Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5076

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
141896
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Grievend gedrag en gezag van gewijsde. Aanpassing behoefte van de vrouw wegens gebleken hogere kosten kinderen. Koppeling indexering aan ABP-pensioen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401, geldigheid: 2014-10-17
Burgerlijk Wetboek Boek 1 402a, geldigheid: 2014-10-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2015/18
FJR 2015/30.11

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Groningen

zaaknr.: C/18/141896 / FA RK 13-1457

beschikking d.d. 8 april 2014

in de zaak van:

[de man],

wonende te [adres],

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.S.M. Kunst te Zuidlaren,

en

[de vrouw],

wonende te [adres],

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat eerder mr. C.H.J. Willemsen, thans mr. C. Groeneveld-Blaauw.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 2 juli 2013 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend. Daarin wordt verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank te Groningen d.d. 26 april 2011 te wijzigen en te bepalen:

I.

Primair:

dat de alimentatieplicht van de man eindigt per 25 januari 2011, althans per 1 mei 2013, althans de datum die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, en de vrouw te veroordelen de na de vast te stellen einddatum van de man ontvangen alimentatie aan hem terug te betalen.

Subsidiair:

dat de alimentatieplicht van de man naar omvang en tijd fors wordt gematigd, in die zin dat de bijdrage wordt verminderd tot € 250,- per maand, en de duur van de alimentatieplicht wordt beperkt tot maximaal twee jaar, en definitief eindigt op 1 mei 2015, althans op een wijze die de rechtbank redelijk voorkomt en wel ingaande 1 mei 2013, althans de datum die de rechtbank redelijk acht, met veroordeling van de vrouw het verschil van de door haar vanaf die datum van de man ontvangen alimentatie en die welke de rechtbank nader bepaalt, aan de man terug te betalen.

Meer subsidiair:

dat de zaak wordt aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen inkomensbescheiden en alimentatieberekeningen in het geding te brengen.

II.

dat de vrouw wordt veroordeeld aan de man te betalen zoveel maal € 303,16 per maand als zij aan bijzonder partnerpensioen sedert 1 november 2012 heeft ontvangen tot aan de datum dat de rechtbank nader over de alimentatieplicht van de man heeft beslist.

III.

dat de indexering waaraan een eventuele nader vast te stellen door de man aan de vrouw te betalen alimentatie wordt gekoppeld aan de stijging of daling van zijn door het ABP aan hem te betalen pensioen.

Kosten rechtens.

De vrouw heeft op 27 augustus 2013 een verweerschrift ingediend waarin zij verzoekt om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de man af te wijzen, kosten rechtens.

Ter griffie zijn op 4 november 2013 en op 7 november 2013 nadere producties ontvangen van mr. Kunst.

Op 10 november 2013 heeft mr. Willemsen zich onttrokken als advocaat van de vrouw en heeft mr. C. Groeneveld-Blaauw zich gesteld als advocaat van de vrouw.

Ter griffie is op 11 november 2013 een brief met bijlagen d.d. 8 november 2012 ontvangen van mr. Willemsen.


Ter griffie is op 15 november 2013 een pleitnota ontvangen van mr. Kunst.

Ter griffie is op 17 december 2013 een brief met bijlagen ontvangen van mr. Kunst.


Ter griffie is op 24 december 2013 een brief met bijlagen ontvangen van mr. Groeneveld-Blaauw.

De rechtbank heeft partijen, bijgestaan door hun raadslieden, gehoord ter zitting met gesloten deuren van 10 januari 2014. Door beide partijen is op de zitting een pleitnota overgelegd.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

  • -

    Partijen zijn [in 1990] gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

  • -

    Het huwelijk van partijen is op 11 oktober 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 26 september 2007 in de registers van de burgerlijke stand.

  • -

    Bij voormelde beschikking is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud een bedrag van € 2.730,- bruto per maand dient te voldoen, ingaande de datum echtscheiding.

  • -

    Bij beschikking van 26 april 2011 van de rechtbank te Groningen is bepaald dat de man met ingang van 29 september 2010 tot 1 april 2011 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 2.269,- per maand dient te betalen, met dien verstande dat de bijdrage over de maand maart 2011 op nihil wordt gesteld indien aan de vrouw een bedrag van € 4.716,- bruto ter zake van FPU-uitkering is toegekend, en dat de man met ingang van 1 april 2011 aan de vrouw, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 1.364,- per maand dient te betalen.

  • -

    In de beschikking van 26 april 2011 is de behoefte van de vrouw ten tijde van de echtscheidingsbeschikking vastgesteld op € 3.112,- netto per maand, na indexering per
    1 januari 2011 € 3.411,- netto per maand.

Standpunten

Standpunt van de man

De man vraagt primair wijziging van de beschikking van 26 april 2011 omdat de rechter van onjuiste dan wel onvolledige gegevens is uitgegaan. Dit betreft in de eerste plaats niet-financiële factoren, te weten grievend gedrag van de vrouw jegens de man. De man heeft hier in de vorige procedure ook een beroep op gedaan maar verkeerde toen in bewijsnood. Ook was hem de omvang en ernst van de kwaadsprekerij door de vrouw niet volledig bekend. Dit werd de man eerst echt duidelijk in februari 2011 toen hij, tijdens de voorbereiding van zijn afscheid bij zijn werkgever, door een collega werd geïnformeerd over onbetamelijke uitlatingen door de vrouw. De man heeft ter onderbouwing schriftelijke verklaringen van zijn oud-collega’s overgelegd, te weten een verklaring van mevrouw [collega1] d.d. 7 mei 2013 en een verklaring van de heer [collega2] d.d. 13 mei 2013, alsmede een eigen verklaring van de man d.d. 11 mei 2013. De vrouw heeft in mei 2013 gereageerd op de verklaring van de heer [collega2]en een brief is gezonden naar een locatie van de werkgever van de man, waar de heer [collega2], die nu is gepensioneerd, niet heeft gewerkt. Hierdoor zijn binnen deze locatie de grievende feiten nogmaals opgerakeld.

In de tweede plaats is de rechtbank van onjuiste dan wel onvolledige gegevens uitgegaan bij het vaststellen van behoefte van de vrouw nu geen rekening is gehouden met de kosten voor de kinderen. De huwelijkse welstand van partijen werd gedrukt door de hoge kosten van opleiding en studie van de beide dochters van de vrouw, door de man gesteld op gemiddeld

€ 709,- per maand.

Subsidiair is er sprake van gewijzigde omstandigheden. De aanvullende behoefte van de vrouw is gewijzigd nu haar per 1 november 2012 een bijzonder partnerpensioen is toegekend in verband met het overlijden van haar eerste echtgenoot. De man is van mening dat de vrouw gelet hierop te veel alimentatie heeft ontvangen en hij verzoekt om terugbetaling daarvan. De vrouw heeft daarnaast inkomsten uit haar schilderijenverkoop. Ook zou zij haar healingpraktijk weer kunnen oppakken. Verder is gebleken dat de vrouw snel en fors heeft ingeteerd op haar vermogen, hetgeen niet dient te worden afgewenteld op de man.

De behoefte van de vrouw is voorts door tijdsverloop verbleekt. Er kan van de vrouw worden gevergd dat zij op redelijke termijn weer aan een levensstandaard gaat wennen die zij gewoon was voor het huwelijk met de man, althans waarbij zij op redelijke wijze kan voorzien in haar eigen levensonderhoud uit haar eigen middelen, te weten AOW, haar pensioen en het pensioen van de man en wijlen haar eerste echtgenoot.

Hiernaast is er sprake van een wijziging in de draagkracht van de man. Deze is afgenomen door pensioenverlaging, verlies van zorgtoeslag, hogere lasten en het samenwonen per 1 juni 2011 met een partner die niet in staat is in haar eigen kosten van levensonderhoud te voorzien. De man heeft bovendien bij zijn partner schulden gemaakt vanwege een verborgen gebrek in de woning van de man.

De man is op grond van het voorgaande van mening dat zijn alimentatieverplichting dient te eindigen dan wel dient deze naar omvang en tijd te worden beperkt. De man verzoekt voorts, indien wel een onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld, de wettelijke indexering te koppelen aan de stijging of daling van zijn ABP-pensioen, zijn belangrijkste inkomensbron. Dit pensioen is in 2013 verlaagd zodat de wettelijke indexering thans niet langer voldoet.

Standpunt van de vrouw

De vrouw heeft zich ten aanzien van het gestelde grievend gedrag op het standpunt gesteld dat dit in de onderhavige procedure niet meer aan de orde kan zijn nu dit in de vorige procedure reeds is beoordeeld. De vrouw erkent in dit verband dat zij in mei 2013 een brief, waarin ze overigens slechts vraagt om opheldering, heeft gezonden naar de werkgever van de man. De reden was dat de heer [collega2] daar volgens informatie op de website van de werkgever werkzaam is. De inhoud van deze brief is jegens de man niet als grievend aan te merken.

De vrouw erkent dat er sprake was van hoge kosten voor haar kinderen, ter zitting geschat op ongeveer fl. 1.000,- per maand. Deze kosten werden volledig door haar gedragen, aldus de vrouw.

De vrouw ontvangt een bijzonder nabestaandenpensioen vanwege het overlijden van haar eerste echtgenoot. Dit heeft geen invloed op de alimentatieverplichting nu zij geen inkomsten uit vermogen heeft en geen inkomsten uit de verkoop van schilderijen. Van de vrouw kan gelet op haar leeftijd van 68 jaar bovendien niet meer worden verlangd dat zij inkomsten vergaart. De behoefte van de vrouw is derhalve niet verminderd en ook niet verbleekt. De vrouw wijst er op dat partijen twintig jaar bij elkaar waren, waarvan zeventien jaar gehuwd. De lotsverbondenheid tussen partijen dient derhalve nog steeds aanwezig te worden geacht.

Ten aanzien van de gestelde daling van de draagkracht van de man wijst de vrouw erop dat met zijn pensionering in de vorige procedure reeds rekening is gehouden. De man is bovendien nog steeds werkzaam op oproepbasis voor zijn voormalige werkgever en heeft tevens inkomsten uit chauffeurswerkzaamheden en een expositieruimte. Ook dient rekening te worden gehouden met de lijfrente-uitkering van Lloyalis en inkomsten van Delta Lloyd. Verder is sprake van een hogere WOZ-waarde van zijn woning dan waarvan de man is uitgegaan. Het gebruikelijke forfait eigenaarslasten dient daarbij in aanmerking te worden genomen. Verder blijkt uit de stukken dat ook de man fors heeft ingeteerd op zijn vermogen. De man heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat zijn partner niet in haar eigen onderhoud kan voorzien zodat slechts de helft van de woonlast in aanmerking dient te worden genomen. Ook dient alleen met de ziektekosten van de man rekening te worden gehouden. De vrouw verzoekt ten slotte om afwijzing van de verzoeken van de man met betrekking tot de indexering en terugwerkende kracht.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Nu de man aan zijn inleidend verzoek ten grondslag heeft gelegd dat de beslissing van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan in de zin van artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de man ontvankelijk in zijn inleidende verzoek.

Grievend gedrag

Door de vrouw is aangevoerd dat het gestelde grievend gedrag in de onderhavige procedure niet meer aan de orde kan worden gesteld omdat dit in de vorige procedure al is beoordeeld.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de beschikkingen van de Hoge Raad van

25 mei 2007 (LJN:BA0902) en 17 mei 2013 (LJN:CA0356), dat in beginsel ook gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen met betrekking tot geschilpunten ter zake van aanspraken op levensonderhoud, vervat in een tussen dezelfde partijen gegeven, in kracht van gewijsde gegane beschikking. Dit gezag van gewijsde wordt evenwel in zoverre beperkt dat ingevolge art. 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij een latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1) of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4). Wordt op de voet van art. 1:401 BW wijziging van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verzocht, dan is de rechter niet gebonden aan beslissingen in de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, indien blijkt dat een of meer van de in die bepalingen genoemde gronden zich voordoen.

Het oordeel van de rechter omtrent de vraag of gedragingen zodanig grievend zijn dat daardoor geen aanspraak meer bestaat op partneralimentatie, is evenwel een beslissing die niet vatbaar is voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW. Het gaat hier om een beslissing die voorafgaat aan en gebaseerd is op andersoortige omstandigheden dan de in art. 1:401 BW bedoelde en op de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht gebaseerde beslissing over de vraag of en tot welk bedrag alimentatie verschuldigd is. Dit betekent dat aan een dergelijke beslissing wel het gezag van gewijsde toekomt.

De rechtbank stelt vast dat de man ook in de vorige procedure heeft verzocht de alimentatie op nihil te stellen wegens wangedrag van de vrouw. Hij heeft destijds aangevoerd dat dit wangedrag zou bestaan uit het zenden van een brief aan de man waarin stond dat de vrouw op 1 oktober 2010 uiterst persoonlijke en vertrouwelijke informatie over de man aan diverse mediavertegenwoordigers zou overhandigen, uit kwaadsprekerij tegenover zijn leidinggevende in 2007 en een door de vrouw aan haar testament gehechte verklaring. In de beschikking van 26 april 2011 heeft de rechtbank dit gedrag aangemerkt als uitermate laakbaar maar, mede in het licht van de duur van het huwelijk, geen reden gezien om rechtens relevant grievend gedrag aan te nemen. Daarbij is overwogen dat van de gestelde kwaadsprekerij geen inzichtelijke onderbouwing is gegeven. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

Nu in de beschikking van 26 april 2011 is ingegaan op het gestelde grievend gedrag, de thans overgelegde verklaringen zien op dezelfde periode en destijds geen hoger beroep is ingesteld is de rechtbank van oordeel dat aan de beslissing in voornoemde beschikking ten aanzien van het gestelde grievend gedrag gezag van gewijsde toekomt. Het beroep in dit verband van de man op artikel 1:401 lid 4 BW kan derhalve niet slagen.

De correspondentie in 2013 tussen de vrouw en de heer[collega2] kan niet leiden tot een ander oordeel nu dit eveneens betrekking heeft op dezelfde periode als waarover in de beschikking van 26 april 2011 is geoordeeld, terwijl ook niet is gebleken dat de man hierdoor enig nadeel heeft ondervonden.

Behoefte

Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van huwelijk sprake was van hoge kosten voor de kinderen. Nu de rechtbank met de kosten voor de kinderen van de vrouw in de destijds gemaakte berekening geen rekening heeft gehouden, en dus is uitgegaan van onvolledige gegevens, is naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 1:401 lid 4 BW een nieuwe beoordeling gerechtvaardigd. De rechtbank zal daarom de behoefte van de vrouw opnieuw berekenen.

De rechtbank stelt vast dat partijen ieder een ander bedrag aan kosten voor de kinderen noemen terwijl uit de overgelegde stukken de hoogte van deze uitgaven niet afdoende blijkt. De rechtbank zal daarom uitgaan van het gemiddelde van de door partijen genoemde bedragen, te weten een bedrag van € 582,-, en de behoefte ten tijde van de echtscheiding daarmee corrigeren. De rechtbank heeft in de beschikking van 26 april 2011 de behoefte van de vrouw ten tijde van de echtscheiding berekend op € 3.112,-. Omgerekend volgens de Hof-formule komt dit op een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.187,- per maand. Indien de kosten van de kinderen hierop in mindering worden gebracht resteert een bedrag van
€ 4.605,-. De behoefte van de vrouw bedraagt dan € 2.763,- netto per maand (60% van
€ 4.605,-), na indexering in 2013 € 3.119,93 netto per maand.

Aanvullende behoefte

De rechtbank zal de aanvullende behoefte van de vrouw berekenen per datum indiening verzoekschrift. In zaken betreffende levensonderhoud geldt als uitgangspunt dat als ingangsdatum de datum van de indiening van het verzoekschrift wordt gehanteerd. De rechtbank ziet in hetgeen door de man is aangevoerd onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Een wijziging zal daarom ingaan per 2 juli 2013.

Inkomen

Vaststaat dat de vrouw de volgende inkomsten heeft:

€ 13.875,- bruto AOW-uitkering per jaar inclusief vakantietoeslag

€ 441,- bruto per jaar pensioen PFZW

€ 3.638,- bruto per jaar partnerpensioen PGB

€ 880,- bruto per jaar ter zake ouderdomspensioen APF

€ 14.778,- bruto per jaar uit ABP-pensioen van de man.

De rechtbank, zal, anders dan de rechtbank destijds heeft gedaan, geen rekening houden met inkomsten uit de verkoop van schilderijen, nu hiervan niet (meer) is gebleken. Dat de vrouw via haar healingpraktijk weer inkomsten zou kunnen genereren, zoals de man heeft aangevoerd, acht de rechtbank niet aan de orde. De vrouw is 68 jaar en de rechtbank is van oordeel dat daarom niet van haar kan worden verwacht dat zij weer een bedrijf opstart.

Inkomsten uit vermogen

Tussen partijen staat vast dat de vrouw geen inkomsten uit vermogen heeft. De man heeft ten aanzien hiervan opgemerkt dat de omstandigheid dat de vrouw haar vermogen in korte tijd heeft opgebruikt niet op hem mag worden afgewenteld en verzoekt de rechtbank hiermee rekening te houden. De vrouw heeft aangegeven dat ook de man fors heeft ingeteerd op zijn vermogen. Gelet hierop, alsmede op het ontbreken van een nadere toelichting en onderbouwing door beide partijen en gezien het relatief geringe vermogen van beide partijen en een gering rendement na aftrek van belasting over box 3-vermogen, zal de rechtbank, voor beide partijen, geen inkomsten uit vermogen in aanmerking nemen.

(Alleenstaande) ouderenkorting

De rechtbank zal een bedrag van € 429,- aan aanvullende ouderenkorting meenemen, nu tussen partijen vaststaat dat de vrouw vanaf 2013 recht heeft op deze korting. Ook heeft de vrouw recht op de ouderenkorting.

Het netto inkomen van de vrouw is daarmee € 2.412,- per maand zodat de resterende behoefte € 707,93 netto per maand bedraagt, gebruteerd € 937,- per maand.

Draagkracht van de man

Tussen partijen staat het volgende vast.

Inkomen

De man heeft de volgende inkomsten bruto per jaar:

€ 17.929,- bruto AOW-uitkering inclusief vakantietoeslag

€ 47.325,- bruto ABP-pensioen

€ 2.763,- bruto lijfrente-uitkering OHRA

Het eigen woning forfait bedraagt € 1.578,- per jaar, uitgaande van een WOZ-waarde van
€ 255.000,-.

Lasten:

€ 12.008,- hypotheekrente

Tussen partijen is in geschil de draagkracht van de man voor wat betreft de onderdelen:

  • -

    inkomen uit bijverdiensten, chauffeurswerkzaamheden en expositieruimte

  • -

    inkomsten uit vermogen

  • -

    de lijfrente via Lloyalis

  • -

    inkomsten Delta Lloyd

  • -

    de al dan niet verdienende partner en de toepasselijke bijstandsnorm

  • -

    ziektekosten en eigen risico.

Inkomen uit bijverdiensten, chauffeurswerkzaamheden en expositieruimte

De vrouw heeft de hoogte van de inkomsten uit bijverdiensten betwist. Nu uit de door de man overgelegde aangifte IB 2012 blijkt dat hij voor werkzaamheden voor zijn voormalige werkgever een bedrag van € 2.808,- heeft ontvangen zal de rechtbank dat bedrag meenemen.

De vrouw heeft aangevoerd dat de man inkomsten heeft uit chauffeurswerkzaamheden. Gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door de man – hij heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de bewuste auto’s heeft verkocht en ook uit zijn belastingaangifte blijkt niet van deze inkomsten – is de rechtbank van oordeel dat deze inkomsten niet aannemelijk zijn geworden. Ook is uit de stukken, en in het licht van de betwisting door man, niet gebleken van inkomsten uit een expositieruimte.

Inkomsten uit vermogen

Onder verwijzing naar hetgeen hierover is opgemerkt bij de vrouw zal de rechtbank geen inkomsten uit vermogen in aanmerking nemen.

De lijfrente via Lloyalis

In de eerdere beschikking is de lijfrentepolis Lloyalis niet aan de orde geweest. Thans blijkt uit de door de man overgelegde financiële stukken dat hij hieruit inkomsten ontvangt van

€ 4.097,- bruto per jaar. De rechtbank zal deze inkomsten daarom meenemen.

Inkomsten Delta Lloyd

Uit de door de man overgelegde financiële stukken blijkt dat hij een bedrag van € 1.189,- bruto per jaar en een bedrag van € 1.573,- bruto per jaar ontvangt van Delta Lloyd Bank N.V. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat deze bedragen dienen te worden meegenomen.

Al dan niet verdienende partner en toepasselijke bijstandsnorm

Vaststaat dat de man samenwoont met zijn huidige partner. De vrouw heeft aangevoerd dat de partner van de man haar eigen lasten kan en moet dragen, nu zij voor het samenwonen een goede baan had. De man heeft aangevoerd dat zijn partner geen inkomsten heeft en aan het revalideren is van een hartoperatie en dat hij haar dus volledig dient te onderhouden. De rechtbank stelt vast dat de man voornoemde stellingen niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, dat onvoldoende is gebleken van een noodzaak voor de man om zijn partner te onderhouden, temeer nu hij heeft aangevoerd dat hij geld bij haar heeft moeten lenen en dat zij de kosten van de onderhavige procedure betaalt. De rechtbank zal daarom de bijstandsnorm voor een alleenstaande hanteren en de lasten en inkomsten van de partner niet meenemen.

Ziektekosten en eigen risico

Uit de door de man overgelegde stukken blijkt de premie ziektekostenverzekering voor de man € 102,44 bedraagt zodat de rechtbank dit bedrag zal meenemen. De rechtbank zal het door de man opgevoerde eigen risico niet meenemen, nu dit door de vrouw is betwist en uit de overgelegde stukken onvoldoende blijkt dat hij dit eigen risico structureel realiseert.

Uitgaande van het bovenstaande komt de rechtbank tot de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening, die als hier ingelast moet worden beschouwd.

Blijkens deze draagkrachtberekening heeft de man een draagkrachtruimte van € 2.836,- waarvan 60%, dus € 1.702,- beschikbaar is voor partneralimentatie. Gebruteerd is dit een bedrag van € 3.032,-.

De man kan dus met zijn draagkracht voorzien in de resterende bruto behoefte van de vrouw van € 937,-.

Jusvergelijking

Op grond van de bijgaande berekening stelt de rechtbank vast dat bij betaling van een partneralimentatie van bruto € 937,- de vrouw niet meer ‘vrije ruimte’ heeft dan de man.

Verzoek tot terugbetaling ter hoogte van partnerpensioen

De man heeft aangevoerd dat de vrouw een deel van de ontvangen alimentatie terug dient te betalen omdat ze haar recht op partnerpensioen van haar eerste echtgenoot per 1 november 2012 heeft verzwegen. De vrouw is van mening dat dit verzoek dient te worden afgewezen.

De rechtbank oordeelt als volgt. In het algemeen geldt dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik dient te maken. De rechter zal moeten oordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde kan worden verlangd dat deze gehouden is tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven. Nu de vrouw heeft aangevoerd dat zij niet in staat is het bedrag terug te betalen omdat zij de gelden reeds heeft uitgegeven zal de rechtbank het betreffende verzoek van de man tot terugbetaling afwijzen. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat van een bewust verzwijgen van dit partnerpensioen door de vrouw niet is gebleken nu niet in geschil is dat de vrouw door de man is gewezen op haar aanspraak op dit pensioen.

Matiging van de alimentatiebijdrage

De man heeft aangevoerd dat de huwelijkse welstand al lang niet meer bestaat en dat de betalingsverplichting van de man is verbleekt. De man heeft inmiddels een bescheiden pensioen en de vrouw heeft voldoende inkomen uit haar AOW, haar deel van het pensioen van de man en het pensioen van haar eerdere echtgenoot. Het gaat er nu nog om, stelt de man, dat de vrouw in redelijkheid voldoende inkomen ter beschikking heeft om van te leven. De man verzoekt daarom een bescheiden alimentatieaanvulling te bepalen van hooguit

€ 250,- per maand voor een beperkte duur.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist en heeft gesteld dat de uit het huwelijk voortvloeiende lotsverbondenheid nog steeds bestaat.

De rechtbank ziet in hetgeen door de man is aangevoerd geen reden om de verplichting te beëindigen of de bijdrage te matigen. Partijen zijn 17 jaar met elkaar gehuwd geweest en hebben totaal gedurende 20 jaar een relatie gehad. Dit huwelijk is betrekkelijk kort geleden, namelijk in 2007, ontbonden. De rechtbank betrekt hierin ook de leeftijd van de vrouw op het moment van de beëindiging van het huwelijk en haar leeftijd nu; zij is thans 68 jaar.

Indexering

De man verzoekt te bepalen dat niet de wettelijke indexering wordt toegepast maar dat de indexering wordt gekoppeld aan de stijging of daling van zijn ABP-pensioen, te berekenen per 1 januari 2012. Hij voert daartoe aan dat zijn belangrijkste inkomen het ABP pensioen is. Dit pensioen is in 2012 niet verhoogd en in 2013 verlaagd. Onder deze omstandigheden voldoet de wettelijke indexering waaraan de alimentatie is onderworpen en die nog steeds leidt tot verhoging, niet meer zo stelt de man. Ook de behoefte van de vrouw zou volgens de man op deze manier moeten worden geïndexeerd.

De vrouw is van mening dat de gebruikelijke wettelijke indexering dient te worden toegepast.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 1:402a BW kan de rechter op verzoek van (een van) partijen de wettelijke indexering uitsluiten, bijvoorbeeld indien het inkomen van de alimentatieplichtige niet zoveel stijgt als het loonindexcijfer indiceert. Nu de inkomsten van de man voor het grootste deel bestaan uit het ABP-pensioen terwijl de indexering van dit pensioen al enkele jaren op nul is gesteld, acht de rechtbank het redelijk de wettelijke indexering van de alimentatie te verbinden aan de indexering van het ABP-pensioen. De man dient de vrouw te informeren zodra het ABP-pensioen weer wordt geïndexeerd en vanaf dat moment het geïndexeerde bedrag aan alimentatie te voldoen.

Proceskosten

Partijen zijn gewezen echtelieden. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren, zoals hieronder volgt.

BESLISSING

wijzigt de beschikking van de rechtbank Groningen d.d. 26 april 2011 en bepaalt dat de man met ingang van 2 juli 2013 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 937,- bruto per maand dient te voldoen;

sluit de wettelijke indexering uit zolang het ABP-pensioen van de man niet wordt geïndexeerd en bepaalt het percentage van indexering op het percentage waarmee eventueel het ABP-pensioen in de toekomst wordt geïndexeerd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.W.J. Vinkes en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 8 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

ah

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld. Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden, of - voor zover het een beschikking betreft, waarbij de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is uitgesproken - op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is betekend en door plaatsing van een uittreksel daarvan in de Staatscourant openlijk bekend is gemaakt. Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.