verdachte in de kleding die hij aan had bij zijn aanhouding. Op foto bijlage 10 is de dader, met een grijs jack met opdruk en capuchon te zien die de indruk wekt een (vuur-)wapen in zijn vestzak te hebben.

[slachtoffer] heeft als getuige bij de rechter-commissaris verklaard, dat zij bij de strafzitting op 15 juli 2014 aanwezig is geweest en dat zij zeker weet dat het de goede verdachte is. Toen hij binnen kwam herkende ze hem.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 31 maart 2014 te [pleegplaats], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan het [tankstation], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte in het pand van dat tankstation die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "I have a gun, give me the money.", en daarbij met zijn linkerhand een gebaar in zijn vestzak heeft gemaakt en daardoor de indruk bij die [slachtoffer] heeft gewekt dat verdachte een (vuur-)wapen in zijn vestzak voorhanden had.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

Afpersing,

strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank overweegt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een overval, waarbij hij een medewerkster van een tankstation heeft bedreigd met de woorden dat hij een vuurwapen had en dat zij hem geld moest geven, waarbij hij deed voorkomen dat hij een (vuur-)wapen in zijn kleding voorhanden had.

Door aldus te handelen heeft hij betreffende medewerkster grote angst aangejaagd en heeft verdachte in ernstige mate inbreuk gemaakt op de psychische integriteit van betreffende medewerkster. Van een dergelijke traumatiserende inbreuk ondervinden slachtoffers niet zelden nog lange tijd nadelige gevolgen. De rechtbank rekent dit feit verdachte zwaar aan.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking, de aard en de ernst van het gepleegde feit, voornoemde omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 17 juni 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld.

De officier van justitie heeft gevorderd oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren. De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit.

De rechtbank acht in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden -aansluiting zoekend bij de oriëntatiepunten voor de straftoemeting- een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Motivering van de verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen geldbedrag van € 380,00 vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien het geld betreft dat door middel van een strafbaar feit is verkregen.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een vordering tot vergoeding van geleden schade ingediend ten bedrage van € 826,10, bestaande uit € 26,10 aan materiele schade en € 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2014.

De rechtbank acht het causaal verband tussen het verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen.

De rechtbank acht de materiële schade voldoende aannemelijk gemaakt en zal de immateriële schade (smartengeld) naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,00.

De civiele vordering is dan ook gegrond en tot een bedrag van € 526,10, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor toewijzing vatbaar. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer]

Met betrekking tot het bewezen verklaarde acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot een bedrag van € 526,10 aansprakelijk voor de schade, die door dat strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 24c, 33a, 33b en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag van € 380,00.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] te [plaats 3] (Duitsland), van de som van € 526,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2014 tot het tijdstip van de algehele voldoening van het bedrag en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank wijst af het meer gevorderde.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te [plaats 3] (Duitsland), een bedrag van € 526,10 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2014 tot het tijdstip van de algehele voldoening van het bedrag, bij gebreke van betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voor-meld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter,

en mr. H.H.A. Fransen en mr. J.J. Schoemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 oktober 2014,

zijnde mr. Schoemaker buiten staat dit vonnis binnen de daartoe door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 pagina 47ev van het proces-verbaal van Politie Noord-Nederland, registratienummer: PL032E-2014025045 (het PV)

2 pagina 55/56 van het PV

3 pagina 87ev van het PV

4 pagina 60/61 van het PV

5 pagina 17ev van het PV

6 pagina 98ev van het PV

7 pagina 109evv van het PV