Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4801

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
3209436 CV EXPL 14-7485
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur, schadevergoeding, oplevering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 3209436 CV EXPL 14-7485

vonnis van de kantonrechter d.d. 7 oktober 2014

inzake

[eiseres],

wonende te Leeuwarden,

eiseres,

procederende met toevoeging,

gemachtigde: mr H.L. Thiescheffer,

tegen

[gedaagde],

wonende te Leeuwarden,

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [achternaam] en [schternaam gedaagde] worden genoemd.

Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2. In dit geding kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

[achternaam] heeft van [schternaam gedaagde] vanaf 19 juli 2008 in huur gehad een woning aan het adres [adres] te Leeuwarden.

Bij aanvang van de huur heeft [achternaam] als waarborgsom een bedrag ad € 435,- aan [schternaam gedaagde] betaald.

De huur van de woning heeft steeds € 435,- per maand bedragen. [achternaam] heeft gedurende (een gedeelte van) de looptijd van de huurovereenkomst onder vrijwillige schuldbemiddeling gestaan bij Kredietbank Nederland. Deze instantie heeft voor [achternaam] de huur betaald.

De huurovereenkomst is door [achternaam] bij brief van 27 augustus 2013 opgezegd tegen 1 oktober 2013, welke brief door [achternaam] in gezelschap van haar moeder aan de echtgenote van [schternaam gedaagde] op diens woonadres persoonlijk is afgegeven.

Kredietbank Nederland heeft [schternaam gedaagde] op 2 oktober 2013 de huur over oktober 2013 betaald.

Het standpunt van [achternaam]

3.1.

[achternaam] stelt dat zij van [schternaam gedaagde] te vorderen heeft gekregen bedragen ad

– € 435,- ter zake van de bij het einde van de huur niet door [schternaam gedaagde] terugbetaalde waarborgsom,

– € 435,- wegens de door Kredietbank Nederland onverschuldigd betaalde huur over oktober 2013,

– € 400,- wegens een door haar in 2013 verrichte betaling uit hoofde van gemeentelijke lasten, zonder dat daartoe enige rechtsgrond bestond.

Zij vordert daarom de veroordeling van [schternaam gedaagde] tot betaling van een bedrag ad € 1.270,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2013.

Reagerend op het verweer van [schternaam gedaagde] stelt [achternaam] bij repliek het volgende. Voor het afgeven van de sleutels heeft zij talloze malen geprobeerd telefonisch contact met [schternaam gedaagde] te krijgen. Omdat [schternaam gedaagde] onbereikbaar bleek, heeft [achternaam] vervolgens contact opgenomen met Holland Housing in de persoon van [xxxxx] met de vraag of deze bevoegd was om de sleutels van woonruimte van [schternaam gedaagde] in ontvangst te nemen. Het was [achternaam] bekend dat deze[xxx] als bemiddelaar werkzaamheden ten behoeve van [schternaam gedaagde] verrichtte.[xxx] heeft instemmend gereageerd op dat verzoek, waarna [achternaam] buiten kantooruren een tweetal sleutels in de brievenbus van het kantoor van Holland Housing aan de Stationsweg te Leeuwarden heeft gedeponeerd. Zekerheidshalve heeft [achternaam] een tweetal sleutels afgegeven aan haar onderbuurman; dit voor het geval dat wanneer [schternaam gedaagde] toch langs zou komen de onderbuurman de sleutels aan [schternaam gedaagde] zou kunnen afgeven. [achternaam] heeft de woning in goede staat achtergelaten. [achternaam] biedt daarvan getuigenbewijs aan. Zij betwist dat zij met haar instemming derden in de woning heeft achtergelaten. [achternaam] heeft nimmer een WOZ-aanslag betaald. Toen [achternaam] werd geconfronteerd met een dwangbevel ter zake van de WOZ heeft zij op eigen initiatief het onderliggende bedrag ad € 400,- betaald. Dat bedrag zag niet alleen op haar woning, maar ook op de woning van haar onderbuurman.

Het standpunt van [schternaam gedaagde]

3.2.

heeft zich tegen de vordering verweerd. Daartoe stelt hij bij antwoord, dat [achternaam] hem wel de huur heeft opgezegd maar nooit de sleutels heeft ingeleverd. Bij zijn bezoek aan de woning 7 weken na de opzegging trof hij daarin mensen aan die daar niets te zoeken hadden. [schternaam gedaagde] is er met zijn bemiddelaar geweest en hij trof er een ravage aan. De rommel is door hem afgevoerd en de kamer is door hem opgeknapt. [schternaam gedaagde] was blij dat hij van [achternaam] af was en daarom krijgt zij de waarborgsom niet terug. Ten aanzien van de aanslag van "Hef" merkt [schternaam gedaagde] op, dat men geen rekening betaalt die niet voor hem bestemd is. [schternaam gedaagde] betaalt het eigenarendeel aan "Hef"; er bestaat ook een gebruikersdeel. Volgens [schternaam gedaagde] kan [achternaam] kwijtschelding vragen van die aanslag omdat zij een sociale uitkering geniet.

Bij dupliek stelt [schternaam gedaagde] nog, dat [achternaam] de huur niet op de juiste wijze, want niet bij aangetekende brief, heeft opgezegd. Zij moet de sleutels bij de eindcontrole inleveren, zodat hij kan zien dat er geen gebreken aan de woning zijn. De woning is pas 6 weken later weer verhuurd, dus de maand huur die [achternaam] eist is nu verrekend omdat hij de sleutels nooit heeft ontvangen. Dat [achternaam] hem niet kon bereiken lijkt [schternaam gedaagde] sterk, omdat zij op zijn woonadres een brief heeft afgegeven. De onderbuurman van [achternaam] heeft de sleutels ook niet afgegeven; hij heeft deze nooit gehad.

De beoordeling van het geschil

4.1.

In deze procedure geldt als uitgangspunt, dat de huur door [achternaam] op 27 augustus 2013 tegen 1 oktober 2013 is opgezegd en dat deze opzegging door [schternaam gedaagde] is aanvaard. [schternaam gedaagde] heeft wel gesteld dat [achternaam] niet conform de huurovereenkomst de huur heeft opgezegd, maar dat die opzegging niettemin door hem is aanvaard, kan worden afgeleid uit de door hem gestelde gedraging, die er op neerkomt dat hij 7 weken na de opzegging in de woning is gaan kijken.

4.2.

De vordering van [achternaam] is toewijsbaar voorzover deze ziet op het niet door [schternaam gedaagde] terugbetaalde bedrag van de borgsom en op de door Kredietbank Nederland voor [achternaam] betaalde huur over oktober 2013. Uit de stellingen van [schternaam gedaagde] kan weliswaar worden afgeleid dat hij zich op het standpunt stelt dat [achternaam] de woning niet in goede staat heeft opgeleverd, maar gesteld noch gebleken is, dat [schternaam gedaagde] na de huuropzegging samen met [achternaam] de woning heeft opgenomen en [schternaam gedaagde] [achternaam] heeft gewezen op daaraan klevende gebreken welke door [achternaam] dienden te worden hersteld. Evenmin is gesteld of gebleken dat [schternaam gedaagde] [achternaam] betreffende dergelijke gebreken of schade gelegenheid tot herstel heeft geboden en al evenmin is gebleken van een deugdelijke schadebegroting en van een ingebrekestelling van [achternaam] door [schternaam gedaagde], zelfs niet ten aanzien van de sleutels. Ook de stelling van [schternaam gedaagde] die er op neerkomt dat [achternaam] een ravage had achtergelaten en dat hij zelf de rommel heeft opgeruimd en de sloten heeft vervangen, is door hem op geen enkele wijze nader onderbouwd.

Het op dit gedeelte van de vordering gerichte verweer wordt daarom gepasseerd.

4.3.

Voorzover de vordering verband houdt met een door [achternaam] zonder reechtsgrond betaalde aanslag OZB, althans een naar aanleiding van een dwangbevel door haar betaald bedrag aan OZB, wordt zij afgewezen, nu [achternaam] haar vordering in zoverre op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

4.4.

Een en ander leidt tot de slotsom, dat de gevorderde hoofdsom tot een bedrag ad

€ 870,- kan worden toegewezen.

Het meer gevorderde wordt als ongegrond afgewezen.

4.5.

De vordering tot vergoeding van wettelijke rente is eveneens toewijsbaar, zij het dat rente slechts toewijsbaar is vanaf 10 mei 2014, zijnde de dag na de in het e-mailbericht van 6 mei 2014 – dat het karakter draagt van een sommatie – van de gemachtigde van [achternaam] aan [schternaam gedaagde] genoemde datum van 9 mei 2014, waarop betaling uiterlijk diende plaats te hebben, zodat het betalingsverzuim zijdens [schternaam gedaagde] eerst op 10 mei 2014 is ingetreden.

4.6.

[schternaam gedaagde] moet als de voor het merendeel in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van [achternaam] worden tot heden begroot op:

- explootkosten € 77,52

- griffierecht € 77,-

- salaris gemachtigde € 200,- (2 punten x tarief € 100,-)

totaal € 354,77.

Van het hierboven genoemde bedrag aan explootkosten dient, nu [achternaam] met een toevoeging procedeert, een gedeelte ad 75% ofwel een bedrag ad € 58,14 te worden voldaan aan de griffier; het restant van dat bedrag dient aan [achternaam] te worden voldaan.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [schternaam gedaagde] tot betaling aan [achternaam] van een bedrag groot € 870,- (zegge: achthonderdzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 mei 2014 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [schternaam gedaagde] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan zijde van [achternaam] begroot op € 354,77, waarvan een gedeelte ad € 58,14 te voldoen aan de griffier;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 633