Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:477

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-01-2014
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
18/630312-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke gevangenisstraf voor man die in de jaren 2008-2010 handelde in hasj.

Doordat de strafzitting zo lang op zich heeft laten wachten legt de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisttraf op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Opiumwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/630215-10

Bij verstek

Raadsman: mr. M.C. van Linde (niet gemachtigd)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

30 januari 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum],

niet als ingezeten ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

2 maart 2012, 4 mei 2012, 17 september 2012, 23 november 2012 en 16 januari 2014.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 28 januari 2010 tot en met 12 april 2010,

in de gemeente Leek, in elk geval in het arrondissement Groningen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer hoeveelheden van meer

dan 30 gram, althans een of meer hoeveelheden hennep, en/of

een of meer hoeveelheden van meer dan 30 gram, althans een of meer

hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd,

zijnde hennep en/of hasjies (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 12 april 2010, in de gemeente Leek,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 470 gram, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen

andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 79 gram, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

(zaak met parketnummer 18.650393.10)

hij op of omstreeks 25 januari 2010, in de gemeente Leek,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 194 gram en/of ongeveer dertien

gripzakjes, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer

215 gripzakjes gevuld met hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30

gram hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

(zaak met parketnummer 18.650393.10)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 25 januari 2010,

in de gemeente Leek,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid hennep en/of een

hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd (hashish),

zijnde hennep en/of hashish (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

5.

(zaak met parketnummer 18.650393.10)

hij op of omstreeks 25 januari 2010, in de gemeente Leek,

een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een

elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan

worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij vordert verdachte hiervan vrij te spreken. Het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.

Beoordeling

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in het dossier aan bewijs voorhanden is onvoldoende is voor bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Het onder 2 ten laste gelegde

Een proces-verbaal d.d. 12 april 2010, opgenomen op pagina 27 e.v. van dossier nummer 2010029127 d.d. 21 april 2010, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Pagina 29: De wiet en hasj in mijn woning zijn voor eigen gebruik.

Een proces-verbaal d.d. 13 april 2010, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

De tas met hash en wiet is van mij.

Een proces-verbaal d.d. 12 april 2010, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 12 april 2010 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden aan de Grietenij 42 te Leek. Aangetroffen werden:

  • -

    438 gram henneptoppen;

  • -

    79 gram hash (inclusief gripzakjes);

  • -

    32 gram wiet (inclusief gripzakjes);

Op 12 april 2010 zijn de in beslag genomen drugs met behulp van een drugstester onderzocht.

Op de hennep in de doorzichtige plastic tas en in de fietstas kwam een positieve uitslag, doordat de vloeistof in de tester paars kleurde.

Op de hash in de fietstas kwam eveneens een positieve uitslag doordat de vloeistof in de tester paars kleurde.

Het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde

Een proces-verbaal d.d. 26 januari 2010, opgenomen op pagina 64 e.v. van dossier nummer 2009101272 d.d. 15 maart 2010, inhoudende het relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op maandag 25 januari 2010 hebben verbalisanten met toestemming van verdachte zijn woning onderzocht. Aangetroffen werden o.a.:

  • -

    800 gripzakjes;

  • -

    895 euro, veel kleine coupures;

  • -

    17 gripzakjes met wiet;

  • -

    Een stroomstootwapen;

  • -

    196 zakjes met hennep;

  • -

    13 gripzakjes met hash;

  • -

    Een blok hash van 194 gram;

  • -

    Een zwart tasje met 2 gripzakjes met een onbekende substantie;

  • -

    Een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Een proces-verbaal d.d. 26 januari 2010, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Nadat de verdachte [verdachte] was aangehouden vroeg ik, verbalisant Ozbilgic, aan hem of wij toestemming van hem kregen om zijn woning te doorzoeken naar drugs. Tevens is aan [verdachte] medegedeeld dat indien er drugs gevonden zouden worden dat dit dan tegen hem gebruikt zou worden in het strafproces. Ik hoorde dat verdachte [verdachte] tegen mij zei dat hij akkoord ging en dus toestemming gaf om zijn woning te doorzoeken naar drugs. Hierbij waren de verbalisanten B. Steenhuis en M. Haarsma aanwezig.

Een proces-verbaal d.d. 26 januari 2010, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

De wiet die u mij laat zien komt van mijn plantjes. Ik heb veel gripzakjes omdat ik wiet voor vrienden prepareer. De hash die jullie mij laten zien komt uit Marokko. Alles wat jullie hebben gevonden is voor eigen gebruik. Het stroomstootwapen is van [betrokkene 1]. Het neppistool heb ik gevonden op straat.

Het onder 4 tenlastegelegde

Een proces-verbaal d.d. 2 februari 2010, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Pagina 58: Ik kocht 2 jaar geleden voor het eerst drugs bij [verdachte]. Voor het laatst heb ik acht maanden geleden drugs gekocht bij [verdachte].

Pagina 59: [verdachte] verkocht wiet en hasj. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] kochten ook drugs bij [verdachte].

Een proces-verbaal d.d. 4 februari 2010, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Pagina 66: In Leek koop ik mijn drugs bij [verdachte]. Ik ben daar tussen de 6 en 8 keer geweest.

[verdachte] verkoopt wiet en hasj. In augustus 2009 heb ik voor het eerst drugs gekocht bij [verdachte]. Ik heb ongeveer 2 weken geleden voor het laatst drugs bij hem gekocht, vlak voordat hij opgepakt werd. Ik hoorde dat hij nu al weer aan het dealen is. Als ik er nu langs fiets, zie ik weer mensen bij hem uit de woning komen.

Een proces-verbaal d.d. 25 januari 2010, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige[getuige 3], zakelijk weergegeven:

Ik kom voor een tientje wiet halen bij [verdachte]. Ik kom hier sinds 9 maanden wiet halen. Per keer koop ik voor een tientje.

Een proces-verbaal d.d. 26 januari 2010, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 4], zakelijk weergegeven:

Ik kocht mijn drugs bij [verdachte]. Wiet. In juni 2009 heb ik daar voor het eerst gekocht. In november 2009 heb ik daar voor het laatst gekocht.

Een proces-verbaal d.d. 27 januari 2010, opgenomen op pagina 167 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 5], zakelijk weergegeven:

Ik koop mijn drugs bij [verdachte]. Iedereen noemt hem [verdachte]. In het voorjaar van 2008 heb ik voor het eerst drugs gekocht bij [verdachte]. Ik heb 2 weken geleden voor het laatst drugs gekocht bij [verdachte].

Een proces-verbaal d.d. 9 februari 2010, opgenomen op pagina 176 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige[getuige 6], zakelijk weergegeven:

Ik heb aan het eind van de zomervakantie 2009 voor het eerst gekocht bij [verdachte]. Ongeveer 2 maanden geleden ben ik daar voor het laatst geweest.

Een proces-verbaal d.d. 27 januari 2010, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van[getuige 7], zakelijk weergegeven:

Ik kon ook wiet halen bij [verdachte] als ik geen geld had. Dan vroeg hij: hoeveel? En ik zei dan zoveel en dan mocht ik het meenemen.

Het onder 5 ten laste gelegde

Een proces-verbaal d.d. 26 januari 2010, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten A. Konijnendijk en C. Ozbilgic, zakelijk weergegeven:

Op maandag 25 januari 2010 hebben verbalisanten met toestemming van [verdachte] zijn woning onderzocht. Aangetroffen werden o.a.:

- een stroomstootwapen;

Een proces-verbaal d.d. 2 februari 2010, opgenomen op pagina 117 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten A.E. Rentema, zakelijk weergegeven:

Het mij ter hand gestelde voorwerp is een voorwerp waarmee personen door een elektrische stroomstoot weerloos gemaakt kunnen worden of pijn kan worden toegebracht. Dit voorwerp is niet een medisch hulpmiddel

Derhalve is dit voorwerp een elektrisch stroomstootwapen, merk “Patent Pending” kleur zwart, genoemd in artikel 2 lid 1, categorie II onder 5de van de WWM.

Een proces-verbaal d.d. 26 januari 2010, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Het stroomstootwapen is van [betrokkene 1]. Het neppistool heb ik gevonden op straat.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 12 april 2010, in de gemeente Leek, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 470 gram hasjiesj en ongeveer 79 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

(zaak met parketnummer 18.650393.10)

hij op 25 januari 2010, in de gemeente Leek,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 194 gram hasjiesj en ongeveer

215 gripzakjes gevuld met hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

(zaak met parketnummer 18.650393.10)

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 25 januari 2010,

in de gemeente Leek,

meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en

afgeleverd en verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid hennep en een

hoeveelheid hasjiesj,

zijnde hennep en hasjiesj telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

5.

(zaak met parketnummer 18.650393.10)

hij op 25 januari 2010, in de gemeente Leek,

een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een

elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan

worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

2.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5.

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis en zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 15 april 2010, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich herhaalde malen schuldig gemaakt aan opzettelijk handelen in strijd met bepalingen van de Opiumwet. Het is een feit van algemene bekendheid dat handelen in verdovende middelen schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid, zeker nu in dit geval, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, met name jongeren bij verdachte verdovende middelen hebben gekocht. Verdachte is in het verleden eerder veroordeeld voor soortgelijke delicten.

Als sanctie voor het bewezen verklaarde is in beginsel een vrijheidsstraf van enige duur passend. De rechtbank zal echter bij de strafoplegging met name rekening houden met de tijd die is verstreken tussen de aanhouding van verdachte en de uiteindelijke berechting.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de feiten grotendeels zijn gepleegd in 2010 en dat het politiedossier in maart 2010 is gesloten en dat op 2 maart 2012 de eerste zitting stond gepland. Daarna is de zaak enkele keren aangehouden, laatstelijk op verzoek van de raadsman voor de zitting van 23 november 2012. Vervolgens heeft de zaak ruim een jaar stilgelegen.

De rechtbank is van oordeel dat de periode tussen 2 maart 2010 en 16 januari 2014 dermate lang is dat er sprake is van onredelijke vertraging.

Dit brengt met zich mee dat de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf aanzienlijk zal matigen. De rechtbank acht een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf passend en geboden.

Daarbij heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit, welk feit door verdachte bij de politie is erkend.

Verbeurdverklaring

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag ad € 895,- verbeurd zal worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank



De rechtbank acht het in beslag genomen goed, te weten een geldbedrag van € 895,-, vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit door middel van de strafbare feiten, zoals onder 4 is bewezen verklaard, is verkregen en dit toebehoort aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij.

- verklaart het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 2, 3, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat:

- de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. 

Verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag van € 895,-.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. P.H.M. Smeets, voorzitter, R.B.M. Keurentjes en L.M.E. Kiezebrink, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2014.