Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4898

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
18.730693-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland heeft een 41-jarige man veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 120 uren met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte wordt verweten dat hij als ervaren schipper van een motorvrachtschip niet alle voorzorgsmaatregelen heeft getroffen die geboden zijn om te voorkomen dat andere vaartuigen in gevaar kunnen worden gebracht. Verdachte heeft een plezierjacht niet waargenomen, waardoor dit jacht uiteindelijk door hem is overvaren en is gezonken. De beide opvarenden van het plezierjacht hebben hierdoor het leven verloren. De rechtbank vindt bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gevaren, zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de bepaling van de op te leggen straf houdt de rechtbank er voorts rekening mee dat niet alleen verdachte maar ook de schipper van het plezierjacht een aandeel lijkt te hebben gehad in het ontstaan van het ongeval.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 169
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730693-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Y.M.M. Ooykaas, advocaat te Rotterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 juni 2013, in de gemeente Boarnsterhim, althans in Nederland,

zich als schipper op het, 110 meter lange, [motorvrachtschip],

zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is, dat het [pleziermotorjacht]is gezonken en/of verongelukt en/of vernield en/of beschadigd,

terwijl het feit de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad, immers is verdachte hoogst, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op een (zeer) druk punt in het Prinses Margrietkanaal over die [pleziermotorjacht], die stuurboord in het kanaal voer, heen gevaren, waarbij hij, verdachte, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap en/of door de omstandigheden waarin het schip zich bevond, waren geboden, teneinde met name te voorkomen dat

- het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of

- schade werd veroorzaakt aan andere schepen en/of

- de veiligheid en/of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht,

immers heeft verdachte

onvoldoende voorzieningen getroffen teneinde de dode hoek zoveel mogelijk te verkleinen en/of te beperken, immers voer verdachte (in lege toestand) met de stuurhut in de laagste stand en/of zonder in werking zijnde camera (op de mast op de voorplecht),

in elk geval met een aanzienlijk grotere dode hoek dan, gegeven voornoemde voorzieningen, op dat moment aangewezen en/of wenselijk en/of noodzakelijk was

en/of

met een snelheid van (ongeveer) 13 kilometer per uur gevaren, althans sneller heeft gevaren dan met de wettelijk toegestane snelheid van 12 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid heeft gevaren dan

- de mate van beperking van het zicht, waaronder de dode hoek, en/of

- de aanwezigheid van andere schepen, waaronder de [pleziermotorjacht], en/of

- de plaatselijke omstandigheden, waaronder de weersomstandigheden (harde wind dwars op het schip), het toeliet(en)

en/of

in de voorafgaande 24 uren, niet op een rechtens verifieerbare wijze, de vaart lang genoeg onderbroken, immers heeft verdachte, op een schip dat - gezien de lengte van meer dan 86 meter en de drie aanwezige bemanningsleden - werd geëxploiteerd in exploitatiewijze A1,

de vaart (slechts) voor een (te) korte tijd onderbroken, zonder het vaartijdenboek bij te houden.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een werkstraf voor de duur van 170 uren, subsidiair 85 dagen vervangende hechtenis, waarvan 70 uren, subsidiair 35 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overwogen dat schuld kan worden aangenomen in geval van een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de maximaal toegestane vaarsnelheid weliswaar slechts in geringe mate is overschreden, maar dat de snelheid van verdachtes schip ter plaatse toch te hoog is geweest voor een veilig vaarverkeer. Voorts meent de officier van justitie dat verdachte niet de vereiste voorzorgsmaatregelen heeft genomen, nu hij de voormast van het vrachtschip had neergeklapt, waardoor de op die mast gemonteerde camera niet functioneerde. Ook heeft verdachte niet gekozen voor het alternatief, te weten een uitkijk op de voorplecht die zicht hield op de dode hoek voor de boeg. Daarnaast heeft verdachte er bewust voor gekozen de beweegbare stuurhut in de vaarstand te laten. Zou de stuurhut hoger hebben gestaan, dan zou de dode hoek kleiner zijn geweest. De dode hoek vóór het schip werd dus op geen enkele wijze gecompenseerd. Verder heeft verdachte het vaartijdenboek niet ingevuld, waardoor niet kan worden gecontroleerd of de opvarenden de voorgeschreven rusttijden in acht hebben genomen. Verdachte dient zich als beroepsschipper, aldus de officier van justitie, bewust te zijn van de gevaren verbonden aan het varen in een druk vaargebied, terwijl niet is voorzien in een uitkijk of een camera om zicht te houden op andere vaartuigen voor de boeg van het schip. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat het ongeval is ontstaan, met de dood van het echtpaar [slachtoffer 2]-[slachtoffer 1] tot gevolg.

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft ter zitting aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte grove schuld heeft aan het ontstaan van de aanvaring. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt juist dat verdachte zeer oplettend is geweest. Verdachte wist precies welke bootjes voor en achter hem zaten. Het motorjacht [pleziermotorjacht] heeft hij echter nooit gezien. Dit jacht heeft hij mogelijk nooit kúnnen zien omdat het jacht waarschijnlijk regelrecht vanuit [vaargeul] de dode hoek van de [motorvrachtschip]is ingevaren. Ook voer de [pleziermotorjacht] volgens diverse getuigen middenin de vaargeul en daarmee in het vaarwater van de [motorvrachtschip], terwijl de [pleziermotorjacht] bij nadering van grote binnenvaartschepen juist stuurboordwal had moeten houden.

De [motorvrachtschip]voldeed aan alle voorschriften met betrekking tot de dode hoek. Verdachte had bovendien onverplicht een camera laten installeren aan de voormast en zijspiegels laten monteren aan de brugvleugels. Verdachte kon geen verdere voorzorgsmaatregelen nemen om zijn dode hoek te verkleinen, zonder op andere punten concessies te doen aan het goede zicht. Door het heffen van de stuurhut zou weliswaar de dode hoek voor de boeg zijn verkleind maar zouden de dode hoeken naast het schip worden vergroot, waardoor het verkeer langs de oevers niet langer zichtbaar zou zijn. Voorts gaat de aandacht van de schipper voor het vaarverkeer tijdelijk verloren als hij knoppen moet bedienen om de voormast en de stuurhut te laten zakken en te heffen. Deze knoppen zijn op enige afstand vóór de stuurstoel gemonteerd; de schipper moet flink voorover leunen en de knoppen ingedrukt houden terwijl de voormast zakt of rijst. Vanwege het grote aantal bruggen op het Prinses Margrietkanaal is het praktijk dat alleen containerschepen en grote passagiersschepen varen met een geheven stuurhut en mast, die ze voor elke brug laten zakken. Het was dan ook een weloverwogen beslissing van verdachte als ervaren schipper om de voormast met de camera en de stuurhut naar beneden te laten.

Ten aanzien van de snelheid blijkt nergens uit dat verdachte met de [motorvrachtschip]harder voer dan andere schippers in gelijke omstandigheden doen. Verder heeft verdachte in de voorafgaande 24 uren voldoende geslapen, overeenkomstig de wettelijke eisen. Het niet tijdig invullen van het vaartijdenboek houdt geen verband met de aanvaring. Verdachte heeft dus alles gedaan wat redelijkerwijs van een binnenschipper mag worden verwacht met het oog op de veilige vaart, aldus de raadsvrouw. Onder deze omstandigheden is er onvoldoende bewijs voor roekeloos, aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend varen. Dat verdachte het jacht niet heeft gezien, kwam niet voort uit enige door hem gekozen handelwijze. In ieder geval geldt dat het gevaar in het algemeen en in het bijzonder voor verdachte niet voorzienbaar was. De enkele omstandigheid dat verdachte het jacht nooit heeft waargenomen levert dus geen schuld op in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het Prinses Margrietkanaal bij Grou een der drukste vaarroutes van Fryslân is. Het Prinses Margrietkanaal wordt in noord- en zuidgaande richting door vele binnenvaartschepen en jachten samen gebruikt. Nabij de plaats van het ongeval komen ook andere recreatieve vaarroutes samen. Zo sluit op de plaats van het ongeval de staande-mastroute aan op het Prinses Margrietkanaal. In het vaarseizoen steken vele recreatievaartuigen hier het Prinses Margrietkanaal over als zij van de jachthavens en schiphuizen van Grou naar het Pikmeer, de Wiide Ie of Earnewâld willen varen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat zich op het Prinses Margrietkanaal nabij Grou in de afgelopen jaren meermalen incidenten hebben voorgedaan tussen vaartuigen, soms met dodelijke afloop.

Ook op 25 juni 2013 was het ter plaatse druk door zowel vracht- als pleziervaart. Het zicht was goed. Het motorvrachtschip [motorvrachtschip]en het jacht [pleziermotorjacht] voeren beide globaal zuidwaarts op het Prinses Margrietkanaal in de richting van Grou. Het jacht, met opvarenden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], voer vóór de [motorvrachtschip]uit. Verdachte was schipper van de [motorvrachtschip]. Verdachte is een schipper met ruime ervaring en hij is goed bekend met de plek van de aanvaring. Voor de [motorvrachtschip]gold ter plaatse een maximumsnelheid van 12 kilometer per uur. De snelheid (vaart) van de [motorvrachtschip]was in feite om en nabij 13 kilometer per uur. De snelheid varieerde enigszins, om tegenwicht te bieden aan de krachtige wind uit globaal westelijke richting die dwars op het kanaal stond. Verdachte voer daarom ‘gebekt’ in het vaarwater; hij stuurde enigszins op naar stuurboord om de winddruk op de romp (drift) te compenseren. Vanuit de stuurhut had verdachte door middel van spiegels aan de brugvleugels zicht naast de boorden van zijn schip. Deze spiegels had verdachte vrijwillig aangebracht. Verdachte had ook onverplicht een dode-hoek-camera laten monteren aan de voormast van het schip. Deze camera functioneerde echter niet omdat de voormast omlaag was geklapt. Er was geen uitkijk op de voorplecht geplaatst.

De [motorvrachtschip]is, ook blijkens de foto die vlak voor het ongeval is gemaakt door een passant, in de buurt van boeinummer PM 109 ingelopen op de [pleziermotorjacht] en over dat jacht gevaren. De [pleziermotorjacht] is gekenterd, overvaren en even later gezonken. Ondanks een reddingspoging van verdachte, zijn zoon en een andere binnenschipper zijn de slachtoffers onder water terechtgekomen. Aan de gevolgen daarvan zijn zij later overleden.

De vraag ligt voor of verdachte in strafrechtelijke zin kan worden verweten dat hij schuld heeft aan de aanvaring met de [pleziermotorjacht]. Voor het bewijs van schuld in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht is van belang of verdachte kan worden verweten dat hij 'roekeloos, althans hoogst, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend’ heeft gevaren, waardoor de aanvaring is ontstaan. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat het hierbij gaat om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Artikel 1.09, lid 4, van het Binnenvaart Politiereglement (BPR) bepaalt –voor zover relevant- dat degene die een schip bestuurt in het bijzonder naar alle zijden een voldoende vrij direct of indirect uitzicht moet hebben. Indien geen vrij uitzicht mogelijk is, kan dit worden gecompenseerd door een optisch hulpmiddel, waarmee een helder en onvertekend beeld wordt verkregen over een voldoende ruim gezichtsveld, dan wel door een uitkijk. Indien bijzondere omstandigheden dit vorderen, dient een uitkijk aanwezig te zijn die hem inlicht.

Artikel 1.04 BPR bepaalt onder meer dat de schipper, ook bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften, alle voorzorgsmaatregelen moet nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt, zijn geboden, teneinde te voorkomen dat (a) het leven van personen in gevaar wordt gebracht, (b) schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of (c) de veiligheid van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.

De rechtbank overweegt dat in deze artikelen de open normen ‘bijzondere omstandigheden’, ‘goed zeemanschap’ en ‘omstandigheden waarin het schip zich bevindt’ centraal staan. Van geval tot geval ligt telkens de vraag voor hoe deze open normen moeten worden ingevuld.

Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw hebben verwezen naar het project “Varen doe je samen” (verder: VDJS) van o.a. Rijkswaterstaat, de provincies, HISWA, het Watersportverbond, Koninklijke Schuttevaer, de ANWB en Waterrecreatie Nederland. Dit breed gedragen project beoogt onder meer het aantal ongevallen tussen beroeps- en recreatievaart te verminderen. De VDJS-brochure ‘Knooppunten Fryslân, Groningen en Drenthe’ bevat praktische aanwijzingen die verwijzen naar de verkeersregels uit het BPR en die naar het oordeel van de rechtbank ook uiting geven aan de open normen ‘bijzondere omstandigheden’, ‘goed zeemanschap’ en ‘omstandigheden waarin het schip zich bevindt’. Voor de beroepsvaart zijn in dit geval deze aanwijzingen relevant:

4.

Pas uw snelheid op tijd aan, zodat u kleinere schepen niet hindert of in gevaar brengt.

6.

Denk aan de dode hoek: Zorg dat u rondom vrij zicht hebt. Uw dode hoek mag niet groter zijn dan 350 meter.

9.

Drukte? Plaats een uitkijk: Zet een uitkijk op het voorschip als het druk is met kleine vaartuigen. Die uitkijk kan u informeren en waarschuwen.

10.

Toon uw vakmanschap en professionaliteit: U bent een professional met ervaring en vakmanschap. Bewijs dat en help de recreatievaart bij het samen varen.

Voor de recreatievaart zijn in dit geval de volgende aanwijzingen relevant:

2. (…)

Kijk regelmatig achterom, zodat u oplopende schepen tijdig ziet. (…)

4.

Vaar zoveel mogelijk langs de rechteroever en geef binnenvaartschepen de ruimte, vooral in de bochten!

7.

Blijf uit de dode hoek! Een vrachtschip kan een dode hoek hebben (maximaal 350 m), waardoor de schipper u niet ziet.

Dit alles in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte artikel 1.09, lid 4, BPR onvoldoende heeft nageleefd en niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap waren geboden door de omstandigheden waarin het schip zich bevond.

dode hoek

Naar het oordeel van de rechtbank waren bijzondere omstandigheden aanwezig die vorderden dat een uitkijk of optisch hulpmiddel werd gebruikt, als bedoeld in artikel 1.09, lid 4, BPR. Het ongeladen schip had een aanzienlijke dode hoek, waarin geen direct of indirect uitzicht bestond. Verdachte voer snel terwijl het druk was met recreatievaart. De dwarswind was aanzienlijk en verdachte mag ermee bekend worden geacht dat recreatieschippers vaak minder kennis hebben van de effecten van weersomstandigheden, zoals dwarswind, op het vaargedrag. Goed zeemanschap brengt mee dat de aan boord aanwezige middelen dan ook worden ingezet. Verdachte had de dode hoek moeten beperken door het in werking stellen van de camera op de mast of het plaatsen van een uitkijk met portofoon op het voorschip.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het, gelet op de bruggen die verdachte op het Prinses Margrietkanaal moest passeren, ondoenlijk was om de voormast met de camera telkens omhoog en omlaag te brengen. Uit de waterkaart blijkt immers dat de laatste gepasseerde brug (Fonejacht) zich bevindt op een afstand van ongeveer één uur varen van de eerstvolgende brug (Spoorbrug Grou). Verdachte heeft dat ter zitting bevestigd. Bovendien zou verdachte niet per se zelf de knop hoeven te bedienen waarmee de voormast wordt bewogen, zodat hij geen concessies zou hoeven te doen aan zijn zicht op het water, op de spiegels en op zijn radarscherm. Het heffen van de stuurhut –dat veel langer duurt dan het heffen van de voormast- zou niet nodig zijn geweest bij gebruik van een uitkijk of de camera. Opgemerkt dient te worden dat het gebruik van radar nuttig is maar op zichzelf in deze situatie onvoldoende is; zo heeft verdachte ter zitting verklaard dat polyester bootjes en jachten slecht zichtbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het jacht [pleziermotorjacht] had kunnen en moeten zien als een uitkijk of het optische hulpmiddel was gebruikt.

snelheid

Hoewel geen specifieke voorschriften gelden voor het aanpassen van de snelheid (vaart) aan de omstandigheden ter plaatse, is de rechtbank niettemin met de officier van justitie van oordeel dat de snelheid waarmee verdachte voer, rond 13 kilometer per uur, te hoog is geweest. Hoewel de voor de [motorvrachtschip]geldende maximumsnelheid slechts marginaal werd overschreden, bracht goed zeemanschap mee dat verdachte op dat deel van het Prinses Margrietkanaal zijn snelheid moest aanpassen, gelet op het drukke vaarverkeer ter plaatse op een mooie dag in het hoogseizoen, gelet op de daar samenkomende vaarwegen, en gelet op de wetenschap bij verdachte dat een groot schip als de [motorvrachtschip]bij onverwachte situaties slechts langzaam kan worden afgeremd of gemanoeuvreerd.

vaar- en rusttijden

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er enig verband bestaat tussen het niet juist bijhouden van de vaar- en rusttijden enerzijds en het ontstaan van de aanvaring anderzijds. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte worden worden vrijgesproken.

medeschuld

Inzake de mogelijke medeschuld van de [pleziermotorjacht] overweegt de rechtbank als volgt. Ambtshalve is de rechtbank bekend dat langs de oevers van het Prinses Margrietkanaal grote borden staan, die de recreatievaart erop wijzen goed stuurboordwal te houden en vaak achterom te kijken. Daarvoor pleiten ook de genoemde VDJS-raadgevingen. Uit diverse getuigenverklaringen en een foto komt naar voren dat het motorjacht [pleziermotorjacht] aanvankelijk haar stuurboordwal aanhield maar daarna langzaam naar het midden van het vaarwater is gevaren, mogelijk onder invloed van de dwarswind. Op het moment van de aanvaring bevond het jacht zich in het vaarwater van de grote schepen. Het is voorts aannemelijk dat op de [pleziermotorjacht] niet (tijdig) is gezien dat de [motorvrachtschip]haar opliep. Echter, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer het arrest van 23 januari 1979, NJ 1979/257) doet mogelijke medeschuld van het aangevaren schip niet af aan de schuld van de verdachte. Dat is ook begrijpelijk: binnenschippers zijn de sterkere verkeersdeelnemers. Zij moeten er rekening mee houden dat recreatieschippers soms onvoldoende uitkijk houden en/of onjuist positie kiezen op het vaarwater. Aan de vastgestelde mate van schuld van de verdachte doet de eventuele medeschuld van de slachtoffers dan ook niet af.

Gelet op het hiervoor overwogene en op de hierna opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zo aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gevaren dat sprake is van schuld in de zin van artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 25 september 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Mijn motorvrachtschip, de [motorvrachtschip], is 110 meter lang. Ik ben een ervaren schipper en ben goed bekend op dat vaarpunt richting Grou. Er was veel jachtverkeer. Er stond een dwarse wind en soms moest je opsteken. Ik heb niet harder gevaren dan 13 kilometer per uur, soms vaar je wat harder en soms wat zachter.

Ik heb een radar en spiegels. Niet alle jachten zijn op de radar te zien. Als er zoveel jachtverkeer is, vaar ik liever op het zicht door het raam. Je probeert zoveel mogelijk om je heen te kijken. Het zeiljacht heb ik constant voor me zien varen. Het jacht de [pleziermotorjacht] heb ik niet gezien, ook niet in mijn spiegels. Met mijn spiegels kan ik langs mijn schip kijken en gedeeltelijk naast de kop, een meter of twee. De politie heeft de dode hoek voor gemeten en deze betrof 250 meter. Dat is toegestaan. Ik wissel constant mijn blik tussen de spiegels en het naar buiten kijken.

Opeens hoorde ik gerommel onder het schip en toen klonk er getoeter en geblaas. Ik zag het jacht in mijn spiegels bakboord onder de kop vandaan komen. De kraan van het tankertje kon de boot niet houden en het zakte weer naar beneden. Met onze kraan is het jacht opnieuw naar boven gehaald. De man en vrouw zijn naar het ziekenhuis gebracht, waar ze zijn overleden. Ik had het jacht daarvoor niet gezien.

Ik heb een camera op de mast, maar deze had ik naar beneden geklapt vanwege de bruggen. Ik had niemand op de uitkijk staan op het voorschip. Daar heb ik niet aan gedacht. Ik vaar altijd op de radar en mijn spiegels. Het kan niet anders dan dat de [pleziermotorjacht] in mijn dode hoek zat, aangezien ik het zeiljacht wel de hele tijd heb gezien.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2013029438, gesloten op 3 oktober 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen scheepvaartongeval, nummer 2013029438-8, d.d. 22 juli 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 25 juni 2013 omstreeks 14:45 uur vond het navolgende scheepsongeval plaats. Op het Prinses Margrietkanaal te Grou werd door het ledige motorschip [motorvrachtschip]het in dezelfde richting varende motorjacht [pleziermotorjacht] overvaren, dat vervulde en zonk. De twee opvarenden, een echtpaar, zijn hierbij overleden.

Gelet op de sporen van de [pleziermotorjacht], en die aan boord van de [motorvrachtschip], is het bakboord achterschip als eerste aangevaren, heeft de [pleziermotorjacht] opgeduwd naar bakboord en is schuin, dwars voor het voorschip/steven van de [motorvrachtschip]komen te liggen. Door het vaartlopen van de [motorvrachtschip]en de weerstand van het oppervlakte water is de [pleziermotorjacht] onder water geduwd.

De breedte van het vaarwater bedroeg 60 meter. De maximum snelheid voor de [motorvrachtschip]op het Prinses Margrietkanaal is gelimiteerd op grond van de Vaarwegenverordening Fryslan en bedraagt 12 km/h.

Aan de hand van de trackinformatie zag ik dat de [motorvrachtschip]mede gelet op haar afmetingen en de matige westenwind een koers en positie in het vaarwater voer. Ik zag dat de vaarsnelheid van de [motorvrachtschip]varieerde van 13,3 tot 13,1 km/h.

Het zicht naar voren vanuit de stuurhut was goed. Ik liet de beweegbare hut door de schipper naar de laagste stand plaatsen, zoals hij ook voor het moment van de aanvaring voer.

Ik zag dat aan weerszijden van de stuurhut op de brug spiegels waren aangebracht, waarmee het zicht naar voren langs de zijkanten van het schip werd verbeterd.

Ik zag dat de schipper een vrij en onbelemmerd zicht naar voren had. Een dode hoek voor het schip is met een leeg schip altijd aanwezig. Het radarbeeld was duidelijk en de getoonde echo’s van vaartuigen konden worden onderscheiden ten opzichte van de oever. Op de mast bevond zich een camera, doch deze bevond zich beneden de verschansing waardoor geen zicht/beeld naar voren mogelijk was.

3.

een ambtsedig proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw, nummer PL02N3 2013068025-13, d.d. 1 juli 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 26 juni 2013 te 18:15 uur kreeg ik het verzoek van de Meldkamer Noord Nederland te gaan naar het Medisch Centrum Leeuwarden (MCL). Ik ben een forensisch onderzoek gestart naar aanleiding van het overlijden van het hierna te noemen slachtoffer: [slachtoffer 1]. In het bijzijn van mij werd het lichaam van het slachtoffer uitgebreid geschouwd door forensisch GGD-arts C. Oostdam op de IC van genoemd ziekenhuis. Op 26 juni 2013 omstreeks 18.15 uur werd mij door de forensisch GGD-arts C. Oostdam meegedeeld dat het vrouwelijke slachtoffer op 26 juni 2013 te 18.00 uur overleden was.

Bijlage de letselrapportage van de GGD-arts, C. Oostdam:

Op 25 juni 2013 bootongeval bij Grou. Mevrouw heeft 15 minuten onder water in het Prinses Margrietkanaal gelegen. Mechanisme van overlijden: verdrinking met daarbij zuurstoftekort: hierdoor hartstilstand. Na langdurige reanimatie wel weer hartactie, doch weefselversterf in hele lichaam welke doorzet. Overlijden na 24 uur maximale behandeling.

4.

een ambtsedig proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw, nummer PL02N3 2013068025-14, d.d. 1 juli 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 27 juni 2013 tussen 19:00 en 19:30 uur heb ik verbalisant, als forensisch onderzoeker, een forensisch onderzoek ingesteld naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer 2]. Op 27 juni 2013 werd door de aangewezen lijkschouwer, B. Roescher, in mijn bijzijn een lijkschouw verricht.

Bijlage letselrapportage van de GGD-arts B.A.A.L. Roescher:

De heer [slachtoffer 2] is slachtoffer van een scheepsongeval, welke op 25 juni 2013 op het Prinses Margrietkanaal werd overvaren. Na twintig minuten is de heer [slachtoffer 2] door de brandweer naar boven gehaald. Op 27 juni 2013 om 17:22 uur is de heer [slachtoffer 2] uiteindelijk overleden verklaard. Conclusie: overleden ten gevolge van verdrinking.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 25 juni 2013 in de gemeente Boarnsterhim zich als schipper op het, 110 meter lange, [motorvrachtschip], zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is, dat het [pleziermotorjacht]is gezonken, terwijl het feit de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad, immers is verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig op een zeer druk punt in het Prinses Margrietkanaal over die [pleziermotorjacht] heen gevaren, waarbij hij, verdachte, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap en door de omstandigheden waarin het schip zich bevond, waren geboden, teneinde met name te voorkomen dat

- het leven van personen in gevaar werd gebracht en

- schade werd veroorzaakt aan andere schepen en

- de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht

immers heeft verdachte onvoldoende voorzieningen getroffen teneinde de dode hoek zoveel mogelijk te beperken, en met een hogere snelheid gevaren dan de aanwezigheid van andere schepen, waaronder de [pleziermotorjacht], toeliet.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Het aan zijn schuld te wijten is dat een vaartuig zinkt, terwijl het feit iemands dood tot gevolg heeft.

Dit feit is strafbaar, nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de rapportage van reclassering Nederland d.d. 28 augustus 2014, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 augustus 2014, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte wordt verweten dat hij als ervaren schipper van een motorvrachtschip niet alle voorzorgsmaatregelen heeft getroffen die geboden zijn om te voorkomen dat andere vaartuigen in gevaar kunnen worden gebracht. Verdachte heeft een plezierjacht niet waargenomen, waardoor dit jacht uiteindelijk door hem is overvaren en is gezonken. De beide opvarenden van het plezierjacht hebben hierdoor het leven verloren. Hun overlijden heeft bij de nabestaanden tot intens verdriet geleid.

Verdachte is zich daarvan ten volle bewust en hij heeft van zijn spijt en medeleven blijk willen geven aan de nabestaanden. Het ongeval en de gevolgen daarvan hebben ook diep ingegrepen in het leven van verdachte, alsmede in het leven van zijn gezin. Hij gaat gebukt onder gevoelens van vertwijfeling over hoe het mogelijk was dat het plezierjacht aan zijn aandacht kon ontsnappen met alle afschuwelijke gevolgen van dien. Verdachte heeft een portret van beide slachtoffers in zijn stuurhut neergezet, zodat hij dagelijks wordt herinnerd aan zijn verantwoordelijkheden op het water.

Verdachte heeft geen relevante justitiële documentatie en de rechtbank acht verdachte over het algemeen een zorgvuldig schipper. Ook uit het feit dat verdachte spiegels op zijn stuurhut en een camera op de voormast had bevestigd, terwijl hij daartoe niet verplicht is, toont aan dat verdachte normaliter zijn verantwoordelijkheid neemt voor een veilig vaarverkeer. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er voorts rekening mee dat niet alleen verdachte maar ook de schipper van de [pleziermotorjacht] een aandeel lijkt te hebben gehad in het ontstaan van het ongeval.

Met name gelet op het ontbreken van relevante justitiële documentatie en de mate van schuldbewustheid bij verdachte ziet de rechtbank aanleiding – vanuit het oogpunt van normhandhaving – een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De op te leggen voorwaardelijke werkstraf is van kortere duur dan de door de officier van justitie gevorderde (onvoorwaardelijke) werkstraf, vanwege voornoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 169 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt, dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. K. Post en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2014.

Mr. Vlietstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Wijma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Post

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Gosselaar

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730693-13

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 25 september 2014

Tegenwoordig:

mr. L.G. Wijma, voorzitter,

mr. K. Post en mr. N.A. Vlietstra, rechters, en

mr. L.S. Gosselaar, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. S.E. Eijzenga.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. Y.M.M. Ooykaas, advocaat te Rotterdam.

…..

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 9 oktober 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.