Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:499

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
C-17-131010 - KG ZA 13-347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Tariefwijziging in zorginkoopdoucument. Schending goede trouw?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2014/73 met annotatie van mr. G.R.J. de Groot
GZR-Updates.nl 2014-0032

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/131010 / KG ZA 13-347

Vonnis in kort geding van 5 februari 2014

in de zaak van

de vereniging

MEER GGZ,

gevestigd te Leidschendam,

eiseres,

advocaat: mr. K. Mous, kantoorhoudende te Nijmegen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ZILVEREN KRUIS ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

OZF ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht,

3. de naamloze vennootschap

INTERPOLIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht,

4. de naamloze vennootschap

FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te Leeuwarden,

5. de naamloze vennootschap

AGIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te Amersfoort,

6. de naamloze vennootschap

AVÉRO ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht,

7. de naamloze vennootschap

DE FRIESLAND ZORGVERZEKERING N.V.,

statutair gevestigd te Leeuwarden,

gedaagden,

advocaten: mr. drs. T.R.M. van Helmond en mr. C.G. van Blaaderen, kantoorhoudende te Amsterdam.

Partijen zullen hierna MEER GGZ en Achmea c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de zijde van Achmea c.s.;

  • -

    het faxbericht van de zijde van Achmea c.s., met bijgaand de producties U, V en W;

  • -

    de mondelinge behandeling van de zaak, gehouden op 16 januari 2014;

  • -

    de pleitnota van MEER GGZ;

  • -

    de pleitnota van Achmea c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

MEER GGZ is een brancheorganisatie voor ondernemende instellingen in de geestelijke gezondheidszorg. Zij behartigt de sociale, economische en maatschappelijke belangen van haar leden. De leden van MEER GGZ verlenen zorg die wordt vergoed op basis van de Zorgverzekeringswet.

2.2.

Achmea c.s. zijn zorgverzekeraars die bij instellingen in onder meer de geestelijke gezondheidszorg zorg inkopen ten behoeve van hun verzekerden.

2.3.

De vertegenwoordigers van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bepaalde zorgaanbieders en beroepsverenigingen, waaronder MEER GGZ, zorgverzekeraars, waaronder Achmea c.s., en cliënten- en familieorganisaties hebben op

18 juni 2012 het "Bestuurlijk Akkoord Toekomst GGZ 2013-2014" gesloten. In dit akkoord wordt onder meer vermeld:

"(…). Zorgverzekeraars zullen doelmatige en kwalitatieve zorg inkopen, waarbij gestuurd wordt op prijs, kwaliteit, gepast gebruik en het terugdringen van ongewenste over- en onderbehandeling. (…) Zorgverzekeraars maken met zorgaanbieders, instellingen en zelfstandig gevestigden die zij contracteren afspraken over tarieven en maximumhoeveelheden te declareren zorgproducten.

(…)

Afgesproken wordt om voor 2013 en 2014 op een structurele jaarlijkse uitgavengroei te komen van 2,5%, exclusief de jaarlijkse loon- en prijsbijstelling. Dit betreft de totale uitgavengroei, alle afspraken in dit akkoord moeten binnen deze financiële ruimte worden geaccomodeerd."

2.4.

Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 16 juli 2013 het volgende persbericht laten uitgaan:

"Minister Edith Schippers (VWS) heeft vandaag onderhandelingsresultaten bereikt met ziekenhuizen, medisch specialisten, GGZ, huisartsen, zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties. Deze komen erop neer dat het groeipercentage van de zorguitgaven verder wordt teruggebracht: naar 1,5% in 2014 en 1% per jaar van 2015 tot en met 2017. Dit levert een extra besparing op van ongeveer 1 miljard euro. De bestaande overeenkomsten met sectoren worden daarop aangepast en verlengd."

2.5.

Achmea c.s. hebben in augustus 2013 door middel van een zorginkoopdocument hun inkoopbeleid voor de curatieve GGZ voor 2014 bekend gemaakt. In dit zorginkoopdocument wordt onder andere vermeld:

"Door de afschaffing van het representatiemodel zullen wij bij een aantal aanbieders voor het eerst aan tafel gaan om rechtstreeks voor onze eigen verzekerden zorg in te kopen.

(…)

Het tarief dat Achmea hanteert bij het vergoeden van uw declaraties (…) is een percentage van het maximum NZa tarief. (…) Het tariefspercentage varieert van 92% tot 98%."

2.6.

In paragraaf 5.3 van het zorginkoopdocument wordt onder andere vermeld:

"Achmea behoudt zich het recht voor om een correctie in de inkoopdocumenten, de procedure en wijziging of aanpassing van de voorschriften van de inkoopprocedure toe te passen, indien na bekendmaking van deze documenten maatregelen door de overheid worden getroffen die van invloed zijn op de beschikbare contracteerruimte, de afspraken die Achmea met zorgaanbieders op grond van deze maatregelen dient te maken, dan wel een wijziging betreffen van de Zvw-aanspraken of een voortschrijdend inzicht op basis van ontwikkelingen in de zorg [hierna te noemen: het specifieke wijzigingsbeding; toevoeging voorzieningenrechter]. (…)

Achmea behoudt zich het recht voor om zonder tot enige schadevergoedingsplicht gehouden te zijn:

> de inkoopprocedure tussentijds, tijdelijk of definitief, om redenen die voor ons overtuigend zijn,

geheel of gedeeltelijk aan te passen of op te schorten. Hieronder verstaan we mede externe

omstandigheden als overheidsbeslissingen en gerechtelijke uitspraken;

(…)

> besluiten te nemen of maatregelen te treffen voor situaties die tijdens de publicatie van dit

document bij ons niet bekend waren of die we niet konden voorzien [hierna te noemen: het

algemene wijzigingsbeding; toevoeging voorzieningenrechter];"

2.7.

Diverse leden van MEER GGZ hebben zich door middel van het indienen van een offerte ingeschreven voor de inkoopprocedure van Achmea c.s. Deze inkoopprocedure zou aanvankelijk op 18 september 2013 sluiten.

2.8.

De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: de NZa) heeft op 13 september 2013 een tariefbeschikking gegeven, ingaande op 1 januari 2014. De hierin weergegeven tarieven zijn gemiddeld 6% hoger dan de NZa-tarieven van 2013. Voormelde beschikking luidt - voor zover van belang - als volgt:

"De in deze tariefbeschikking weergegeven tarieven zijn maximumtarieven als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onder c, van de Wmg. (…)

(…)

(…) Vanzelfsprekend kunnen ook prijsafspraken worden gemaakt onder het maximumtarief met een ondergrens van € 0,-."

2.9.

Achmea c.s. hebben de leden van MEER GGZ bij brief van 27 september 2013 met betrekking tot de tariefbeschikking van de NZa d.d. 13 september 2013 onder meer bericht:

"Zoals u mogelijk al heeft vernomen heeft Zorgverzekeraars Nederland aan VWS gevraagd de stijging van de tarieven in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) ongedaan te maken omdat dit zeer ernstige gevolgen kan hebben voor verzekerden.

Naar aanleiding hiervan willen wij u laten weten dat wij de inkoopprocedure curatieve GGZ 2014 daarom zullen opschorten tot en met vrijdag 11 oktober 2013.

Het besluit van NZa om op basis van een kostprijsonderzoek de GGZ tarieven 2014 ten opzichte van 2013 met gemiddeld ruim 6% te laten stijgen zorgt ervoor dat een veel lager aantal behandelingen kan worden ingekocht. Een daling van het aantal behandelingen gaat ten koste van patiënten, die dan mogelijk geconfronteerd worden met langere wachttijden. Dit is niet in de geest van het Bestuurlijk Akkoord, waarin alle stakeholders gezamenlijk hebben afgesproken om zoveel mogelijk patiënten te behandelen binnen de overeengekomen financiële kaders.

Wat gaan wij doen?

In de komende periode zullen wij onderzoeken op welke wijze wij tot oplossingen kunnen komen om ook in 2014 zo veel mogelijk zorg te kunnen inkopen tegen een redelijke prijs. Uiterlijk 11 oktober zullen wij u informeren over het vervolg."

2.10.

Bij brief van 10 oktober 2013 hebben Achmea c.s. de instellingen in de geestelijke gezondheidszorg die op dat moment naar aanleiding van het inkoopdocument reeds een offerte voor 2014 hadden ingediend, onder meer bericht:

"Achmea past het inkoopbeleid 2014 aan op de volgende wijze. Daar waar we in ons inkoopbeleid uitgingen van de maximum NZa-tarieven 2014 worden deze vervangen door Achmea maximumtarieven 2014. Deze tarieven zijn gebaseerd op de maximum NZa-tarieven 2013 plus een indexatie voor 2014 van 1,21%, zie bijlage. Op deze wijze verwachten wij ook voor 2014 voldoende zorg te kunnen inkopen voor onze verzekerden tegen een redelijke prijs.

(…).

Gevolgen voor het offertetraject

U hebt een offerte ingediend voor een overeenkomst 2014. Als u akkoord gaat met bovengenoemde aanpassing hoeft u niets te doen. (…).

Niet akkoord met aanpassing

Mocht u evenwel niet akkoord gaan met bovengenoemde wijziging dan verzoeken wij u dit uiterlijk vrijdag 18 oktober a.s. kenbaar te maken (…). Dit betekent overigens wel dat u uw offerte intrekt en er voor kiest om geen overeenkomst 2014 met Achmea af te sluiten."

2.11.

MEER GGZ heeft bij brief van 18 oktober 2013 formeel bezwaar gemaakt tegen de aanpassing van de tarieven door Achmea c.s.

2.12.

Achmea c.s. hebben bij brief van 24 oktober 2013 bezwaar aangetekend tegen de tariefbeschikking van de NZa d.d. 13 september 2013.

2.13.

De NZa heeft op 19 november 2013 een tariefbeschikking gegeven, welke de vastgestelde maar nog niet in werking getreden tariefbeschikking van 13 september 2013 heeft vervangen. De wijziging heeft betrekking op een beperkt onderdeel van de eerdere beschikking. Achmea c.s. hebben tegen deze beschikking eveneens bezwaar gemaakt.

2.14.

De leden van MEER GGZ die bezwaar hebben gemaakt tegen de wijziging van de NZa-tarieven in de Achmea maximumtarieven 2014, hebben desondanks een contract met Achmea c.s. gesloten. In dit contract is een omzetplafond opgenomen, zijnde het bedrag dat maximaal gedeclareerd kan worden in 2014, alsmede een gemiddelde prijs per cliënt.

2.15.

Vanaf 2014 declareren zorgaanbieders gespecialiseerde zorg volgens het principe van prestatiebekostiging in diagnosebehandelcombinaties (DBC's), waarbij geen nacalculatie meer plaatsvindt.

3 Het geschil

3.1.

MEER GGZ vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

Achmea c.s. beveelt om hun zorginkoopprocedure overeenkomstig het oorspronkelijke

- ongewijzigde - zorginkoopdocument uit te voeren, hetgeen betekent dat:

a. de NZa-tarieven als uitgangspunt worden genomen bij het bepalen van het tarief dat gecontracteerde instellingen in 2014 in rekening kunnen brengen bij Achmea c.s.;

b. het begrip "Achmea-maximumtarieven 2014" in de voor 2014 af te sluiten of reeds afgesloten contracten vervangen dient te worden door het begrip "maximum NZA tarieven 2014";

subsidiair:

zodanig maatregelen treft die zij in goede justitie passend acht;

primair en subsidiair:

Achmea c.s. veroordeelt in de kosten van dit geding, alsmede in de nakosten, te verhogen met de wettelijke rente indien niet binnen 14 dagen aan dit vonnis wordt voldaan.

3.2.

Achmea c.s. voeren gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

MEER GGZ heeft ter zitting d.d. 16 januari 2014 aangegeven dat zij de vorderingen heeft ingesteld namens tien van haar leden. MEER GGZ heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat Achmea c.s. in strijd hebben gehandeld met de benodigde zorgvuldigheid door eenzijdig de NZa-tarieven voor de inkoop van zorg te wijzigen in de Achmea maximumtarieven 2014 op het moment dat de leden van MEER GGZ reeds een offerte hadden ingediend en de oorspronkelijke inschrijftermijn was gesloten. Volgens MEER GGZ waren Achmea c.s. op grond van het specifieke wijzigingsbeding in het zorginkoopdocument ook niet bevoegd om tot wijziging van de tarieven over te gaan. Indien Achmea c.s. wel een beroep op dit wijzigingsbeding zouden kunnen doen, is het beroep hierop naar de mening van MEER GGZ in strijd met de door hen in acht te nemen goede trouw. MEER GGZ heeft daartoe gesteld dat Achmea c.s. wisten dat de NZa bezig was met een kostprijsonderzoek en dat uit dit onderzoek naar alle waarschijnlijkheid een verhoging van de tarieven in 2014 zou plaatsvinden. Omdat Achmea c.s. desondanks ervoor hebben gekozen om de NZa-tarieven te hanteren in hun zorginkoopdocument, mochten de leden van MEER GGZ erop vertrouwen dat Achmea c.s. het hanteren van deze tarieven niet met een beroep op het wijzigingsbeding zouden terugdraaien. MEER GGZ heeft voorts gesteld dat de tariefwijziging inhoudelijk gezien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat Achmea maximumtarieven 2014 voor de inkoop van zorg (ver) beneden de kostprijs liggen. Volgens MEER GGZ hebben andere zorgverzekeraars de NZa-tarieven wel overgenomen en zijn met die verzekeraars afspraken gemaakt over efficiency bevorderende maatregelen, omdat het omzetplafond ongewijzigd blijft. Deze afspraken zijn in lijn met de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 20 november 2013 die als productie 11 bij de akte overlegging producties is overgelegd, aldus MEER GGZ.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat MEER GGZ het spoedeisend belang bij haar vorderingen voldoende heeft gesteld. MEER GGZ heeft namelijk gesteld dat de tariefwijziging die Achmea c.s. hebben doorgevoerd, ertoe leidt dat haar leden onder de kostprijs moeten werken, hetgeen grote financiële consequenties voor hen heeft.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat de kern van het geschil tussen partijen onder meer is of Achmea c.s. gelet op de bepalingen in het inkoopdocument en gelet op de precontractuele goede trouw bevoegd waren om tot de aanpassing van het inkoopdocument en dus tariefwijziging over te gaan. Achmea c.s. hebben in dit kader onder andere (als meer subsidiair verweer) aangevoerd dat, indien en voor zover er op basis van het inkoopdocument en de offertes van de leden van MEER GGZ al overeenkomsten tot stand zijn gekomen, zij op grond van het in paragraaf 5.3 van het inkoopdocument opgenomen (en onder rechtsoverweging 2.6. deels geciteerde) algemene wijzigingsbeding bevoegd waren om de eerder gehanteerde tarieven te wijzigen. De tariefwijziging is volgens Achmea c.s. namelijk ingegeven door de fikse verhoging van de NZa-tarieven in 2014, die hen ten tijde van het opstellen van het zorginkoopdocument niet bekend was en voor hun evenmin voorzienbaar was. Het onverkort hanteren van de verhoogde tarieven zou er - aldus Achmea c.s. - toe leiden dat er minder zorg zou kunnen worden ingekocht en dat de kans op wachtlijsten voor haar verzekerden daarom zou kunnen toenemen.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het meer subsidiaire verweer van Achmea c.s. dat zij op grond van het algemene wijzigingsbeding van paragraaf 5.3 van het zorginkoopdocument bevoegd waren om tot de wijziging van de tarieven over te gaan. Achmea c.s. hebben zich met dit beding immers het recht voorbehouden om besluiten te nemen of maatregelen te treffen, zoals het doorvoeren van een tariefwijziging, voor situaties die tijdens de publicatie van het inkoopdocument niet aan hen bekend waren of die zij niet konden voorzien. MEER GGZ heeft de geldigheid van het algemene wijzigingsbeding ook niet betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Achmea c.s. voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de maatregel dan wel het besluit tot het doorvoeren van een tariefwijziging is ingegeven door een situatie die hen niet bekend was en die zij ook niet konden voorzien. Achmea c.s. hebben namelijk aangevoerd dat de tariefwijziging is ingegeven door de situatie dat de NZa de tarieven voor 2014 gemiddeld 6% hoger heeft vastgesteld dan de tarieven van 2013. In het licht van het bestuurlijk akkoord van 18 juni 2012 en de wijziging daarvan zoals aangekondigd in het persbericht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 16 juli 2013, die - evenals de politieke tendens - gericht waren op het beperken van de zorgkosten, was deze tariefsverhoging volgens Achmea niet voorzienbaar. MEER GGZ heeft weliswaar gesteld dat de tarieven jaarlijks worden aangepast door de NZa en dat Achmea c.s. ook bekend waren met het feit dat er een kostprijsonderzoek door NZa gaande was, maar deze enkele omstandigheden zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende voor het aannemen van de voorzienbaarheid van een tariefstijging van 6%. Dit geldt temeer nu de NZa de tarieven in de afgelopen jaren - zoals Achmea c.s. onweersproken heeft aangevoerd - slechts heeft geïndexeerd en niet op een veel hoger percentage heeft vastgesteld. Dat uit het kostprijsonderzoek van de NZa dat in 2012 heeft plaatsgevonden volgens MEER GGZ reeds is gebleken dat de NZa-tarieven die op dat moment golden te laag waren, doet aan het voorgaande niet aan af, nu dit onderzoek - zoals MEER GGZ zelf heeft aangevoerd - als onvoldoende representatief terzijde is geschoven. MEER GGZ heeft haar stelling dat de verhoging van de NZa-tarieven voor Achmea c.s. voorzienbaar was omdat deze verhoging is ingegeven door de afschaffing van de nacalculatie in 2014 - mede gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door Achmea c.s. - naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aannemelijk gemaakt. Achmea c.s. hebben tot hun verweer namelijk aangevoerd dat de afschaffing van de nacalculatie niet van doorslaggevende betekenis is geweest bij de berekening van de redelijke kostprijzen voor 2014 door de NZa.

4.5.

Gelet op het vorenstaande kan MEER GGZ aldus niet met succes aan haar vorderingen ten grondslag leggen dat Achmea c.s. op grond van het inkoopdocument niet bevoegd waren tot het wijzigen van de NZa-tarieven in de Achmea maximumtarieven 2014. Gelet op het slagen van het meer subsidiaire verweer van Achmea c.s., behoeven de overige verweren die Achmea c.s. ten aanzien van de bevoegdheid om tot tariefwijziging over te gaan hebben gevoerd, geen bespreking meer.

4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de stelling van MEER GGZ dat de tariefwijziging die Achmea c.s. hebben doorgevoerd in strijd is met de precontractuele goede trouw, eveneens faalt. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat het voorbehoud van Achmea c.s. om in bepaalde situaties besluiten te nemen of maatregelen te treffen, expliciet is opgenomen in paragraaf 5.3 van het zorginkoopdocument. Dit ruim geformuleerde voorbehoud is helder en transparant en was kenbaar of had kenbaar kunnen zijn aan de leden van MEER GGZ. Gelet hierop, alsmede op de omstandigheid dat - zoals hiervoor reeds is overwogen - niet aannemelijk is geworden dat de verhoging van de NZa-tarieven voorzienbaar was voor Achmea c.s., mochten de leden van MEER GGZ er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten tijde van het indienen van hun offertes niet zonder meer op vertrouwen dat Achmea c.s. geen tariefwijziging zouden doorvoeren.

4.7.

De verwijzing van MEER GGZ naar het arrest van het Europese Hof van Justitie in punt 4.12. van de pleitnota ter onderbouwing van haar stelling dat de tariefwijziging in strijd is met de goede trouw, gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op. Aan dit arrest heeft een aanbestedingszaak ten grondslag gelegen, waarin de voorwaarden van de aanbesteding zijn gewijzigd. Nog los van de omstandigheid dat bij een aanbestedingszaak andere belangen spelen dan bij een niet-aanbestedingszaak, zoals de onderhavige, was in de stukken in de aanbestedingszaak - in tegenstelling tot in het inkoopdocument in de onderhavige zaak - geen wijzigingsbeding opgenomen. Bovendien werd de inschrijfprocedure in de aanbestedingszaak na de wijziging van de voorwaarden - anders dan in de onderhavige procedure - niet verlengd.

4.8.

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of de tariefwijziging inhoudelijk gezien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De voorzieningenrechter overweegt dat een terughoudende toetsing van de inhoud van de tariefwijziging op zijn plaats is, omdat Achmea c.s. in beginsel vrij zijn om hun eigen afweging te maken over de voorwaarden waaronder zij wensen te contracteren.

4.9.

De voorzieningenrechter heeft in de onderhavige procedure onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de tariefwijziging inhoudelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. MEER GGZ heeft weliswaar gesteld dat haar leden met de Achmea maximumtarieven 2014 onder de kostprijs zouden moeten werken en dat de NZa-tarieven wel corresponderen met een redelijke kostprijs, maar zij heeft deze stelling - gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door Achmea c.s.- naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd. Allereerst heeft zij niet met concrete voorbeelden inzichtelijk gemaakt dat de Achmea maximumtarieven 2014 haar leden dwingen om onder de kostprijs te werken, hetgeen wel op haar weg had gelegen. In de onderhavige procedure is - gelet op de spoedeisende aard daarvan - geen plaats voor nadere bewijslevering hieromtrent. Daarnaast heeft Achmea c.s. uitgebreid bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde NZa-tarieven voor 2014, onder meer inhoudende dat zij vraagtekens plaatst bij de onderzoeksmethodiek die aan de berekening van deze tarieven ten grondslag heeft gelegen. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van MEER GGZ dat Achmea c.s. hun bezwaren tegen de NZa-tarieven onvoldoende hebben onderbouwd in de onderhavige procedure, omdat Achmea c.s. in hun akte overlegging producties slechts zou hebben volstaan met een verwijzing naar het bezwaarschrift dat als productie P bij deze akte is overgelegd. De voorzieningenrechter stelt vast dat Achmea c.s. in punt 63 van de akte overlegging producties heeft verwezen naar het bezwaarschrift (productie P), maar dat zij in punt 64 van de akte overlegging producties en ter zitting d.d. 16 januari 2014 eveneens nader heeft toegelicht op welke gronden zij (onder meer) bezwaar hebben gemaakt. Nog los daarvan heeft bovendien te gelden dat met een verweer dat is gevoerd in een bij akte overgelegde productie rekening zal moeten worden gehouden, indien - zoals in het onderhavige geval - uit de akte voldoende kenbaar is dat de betrokken partij de inhoud van die productie mede als verweer naar voren wil brengen en uit de productie voldoende blijkt welk verweer aldus wordt gevoerd (zie HR 17 oktober 2008, NJ 2009, 474). Gelet op de bezwaren van Achmea c.s. tegen de NZa-tarieven voor 2014, staat aldus nog niet vast of deze tarieven - zoals MEER GGZ heeft gesteld - corresponderen met een redelijke kostprijs. Daarbij komt eveneens dat de NZa-tarieven - zoals Achmea c.s. onweersproken heeft aangevoerd en zoals blijkt uit de beschikking van de NZa van 13 september 2013 - maximumtarieven zijn en dat zorgverzekeraars zoals Achmea c.s. daarom de bevoegdheid hebben om lagere tarieven te hanteren. Dat in de praktijk veelal aansluiting wordt gezocht bij de maximumtarieven, zoals MEER GGZ heeft gesteld, doet aan deze bevoegdheid van Achmea c.s. niet af en evenmin aan de toepassing van deze bevoegdheid.

4.10.

De voorzieningenrechter neemt bij haar oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de tariefwijziging inhoudelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, voorts - terughoudend toetsend - in aanmerking dat Achmea c.s. een plausibele verklaring hebben gegeven voor het hanteren van de lagere Achmea maximumtarieven 2014. Achmea c.s. hebben immers aangevoerd dat het hanteren van hogere tarieven, zoals de NZa-tarieven, ertoe zou leiden dat er minder zorg zou kunnen worden ingekocht, waardoor wachtlijsten voor haar verzekerden zouden kunnen ontstaan. In het licht van deze verklaring slaagt de stelling van MEER GGZ dat Achmea c.s. geen goede redenen hebben aangevoerd om tot wijziging van het tarief over te gaan, niet.

4.11.

MEER GGZ heeft aan het slot van haar pleitnota gesteld dat de tariefwijziging tevens onrechtmatig is jegens haar leden. In het hiervoor weergegeven oordeel ligt reeds besloten dat van een onrechtmatige daad geen sprake is. MEER GGZ heeft haar stelling overigens ook niet nader onderbouwd.

4.12.

Gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen van MEER GGZ worden afgewezen. De overige verweren van Achmea c.s., waaronder het verweer dat de vorderingen van MEER GGZ niet kunnen worden toegewezen gelet op de formulering daarvan, behoeven daarom geen bespreking meer.

4.13.

MEER GGZ zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van Achmea c.s. tot op heden vastgesteld op:

- griffierecht € 704,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.520,00.

4.14.

De voorzieningenrechter zal de door Achmea c.s. gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals gevorderd. De voorzieningenrechter zal MEER GGZ

- overeenkomstig de vordering van Achmea c.s. - tevens veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente, zoals hierna in de beslissing te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van MEER GGZ af;

5.2.

veroordeelt MEER GGZ in de proceskosten, aan de zijde van Achmea c.s. tot op heden vastgesteld op € 1.520,00, te voldoen binnen 7 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de achtste dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt MEER GGZ in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat MEER GGZ niet binnen

7 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de achtste dag na de dag van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op

5 februari 2014.1

1 type: 484coll: