Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4972

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
18.730234-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal met geweld, gekwalificeerde diefstal en openlijke geweldpleging. Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Oplegging van bijzondere voorwaarden. Tul.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311, 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730234-14

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/092790-14

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/885062-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Schütz, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd

in de zaak met parketnummer 18/730234-14 dat:

hij op of omstreeks 16 mei 2014, in de gemeente Leeuwarden, op of aan of bij

de [pleegplaats 1], althans op of aan of bij een of

meerdere openbare weg(en), tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een mobiele telefoon/smartphone (van het merk LG), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met zijn mededader, althans alleen, de mobiele

telefoon uit de handen van die [slachtoffer 1] heeft getrokken/gerukt en/of (nadat

die [slachtoffer 1] zijn telefoon/smartphone terug wou) (vervolgens) die [slachtoffer 1]

bij de keel heeft vastgepakt/gegrepen en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] de

woorden heeft toegevoegd: "Je kent ons niet zeker. Hou je bek. Zoek je soms

problemen?", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of tegen

die [slachtoffer 1] geschreeuwd dat hij zijn bek moest houden,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de

verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in

kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij op of omstreeks 10 april 2014, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (van het merk

Batavus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de

verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in

kracht van gewijsde is gegaan.

en in de zaak met parketnummer 18/092790-14 dat:

hij op of omstreeks 19 april 2014 te Leeuwarden met een ander of anderen,

op of aan de openbare weg, te weten de kruising [pleegplaats 2]

, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3],

welk geweld bestond uit

- het (met kracht) stompen en/of slaan en/of trappen tegen die [slachtoffer 3]

, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en/of vervolgens

terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag, schoppen tegen het lichaam en/of het

hoofd van die [slachtoffer 3];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 april 2014 te Leeuwarden

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3]

-(met kracht) heeft gestompt en/of geslagen en/of getrapt tegen het lichaam

van die [slachtoffer 3], waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en/of vervolgens

- terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag, tegen het lichaam en/of tegen het

hoofd heeft geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18/730234-14 en veroordeling voor het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/092790-14;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

- oplegging van reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden van meewerken aan urinecontroles en het volgen van een ambulante behandeling bij de VNN;

- tenuitvoerlegging van de op 4 juli 2012 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van

1

week;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van

€ 489,00;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 489,00.

Beoordeling van het bewijs

Parketnummer 18/730234-14

Feit 1

De raadsman heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat de door verdachte gepleegde diefstal is voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen aangever, nu de verklaring van aangever op dit punt niet door een ander bewijsmiddel wordt ondersteund. Voorts is de raadsman van oordeel dat het uit de handen pakken van een telefoon niet als geweld is aan te merken.

De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (vgl. o.a. ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010, 512).

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd - diefstal met geweld. De verklaring van aangever dat zijn telefoon is weggenomen, wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte], de verklaring van [getuige] en de telecombevindingen. Verdachte erkent bovendien aangever op straat te zijn tegengekomen. De omstandigheid dat over bepaalde handelingen betreffende het gebruikte geweld of de bedreiging met geweld enkel door aangever wordt verklaard, doet aan het voorgaande niet af nu het wettelijk bewijsminimum zoals dat is vastgelegd in art. 342 Sv de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet ieder onderdeel daarvan. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om de verklaring van aangever - die op diverse onderdelen door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund - op dit punt als onbetrouwbaar aan te merken. Hetgeen de raadsman hieromtrent heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het bij de keel grijpen van aangever is aan te merken als geweld in de zin van art. 312 Sr, nu een dergelijke handeling gepaard gaat met de uitoefening van lichamelijke kracht van niet al te geringe intensiteit, terwijl niet is vereist dat door het geweld pijn of letsel is veroorzaakt. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het vorenstaande onvoldoende is komen vast te staan met betrekking tot het uit de handen pakken van de telefoon, zodat de rechtbank deze handeling niet als geweld aanmerkt.

Feit 2

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde en ter terechtzitting door verdachte bekende feit wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 18/092790-14

De rechtbank acht wettig en overtuigend dat verdachte de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft begaan.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

Parketnummer 18/730234-14

Feit 1:

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 26 september 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 16 mei 2014 bevond ik mij met [medeverdachte]op de openbare weg te Leeuwarden, nabij de woning van mijn vader, gelegen aan de [pleegplaats 1] 71. Wij raakten in gesprek met een tweetal jongens. Een tijdje later kwamen wij dezelfde jongens weer tegen en volgde een gesprek met een van de twee jongens. Ik was op dat moment ook samen met [medeverdachte], die naast mij stond. Ik ben in het bezit van een zwarte schoudertas.

2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014052061, gesloten op 16 juli 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, d.d. 16 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 1] d.d. 16 juli 2014 (p. 11):

Uit de historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is gebleken dat er meerdere malen, waaronder op 3 mei 2014 en op 20 mei 2014, contact is geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Na dit telefoonnummer door de bedrijfsprocessensystemen van de politie te hebben gehaald, kwam naar voren dat dit nummer bij ons bekend staat als het telefoonnummer [mevrouw], geboren op [geboortedatum 2]. Uit de GBA gegevens blijkt dat [mevrouw] de moeder is van [medeverdachte] Daarbij zijn er contacten geweest met nummers die in de bedrijfsprocessensystemen van de politie bekend staan als de telefoonnummers van [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4].

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL-2014052061-1, d.d. 18 mei 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer 1] (p. 71 e.v.):

Afgelopen vrijdagavond 16 mei 2014 kwam ik met [getuige] op de hoek van de [pleegplaats 1] twee mannen tegen. Ik zag dat de mannen uit een woning kwamen, die op de hoek van de [pleegplaats 1] stond. Volgens mij moet dat het adres [pleegplaats 1] 71 of 73 zijn. De mannen praatten met ons en vertelden dat ze genaamd waren [medeverdachte] en [verdachte]. Op een gegeven moment gingen ze weer de portiek binnen en gingen wij weer verder. Toen wij weer terug liepen om een uur of elf 's avonds, kwamen wij op de [pleegplaats 1], weer dezelfde zojuist genoemde mannen tegen. Ik zag dat [getuige] doorliep. Ik hoorde dat de man, die zich [medeverdachte] noemde, mij aansprak. De mannen zeiden tegen mij dat we hadden afgesproken dat ik iets van hen zou kopen. Ik stond alleen met die mannen en liep door richting [pleegplaats 1], maar de mannen liepen met mij mee. Omdat ik zei dat ik geen geld had, drongen zij erop aan dat ik mijn vriend zou bellen. Ik pakte mijn smartphone en toonde dat hij leeg was en ik dus niet kon bellen. Ik zag dat de tweede man hierop mijn smartphone uit mijn handen pakte. Ik zag dat hij hem in een tas deed, die hij bij zich droeg. Dat was een zwarte schoudertas. Ik heb meerdere keren gevraagd of ik mijn smartphone terug mocht, maar dat weigerde de man. Toen ik bleef doorvragen, werden beide mannen erg agressief. Ik zag dat de tweede man mij toen bij mijn keel greep. Dat deed verder niet echt pijn, maar ik voelde mij er wel heel erg bedreigd door. Ik hoorde ook dat de mannen zeiden: "Je kent ons niet zeker. Hou je bek. Zoek je soms problemen." Ik was toen te bang om verder nog moeilijk te doen over mijn smartphone.

2.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02SM-2014052061-3, d.d. 22 mei 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer 1] (p. 74 e.v.):

(V = vraag verbalisant, A = antwoord aangever, O = opmerking verbalisant)

A: De mannen vroegen ons waar wij op school zaten en wij gaven aan dat we op het [gymnasium] zaten. Toen gaf [verdachte] aan dat zijn [familielid] daar ook op school zat.

V: Toen jij je telefoon terug vroeg werden de mannen erg agressief, zei je. Waaraan zag je dat zij agressief werden?

A: De tweede man ([verdachte]) greep me bij mijn keel en ze begonnen ze ook meerdere keren te zeggen dat ik mijn bek moest houden, dat ik ze niet kende en dat ik geen problemen moest zoeken. Hij zette zijn hand onderaan mijn hals neer. Hij kneep mijn keel niet dicht maar hij had me wel echt vast.

V: Hoe voelde jij je?

A: Ik werd toen wel echt bang. Ik dacht: "Ik moet hier wegwezen."

V: Op welk moment zeiden de mannen "Je kent ons zeker niet. Hou je bek. Zoek je soms problemen?"

A: Toen ik maar door bleef gaan over mijn telefoon. De tweede man, [verdachte], bleef er omheen kletsen dat mijn telefoon weg was dus op een gegeven moment zei ik dat mijn telefoon bij hem in zijn tas zat. Toen pakte hij mij ook direct bij de keel en begonnen ze allebei te schreeuwen dat ik mijn bek moest houden. De eerste man, [medeverdachte], begon nu mee te doen. Toen ze mijn mobiel afpakten liepen zij door en liep ik achter hen aan.

V: Heb je nog iets eraan toe te voegen?

A: Ik ben op school naar de jongen toegegaan wat het [familielid] zou zijn van de man die zichzelf [verdachte] noemde. Ik vroeg of hij een[familielid] had, [familielid] bevestigde dit. Ik vroeg hoe zijn [familielid] heette en antwoordde [familielid] met [verdachte]. [familielid] vertelde dat [verdachte] in de [wijk] woont in Leeuwarden. In het huis op de [pleegplaats 1] zou een oom wonen.

Bijlage goederen: object: smartphone. Merk/type: [LG].

2.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02R1-2014052061-4, d.d. 22 mei 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige] (p. 80 e.v.):

(V = vraag verbalisant, A = antwoord aangever)

V: Wat is er op vrijdagavond 16 mei 2014 gebeurd?

A: Ik was bij [slachtoffer 1] en wij kwamen twee mannen tegen voor de [pleegplaats 1] 71. Wij werden aangesproken door de beide mannen. [verdachte] vertelde dat hij bij zijn vader logeerde. Na het gesprek zijn wij, [slachtoffer 1] en ik, doorgelopen naar een parkje. Later kwamen wij de beide mannen weer tegen. En ze spraken ons weer aan. Ik ben doorgelopen naar het huis van [slachtoffer 1]en heb gewacht bij hem in de achtertuin. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer 1] via de voordeur naar binnen en vertelde dat zijn mobiel gestolen was. Hij zei dat hij zijn mobiel moest pakken en dat zij de mobiel uit de handen hadden gepakt.

2.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014052061, d.d. 11 juni 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van [verbalisant 1] (p. 107 e.v.):

Van het [IMEI-nummer], behorend tot de telefoon van [slachtoffer 1], zijn de historische gegevens opgevraagd. Hieruit kwam naar voren dat op 17-05-2014 12:27:40 uur tot en met 12:31:56 uur een simkaart in de telefoon heeft gezeten met het telefoonnummer [telefoonnummer 1]. Vandaag heb ik, verbalisant, gebeld naar dit nummer en werd de telefoon opgenomen door een persoon die zichzelf voorstelde als [medeverdachte].

2.6.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 02CL114035-GIBBS/02CL114035, d.d. 9 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte](p. 140 e.v.):

Op de hoek bij [verdachte] vader heeft [verdachte] de telefoon van die jongen afgepakt. We zijn naar de woning van de vader van [verdachte] geweest. [verdachte] was agressief. We zijn de woning van [verdachte] vader ingegaan en zijn later weer naar buiten gegaan. Toen kwam [verdachte] die gozers tegen. [verdachte] zei tegen die jongen: "Kom, mag ik even bellen?" [verdachte] is met de telefoon van die jongen weggegaan.

2.7.een ambtsedig proces-verbaal, nummer 02CL114035-GIBBS/02CL114035, d.d. 15 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte](p. 147 e.v.):

(V = vraag verbalisant, A = antwoord aangever, O = opmerking verbalisant)

V: Ken jij een [persoon 1]?

A: Ja

V: Ken jij ook een [persoon 2]?

A: Dat was een vriend van mij.

V: Ken jij ook een [persoon 4]?

A: Ik weet wel wie het is.

O: De telefoon die gestolen is, heeft een IMEI nummer. Van dit nummer zijn de historische gegevens opgevraagd. Hieruit kwam naar voren dat er na de straatroof een simkaart met het nummer [telefoonnummer 1] heeft gezeten. Dit nummer is gebeld door de politie en er werd opgenomen met [medeverdachte]. Ook van dit nummer zijn de historische gegevens opgevraagd en hier komen verschillende nummers naar voren waaronder van: [persoon 1], [persoon 2], [persoon 4] en je moeder.

V: Hoe verklaar jij dan het feit dat er met het nummer nog vele andere nummers zijn gebeld en hier veel vrienden en familieleden van jou tussen zitten.

3.

Een uittreksel uit de op naam van verdachte opgemaakte justitiële documentatie, voor zover inhoudende dat verdachte op 21 februari 2014 ter zake diefstal bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis veroordeeld is tot gevangenisstraf.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaats Leeuwarden is gelegen in de gemeente Leeuwarden.

Feit 2:

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1.

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 september 2014;

2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02GL-2014040479-1, d.d. 17 april 2014, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] (p. 152 e.v.);

3.

Een uittreksel uit de op naam van verdachte opgemaakte justitiële documentatie, voor zover inhoudende dat verdachte op 21 februari 2014 ter zake diefstal bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis veroordeeld is tot gevangenisstraf.

Parketnummer 18/092790-14:

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 26 september 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 19 april 2014 bevond ik mij in een café aan het [adres 1] in Leeuwarden. Ik kreeg onenigheid met een man. Ik heb de man, nadat ik hem uit het café had gezet, tegen een muur in de steeg voor het café gezet. Ik heb hem meerdere malen tegen het hoofd geslagen. De man zakte in elkaar.

2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02GL-2014041164, gesloten op 12 mei 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL-2014041029-1, d.d. 20 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer 3] (p. 25 e.v.):

Op vrijdagavond 18 april 2014 was ik in [café] in Leeuwarden. Ik ben er om 22.00 uur naar toe gegaan. Ik heb er lang gezeten. Dit café zit vlakbij de [adres 2]. Op een gegeven moment kreeg ik ruzie met twee mannen. Een man was een blanke Nederlander. Ik was binnen en toen kreeg ik opeens klappen en trappen van de beide mannen. Toen werd ik naar buiten gegooid. En buiten kreeg ik trappen en klappen van beide mannen. Ik ben op mijn hoofd en lichaam geslagen en getrapt. De Nederlander heeft mij op mijn gezicht geschopt, op mijn onderkaak en kin.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02GL-2014041029-7, d.d. 19 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 2] (p. 31 e.v.):

Toen ik mij op zaterdag 19 april 2014, omstreeks 3.30 uur op de [adres 2] bevond, zag ik dat een vechtpartij gaande was tussen een drietal personen. Toen ik naderbij kwam zag ik dat een tweetal manspersonen, die later worden genoemd [verdachte] en [medeverdachte] hun agressie richtten op een negroïde manspersoon, verder genoemd [slachtoffer 3], en dat [medeverdachte] en [medeverdachte] allebei krachtige klappen en trappen uitdeelden aan [slachtoffer 3]. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer 3] ten gevolge van de trappen en klappen die hij kreeg ten val kwam op de grond. Ik zag vervolgens dat [medeverdachte] enige afstand nam van [slachtoffer 3] en dat [medeverdachte] vier tot vijf krachtige trappende bewegingen maakte met zijn rechterbeen in de richting van de op de grond liggende [slachtoffer 3] en hem raakte ter hoogte van zijn borst en hoofd. Ik herkende [medeverdachte] ambtshalve aan zijn gezicht. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer 3] bebloede handen had en een bebloed gezicht ter hoogte van zijn mond.

2.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PLO2BB-2014041029-17, d.d. 19 april 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verbalisant 3]:

Ik heb de door Stadstoezicht Leeuwarden opgeslagen camerabeelden bekeken. Ik heb het volgende waargenomen:

[Camera]

[medeverdachte] maakt net zijn rechterbeen een trapbeweging richting het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer 3]. [medeverdachte] raakt met zijn rechterbeen/voet daadwerkelijk het hoofd van het slachtoffer. Slachtoffer zijn hoofd beweegt snel naar achteren na de trap.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18/730234-14 en het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/092790-14 bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18/730234-14:

1.

hij op 16 mei 2014 in de gemeente Leeuwarden op of aan of bij de [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon/smartphone van het merk LG toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader nadat die [slachtoffer 1] zijn telefoon/smartphone terug wou vervolgens die [slachtoffer 1] bij de keel heeft gegrepen en vervolgens die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Je kent ons niet zeker. Hou je bek. Zoek je soms problemen?" en tegen die [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd dat hij zijn bek moest houden, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij op 10 april 2014, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets van het merk Batavus, toebehorende aan [slachtoffer 2], terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

parketnummer 18/092790-14:

hij op 19 april 2014 te Leeuwarden met een ander op de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het met kracht stompen en slaan en trappen tegen die [slachtoffer 3], waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en vervolgens, terwijl die [slachtoffer 3] zich op de grond bevond, schoppen tegen het lichaam en hoofd van die [slachtoffer 3].

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18/730234-14:

1.

Diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan zijn mededader het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen en terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

Diefstal, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen en terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

parketnummer 18/092790-14:

primair: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof. Dit feit levert een ernstige aantasting op van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en daarnaast heeft hij hiermee te kennen gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van openlijke geweldpleging, waarbij het slachtoffer onder meer tegen het hoofd is geschopt. Dit feit levert eveneens een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op, terwijl ook de openbare orde op deze wijze ernstig is verstoord. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets, waardoor hij voor de eigenaar van de fiets overlast en schade heeft veroorzaakt.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie volgt dat verdachte reeds eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

In het over hem opgemaakte reclasseringsrapport wordt beschreven dat middelengebruik bij verdachte kan resulteren in agressief gedrag. Tegelijkertijd beschikt verdachte over onvoldoende mogelijkheden om met (praktische) problemen en spanningen om te gaan. Problemen kunnen resulteren in een toename van gebruik, waardoor de problemen vervolgens weer toenemen. Door de leefwijze van verdachte zijn er eveneens problemen ontstaan op het gebied van financiën. Ten slotte wordt een negatief sociaal netwerk gesignaleerd, waardoor verdachte sneller in de verleiding zal komen over te gaan tot illegaal gedrag. De recidivekans wordt als hoog ingeschat. Verdachte geeft wel aan dat hij openstaat voor hulp in een gedwongen kader op het gebied van middelengebruik en financiën. Voorgesteld wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling en het meewerken aan urinecontroles betreffende het alcohol- en drugsgebruik van verdachte.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat een op te leggen gevangenisstraf zou kunnen worden beperkt door de oplegging van elektronisch toezicht, opdat verdachte zijn woning en sociale netwerk zal kunnen behouden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte geen first offender is, oplegging van elektronisch toezicht in het onderhavige geval niet geïndiceerd is.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling bij de VNN en het meewerken aan urinecontroles verbinden.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 van parketnummer 18/730234-14 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de benadeelde partij geen betalingsbewijs heeft overgelegd hieraan niet afdoet. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 4 juli 2012, gewezen door de politierechter in de rechtbank te Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 januari 2013.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 2 september 2014 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 4 juli 2012 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36f, 43a, 43b, 57, 141, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18/730234-14 en het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/092790-14 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1.

dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2.

dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3.

dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1.

dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Verslavingszorg Noord Nederland op het adres Oostergoweg 6, 8901 BA te Leeuwarden en dat hij zich hierna blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht;

2.

dat de veroordeelde zich, indien en zolang de reclassering dit nodig acht, op ambulante wijze laat behandelen door Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke instantie, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3.

dat de veroordeelde zal meewerken aan urinecontroles, zodat de reclassering (Verslavingszorg Noord Nederland) zicht kan houden op het middelengebruik van de veroordeelde.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 489,00 (zegge: vierhonderdnegenentachtig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 489,00 (zegge: vierhonderdnegenentachttig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

17/885062-12:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden d.d. 4 juli 2012, te weten: 1 week gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. M. Jansen en

mr. S. Timmermans, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 oktober 2014.

w.g.

Wiersma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Timmermans

locatie Leeuwarden,

Dijkstra

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730234-14

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/092790-14

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 17/885062-12

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 26 september 2014

Tegenwoordig:

mr. Th.A. Wiersma, voorzitter,

mr. M. Jansen en mr. S. Timmermans, rechters, en

mr. A. Dijkstra, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. T.H. Pitstra.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De voorzitter belast de oudste rechter met de leiding van het onderzoek.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de oudste rechter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats]

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.A. Schütz, advocaat te Leeuwarden.

Ter terechtzitting is tevens verschenen de benadeelde partij [slachtoffer 2].

……

De oudste rechter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 10 oktober 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.