Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5095

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
20-10-2014
Zaaknummer
830567-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 76-jarige man voor het plegen van ontuchtige handelingen met zijn kleindochter in de jaren 2002-2006 en legt hem een gevangenisstraf op van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Aan de voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank een proeftijd van 3 jaren met als voorwaarde dat de man een behandeling ondergaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830567-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 tot en met 4 maart 2006, op

diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] , (meermalen) met [aangeefster]

(geboren op [geboortedatum 2] ), die toen (telkens) de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, bestaande uit het (meermalen) betasten van en/of wrijven over

de vagina en/of de borsten van die [aangeefster] .

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. Hoewel niet helemaal duidelijk wordt hoe vaak het is gebeurd, nu de verklaringen daarover uiteen lopen, gaat de officier van justitie uit van zeker 20 keer.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen zoals ten laste gelegd. Voor wat betreft de frequentie lopen de verklaringen uiteen, maar duidelijk is wel dat het niet bij een enkele keer is gebleven.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 17 april 2013, opgenomen op p. 10 e.v. van proces-verbaal met nummer [pv-nummer] d.d. 24 september 2013, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaringen van [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] .

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 mei 2002 tot en met 4 maart 2006, te [pleegplaats 1] en [pleegplaats 2] , meermalen met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] ), die toen telkens de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen betasten van en wrijven over de vagina en de borsten van die [aangeefster] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk gedeelte dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals voorgesteld door de reclassering, inhoudende een meldplicht en een ambulante behandeling bij de AFPN. De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig feit, gepleegd binnen de familiekring. Het is bewust gedrag geweest dat meerdere malen heeft plaatsgevonden. Dit soort feiten heeft, zo leert de algemene ervaring, grote impact op het leven van het slachtoffer. Verdachte heeft geen blijk gegeven inzicht te hebben in die gevolgen, maar lijkt zich vooral zorgen te maken over zijn eigen lot en de gevolgen voor zijn eigen leven en omgeving. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid en heeft meerdere malen aangegeven dat hij het jammer en oneerlijk vindt dat het slachtoffer aangifte heeft gedaan omdat hij zijn excuses al aan haar had aangeboden voor zijn gedrag. De officier van justitie acht het van belang dat verdachte hulp krijgt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een geheel voorwaardelijke straf, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering. Dat is conform het advies van de reclassering en er zijn bij verdachte geen aanwijzingen gevonden voor pedofilie. Verdachtes houding ten opzichte van het feit komt niet goed uit de verf, maar hij neemt wel degelijk verantwoordelijkheid en kampt met zeer veel spijt en schaamte. Een gevangenisstraf kan het leed dat het slachtoffer is aangedaan bovendien niet compenseren. De beste oplossing is dat verdachte geholpen wordt. Daaraan wil hij ook meewerken. De aanmelding bij de AFPN heeft inmiddels plaatsgevonden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn kleindochter op jonge leeftijd gedurende enkele jaren meerdere malen ontuchtig betast. Dit betreft een ernstig feit, waarmee verdachte inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van zijn kleindochter. De vertrouwensband die er tussen een opa en zijn kleindochter is, heeft verdachte met zijn handelen op grove wijze geschaad. De algemene ervaring leert dat dit soort feiten grote impact op het leven van het slachtoffer hebben. Dit blijkt ook uit het feit dat aangeefster geruime tijd nadat het misbruik plaatsvond, alsnog besloot om aangifte te doen nu de gebeurtenissen nog steeds invloed op haar leven hebben. De rechtbank houdt ook rekening met de hoge leeftijd van verdachte, met de omstandigheid dat de feiten al lange tijd geleden zijn gepleegd, met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank acht de straf die door de officier van justitie is geëist te hoog, maar de door de raadsman bepleite geheel voorwaardelijke straf vindt de rechtbank geen recht doen aan de aard en ernst van het feit.

De rechtbank acht het, conform het advies van de reclassering van 13 december 2013, ook van belang dat verdachte zich onder behandeling laat stellen, om daarmee het risico op recidive te verkleinen. De rechtbank zal daartoe, en om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm opleggen waarbij bijzondere voorwaarden worden gesteld zoals voorgesteld door de reclassering. Verdachte heeft aangegeven daaraan mee te willen en zullen werken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITS

PRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres Nijlandstraat 147 in Assen, en zich hierna zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht, blijft melden;

 dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van de AFPN of een soortgelijke forensische psychiatrische instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problematiek, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. A.F. Gerding en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober 2014.