Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4895

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
18.830224-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk ter zake van het bezit van een pistool met bijbehorende munitie en het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden amfetamine (bijna 13 kg) en hennep (ruim 22 kg).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Opiumwet 26, 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/830224-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

25 september 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C. Coster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2014 te [pleegplaats], althans in de gemeente

Stadskanaal,

- een of meer wapens van categorie III onder 1, te weten een [pistool]

, en/of

- munitie van categorie III, te weten 47 kogelpatronen [merk]

, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2014 te [pleegplaats], althans in de gemeente

Stadskanaal,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 12.92 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende amfetamine, zijnde amfetamine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 24 juni 2014 te [pleegplaats], althans in de gemeente

Stadskanaal,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van ongeveer 22.88 kilo, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vooraf aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een vormverzuim in het vooronderzoek. De informatie van de CIE leverde een voldoende verdenking op in de zin van de Wet wapens en munitie om verdachte te bezoeken en hem te vragen of hij een wapen in huis had. Hij werkte vervolgens zelf overal aan mee, liet het wapen en de munitie zien en gaf toestemming om zijn woning verder te doorzoeken. Voor bewijsuitsluiting is dan ook geen enkele grond.

De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zowel het wapen als de amfetamine en hennep zijn in verdachtes woning aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat het wapen van hem was en dat hij de drugs tijdelijk voor anderen in zijn woning bewaarde. Daarmee is bewezen dat verdachte het wapen voorhanden had en dat hij medepleger is van het aanwezig hebben van grote hoeveelheden drugs.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - onder aanhaling van jurisprudentie - primair betoogd dat zich in het vooronderzoek een ernstig vormverzuim heeft voorgedaan dat onherstelbaar is. Dat moet leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van het onderzoek: hetgeen bij de doorzoeking is aangetroffen en de verklaringen van verdachte. Er dient dan vrijspraak te volgen bij gebrek aan bewijs. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van een tip van de CIE. Dat betrof anonieme, niet concrete en niet gedetailleerde informatie, waarvan bovendien de betrouwbaarheid niet kon worden vastgesteld. Er was ook geen spoed om te handelen. In dat geval dient de informatie zoveel mogelijk geverifieerd te worden en - voor zover dat lastig of onmogelijk is - dient onderzocht te worden of de informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Dat alles is niet gebeurd, en de enkele informatie van de CIE was daarom onvoldoende voor een redelijk vermoeden van schuld.

Door de raadsvrouw is subsidiair betoogd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen en dat het onder 3 ten laste gelegde kan worden bewezen voor zover het betreft het aanwezig hebben van hennep. Voor wat betreft de handel daarin is onvoldoende bewijs, zeker op de specifiek ten laste gelegde datum.

Beoordeling van het bewijs

Vormverzuim

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek is van belang om vast te stellen wat de feitelijke gang van zaken is geweest omtrent de start van het onderzoek. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van informatie van de CIE die op 13 juni 2014 bij de politie binnenkwam, inhoudende dat [verdachte] uit [pleegplaats] in verdovende middelen handelt en dat hij een of meer vuurwapens in zijn woning bewaart. De politie is op 24 juni 2014 naar verdachtes woning gegaan en heeft hem geconfronteerd met deze informatie, waarop verdachte zei dat hij inderdaad een wapen in huis had. Verdachte liet de politie in zijn woning binnen en stond het wapen en de daarbij behorende munitie vrijwillig af. Bij de daarop volgende doorzoeking van zijn woning in het kader van de Wet wapens en munitie stuitte de politie op hennep. Onmiddellijk werd de situatie bevroren en verdachte verleende desgevraagd uitdrukkelijk toestemming voor de doorzoeking van zijn woning. Vervolgens werd naast de hennep amfetamine aangetroffen en samen met de hennep in beslag genomen.

De door de raadsvrouw aangehaalde jurisprudentie en daaruit volgende handelwijze ziet op de situatie waarin gebruik wordt gemaakt van de opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 49 Wet wapens en munitie, de doorzoeking van de woning ter inbeslagneming, wanneer de betrokkene daaraan niet vrijwillig meewerkt en daarvoor geen toestemming verleent. Dat is in deze zaak niet het geval, zoals uit voornoemde gang van zaken duidelijk is op te maken. De politie confronteerde verdachte slechts met de informatie dat hij een wapen zou hebben, en alles wat er vervolgens gebeurde, was op basis van vrijwilligheid en met uitdrukkelijke toestemming van verdachte. De rechtbank ziet in het vooronderzoek dan ook op geen enkele wijze een onherstelbaar vormverzuim, als gevolg waarvan de resultaten van het onderzoek van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.

Bewijs m.b.t. het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1.

de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 september 2014;

2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2014 (p. 2 e.v.);

3.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van wapenonderzoek d.d. 21 juli 2014 (p. 11 e.v.).

Bewijs m.b.t. het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

De inhoud van een zaaksdossier, [proces-verbaalnummer], gesloten op 25 augustus 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2014 (p. 2 e.v.) opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 24 juni 2014 omstreeks 9:18 uur bevonden de opsporingsambtenaren zich op het [adres] te [pleegplaats]. Het adres betreft een winkel/bedrijfspand met daarin woonruimte. In één van de vertrekken stonden twee blauwe regentonnen en een diepvries. De diepvries bestond uit 3 lades. In totaal werden er 7 verpakkingen aangetroffen met daarin een witte substantie. Elke verpakking woog ongeveer 2 kg.

2.

een ambtsedig proces-verbaal verdovende middelen d.d. 30 juni 2014 (p. 32 e.v.) opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 27 juni 2014 ontvingen wij uit handen van het beslaghuis te Groningen een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen. Op 27 juni 2014 te 09.26 uur werden door mij, [verbalisant], de vermoedelijk verdovende middelen getest.

Goednummer: [goednummer 1]

Omschrijving: Vrieskast merk Bosch met 3 diepvriesladen met daarin:

Goednummer: [goednummer 2]

Inhoud bovenste lade: 4 gelijke, dichtgesealde, kleurloze plastic zakken met

daarin een bevroren, witte substantie

Bruto gewicht: 8067,60 gram

Netto gewicht: 7973,04 gram

SIN genomen monster: [SIN-nummer 1]

Inhoud middelste lade: grijze afvalzak met daarin 2 gelijke, dichtgesealde, kleurloze plastic zakken met een ingestanst ruitpatroon met in elk een bevroren, witte substantie

Bruto gewicht: 4039,13 gram

Netto gewicht: 3991,33 gram

SIN genomen monster: [SIN-nummer 2]

Inhoud onderste lade: grote rood/wit/zwarte draagtas van de Media Markt met daarin een dichtgesealde, kleurloze plastic zak met daarin een bevroren, witte substantie. In de zak was een kleine opening gemaakt met vermoedelijk een mes.

Bruto gewicht: 969,79 gram

Netto gewicht: 955,59 gram

SIN genomen monster: [SIN-nummer 3]

3.

een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, [zaaknummer], d.d. 10 juli 2014 (p. 38 e.v.), opgemaakt door [naam deskundige], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

Resultaten en conclusie

AAGW8025NL monster crèmekleurig vochtig poeder bevat amfetamine

AAGW8024NL monster crèmekleurig vochtig poeder bevat amfetamine

AAGW8023NL monster crèmekleurig vochtig poeder bevat amfetamine

Amfetamine is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

De door verdachte op de terechtzitting van 25 september 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Iemand vroeg mij of ik op zijn drugs wilde passen tijdens zijn vakantie. Ik heb het voor hem bewaard in mijn woning. Ik wist dat het om amfetamine ging.

Bewijs m.b.t. het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 3 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

De inhoud van een zaaksdossier, [proces-verbaalnummer], gesloten op 25 augustus 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2014 (p. 2 e.v.) opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 24 juni 2014 omstreeks 9:18 uur bevonden de opsporingsambtenaren zich op het [adres] te [pleegplaats]. Het adres betreft een winkel/bedrijfspand met daarin woonruimte. In één van de vertrekken stonden twee blauwe regentonnen en een diepvries. Door [opsporingsambtenaar] werd één van de regentonnen geopend. Hij trof in de regenton meerdere gesealde verpakkingen met daarin hennep. In de 2 regentonnen werden in totaal 17 verpakkingen met hennep aangetroffen. Elke verpakking woog ongeveer 1 kg.

2.

een ambtsedig proces-verbaal verdovende middelen d.d. 30 juni 2014 (p. 32 e.v.) opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 27 juni 2014 ontvingen wij uit handen van het beslaghuis te Groningen een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen. Op 27 juni 2014 te 09.26 uur werden door mij, [verbalisant], de vermoedelijk verdovende middelen getest.

Goednummer: [goednummer 3]

Omschrijving: 2 blauwe tonnen (verschillend formaat) met daarin:

Goednummer: [goednummer 4]

Omschrijving:

ton I1 (grootste ton)

A: 7 gelijke, dichtgesealde, kleurloze plastic zakken met daarin gedroogde groen/bruine plantendelen

B: 6 gelijke, dichtgesealde, kleurloze plastic zakken met daarin gedroogde groen/bruine plantendelen; de plantendelen waren iets donkerder van kleur als die in de bovengenoemde zakken. Tevens waren de plantendelen iets wit uitgeslagen, mogelijk beschimmeld. Op elke zak was een rechthoekige, witte papieren sticker geplakt. Op 2 zakken was ook kleurloos plakband geplakt.

C: 4 gelijke, zilverkleurige, dichtgesealde plastic zakken met daarin gedroogde groen/bruine plantendelen

Bruto gewicht A : 7350,41 gram

Netto gewicht A : 6999,84 gram

Bruto gewicht B : 7174,14 gram

Netto gewicht B : 6828,46 gram

Bruto gewicht C : 4120,65 gram

Netto gewicht C : 3966,89 gram

ton I2 (kleinste ton)

D: 5 gelijke, dichtgesealde, kleurloze plastic zakken met daarin gedroogde groen/bruine plantendelen

E: (los in de ton) gruis van gedroogde groen/bruine plantendelen

Bruto gewicht D : 5247,58 gram

Netto gewicht D : 4999,78 gram

Netto gewicht E : 84,20 gram

Tevens herkende ik, [verbalisant], de substanties aan hun kleur, geur en

uiterlijk als hennep.

De door verdachte op de terechtzitting van 25 september 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Iemand vroeg mij of ik op zijn drugs wilde passen tijdens zijn vakantie. Ik heb het voor hem bewaard in mijn woning. Ik wist dat het om wiet ging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 juni 2014 te [pleegplaats],

- een wapen van categorie III onder 1, te weten een [pistool], en

- munitie van categorie III, te weten 47 kogelpatronen [merk], voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 24 juni 2014 te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12.92 kilo amfetamine, zijnde amfetamine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 24 juni 2014 te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 22.88 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd;

2.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een voorwaardelijk strafdeel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf die voor wat betreft het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, met daarbij een groot voorwaardelijk gedeelte, eventueel met elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde, en de maximaal op te leggen werkstraf. Daarbij heeft zij onder meer aangegeven dat er een kleine kans op recidive is, dat verdachte goed in staat is om in te grijpen in zijn eigen leven en dat hij veel heeft om te behouden, te weten zijn bedrijven.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een wapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad en op verzoek van een ander een grote hoeveelheid hennep en amfetamine in zijn woning opzettelijk aanwezig gehad. Het voorhanden hebben van een wapen levert onaanvaardbare risico's op voor de veiligheid van anderen. Tegen het ongecontroleerde bezit van wapens in onze samenleving dient dan ook streng te worden opgetreden. Door een grote hoeveelheid harddrugs en softdrugs voor een ander in zijn woning te bewaren heeft verdachte bovendien bijgedragen aan de handel in en het gebruik van deze drugs, waarmee vaak criminaliteit en overlast gepaard gaan. Bovendien zijn drugs schadelijk voor de volksgezondheid. Voor deze feiten is naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. De door de raadsvrouw bepleite straf doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de aard en ernst van de feiten. De rechtbank zal een aanzienlijk gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, mede om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een koel/vriescombinatie en twee blauwe tonnen, vatbaar voor verbeurdverklaring nu het onder

2 en 3 bewezen verklaarde met behulp van deze voorwerpen is begaan en niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.

De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een mobiele telefoon, een geldbedrag van € 910,-- en een geldbedrag van

€ 7.600,--, moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Volgens de zich in het dossier bevindende beslaglijst rust er geen beslag meer op een laptop, waarvan namens verdachte de teruggave is bepleit, zodat de rechtbank daarover geen beslissing kan en zal nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen twee blauwe tonnen en een koel/vriescombinatie.

Gelast de teruggave aan veroordeelde van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen:

- een bedrag van € 910.--;

- een bedrag van € 7.600,--;

- een mobiele telefoon (Nokia D6).

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. L.M.E. Kiezebrink en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2014.