Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:5044

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
18.630338-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderwerp tenlastelegging: het gedurende een aantal jaren bedrijfsmatig kweken van hennep.

De rechtbank heeft vonnis gewezen in een zaak waarin door de verdachten op principiële gronden niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie werd bepleit. Subsidiair beriepen zij zich op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid en meer subsidiair waren zij van mening dat hun gedrag niet strafwaardig was.

In het vonnis wordt door de rechtbank ingegaan op de gevoerde verweren en komt de rechtbank uiteindelijk uit op de toepassing van art. 9a van het Wetboek van Strafrecht. ( schuldigverklaring zonder oplegging van straf ).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47, 57
Opiumwet 3, 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummers: 18/630338-11+18/830185-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats] (Oostenrijk),

wonende te [woonplaats],[woonadres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 maart 2014 en 2 oktober 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

In de zaak onder parketnummer 18/630338-11 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 27 juni 2011, te

[pleegplaats] althans gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk ( in de uitoefening van beroep

of bedrijf) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk

aanwezig heeft gehad (in een pand aan [pleegplaats]), (een)

hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) 800 hennepplanten en/of 200

hennepstekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in

elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a , vijfde lid van die wet;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 17 augustus 2010, te

[pleegplaats], althans gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in de uitoefening van een

beroep of bedrijf) (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de

[pleegplaats])

- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 7770 gram

henneptoppen en/of

- ongeveer 353 henneplanten en/of

- ongeveer 435 hennepstekken en/of

- ongeveer 14 moederhennepplanten,

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval

(telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 19 februari 2010, te

[pleegplaats], althans gemeente Delfzijl, telkens tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in de uitoefening van

beroep of bedrijf) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ([pleegplaats] 273

hennepplanten en/of 200 hennepstekken, althans al dan niet (een) grote (een)

hoeveelheid/hoeveelheden van hennep, althans een (groot) aantal hennepplanten

en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30

gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel

3a, vijfde lid, van die wet;

In de zaak met parketnummer 18/830185-14 is aan verdachte ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 te

[pleegplaats], althans in de gemeente Delfzijl,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (in de uitoefening van een beroep of bedrijf)

(telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [pleegplaats])

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 731, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman onder meer het volgende aangevoerd.

De Nederlandse overheid hanteert een gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops, hetgeen onder meer inhoudt dat zij onder bepaalde voorwaarden toestaat dat cannabisproducten worden verkocht aan consumenten. Het doel van het gedoogbeleid is - samengevat - het dienen van de openbare orde, de veiligheid en de volksgezondheid. Coffeeshops kunnen evenwel alleen hennep verkopen als er een aanvoer is van de hennep. Doordat de overheid de verkoop van hennep via de coffeeshops gedoogt, wordt de hennepteelt niet alleen gestimuleerd, maar is deze ook noodzakelijk voor een goede bedrijfsvoering van de gedoogde coffeeshops. Er moet derhalve van uit worden gegaan dat de overheid een bepaalde vorm van hennepteelt accepteert.

Verdachte en medeverdachte hebben zoveel mogelijk gehandeld binnen de grenzen van de doelstellingen van het (mede) door het openbaar ministerie bepaalde gedoogbeleid en hebben steeds openheid betracht over het feit dat zij hennep teelden. Verdachte en medeverdachte teelden uitsluitend ten behoeve van de verkoop aan twee gedoogde coffeeshops. Verdachte en medeverdachte hebben de elektriciteitsrekeningen betaald, zij genoten geen uitkering en zij gaven de inkomsten uit de kwekerij op aan de belastingdienst en betaalden daarover belasting. Bij de hennepkwekerij werden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt en was er geen sprake van brandgevaar. De kwekerij bevond zich op een locatie waar geen sprake kon zijn van overlast. Verder was er aantoonbaar geen sprake van enige vorm van gerelateerde of grensoverschrijdende criminaliteit en van banden met georganiseerde criminaliteit.

Voorts kan uit het dossier worden afgeleid dat het de politie al jaren bekend was dat verdachte en medeverdachte hennep kweekten en aan gedoogde coffeeshops leverden.

Het openbaar ministerie heeft de vervolgingsbeslissingen ten aanzien van verdachte en medeverdachte niet in redelijkheid kunnen nemen. Het openbaar ministerie gaat met het huidige vervolgingsbeleid lijnrecht in tegen haar eigen beleidsdoelstellingen. Zij dient om die reden wegens strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging niet-ontvankelijk te worden verklaard. Met de vervolging van verdachte is geen redelijkerwijs door strafrechtelijke handhaving gediend belang gemoeid. Er bestaat juridisch ook geen valide argument om op basis van internationale verdragen onderscheid te maken tussen het gedogen van de verkoop via coffeeshops en het gedogen van de teelt. Niet valt in te zien waarom de verkoop van cannabis wel, maar de teelt ten behoeve van die verkoop niet zou moeten worden toegestaan, mits de wijze van teelt tegemoet komt aan de doelstelling van het cannabisbeleid.

Daarnaast was de belastingdienst op de hoogte van de soort onderneming van verdachte en medeverdachte. De belastingdienst heeft zelfs bedrijfsbezoeken aan de hennepkwekerij van verdachte en medeverdachte afgelegd. Verdachte en medeverdachte hebben zich als reguliere ondernemers gedragen en zijn door de overheid ook als regulier bedrijf behandeld. Deze handelwijze van de belastingdienst heeft bijgedragen aan het vertrouwen dat verdachten hadden opgevat dat zij niet zouden worden vervolgd. Voorts heeft het tijdsverloop tussen het plegen van de ten laste gelegde feiten en de zitting het gewekte vertrouwen, dat verdachte en medeverdachten niet zouden worden vervolgd, bestendigd.

Het openbaar ministerie dient verder niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.

Het voorbereidend onderzoek door de politie kent meerdere vormverzuimen. Zo is in de machtiging tot binnentreden het adres met pen geschreven, waarbij geen huisnummer is vermeld en daarnaast heeft de politie zich in 2010 (onbevoegd) via een houten hek toegang verschaft tot het terrein van verdachte en medeverdachte. Er is derhalve sprake van onrechtmatig handelen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat vervolging van verdachte en medeverdachte niet onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Bij de vervolging van verdachte en medeverdachte is geen sprake van schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

Ten eerste is door of vanwege het openbaar ministerie geen enkele toezegging of gedraging gedaan waaraan verdachte en medeverdachte het gerechtvaardigde vertrouwen mochten ontlenen dat zij niet zouden worden vervolgd dan wel dat de hennepkwekerij zou worden gedoogd. Integendeel, zij zijn keer op keer aangehouden. Volgens bestendige jurisprudentie mochten zij dit ook niet uit het tijdsverloop afleiden.

Daarnaast is de aan het openbaar ministerie toekomende vrijheid van vervolging in deze zaak, gelet op de bestendige lijn in de vervolging van verdachten van hennepteelt en gelet op de geldende wetgeving en het huidige regeringsbeleid inzake de strafbaarstelling van het telen van cannabis, niet onjuist of onrechtmatig gebruikt. De opsporing en vervolging van deze verdachten valt namelijk binnen de reguliere en gebruikelijke kaders van de aanpak van drugszaken. Er is geen sprake van een situatie dat geen redelijk oordelend lid van het openbaar ministerie tot het instellen of voortzetten van de vervolging had kunnen besluiten.

De Opiumwet verbiedt teelt van cannabis in de vorm zoals verdachte en medeverdachte dat praktiseren. Uitgangspunt en strekking van de Opiumwet is de volksgezondheid en het tegengaan van productie en gebruik van verdovende middelen. Op onderdelen is via de "Aanwijzing Opiumwet" gekozen voor regulering en gedogen, maar er is vanuit de overheid zeker geen sprake van propagering of bevordering van drugsgebruik. Er is juridisch geen ruimte voor het reguleren van cannabisteelt ter bevoorrading van coffeeshops.

De officier van justitie heeft in dit verband onder meer gewezen op het "Checkpoint-arrest" (ECLI:NL:HR:2013:7, HR 02-07-2013).

De uitspraken waarin de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of schuldig verklaring zonder oplegging van straf is uitgesproken hebben alle betrekking op coffeeshops en de handhaving van de daaraan gekoppelde gedoogvergunningen. De positie van verdachte en medeverdachte is niet gelijk te stellen met die van een exploitant van een coffeeshop.

Het oordeel van de rechtbank

In de tenlastelegging wordt verdachte, kort samengevat, verweten dat zij in 2009, 2010, 2011 en 2014 samen met medeverdachte, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en aanwezig heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2013, het zogenaamde “Checkpoint-arrest”, met betrekking tot de vraag wanneer sprake kan zijn van een

niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende heeft overwogen:

“Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid , Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, LJN BX4280, NJ 2013/109).

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, LJN BW5002).

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).”.

De rechtbank zal dienen te beoordelen of in deze zaak sprake is van een zo uitzonderlijk geval als door de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest bedoeld.

Derhalve dient onderzocht te worden of door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) het gerechtvaardigde vertrouwen bij verdachte en medeverdachte kan hebben gewekt dat zij niet (verder) zouden worden vervolgd.

De rechtbank stelt in de eerste plaats mede aan de hand van het landelijke drugsbeleid, zoals dat gold ten tijde van de ten laste gelegde perioden, vast dat geen sprake was van het van overheidswege gedogen van de aan verdachte en zij medeverdachte ten laste gelegde gedragingen.

Uit het dossier (waaronder de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen) en tijdens de behandeling ter zitting is niet gebleken dat sprake is geweest van door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen), welke bij de verdachte en medeverdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen wekken dat zij niet (verder) zouden worden vervolgd voor overtreding van artikel 3 van de Opiumwet vanwege de hennepteelt.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, kan het enkele niet-ingrijpen door het openbaar ministerie gedurende enige tijd niet met een dergelijke uitlating of gedraging gelijk worden gesteld. Daarbij komt dat verdachte en medeverdachte steeds opnieuw zijn aangehouden zodat daaruit kan blijken dat zij er niet op mochten vertrouwen dat zij niet vervolgd zouden worden. Het beroep van verdachte en medeverdachte op schending van het vertrouwensbeginsel wordt derhalve verworpen.

Voorts dient de rechtbank te toetsen of de vervolging is ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, zodat er strijd is met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

In de "Aanwijzing Opiumwet" van het College van Procureurs-Generaal, d.d. 27 december 2011, die geldig was ten tijde van de in de tenlasteleggingen genoemde periode, staat onder meer vermeld dat "het Nederlandse drugsbeleid zich richt op het tegengaan en reduceren van drugsgebruik, zeker voor zover leidend tot gezondheids- en sociale schade, en op het voorkomen en verminderen van de maatschappelijke schade die aan het gebruik van, de productie van en de handel in drugs is verbonden". Tevens kan daaruit worden opgemaakt dat bij het coffeeshopbeleid sprake is van het onder bepaalde omstandigheden gedogen van bepaalde strafbare feiten. "Uitgangspunt van het beleid is het onderscheid dat in de Opiumwet (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001941/geldigheidsdatum_06-10-2014) is gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en andere middelen (softdrugs). De wetgever heeft dat onderscheid gemaakt met het oog op de gebruiksrisico's van de onderscheiden drugs en om een duidelijke scheiding tussen beide markten aan te brengen. Daartoe worden voor cannabis, dat tot de lijst-II (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001941/geldigheidsdatum_06-10-2014) middelen behoort, speciale verkooppunten in de vorm van coffeeshops gedoogd. De achterliggende gedachte hiervan is te voorkomen dat de cannabisgebruiker in aanraking komt met drugs met een groter gezondheidsrisico (harddrugs)".

"De grondslag van het gedoogbeleid ligt in de afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang. In de context van het drugsbeleid wordt dit hogere belang gevonden in de volksgezondheid (scheiding der markten) en de openbare orde. Het gaat dus om een positieve beslissing niet op te sporen en te vervolgen ongeacht de aanwezige capaciteit.

De toekenning van een lage opsporingsprioriteit aan bepaalde categorieën van strafbare feiten is in het algemeen gelegen in de beoordeling van de relatieve ernst van de strafbare feiten afgezet tegen capacitaire overwegingen".

"Coffeeshops zijn alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt. Coffeeshops mogen geen reclame maken (affichering: A), geen harddrugs voorhanden hebben of verkopen (harddrugs: H), geen overlast veroorzaken (overlast: O), niet toegankelijk zijn voor en niet verkopen aan jeugdigen (jeugd: J), slechts een beperkte hoeveelheid verkopen per transactie en slechts een beperkte handelsvoorraad hebben (geringe hoeveelheid: G), de zogeheten AHOJG-criteria".

"In het lokale driehoeksoverleg wordt de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops vastgesteld. Tegen een handelsvoorraad onder het maximum wordt in beginsel niet opgetreden. De voorraad zal in elk geval de 500 gram niet te boven mogen gaan".

"Tegen coffeeshops die op grond van een door de gemeente afgegeven vergunning, beschikking of verklaring worden gedoogd, zal niet strafrechtelijk worden opgetreden wegens de verkoop van op lijst II van bij de Opiumwet vermelde hennepproducten zolang de AHOJG-criteria worden nageleefd".

"3.2.1. Teelt van hennep (of de cannabis plant).

Deze aanwijzing gaat uit van twee situaties: er is sprake van ofwel beroeps- of bedrijfsmatige teelt, ofwel geen beroeps- of bedrijfsmatige teelt".

"Prioriteit ligt bij de beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bij de vaststelling van hetgeen beroeps- of bedrijfsmatige teelt is, spelen de volgende factoren een rol:

- De schaalgrootte van de teelt: de hoeveelheid planten;

- De mate van professionaliteit, afgemeten aan het soort perceel waarop geteeld wordt, belichting, verwarming, bevloeiing, etc.;

- Het doel van de teelt."

Hoewel de Nederlandse overheid vanuit het oogpunt van het algemeen belang een gedoogbeleid voert, waardoor de verkoop van hennep in coffeeshops onder bepaalde voorwaarden wordt gedoogd, is de teelt en verkoop van hennep aan die coffeeshops nog steeds verboden. In het beleid is de teelt en de aanvoer van de hennep naar de coffeeshop niet geregeld. Dit is de kern van de zogenaamde achterdeurproblematiek, van welke problematiek verdachte zich ook bewust was. Het moge zo zijn dat het gedoogbeleid in combinatie met het achterdeurbeleid als onredelijk en hypocriet wordt ervaren, feit is dat er op dit moment noch maatschappelijk noch politiek consensus bestaat over de wijze waarop de achterdeurproblematiek moet worden opgelost. Daarnaast constateert de rechtbank dat de officier van justitie niet uniek is met zijn beslissing om te vervolgen en die vervolging voort te zetten. Die (verdere) vervolging is voorts in lijn met voormelde Aanwijzing Opiumwet van het College van Procureurs-Generaal.

Alles afwegende kan in de gegeven omstandigheden niet worden geoordeeld dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het betreffende verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank dat verdachte na zijn eerste verhoor bij de politie in februari 2010 in redelijkheid de verwachting kon hebben dat tegen hem ter zake van overtreding van de Opiumwet een strafvervolging zou worden ingesteld. De dagvaarding is eerst in maart 2014 naar verdachte verstuurd. Uitgangspunt is dat de zaak in eerste aanleg binnen een termijn van twee jaar met een eindvonnis is afgerond, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

In casu is niet gebleken van bijzondere omstandigheden ter rechtvaardiging van enige vertraging. Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een schending van de redelijke termijn.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze schending moet leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Het is bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Ook niet in uitzonderlijke gevallen.

De gevolgen van de schending van de redelijke termijn kan de rechtbank bij een eventuele strafoplegging in aanmerking nemen.

Met betrekking tot het verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging vanwege vormverzuimen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op basis van de door de raadsman gestelde vormverzuimen in februari 2010 geen sprake kan zijn, nu niet gebleken is dat de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en medeverdachte aan hun recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan.

Het voorgaande betekent dat het verweer van de verdediging wordt verworpen.

De rechtbank acht het openbaar ministerie derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder parketnummer 18/630338-11 onder 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 18/830185-14 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting de aan haar ten laste gelegde feiten, inclusief het ad informandum gevoegde feit, erkend.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

Het onder parketnummer 18/630338-11 onder 1 ten laste gelegde

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal relaas d.d. 12 oktober 2011, opgenomen op p. 12 e.v. van dossier met nr. PL01ME 20100118399, d.d. 9 augustus 2011, van Politie Groningen, district Noord/West

Het onder parketnummer 18/630338-11 onder 2 ten laste gelegde

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 18 augustus 2010, opgenomen op p. 2 e.v. van een dossier met nr. PLO1ME 2010080146 - 1 d.d. 18 augustus 2010, van Politie Groningen, district Noord/West

Een proces-verbaal relaas d.d. 18 augustus 2010, opgenomen op p. 4 e.v. van voornoemd dossier

Het onder parketnummer 18/630338-11 onder 3 ten laste gelegde

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 19 februari 2010, opgenomen op p. 2 e.v. van een dossier met nr. 2010015915-1 d.d. 27 februari 2010, van Politie Groningen, district Noord/West

Een proces-verbaal relaas d.d. 23 februari 2010, opgenomen op p. 4 e.v. van voornoemd dossier

Het onder parketnummer 18-830185-14 ten laste gelegde

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal relaas d.d. 28 april 2014, opgenomen op p. 4 e.v. van een dossier met nr. PLO1ME 2010080146 - 1 d.d. 18 augustus 2010, van Politie Groningen, district Noord/West

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 18/630338-11 onder 1, 2 en 3 en hetgeen onder parketnummer 18/830185-14 is ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

zij de periode van 1 oktober 2010 tot en met 27 juni 2011, te [pleegplaats],

tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk

in de uitoefening van bedrijf heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt en

verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in een pand aan [pleegplaats],

hoeveelheden van in totaal 800 hennepplanten en 200 hennepstekken,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

zij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 17 augustus 2010, te [pleegplaats],

tezamen en in vereniging met een ander (telkens) opzettelijk

in de uitoefening van een bedrijf telkens heeft geteeld en bereid en bewerkt

en verwerkt, in een pand aan [pleegplaats]

- hoeveelheden van in totaal ongeveer 7770 gram henneptoppen en

- ongeveer 353 hennepplanten en

- ongeveer 435 hennepstekken en

- ongeveer 14 moederhennepplanten,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3.

zij in de periode van 1 juli 2009 tot en met 19 februari 2010, te[pleegplaats],

telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk in de uitoefening

van een bedrijf heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt,

in het pand [pleegplaats] 273 hennepplanten en 200 hennepstekken,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

In de zaak met parketnummer 18/830184-14

zij in de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 te[pleegplaats],

tezamen en in vereniging met een ander,

telkens opzettelijk in de uitoefening van een bedrijf

telkens heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt,

in een pand aan de [pleegplaats]

een hoeveelheid van in totaal ongeveer 731 hennepplanten en/of delen daarvan,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

In de zaak met parketnummer 18/630338-11

  1. Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

  2. Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

  3. Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

In de zaak met parketnummer 18/830185-14

Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Verdachte en medeverdachte hebben de ten laste gelegde gedragingen verricht in het kader van de behoorlijke bedrijfsvoering van een hennepkwekerij die voorzag in de bevoorrading van twee gedoogde coffeeshops.

Daarnaast strekken de internationale verdragen betreffende verdovende middelen en de daaruit voortvloeiende bepalingen van de Opiumwet, net als het daar weer uit voortvloeiende gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops, tot de bescherming van de volksgezondheid en de

openbare orde. Voorts dienden verdachten een ‘hoger doel’, nu zij voornoemde doelen op verantwoorde wijze hebben nagestreefd.

Standpunt van de officier van justitie

De Opiumwet verbiedt de teelt van cannabis in de vorm zoals verdachte en medeverdachte dat praktiseren. Via de Aanwijzing Opiumwet is ten aanzien van hennep deels gekozen voor regulering en gedogen, maar er is vanuit de overheid geen sprake van propagering of bevordering van drugsgebruik. De officier van justitie wijst daarnaast op de trias politica, de leer van de scheiding der machten, die een belangrijk en fundamenteel principe is van onze democratische rechtsstaat. Het is niet aan de rechterlijke macht maar aan de wetgever om de keuzes te maken ten aanzien van het te voeren drugsbeleid.

Het openbaar ministerie acht op grond van de geldende wetgeving het telen van hennep in de onderliggende zaak dan ook strafbaar en acht verdachte eveneens

strafbaar.

Oordeel van de rechtbank

Voorop staat dat het de wetgever de exploitatie van hennep heeft verboden in de Opiumwet. De rechtbank volgt verdachte en medeverdachte niet in hun verweer dat er sprake is van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, nu er geen sprake is van een situatie dat het belang dat door de norm van de Opiumwet wordt beschermd, in dit geval beter wordt gediend door het overtreden van het voorschrift, zoals verdachte en medeverdachte hebben gedaan, dan door het naleven ervan.

Op grond van de door de verdediging genoemde omstandigheden, te weten dat verdachte en medeverdachte de hennep enkel aan gedoogde coffeeshops hebben willen leveren en dat zij met hun bedrijfsvoering een hoger doel dienden, kan niet worden aangenomen dat het wederrechtelijke aspect aan het ten laste gelegde is komen te ontvallen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/630338-11 onder 1, 2 en 3 alsmede het ad informandum gevoegde feit ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen en strafbaar mocht achten, gepleit voor een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het handelen van verdachte wellicht naar de letter van de Opiumwet strafbaar is, maar dat de wijze waarop zij met medeverdachte aan de doelstellingen van het cannabisbeleid tegemoet is gekomen, dient te leiden tot het oordeel dat het strafwaardigheid ontbeert. Tevens is daarbij verwezen naar de argumentatie die in het kader van het pleidooi voor de niet-ontvankelijkheid naar voren is gebracht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en dat door verdachte is erkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Uitgangspunt is dat in de Opiumwet het telen, bereiden, bewerken, verwerken, vervaardigen, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van grotere hoeveelheden hennep strafbaar is gesteld.

Volgens de Aanwijzing Opiumwet richt het Nederlandse drugsbeleid zich op het tegengaan en reduceren van drugsgebruik, zeker voor zover het leidt tot gezondheids- en sociale schade, en op het voorkomen en verminderen van de maatschappelijke schade die aan het gebruik van, de productie van en de handel in drugs is verbonden.

Uitgangspunt van het Nederlands drugsbeleid is het onderscheid dat in de Opiumwet wordt gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en andere middelen (softdrugs), waarvan de risico’s door de wetgever minder groot zijn ingeschat. Softdrugs hebben daardoor een minder streng strafklimaat dan harddrugs.

Het door de Nederlandse overheid ontwikkelde gedoogbeleid houdt in dat voor cannabis (hennep) speciale verkooppunten in de vorm van coffeeshops in het leven zijn geroepen en worden gedoogd (het zogenaamde coffeeshopbeleid), waarbij onder strikte voorwaarden de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt gedoogd. De achterliggende gedachte hiervan is dat de overheid wil voorkomen dat de cannabisgebruiker in aanraking komt met drugs met een groter gezondheidsrisico (harddrugs).

Daarbij is van belang dat de grondslag van het gedoogbeleid ligt in de afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang. In de context van het drugsbeleid wordt dit hogere belang gevonden in de volksgezondheid (scheiding der markten) en de openbare orde.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dit coffeeshopbeleid hybride trekken vertoont. Enerzijds is de verkoop van cannabisproducten vanuit een coffeeshop met een gedoogvergunning, onder voorwaarden, toegestaan.

Anderzijds is het vervaardigen, telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren en het in grotere hoeveelheid aanwezig hebben van die hennepproducten strafbaar. Dit staat algemeen bekend als de “achterdeurproblematiek”.

De achterdeurproblematiek speelt ook in deze strafzaak een rol. De rechtbank acht in dit kader van belang dat er in Nederland - in weerwil van het verbod in de Opiumwet - sprake is van een beleid waarbinnen verkoop van softdrugs van door de overheid gedoogde coffeeshops, gedoogd wordt. Nu de verkoop van softdrugs uit deze coffeeshops gedoogd wordt, impliceert dit ook dat de coffeeshops bevoorraad worden en mitsdien dat ten behoeve van die aanvoer, ook geteeld wordt. Over de vraag hoe die bevoorrading dan plaats moet vinden laat het beleid zich niet uit.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte en medeverdachte telkens tegenover de politie, het openbaar ministerie en de belastingdienst openheid van zaken hebben gegeven over het feit dat zij zich bezig hielden met de hennepteelt. Verdachte en medeverdachte hebben de benodigde elektriciteit op een verantwoorde en veilige manier afgenomen en de elektriciteitsrekeningen aan de leverancier betaald. Verdachte en medeverdachte ontvingen, naast hun drugsinkomsten, geen uitkering. Zij hebben van hun inkomsten een administratie bijgehouden, deze inkomsten opgegeven aan de belastingdienst en daarover ook belasting betaald. Daarnaast hebben verdachte en medeverdachte bij hun hennepteelt geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt. Verder is uit het dossier gebleken dat er bij de kwekerij geen sprake was van een brandgevaarlijke situatie. Ten aanzien van de hennepkwekerij van verdachte en medeverdachte is geen overlast in de nabije omgeving geconstateerd. Verdachte en medeverdachte hebben voorts de door hen gekweekte hennep enkel en uitsluitend willen afleveren en afgeleverd aan twee gedoogde coffeeshops. Van grensoverschrijdende verkoop is voorts evenmin gebleken.

Verdachte en medeverdachte hebben gelet op het voorgaande gehandeld binnen de belangrijkste doelstellingen van het door de overheid ontwikkelde softdrugsbeleid, te weten het belang van de volksgezondheid en het handhaven van de openbare orde.

In verband met voornoemde specifieke omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd acht de rechtbank het raadzaam dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

De rechtbank zal daarom verdachte met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

Gelet hierop behoeft de rechtbank zich niet uit te laten over een mogelijke consequentie van de constatering dat er ten aanzien van een aantal bewezen verklaarde feiten sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder parketnummer 18/630338-11 onder 1, 2, 3 en het onder parketnummer 18/830185-14 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde onder parketnummer 18/630338-11 onder 1, 2, 3 en het onder parketnummer 18/830185-14 geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, F.J. Agema en D.M. Schuiling, rechters, bijgestaan door T.J. de Wind, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 oktober 2014.