Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4823

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
LEE AWB - 13 _ 1647
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

naheffingsaanslag intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel - vermelding onjuist tijdvak op het aanslagbiljet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2241
FutD 2014-2622
NTFR 2014/2941 met annotatie van Mr. W.E. Nent
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 13/1647

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 2 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder]).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het tijdvak 29 mei 2005 / 18 februari 2008 aan eiser met dagtekening 7 juli 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 735.669. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 137.805 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar van 23 mei 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een conclusie van repliek ingediend en verweerder heeft een conclusie van dupliek ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Verweerder is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser heeft in juli 2003 een jacht besteld bij de Engelse jachtwerf [jachtwerf]. Het door de jachtwerf gebouwde jacht heeft als naam [X] gekregen.

1.2.

[jachtwerf]. heeft op 19 of 20 mei 2005 de beschikkingsmacht van het jacht overgedragen aan eiser. Eiser is op 22 mei 2005 met het nieuwe schip de haven in Engeland uitgevaren richting Guernsey. Na aankomst op 28 mei 2005 op Guernsey heeft eiser tijdens een korte stop het schip overgedragen aan [Y] A.V.V. te Aruba met welke AVV hij een commanditaire vennootschap is aangegaan. Het jacht is vervolgens verhuurd aan [Z] A.V.V. te Curaçao, welke AVV het jacht heeft verhuurd aan [A] B.V. te [vestigingsplaats], die het jacht op haar beurt heeft verhuurd aan eiser.

1.3.

Vanuit Guernsey heeft eiser het jacht naar Nederland gevaren, waar het op 29 mei 2005 in [havenplaats] is aangekomen. Ter zake van de invoer heeft [A] B.V. op 30 mei 2005 een aangifte van invoer gedaan.

1.4

Verweerder heeft eiser bij brief van 18 februari 2008 als volgt geïnformeerd:

“Uit informatie is mij gebleken dat u een polyester zeiljacht, type [type], gebouwd in 2005 door [jachtwerf], met bouwnummer [nummer], heeft verkregen en dat u de boot op 29 mei 2005 heeft overgebracht naar Nederland.

Naar mijn mening heeft u een intracommunautaire verwerving verricht van een nieuw vervoermiddel waarvan u op grond van artikel 17f Wet omzetbelasting verschuldigd bent. In verband hiermee verzoek ik u het bijgevoegde aangifteformulier in te vullen, te ondertekenen en binnen 3 weken aan mij retour te zenden.”.

1.5

Verweerder heeft eiser bij brief van 21 mei 2010 als volgt geïnformeerd:

“Op 18 februari 2008 heb ik u een brief gestuurd waarin ik u verzocht heb aangifte te doen van een intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel, namelijk een polyester zeiljacht, type [type], gebouwd in 2005 door [jachtwerf]. Het schip is door u betaald en afgehaald bij de werf in Engeland. Vervolgens is het nieuwe vervoermiddel door u op 29 mei overgebracht naar Nederland.

U heeft op mijn verzoek om aangifte te doen, een nihil aangifte ingediend vergezeld met een schrijven van de [gemachtigde eiser] van [advieskantoor]. Uit de aangifte volgt dat u

waarschijnlijk meent dat op basis van de bij de [gemachtigde eiser] ‘bekende feiten en omstandigheden’ het jacht is ingevoerd door [A] en ‘dat er in onderhavige geval geen sprake kan zijn van een intracommunautaire verwerving’.

Zoals u weet zijn de handelingen van [A] onderdeel van een door u met [A] aangegane belastingbesparende constructie. Op basis van jurisprudentie kunnen dergelijke constructies beschouwd worden als “misbruik van recht”. Voor de toepassing van het fiscale recht worden dan met de gekunstelde rechtshandelingen geen rekening gehouden. De door u toegepaste charterconstructie met [A] is onderwerp geweest van een rechterlijke procedure. De douanekamer van de rechtbank van Haarlem heeft onlangs in de uitspraak van 2 april 2010, AWB 08/4855 geoordeeld dat de toegepaste belastingconstructie van [A] misbruik van recht oplevert. Met het conglomeraat van rechtshandeling wordt voor de belastingheffing geen rekening gehouden.

Wat resteert is hetgeen in mijn eerdere brief al is aangegeven namelijk dat u een nieuw vervoermiddel heeft aangeschaft in Engeland.

U heeft de beschikkingsmacht over het voertuig gekregen en het vervolgens overgebracht naar Nederland. Op grond van Hoofdstuk IIA van de Wet op de omzetbelasting heeft u een intracommunautaire verwerving verricht. De verschuldigde belasting is: 19% van 3.871.945,- = € 735.669,-.

Ik zal voor dit bedrag over twee weken een naheffingsaanslag opleggen. Voor u bestaat de

mogelijkheid om de komende twee weken op dit voornemen te reageren.”.

1.6

Verweerder heeft een tweetal facturen van [jachtwerf]. aan eiser overgelegd met als factuurdatum 20 mei 2005. De ene factuur heeft als omschrijving ‘Contract Value’ en bedraagt € 3.644.324 en de andere factuur heeft als omschrijving ‘Post Contract Options’ en bedraagt € 157.699,16.

Geschil en beoordeling

2.

In geschil is het antwoord op de vraag of aan eiser terecht onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting is opgelegd. Het geschil ziet op de vraag of verweerder terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd ter zake van een intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel. Ter zitting heeft het geschil zich nader toegespitst op de vragen of eiser – naar de rechtbank verweerder begrijpt – op 20 mei 2005 een intracommunautaire verwerving heeft verricht en of de vermelding van het onjuiste tijdvak op het aanslagbiljet van de naheffingsaanslag op een duidelijke, ook voor eiser kenbare, vergissing van verweerder berust. Tevens is tussen partijen in geschil of verweerder de heffingsrente over de juiste periode heeft berekend en of eiser recht heeft op een integrale vergoeding van zijn gemaakte proceskosten. Tussen partijen is niet geschil dat in het geval de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, deze met € 20.520 dient te worden verlaagd in verband met door eiser aan [A] B.V. betaalde nota’s.

3.

Eiser is van mening dat [A] B.V. terecht aangifte van invoer voor de omzetbelasting heeft gedaan en dat eventueel misbruik van recht bestreden moet worden door het teruggaafrecht bij [A] B.V. ter discussie te stellen. Op grond daarvan is eiser van mening dat aan hem ten onrechte onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting is opgelegd. Naar de mening van eiser dient de naheffingsaanslag bovendien te worden vernietigd omdat het door verweerder gestelde belastbare feit niet valt binnen het op de naheffingsaanslag vermelde tijdvak. Eiser voert daarbij aan dat de vermelding van het juiste tijdvak vrij essentieel is en dat hij tot het moment van de zitting niet wist dat de fysieke overdracht van het jacht op 20 mei 2005 voor verweerder het heffingsmoment was. Het was eiser derhalve niet kenbaar dat het op de naheffingsaanslag vermelde tijdvak op een vergissing van verweerder berustte.

4.

Verweerder betwist niet dat in de periode van 20 tot en met 30 mei 2005 (rechts)handelingen met betrekking tot het jacht hebben plaatsgevonden, maar (her)kwalificeert deze in fiscale zin zodanig dat eiser, ondanks de overdracht(en) van het jacht en ondanks de eerste reis van het jacht via Guernsey (zie 1.2), de beschikkingsmacht over het jacht heeft behouden en op 20 mei 2005 een intracommunautaire verwerving heeft verricht op grond waarvan eiser omzetbelasting verschuldigd is. Wat betreft het onjuiste tijdvak op de naheffingsaanslag is verweerder van mening dat eiser wist dat hij het jacht op 20 mei 2005 geleverd heeft gekregen.

Voorts wijst verweerder op zijn, onder 1.4 en 1.5 vermelde brieven, op grond waarvan hij concludeert dat zijn vergissing van het tijdvak op een voor eiser kenbare, vergissing berustte.

5.

De rechtbank heeft ter zitting vragen gesteld over het precieze moment waarop het belastbare feit volgens verweerder, in het kader van zijn standpunt ter zake van de fiscale herkwalificatie van de feiten, heeft plaatsvonden. Verweerder heeft daarop verklaard dat hij 20 mei 2005 als de datum van het belastbare feit (de intracommunautaire verwerving) aanmerkt. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van het betoog van verweerder inzake de fiscale (her)kwalificatie van de feiten en daaraan, eveneens veronderstellenderwijs, de conclusie verbinden dat het belastbare feit op 20 mei 2005 heeft plaatsgevonden. Gelet op het op het aanslagbiljet vermelde tijdvak – 29 mei 2005 tot en met 18 februari 2008 – betekent het voorgaande uitgangspunt dat het door verweerder voorgestane (heffings)moment valt buiten dat vermelde tijdvak.

6.

De rechtbank overweegt dat als regel heeft te gelden dat het tijdvak van naheffing op het aanslagbiljet van de naheffingsaanslag een zo wezenlijk onderdeel daarvan uitmaakt, dat niet kan worden toegestaan dat belasting, verschuldigd wegens feiten gelegen buiten dat tijdvak, in de naheffingsaanslag wordt begrepen. Dit is slechts anders indien de op het aanslagbiljet voorkomende vermelding van het tijdvak van naheffing op een duidelijke, ook voor de belastingplichtige kenbare, vergissing berust (zie HR 20 december 1978, nr. 18.960, onder meer gepubliceerd in BNB 1979/111 en HR 6 oktober 1993, nr. 28.752, onder meer gepubliceerd in BNB 1995/99 en HR 7 maart 2006, nr. 41.558, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/223).

7.

Eiser heeft ter zitting verklaard eerst tijdens deze zitting te hebben vernomen dat de fysieke overdracht van het jacht van de jachtbouwer aan eiser op 20 mei 2005, voor verweerder het heffingsmoment is. Dat ten aanzien van de vermelding van het tijdvak sprake is van een vergissing is eiser derhalve ook eerst ter zitting duidelijk geworden. Eiser betwist dat verweerders vergissing duidelijk was, laat staan dat deze voor hem kenbaar was.

8.

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat het voor eiser kenbaar was dat de naheffingsaanslag omzetbelasting is opgelegd in verband met de levering van het jacht [X] op 20 mei 2005. Verweerder verwijst daartoe naar de inhoud van de onder 1.4 en 1.5 vermelde brieven en naar de onder 1.6 vermelde facturen met de datum van 20 mei 2005.

9.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op het aanslagbiljet voorkomende vermelding van het tijdvak van naheffing op een duidelijke, ook voor eiser kenbare, vergissing berust. De rechtbank overweegt dat het voor eiser weliswaar duidelijk moet zijn geweest dat er op 20 mei 2005 (rechts)handelingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot het jacht – onder meer de fysieke levering van het jacht –, maar dat noch uit de onder 1.4 en 1.5 vermelde brieven, die immers de datum van 20 mei 2005 niet vermelden, noch uit de onder 1.6 vermelde facturen, noch uit het aanslagbiljet zelf duidelijk blijkt dat dit het door verweerder bepleite heffingsmoment voor onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting is. Dit klemt des te meer nu er in het door verweerder vermelde tijdvak op het aanslagbiljet, zich diverse rechtshandelingen met betrekking tot het jacht hebben voorgedaan, die in beginsel als heffingsmoment voor de omzetbelasting zouden kunnen gelden en de door verweerder aangevoerde brieven enkel de datum 29 mei 2005 vermelden.

Gelet op het voorgaande, mede bezien in het licht van de onder punt 5 vermelde arresten van de Hoge Raad, komt de rechtbank tot de conclusie dat het in het onderhavige geval niet is toegestaan dat omzetbelasting, verschuldigd wegens feiten gelegen buiten het op het aanslagbiljet vermelde tijdvak, in de naheffingsaanslag wordt begrepen. Nu de rechtbank reeds op deze grond het beroep gegrond zal verklaren en onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting zal vernietigen, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van de overige door partijen aangedragen standpunten.

10.

Het beroep heeft mede betrekking op de heffingsrente. Nu de met de beschikking heffingsrente samenhangende naheffingsaanslag zal worden vernietigd, zal ook de beschikking heffingsrente eveneens worden vernietigd. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de behandeling van de overige door partijen aangedragen standpunten.

11.

De beroepen zijn gegrond.

12.

Eiser heeft verzocht om vergoeding van de integrale proceskosten. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht is onder meer grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden of het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig handelt (HR 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Van dergelijke omstandigheden is echter naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat zij geen aanleiding ziet voor een vergoeding van de integrale proceskosten van eiser. Eisers stelling dat verweerder na indiening van eisers conclusie van repliek, waarin eiser met name wijst op het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:783), zou vasthouden aan een onhoudbaar standpunt, heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, niet of althans onvoldoende onderbouwd. Dat partijen voormeld arrest beiden anders uitleggen, is onderdeel van het geschil, maar daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat verweerder een onhoudbaar standpunt verdedigt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor vergoeding van de integrale proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.704 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 243; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.704.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, en mr. A.L. Goederee en mr. M. van den Bosch, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2014.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.