Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4854

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
18.750220-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van brand door schuld, waardoor gemeen gevaar voor het pand en de belendende panden, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van anderen is ontstaan en dit de dood van een man ten gevolge heeft gehad.

Aan verdachte was ten laste gelegd dat door zijn schuld brand in een kledingwinkel is ontstaan, waardoor gemeen gevaar voor het pand en de belendende panden, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van anderen is ontstaan en dat zijn gedraging de dood van een man ten gevolge heeft gehad. De rechtbank heeft overwogen dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de aanmerkelijke onvoorzichtige gedraging van verdachte en het ontstaan van de brand. Weliswaar was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke onvoorzichtige gedraging van verdachte doordat hij de slangen en aansluitingen van de kachel niet op deugdelijkheid heeft gecontroleerd, doch kan niet worden vastgesteld dat de brand is ontstaan door het niet controleren van de slangen en aansluitingen, dus door de aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte. De rechtbank heeft verdachte derhalve vrijgesproken.

actualiteit

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 oktober 2014 een man vrijgesproken van het feit dat door zijn schuld brand is ontstaan, waardoor gevaar voor het pand en de belendende panden, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van anderen is ontstaan en dat dit de dood van een man ten gevolge heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750220-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 oktober 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Irak),

wonende te[woonplaats], [adres 1]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 september 2014 en 30 september 2014.

De verdachte is 16 september 2014 verschenen, bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 16 september 2014 vertegenwoordigd door mr. M.S. Kappeyne van de Coppello en ter terechtzitting van

30 september 2014 door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 14 september 2013 tot en met 19 oktober 2013, in Leeuwarden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam

in kledingwinkel [kledingwinkel 1]voor het verwarmen van de winkel geen gebruik heeft gemaakt van een aanwezige CV-installatie doch in plaats daarvan gebruik heeft gemaakt van een gaskachel merk Campingaz type IR5000 met (losse) gasfles,

en/of welke gaskachel en gasfles door verdachte en/of zijn mededader(s) voor (ongeveer) € 75,- tweedehands was gekocht van een particulier (via marktplaats.nl) en/of door verdachte en/of zijn mededader(s) in gebruik is genomen zonder deze (afdoende) op deugdelijkheid te controleren,

en/of deze gaskachel op 19 oktober 2013 heeft/hebben laten branden waarbij de wartel van de drukregelaar minimaal, althans niet gasdicht/goed/volledig, aangedraaid is geweest op de schroefdraad van de gasfleskraan en/of de gasslang slechts aan één uiteinde in plaats van aan beide uiteinde(n) was bevestigd met een slangklem en/of deze kachel en fles (op 19 oktober) was/waren geplaatst in de directe nabijheid van dunne synthetische, althans zeer brandbare, kledingstukken,

en/of waarbij bij het bedienen van of verrichten van handelingen aan de kachel of gasfles een steekvlam is ontstaan die (meteen) (een) kledingstuk(ken) bereikte dat (die) zich (zeer) dicht bij die gaskachel en/of (bijbehorende) gasfles bevond(en),

ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die in dat pand aanwezige kleding(stuk(ken)) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan,

terwijl door die brand gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of voor belendende winkel/bedrijfspand(en) en/of voor (nabijgelegen) woning(en) en/of voor de in dat pand aanwezige (overige) inventarisgoed(eren) en/of voor de in de belendende winkel/bedrijfspand(en) en/of (nabijgelegen) woning(en) aanwezige inventarisgoed(eren), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die/dat pand aanwezige klanten/perso(o)n(en) en/of voor zich in die belendende winkel/bedrijfspand(en) en/of (nabijgelegen) woning(en) aanwezige bewoner(s)/pers(o)on(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond,

terwijl dit feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van

€ 64.735,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor voornoemd bedrag en vervangende hechtenis van 318 dagen;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij[benadeelde partij 2] tot een bedrag van

€ 33.061,50 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor voornoemd bedrag en vervangende hechtenis van 185 dagen;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen[benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4],

[benadeelde partij 5],[benadeelde partij 6], [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 10] met betrekking tot hun vordering.

Vastgestelde feiten

Op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2014 heeft de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

Op zaterdag 19 oktober 2013 om 17.21 uur ontving de Meldkamer Noord-Nederland een melding in verband met een brand in een kledingwinkel aan de[adres 2] in de binnenstad van Leeuwarden. In de belendende panden op de begane grond waren winkels en een kapperszaak gevestigd. Boven deze panden bevonden zich woningen. De ingangen van deze woningen waren gelegen aan de[adres 3]. Deze straat ligt achter de[adres 2].

De brandweer trof bij aankomst een felle uitslaande brand aan in de kledingwinkel [benadeelde partij 2] aan de [adres 2] Kort na aankomst van de brandweer om 17.31 uur werd bekend dat de bewoner van [adres 3] het latere slachtoffer genaamd [slachtoffer], zich nog in zijn woning bevond en ingesloten was door de rook. De brandweer gaf prioriteit aan het redden van het slachtoffer en kon daardoor niet voorkomen dat de brand zich zeer snel uitbreidde naar naast- en bovengelegen panden. De brandweer was uiteindelijk niet in staat het slachtoffer te redden.1 Het slachtoffer is door verstikking om het leven gekomen.2 Tevens gingen door de brand vijf winkels en elf woningen verloren.3

De brand is ontstaan in voornoemde kledingwinkel door een mobiele gaskachel met een losse gasfles. Bij of in deze gaskachel ontstond een steekvlam. Deze steekvlam kwam vervolgens in contact met zich in de winkel bevindende brandbare kleding, waardoor deze vlam vatte.4 De daaropvolgende brandontwikkeling ging gepaard met een grote heftigheid en een snelle uitbreiding. De rook heeft zich razendsnel verplaatst door de verschillende percelen. Op basis van het onderzoek wordt door de Inspectie Veiligheid en Justitie geconcludeerd dat de slechte brandpreventietoestand van de panden een niet te onderschatten rol heeft gespeeld in de branduitbreiding en rookverspreiding bij deze brand. De bouwkundige situatie voldeed op verschillende punten niet aan de basale vereisten, waardoor het slachtoffer onder meer niet over een veilige vluchtweg beschikte en de brandweer niet in staat was hem te bereiken en te redden.5

Verdachte regelde de dagelijkse gang van zaken in de kledingwinkel [kledingwinkel 1] voor de eigenaresse, die elders woonachtig is. De centrale verwarming in de winkel stond niet aan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de centrale verwarming niet gebruikt kon worden, omdat deze "op slot was gezet door een ambtenaar". Toen het kouder werd, heeft verdachte naar aanleiding van de klachten van het winkelpersoneel besloten een tweedehands gaskachel met een losse gasfles van een particulier via marktplaats aan te schaffen.6

Deze gaskachel is op 14 september 2013 aangeschaft.7 Verdachte heeft deze gaskachel in de winkel geplaatst. Hij heeft de gaskachel en de aansluitingen van de slang op de gaskachel en de gasfles niet gecontroleerd voordat hij de gaskachel in gebruik heeft genomen.

Volgens verdachte heeft hij vóór 19 oktober 2013 de gaskachel twee of drie keer gebruikt. Op 19 oktober 2013 zette verdachte aan het begin van de middag de gaskachel aan.

Aan het einde van de werkdag -er waren nog klanten in de winkel- liep verdachte naar de gaskachel en hij draaide de gaskachel een kwartslag van de muur, zodat hij bij de kraan van de gasfles kon komen.8 Hij maakte vervolgens draaiende en duwende bewegingen bij de gaskachel, waarbij een sissend geluid was te horen. Er ontstond toen een steekvlam die in contact kwam met de zeer brandbare kledingstukken die in de nabijheid van de gaskachel hingen.9

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft -zakelijke weergegeven- aangevoerd dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld. Hij had ervoor kunnen en moeten kiezen de door hem gerunde kledingzaak te verwarmen door middel van de aanwezige centrale verwarmingsinstallatie. In plaats daarvan heeft hij gekozen voor een mobiele gaskachel, die niet geschikt is voor gebruik in een kledingzaak. Hij heeft de gaskachel dicht bij zeer brandbare kleding geplaatst en in gebruik genomen zonder deze te controleren op een goede werking. Hij heeft de aansluitingen niet gecontroleerd en heeft evenmin de veiligheids- en gebruiksvoorschriften doorgenomen. Hij had moeten constateren dat een slangklem ontbrak. De wartel van de drukregelaar was ook minimaal bevestigd. De oorzaak van de steekvlam is gelegen in de onjuiste bediening door verdachte en/of de onjuiste aansluitingen.

Standpunt verdediging

Door de raadsman is vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe -kort samengevat- aangevoerd dat de oorzaak van de steekvlam niet kan worden vastgesteld waardoor niet kan worden bewezen dat verdachte aanmerkelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De gedragingen van verdachte bestaande uit het aanschaffen, het gebruiken en het bedienen van de gaskachel en -fles vlak voor het ontstaan van de steekvlam zijn onvoldoende voor het aannemen van grove of aanmerkelijke schuld.

Beoordeling van het bewijs

Onder schuld als delictsbestanddeel wordt volgens vaste rechtspraak verstaan een min of meer grove of aanmerkelijke schuld. De beantwoording van de vraag of er sprake is van schuld in strafrechtelijke zin, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is voorts afhankelijk van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet elke onachtzaamheid, onvoorzichtigheid of onoplettendheid -ook indien deze ernstige gevolgen heeft gehad- kan tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Daarvan kan pas sprake zijn, indien de 'ondergrens' van de aanmerkelijke onachtzaamheid en/of onvoorzichtigheid door het handelen van verdachte is overschreden.

De rechtbank merkt hierbij op dat er veel dramatische gebeurtenissen zijn (zoals verkeersongevallen met dodelijke afloop) waarbij de veroorzaker weliswaar een fout heeft gemaakt, maar dat deze fout strafrechtelijk gezien zo weinig verwijtbaar is, dat het handelen van de veroorzaker ongestraft blijft, hoe moeilijk dat voor slachtoffers of hun nabestaanden ook te verteren is. De ernst van de potentiële gevolgen is echter wèl van belang bij de bepaling van de ondergrens. Er mag dan worden verlangd dat men zorgvuldiger en voorzichtiger handelt dan in andere situaties.

De rechtbank stelt voorop dat het gebruik van een gaskachel in een kledingwinkel op zichzelf aanmerkelijk onvoorzichtig kan zijn als de gaskachel op onvoldoende afstand van de kledingstukken wordt geplaatst, dit in verband met de stralingswarmte die van een gaskachel afkomt. In dit geval is de brand echter niet veroorzaakt door stralingswarmte, zodat de positie van de gaskachel ten opzichte van de kledingstukken in verband met die stralingswarmte niet nader onderzocht hoeft te worden. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het derhalve niet relevant of verdachte op dit punt de veiligheids- en gebruiksvoorschriften heeft doorgenomen. Tevens is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat wanneer een gaskachel tweedehands van een particulier wordt gekocht niet zonder meer het uitgangspunt dient te zijn dat alvorens het in gebruik nemen van de kachel de deugdelijkheid van de gehele gaskachel wordt gecontroleerd. Van belang hierbij kan onder andere zijn de uiterlijke staat van onderhoud, de ouderdom van de kachel, mededelingen van de verkoper omtrent ervaringen met deze kachel en de werking daarvan. Signalen die verdachte een verhoogde staat van alertheid hadden moeten opleveren, zijn de rechtbank niet bekend.

Wel mag steeds worden verlangd dat de slangen en aansluitingen van de kachel worden gecontroleerd voordat de gaskachel in gebruik wordt genomen. Verdachte heeft dit blijkens zijn verklaring ter terechtzitting niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat dit nalaten in het onderhavige geval, waarin sprake was van gebruik in een kledingwinkel met zeer brandbare kledingstukken, gevestigd in een pand in de oude binnenstad waarboven zich woningen bevonden, aanmerkelijk onvoorzichtig is. Dit is immers een situatie waarin het voorzienbaar is dat disfunctioneren van de gaskachel mogelijk ernstige gevolgen kan hebben.

Voor de beantwoording van de vraag of deze aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft geleid tot de steekvlam en daarmee tot de brand, is de oorzaak van het ontstaan van de steekvlam van belang. Er dient immers sprake te zijn van een causaal verband tussen de aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte en het ontstaan van de brand.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de bewuste namiddag gesis hoorde bij de gaskachel en dat hij daarom probeerde de gasfles dicht te draaien, waarna de steekvlam ontstond.

Door [bedrijf] Technology B.V. (hierna [bedrijf]) is onderzoek gedaan naar de gaskachel, de gasfles en de aansluitingen. Hierbij is gebruik gemaakt van de foto's waarmee de gaskachel op marktplaats werd aangeboden, een vergelijkbare gaskachel als referentiemodel en de resultaten van het politieonderzoek. In het rapport dat [bedrijf] ter zake van het onderzoek op 14 januari 2014 heeft opgesteld zijn, voor zover hier van belang, de volgende onderzoeksresultaten opgenomen.

- De gasfleskraan stond circa 60 graden open ten opzichte van de gesloten stand, op het moment dat de brand ontstond.

- De gaskachel kan alleen worden uitgeschakeld door de gasfleskraan dicht te draaien.

- Volgens de marktplaatsfoto lijkt één van de twee slangklemmen op de slang aan de zijde van de gaskachel te ontbreken, maar dit is niet met zekerheid vast te stellen. Wel blijkt uit het politieonderzoek dat in de brandresten één slangklem is aangetroffen.

- In de gaskachel werden geen gebreken aangetroffen die niet door de brand veroorzaakt kunnen zijn en de aangetroffen slangklem was goed aangedraaid en het is niet aannemelijk dat deze los is geschoten.

- Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de wartel van de drukregelaar ten tijde van de brand minimaal aangedraaid is geweest op de schroefdraad van de gasfleskraan. Bij een dergelijke minimale bevestiging stroomt er een aanzienlijk debiet aan onverbrand gas uit de gasfles. De wartel van de drukregelaar kon met de hand moeiteloos verder aangedraaid worden, maar niet zodanig dat dit een gasdichte aansluiting gaf. Na het verwijderen van het vuil van de schroefdraad was dit wel mogelijk. Het is aannemelijk dat het aanwezige vuil een gevolg is van de brand en de bluswerkzaamheden en het is niet aannemelijk dat de wartel van de drukregelaar tijdens de brand is losgedraaid.

- Op de marktplaatsfoto is de wartel van de drukregelaar wel geheel aangedraaid.

- Om de wartel van de drukregelaar strakker aan te draaien dient deze linksom gedraaid te worden in plaats van -zoals gebruikelijk is in Nederland- rechtsom te draaien.

- Door de brand is geen onderzoek meer mogelijk naar de deugdelijkheid van de rubberen gasslang en de rubberen afdichtingsringen, omdat deze (gedeeltelijk) zijn vergaan.

De rechtbank acht, evenals [bedrijf], de omstandigheid dat de politie in de brandresten slechts één slangklem heeft aangetroffen onvoldoende om vast te stellen dat één van de slangklemmen bij de aansluiting van de gasslang heeft ontbroken.

De rechtbank stelt op grond van het politieonderzoek en de onderzoeksresultaten van [bedrijf] vast dat de wartel van de drukregelaar op het moment van het ontstaan van de steekvlam minimaal was bevestigd en dat deze wartel met de hand had kunnen worden vastgedraaid. Doordat de wartel van de gasdrukregelaar niet goed was aangedraaid, was er op het moment van het ontstaan van de steekvlam geen sprake van een gasdichte aansluiting en stroomde er een aanzienlijke hoeveelheid aan onverbrand gas uit de gasfles. Hoewel andere gaslekkages niet kunnen worden uitgesloten omdat onderzoek hierna niet meer mogelijk was, acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat de steekvlam mede door de lekkage bij de wartel van de drukregelaar is ontstaan. De rechtbank gaat daarvan dan ook uit.

Op welk moment de wartel van de drukregelaar is losgedraaid of -geraakt, kan op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting echter niet worden vastgesteld. Het enige wat vaststaat is dat de wartel van de drukregelaar op de foto's die op 11 juli 2013 bij de marktplaatsadvertentie zijn geplaatst, was vastgedraaid en dat deze op het moment dat de steekvlam op 19 oktober 2013 ontstond minimaal was bevestigd. Tussen de genoemde data is de wartel van de drukregelaar losgedraaid of -geraakt zonder dat is vast te stellen wanneer en door welke oorzaak dit is gebeurd. Er is dus een niet uit te sluiten kans aanwezig dat bij controle vóór ingebruikname de wartel van de drukregelaar overeenkomstig de foto's op marktplaats nog vastgedraaid zat, te meer daar de kachel na plaatsing in de kledingwinkel in september 2013 nog twee à drie keer goed gefunctioneerd heeft. Hiervan uitgaande moet het oordeel van de rechtbank luiden dat het niet voldoende vaststaat dat controle van de wartel van de drukregelaar vóór ingebruikname het ontstaan van de steekvlam en de daaropvolgende brand zou hebben voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat derhalve geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen het niet controleren van de slangen en aansluitingen van de gaskachel vóór de ingebruikname van de kachel en de steekvlam die de brand heeft veroorzaakt.

Denkbaar en niet in strijd met de inhoud van het dossier is ten slotte -zoals ook door de verdediging is aangevoerd- dat verdachte op het moment dat hij de gasfleskraan wilde dichtdraaien onbewust aan de wartel van de drukregelaar heeft gedraaid. Indien dit het geval is geweest was dit weliswaar onoplettend en onvoorzichtig, maar een dergelijke vergissing bij de bediening van de gaskachel acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat de brand is ontstaan, omdat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onachtzaam is geweest.

Benadeelde partijen

[benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 1],[benadeelde partij 2], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 10] hebben zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde.

Zoals uit het voorgaande blijkt acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ter zake van de brand, waardoor de gevorderde schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partijen moeten daarom niet ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Benadeelde partijen

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij[benadeelde partij 2] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 10] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partijen en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. L.G. Wijma, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 oktober 2014.

w.g.

Dölle

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Haisma

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Wijma

locatie Leeuwarden,

Zandstra-Alkema

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750220-13

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 16 september 2014

Tegenwoordig:

mr. A.H.M. Dölle, voorzitter,

mr. M. Haisma en mr. L.G. Wijma, rechters, en

G.T. Zandstra-Alkema, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. M.S. Kappeyne van de Coppello.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

Het onderzoek vindt plaats met bijstand van mevrouw H.W. Naji, wonende te Drachten, tolk in de Arabische taal, nu verdachte heeft aangegeven de Nederlandse taal onvoldoende te beheersen. De tolk verklaart te zijn ingeschreven in het register van beëdigde tolken en vertalers en beëdigd te zijn, onder registratienummer 3198.

Het ter terechtzitting gesprokene is vertolkt.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Irak),

wonende te [woonplaats], [adres 1]

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P. Sipma, advocaat te Drachten.

Ter terechtzitting zijn tevens verschenen:

- [gemachtigde 1], als gemachtigde namens de benadeelde partij [benadeelde partij 8];

- [benadeelde partij 9], als benadeelde partij en [gemachtigde 2], als gemachtigde van de benadeelde partij [benadeelde partij 9];

- [benadeelde partij 3], als benadeelde partij;

- J.[benadeelde partij 1], als gemachtigde van de benadeelde partij[benadeelde partij 2];

- [benadeelde partij 5], als benadeelde partij.

……………………

De voorzitter deelt mede dat het onderzoek wordt onderbroken tot de terechtzitting van dinsdag 30 september 2014 te 13.00 uur. De voorzitter deelt mede dat de rechtbank op 30 september 2014 het onderzoek zal sluiten en dat de rechtbank vervolgens op dinsdag

7 oktober 2014 uitspraak zal doen in de onderhavige strafzaak.

Verdachte geeft desgevraagd aan dat hij ter terechtzitting van 30 september 2014 en

7 oktober 2014 niet zal verschijnen en dat derhalve geen tolk voor hem hoeft te worden opgeroepen.

………….

Ter terechtzitting van dinsdag 30 september 2014 zet de rechtbank het onderzoek voort.

Tegenwoordig:

mr. A.H.M. Dölle, voorzitter,

mr. M. Haisma en mr. L.G. Wijma, rechters, en

G.T. Zandstra-Alkema, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. T.H. Pitstra.

Verdachte en zijn raadsman zijn niet verschenen.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van dinsdag 7 oktober 2014 te 13:00 uur.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 Rapport brand aan de[adres 2] te Leeuwarden 19 oktober 2013 opgemaakt door Inspectie Veiligheid en Justitie, d.d. juni 2014.

2 Verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgemaakt door mw. M. Beiboer, arts GGD Fryslân, d.d. 21 oktober 2013.

3 Rapport brand aan de[adres 2] te Leeuwarden 19 oktober 2013 opgemaakt door Inspectie Veiligheid en Justitie, d.d. juni 2014.

4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 september 2014 en de verklaring van de getuige [getuige 1] afgelegd bij de rechter-commissaris in strafzaken, d.d. 8 november 2013.

5 Rapport brand aan de[adres 2] te Leeuwarden 19 oktober 2013 opgemaakt door Inspectie Veiligheid en Justitie, d.d. juni 2014.

6 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 september 2014.

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 02CL113033, inhoudende de verklaring van [getuige 2], d.d. 29 oktober 2013.

8 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 september 2014.

9 De verklaring van de getuige [getuige 1] afgelegd bij de rechter-commissaris in strafzaken, d.d. 8 november 2013.