Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5121

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
C-17-128067 - FA RK 13-1168
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onvoldoende onderbouwing van het draagkracht- en behoefteverweer door de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/128067 / FA RK 13-1168

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 12 november 2014

inzake

[de vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw],

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. S. Bergsma, kantoorhoudende te Dokkum,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats man],

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. J. Kuipers-Mellema, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 30 april 2014, die als hier ingelast en herhaald moet worden beschouwd, waarbij de zaak voor wat betreft de kinderbijdrage is verwezen naar een nadere terechtzitting en

- de brieven van de advocaat van de vrouw van 10 juni 2014 en 1 oktober 2014.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 16 oktober 2014. Partijen en hun advocaten zijn ter zitting verschenen.

Motivering

1. Het huwelijk tussen partijen is op 7 januari 2014 ontbonden door inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2. De vrouw heeft de rechtbank verzocht de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage van € 450,00 per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen:

[minderjarige A], geboren op [geboortedatum A] in de gemeente [A],

[minderjarige B], geboren op [geboortedatum B] in de gemeente [B] en

[minderjarige C], geboren op [geboortedatum C] in de gemeente [C].

Uit de brief van de advocaat van de vrouw van 10 juni 2014, waarnaar ter zitting door de advocaat is verwezen, blijkt dat de vrouw na het maken van een draagkrachtvergelijking is uitgekomen op een door de man te betalen kinderbijdrage van € 223,00 per kind per maand, inclusief fiscaal voordeel.

Zij is tot dit bedrag gekomen op basis van de bedrijfsresultaten van de man over de jaren:

- 2008 met een correctie voor huurlasten;

- 2009 met een correctie voor huurlasten en een eenmalige extra afschrijving van de [auto] en

- 2010 met een correctie voor huurlasten en voor "overige transportkosten".

De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw aldus, dat zij de rechtbank verzoekt de man tot betaling van een kinderbijdrage van € 223,00 per kind per maand te veroordelen.

De vrouw heeft tenslotte nog gesteld dat zij mogelijk op of omstreeks 1 januari 2015 ontslag zal krijgen.

3. De man heeft mondeling een behoefte- en een draagkrachtverweer gevoerd.

3.1.

De man heeft ter zitting gesteld dat het netto besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van hun huwelijk lager was dan het gemiddelde netto gezinsinkomen van € 5.811,00 zoals door de vrouw is gesteld in haar brief van 10 juni 2014.

3.2.

Op basis van het gemiddelde resultaat over de afgelopen drie jaren en ook op basis van het verwachte netto resultaat over 2013 heeft de man berekend dat zijn draagkracht

€ 50,00 bedraagt voor [minderjarige A], [minderjarige B] en [minderjarige C] samen, en vanaf 30 juni 2014 -zo begrijpt de rechtbank- € 25,00 voor deze drie kinderen.

De man heeft ter onderbouwing van zijn verweer de volgende stukken overgelegd:

- een financieel verslag 2012 van zijn onderneming [de onderneming];

- een aangifte Inkomstenbelasting 2012 en

- een brief d.d. 4 januari 2014, afkomstig van zijn boekhouder, met betrekking tot de netto winst over het boekjaar 2013.

Volgens de man heeft hij zijn ex-echtgenote geen financiële gegevens gevraagd. De man heeft de rechtbank verzocht desondanks rekening te houden met zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen uit een eerdere relatie, te weten de jong-meerderjarige [de jong-meerderjarige] die volgens de man bij hem woont, en de minderjarige [minderjarige D]. Ook zou rekening gehouden moeten worden met zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige E], die op [geboortedatum E] is geboren en die door de man als zijn kind is erkend. Van de moeder van [minderjarige E] heeft de man ook geen financiële gegevens.

De man heeft de rechtbank tenslotte nog verzocht er rekening mee te houden dat hij vanaf 1 januari 2015 geen fiscaal voordeel meer zal hebben over op de door hem te betalen kinderbijdrage.

4. Voor zover relevant zal de rechtbank hierna de standpunten van partijen bespreken.

4.1.

De behoefte.

De rechtbank is van oordeel dat de man zijn behoefteverweer niet, althans niet voldoende, met financiële stukken heeft onderbouwd. Ook heeft hij geen standpunt ingenomen hoe hoog de behoefte van de minderjarigen [minderjarige A], [minderjarige B] en [minderjarige C] in zijn visie is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man dan ook niet aan zijn stelplicht voldaan. Dit brengt mee dat de rechtbank de vrouw zal volgen in haar standpunt dat de behoefte van de minderjarigen € 500,00 per kind per maand bedraagt.

4.2.

De draagkracht van de man.

Wegens het onderbreken van voldoende financiële stukken en andere bewijsstukken die zijn verweer kunnen onderbouwen en inzicht kunnen geven in zijn financiële situatie, strandt ook het draagkrachtverweer van de man. De man heeft zich in dit verband beroepen op een burnout, waardoor hij niet goed in staat zou zijn om zijn financiën inzichtelijk te maken. Tegenover de betwisting door de vrouw had het minimaal op de weg van de man gelegen een medische verklaring over te leggen waaruit de geestelijke gesteldheid van de man blijkt, maar ook dat heeft hij nagelaten. Het moet, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook voor rekening en risico van de man komen dat hij onvoldoende stukken in het geding heeft gebracht.

De man heeft niets gesteld over de (hoogte van) de behoefte van [de jong-meerderjarige], [minderjarige D] en [minderjarige E], en hij heeft op geen enkele manier onderbouwd voor welk deel hij in de behoefte van die kinderen voorziet. De rechtbank zal hiermee dan ook geen rekening houden.

Ook houdt de rechtbank geen rekening met de door de man gestelde vermindering van zijn draagkracht per 1 januari 2015 wegens de afschaffing van het fiscaal voordeel op de kinderalimentatie, nu de man niet heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt hoe hoog het fiscaal voordeel voor hem is, en de rechtbank dit bij gebrek aan voldoende financiële stukken ook niet (met voldoende zekerheid) uit de stukken kan afleiden.

4.3.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de door de man ten behoeve van de drie minderjarige kinderen van partijen te betalen kinderbijdrage vaststellen op € 670,00 : 3 kinderen = € 223,00 per kind per maand, zoals door de vrouw is berekend. Nog daargelaten dat de vrouw geen consequenties ten aanzien van de kinderbijdrage heeft verbonden aan een mogelijk ontslag per 1 januari 2015, zal de rechtbank hiermee geen rekening houden omdat het een toekomstige en onzekere gebeurtenis betreft.

4.4.

Zoals gebruikelijk zal deze onderhoudsbijdrage ingaan op de dag dat de vrouw haar verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend. De rechtbank ziet geen aanleiding om van een andere ingangsdatum uit te gaan.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de man met ingang van 1 juli 2013 € 223,00 per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen

[minderjarige A], geboren op [geboortedatum A] in de gemeente [A],

[minderjarige B], geboren op [geboortedatum B] in de gemeente [B] en

[minderjarige C], geboren op [geboortedatum C] in de gemeente [C]

telkens bij vooruitbetaling - voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken - te voldoen aan de vrouw;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. F. Kleefmann, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 12 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 20)

Van deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier.