Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4673

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
C-17-130558 - HA ZA 13-325
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring van vorderingen erfgenaam op broers op grond an artikel 3:307 lid 1 en lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/130558 / HA ZA 13-325

Vonnis van 24 september 2014

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. N.H.M. Poort te Heerenveen,

tegen

1 [B],

wonende te [woonplaats],

2. [C],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. Y. Bergsma te Sneek.

Eiseres zal hierna [A] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna [B] en[C] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    het herstelexploot;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014, waarin een comparitie is bepaald;

  • -

    de aanvullende producties aan de zijde van [A];

  • -

    het proces-verbaal van de op 6 juni 2014 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[A] is de zus van [B] en[C].

2.2.

Naast [A], [B] en[C] is uit het huwelijk tussen de heer [D] (hierna te noemen: de vader) en mevrouw [E] (hierna te noemen: de moeder) tevens mevrouw [F] geboren.

2.3.

De vader en de moeder waren in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.4.

Bij koopakte van 5 januari 1977 hebben de vader en [B] ten overstaan van

mr. G.A. de Gelder, thans oud-notaris (hierna te noemen: mr. De Gelder), verklaard dat de vader aan [B] heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen en [B] heeft gekocht en in eigendom heeft aanvaard:

"Het winkelpand met werkplaats, ondergrond, erf en verdere aanhorigheden staande en gelegen te [kadastrale gegevens], welk perceel is aangewezen als beschermd monument als bedoeld in de Monumentenwet.

(…)

De comparanten verklaarden dat deze verkoop en koop is geschied:

A. voor een koopprijs van vijf en veertig duizend gulden f 45.000,-- welke koopprijs ten volle is betaald, waarvoor de koper bij deze algehele kwijting wordt verleend."

2.5.

Bij koopakte van 5 januari 1977 hebben de vader en [B] ten overstaan van

mr. De Gelder verklaard dat de vader aan [B] heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen en [B] heeft gekocht en in eigendom heeft aanvaard:

"De gehele door comparant sub 1 tot heden voor eigen rekening onder de naam "[X]", gedreven onderneming met alle activa zoals machines, bedrijfsinventaris, voorraden en al hetgeen verder tot de onderneming behoort, aan partijen zonder nader specificatie genoegzaam bekend, zulks met uitzondering van het onroerend goed, hetwelk reeds bij akte heden voor mij, notaris, verleden, is overgedragen aan de comparant sub 2."

Voorts is in deze akte het volgende - voor zover van belang - bepaald:

"De comparanten verklaarden dat de overdracht van het bij deze akte overgedragene geschiedt voor de waarde waarop dit nader zal worden gewaardeerd volgens de per een januari negentienhonderd zevenenzeventig op te maken balans.

Zodra deze waarde zal zijn vastgesteld zal een regeling omtrent de betaling worden opgemaakt welke zoveel mogelijk zal luiden overeenkomstig de regeling welke is op gemaakt terzake van de koopsom van het onroerend goed."

2.6.

Bij akte van 5 januari 1977 hebben de vader en [B] ten overstaan van

mr. De Gelder verklaard dat [B] wegens ter leen ontvangen gelden wel en wettig schuldig is aan de vader een bedrag van f 45.000,00. In artikel 3 van de betreffende akte is het volgende bepaald:

"Het kapitaal of het onafgeloste gedeelte daarvan met de daarvan alsdan verschuldigde rente is opeis- en aflosbaar tenminste drie maanden na een daartoe van een van beide zijden gedane aanmaning of opzegging, waarvan de kosten ten laste van de schuldenaar zullen zijn. De opeising kan echter niet geschieden binnen tien jaar na heden."

2.7.

Op 24 oktober 1978 is ten hypotheekkantore te Leeuwarden de volgende borderel ingeschreven:

"Ten behoeve van de heer[D] (…) en ten laste van de heer [B] (…).

Krachtens een akte van schuldbekentenis met hypotheekstelling, verleden voor notaris mr. G.A. de Gelder (…) de 11e oktober 1978.

Tot zekerheid van de bij die akte wegens ter leen ontvangen geld schuldig erkende hoofdsom groot

f 83.688,48 drie en tachtig duizend zeshonderd acht en tachtig gulden acht en veertig cent;

zulks onder de navolgende bepalingen:

(…)

3. Het kapitaal of het onafgeloste gedeelte daarvan met daarvan alsdan verschuldigde rente is opeis- en aflosbaar tenminste drie maanden na een daartoe van een van beide zijden gedane aanmaning of opzegging, waarvan de kosten ten laste van de schuldenaar zullen zijn. De opeising kan echter niet geschieden binnen tien jaar na 5 januari 1977."

2.8.

Bij akte van 4 juni 1981 hebben de vader en de moeder ten overstaan van

mr. De Gelder verklaard te verkopen en in eigendom over te dragen aan[C], die verklaarde te kopen en in eigendom te aanvaarden:

"[kadastrale gegevens]."

Tevens is in deze akte het volgende - voor zover van belang - bepaald:

"Nota: Door verkopers wordt uitdrukkelijk voorbehouden het zakelijk recht van gebruik en bewoning van het verkochte tot het tijdstip waarop zij dit metterwoon verlaten of anders gedurende hun leven of dat van de langst levende hunner.

(…)

De comparanten verklaarden dat deze verkoop en koop is geschied:

A. voor een koopprijs overeenstemmend met een blijkens aan deze akte gehecht taxatierapport, door Makelaardij Friesland te Workum, uitgebrachte taxatie van twee en veertig duizend

gulden f 42.000,--

B. onder de volgende BEPALINGEN:

1. (…)

8. De koopsom blijft verschuldigd en wordt bij deze bij wijze van schuldvernieuwing omgezet in een vordering wegens geleend geld.

Vervolgens verklaarden de comparanten-verkopers aan hun zoon de comparant sub III kwijt te schelden hetgeen hij hen ingevolge het onder sub 8 bepaalde verschuldigd is geworden, welke kwijtschelding door de comparant sub III worden aangenomen."

2.9.

Op [datum] is de vader overleden.

2.10.

Bij zijn overlijden heeft de vader vijf erfgenamen achtergelaten, te weten de moeder en hun vier kinderen, die allen voor 1/5 deel gerechtigd zijn in de nalatenschap.

2.11.

Bij verklaring van erfrecht heeft mr. De Gelder het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Aangezien de overledene (de vader, aanvulling rechtbank) niet bij testament over zijn nalatenschap beschikte liet hij tot zijn erfgenamen achter zijn echtgenote en zijn vier kinderen, allen voornoemd, ieder voor het één/vijfde gedeelte van zijn nalatenschap.

Onder berusting van ondergetekende bevinden zich vier onderhandse boedelvolmachten, waarbij mevrouw [E] en de sub 2 tot en met 4 genoemde kinderen last en volmacht hebben gegeven aan de sub 1 genoemde heer [B] om hen te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de nalatenschap, speciaal om ter betaling van rekeningen en ter voorziening van mevrouw

[E] te beschikken over banktegoeden ten name van de overledene.

Gezien het vorenstaande is genoemde heer [B] alleen bevoegd ten behoeve van voormelde handelingen over ban- en andere tegoeden ten name van de overledene te beschikken."

2.12.

Bij notariële akte van 4 april 1991 is ten overstaan van mr. De Gelder overgegaan tot de scheiding en verdeling van de gemeenschap van goederen. In de betreffende akte is

- voor zover van belang - het volgende bepaald:

"Aangezien de overledene niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikte heeft hij zijn genoemde echtgenote en zijn genoemde vier kinderen tot zijn enige erfgenamen achtergelaten, ieder voor één/vijfde gedeelte van zijn nalatenschap.

De nalatenschap van de overledene bestond uit de onverdeelde helft van de gemeenschap van goederen, waarin hij gehuwd is geweest en welke goederengemeenschap op de dag van overlijden als volgt was samengesteld:

Aktiva:

(…)

7. vordering op de comparant sub 2 ([B], aanvulling rechtbank), wegens schuldig gebleven koopsom bedrijfsovername, vijfenzestig duizend achthonderd tachtig gulden en achtentachtig cent f 65.880,88

8. vordering op de lastgever sub c ([C], aanvulling rechtbank) van de comparant sub 2, vijfenveertig duizend gulden f. 45.000,--

(…)

Aan de kinderen van de overledene komt ieder toe het één/vijfde gedeelte van het saldo van

de nalatenschap of twintig duizend tweehonderd vierenzeventig gulden en zesendertig

cent f 20.274,36

te verminderen met de door hen verschuldigde successierechten ad

driehonderd negenzestig gulden f 369,-- negentienduizend negenhonderd vijf gulden en zesendertig cent f 19.905,36.

(…)

Thans overgaande tot de scheiding en deling:

verklaarden de comparanten, handelend als gemeld, toe te delen:

1. (…) van de sub 7 genoemde vordering een gedeelte groot vijfenveertig

duizend negenhonderd vijfenzeventig gulden en tweeënvijftig cent f 45.975,52

van de sub 8 genoemde vordering een gedeelte groot zeventwintig duizend

vierennegentig gulden en vierenzestig cent f 27.094,64

(…)

2. aan de comparant sub 2, van de sub 7 genoemde vordering een gedeelte

groot negentienduizend negenhonderd vijf gulden en zesendertig cent f 19.905,36

welk gedeelte door vermenging tenietgaat, waarna hij derhalve schuldig

blijft aan de comparante sub 1 (de moeder, aanvulling rechtbank),

vijfenveertig duizend negenhonderd vijfenzeventig gulden en

tweeënvijftig cent f 45.975,52

(…)

5. aan de lastgever sub c van de comparant sub 2 de onder aktiva sub 2

genoemde auto, tweeduizend gulden f 2.000,--

en van de sub 8 omschreven vordering een gedeelte groot zeventienduizend

negenhonderd vijf gulden en zesendertig cent f 17.905,36

negentienduizend negenhonderd vijf gulden en zesendertig cent f 19.905,36

welk gedeelte door vermenging tenietgaat, waarna hij derhalve schuldig blijft aan de comparante

sub 1 zeventwintig duizend vierennegentig gulden en vierenzestig cent f 27.094,64."

2.13.

Bij brief van 27 oktober 1993 heeft mr. De Gelder aan de moeder het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Uw zoon [B] wil het bedrag van f 4.500,-- liever aan u betalen, dan schuldig blijven. Ik heb dit in het concept aangepast. Ik zend u hierbij dit nieuwe concept met daarop de volmacht.

Gaarne verneem ik even als de drie jongste kinderen de volmacht hebben getekend."

2.14.

Bij notariële akte van 3 november 1993 heeft de moeder ten overstaan van

mr. De Gelder het volgende - voor zover van belang - verklaard:

"Ten eerste:

Ik herroep alle voor heden door mij gemaakte uiterste wilsbeschikkingen met uitzondering van eventueel door mij gemaakte codicillen.

Ten tweede:

Ik benoem mijn beide dochters [F] en [A] tot erfgenamen van dat gedeelte van mijn nalatenschap waarover ik te haren meeste voordele mag beschikken.

Ten derde:

Ik benoem tot mijn executeur-testamentair mijn dochter [F] en ken haar het recht toe om mijn nalatenschap in bezit te nemen gedurende de tijd voor de vereffening vereist. (…)

Deze uiterste wil heb ik, notaris, aan de comparante in tegenwoordigheid van de getuigen voorgelezen, waarna ik haar in hun tegenwoordigheid heb afgevraagd of het voorgelezene haar uiterste wil bevat, hetgeen zij bevestigend heeft beantwoord."

2.15.

Bij brief van 15 december 1993 heeft de moeder aan [B] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Bij de rectificatie van de scheiding d.d. 4 april 1991, gepasseerd bij notaris de Gelder te Koudum op 3 november (…) 1993 is door jou verklaard dat een bedrag à Hfl. 4500, aan mij terug betaald is.

Dit is tot op heden niet gebeurd.

Met ingang van 1 Jan 1994 wordt de uitstaande schuld opeisbaar met een opzegtermijn van

6 maanden.

Na deze termijn wordt de wettelijke rente berekend over de uitstaande schuld à 5,5%."

2.16.

De moeder is op[datum] overleden.

2.17.

Mr. A.J. Nicolai, notaris te Balk (hierna te noemen: mr. Nicolai), is verzocht inzake de nalatenschap van de moeder een verklaring van erfrecht op te stellen en de nalatenschap af te wikkelen.

2.18.

Omdat mr. Nicolai niet van alle erfgenamen een volmacht dan wel een schriftelijke opdracht tot dienstverlening ontving, heeft hij bij brief van 18 januari 2008 aan de erfgenamen aangegeven dat hij de behandeling van de nalatenschap van de moeder (voorlopig) zal staken.

2.19.

In of omstreeks september/oktober 2012 heeft [A] mr. R.E. Troost, notaris te Bolsward (hierna te noemen: mr. Troost) verzocht zorg te dragen voor de verdere afwikkeling van de nalatenschap van de moeder.

2.20.

Bij verklaring van 6 november 2012 heeft [F] ten kantore van

mr. Troost verklaard dat zij de nalatenschap van de moeder heeft verworpen en dat zij de executeursbenoeming niet aanvaardt.

2.21.

Bij verklaring van 6 november 2012 heeft [A] ten kantore van mr. Troost onder meer verklaard dat zij de nalatenschap van de moeder zuiver aanvaardt.

2.22.

Mr. Troost heeft [B] en[C] geschreven dat [A] hem heeft benaderd terzake de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder en dat hij daarover met hen een bespreking wil.

2.23.

Mr. Th.J. Houtsma, notaris te Workum (hierna te noemen: mr. Houtsma), heeft namens [B] en[C] aan mr. Troost bij brief van 30 november 2012 het volgende - voor zover van belang - medegedeeld:

"De afwikkeling van deze nalatenschap heeft plaatsgevonden via onze collega de heer A.J. Nicolai in 2007. De heren [B] en[C] lieten zich door mij vertegenwoordigen.

Het bevreemdt mijn cliënten dat na 5 jaar deze zaak opnieuw aan de orde wordt gesteld via een andere notaris.

Er is destijds duidelijk gesteld dat mijn cliënten geen schulden (meer) hadden aan hun overleden moeder. Uit de belastingaangiften van hun moeder zijn deze vermeende vorderingen nimmer opgenomen en is geen enkel verder bewijs geleverd dat er nog vorderingen bestonden.

Voor mijn cliënten is deze zaak definitief afgehandeld en gaan ervan uit dat zij verder niet meer lastig worden gevallen door uw cliënten."

2.24.

Bij brief van 3 december 2012 heeft mr. Troost [A] geïnformeerd over de brief van 30 november 2012 van mr. Houtsma en over een mogelijk vervolg in de afwikkeling van de nalatenschap.

2.25.

De advocaat van [A] heeft mr. Houtsma vervolgens bij brief van 14 februari 2013 verzocht inzage te verlenen in stukken waaruit de aflossing van de schulden door [B] en[C] blijkt en aangegeven dat indien de gevraagde stukken niet binnen 14 dagen worden verstrekt [A] [B] en[C] zal dagvaarden om hen te doen veroordelen tot betaling van de schulden en om tot een verdeling van de nalatenschap te komen.

2.26.

Daarna hebben de advocaat van [A] en mr. Houtsma met elkaar gecorrespondeerd hetgeen niet heeft geleid tot inzage in de gevraagde stukken.

3 De vorderingen

3.1.

[A] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [B] veroordeelt om aan haar in haar hoedanigheid van enig erfgenaam van wijlen [E] een bedrag te betalen van € 20.862,78, alsmede een bedrag van € 2.042,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

2.[C] veroordeelt om aan haar in haar hoedanigheid van enig erfgenaam van wijlen [E] een bedrag te betalen van € 12.295,01, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

3. [B] en[C] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[B] en[C] hebben verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

[B] en[C] hebben als meest verstrekkende verweer een beroep op verjaring als bedoeld in artikel 3:307 BW gedaan. Volgens [B] en[C] is de vordering tot nakoming voor zover deze ziet op de nalatenschap van de vader verjaard. Op het moment dat de vader in 1989 overleed, bestonden er over en weer vorderingen, waarmee niets is gebeurd. De moeder heeft daarover niets opgenomen in de aangiften inkomstenbelasting, aldus [B] en[C].

4.2.

[A] heeft betwist dat de vorderingen verjaard zijn. [A] heeft daartoe

- samengevat - aangevoerd dat er verschillende geldleningen waren, dat deze geldleningen een onbepaalde looptijd hebben en dat daarop niet is afgelost. Daar komt, aldus [A], bij dat mr. Nicolai heeft getracht tot een afwikkeling van de nalatenschap van de moeder te komen en dat zijn handelingen de verjaring hebben gestuit.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst dient beoordeeld te worden of in het onderhavige geval de verjaringstermijn van het oud BW of het nieuw BW van toepassing is. Op grond van artikel 73 Overgangswet zijn de bepalingen in het nieuwe BW omtrent de aanvang, omvang en aard van de verjaringstermijn pas van toepassing per 1 januari 1993, indien de verjaringstermijn reeds is aangevangen vóór 1 januari 1992 en de wet een verjarings- of vervaltermijn op een jaar of langer stelt. Er is derhalve een uitgestelde werking voor wat betreft de verjaringstermijn tot 1 januari 1993. Tot die datum blijft het oude recht van toepassing.

4.4.

Ten aanzien van het verjaringsverweer terzake de vordering van [A] op [B] ten bedrage van € 20.862,78 overweegt de rechtbank het volgende. De vordering heeft blijkens de akte van 4 april 1991 betrekking op de bedrijfsovername die in 1977 heeft plaatsgevonden. In de koopakte van 5 januari 1977 ter zake van de overname van de onderneming is opgenomen dat de waarde van het bij die akte overgedragene nader zal worden bepaald en dat, zodra de waarde is vastgesteld, een regeling omtrent de betaling zal worden opgemaakt, die zoveel mogelijk zal luiden overeenkomstig de regeling die is opgemaakt terzake van de koopsom van het onroerend goed. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank gedoeld op het bij koopakte van eveneens 5 januari 1977 overgedragen winkelpand. Ingevolge laatstgenoemde akte is de koopprijs van het winkelpand "ten volle betaald, waarvoor de koper bij deze algehele kwijting wordt verleend". Gelet op de hiervoor onder 2.6 en 2.7 genoemde schuldbekentenissen van 5 januari 1977 en 11 oktober 1978 gaat de rechtbank er echter van uit dat geen kwijtschelding van de door [B] aan de vader verschuldigde koopprijs terzake van de overname van de onderneming heeft plaatsgevonden, althans dat aan [B] ter voldoening van die koopprijs leningen zijn verstrekt en dat van die schuld op 4 april 1991 nog resteerde een bedrag van f 65.880,88. Na de scheiding en deling met betrekking tot de nalatenschap van de vader resteert nog een bedrag van f 45.975,52 (€ 20.862,77). Omdat in laatstgenoemde akte van geldlening en schuldbekentenis opeising binnen tien jaar is uitgesloten, heeft de verjaringstermijn een aanvang genomen op 5 januari 1987. Deze termijn is vervolgens gestuit door de akte van

4 april 1991, zodat de verjaringstermijn op 4 april 1991 opnieuw is aangevangen. Met inachtneming van het hiervoor genoemde overgangsrecht is het nieuw BW van toepassing in dezen, in het bijzonder artikel 3:307 BW. In artikel 3:307, lid 1 BW is bepaald dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. In artikel 3:307, lid 2 BW is bepaald dat in geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd de in lid 1 bedoelde termijn pas loopt van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was. Nu het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 3:307, lid 2 BW geldt een verjaringstermijn van twintig jaren. Omdat tussen de akte van 4 april 1991 en het moment van dagvaarden - als het moment waarop [A] voor het eerst heeft medegedeeld tot opeising van de vordering op [B] ten bedrage van € 20.862,78 te zullen overgaan - meer dan twintig jaren zijn verstreken, en niet gebleken is dat de verjaringstermijn van deze vordering op enig moment is gestuit, is de rechtbank van oordeel dat deze vordering van [A] op [B] is verjaard. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat mr. Nicolai weliswaar in 2007 heeft getracht tot een afwikkeling van de nalatenschap van de moeder te komen - hetgeen blijkens zijn brief van 18 januari 2008 niet is gelukt -, maar dat zijn handelingen in dit kader te algemeen zijn geweest om deze als een concrete stuitingshandeling aan te merken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank deze vordering afwijzen.

4.5.

Ten aanzien van het verjaringsverweer terzake de vordering van [A] op [B] ten bedrage van € 2.042,00 overweegt de rechtbank het volgende. Met betrekking tot deze vordering heeft de moeder [B] bij brief van 15 december 1993 geschreven dat de uitstaande schuld van f 4.500,00 (€ 2.042,01) niet is terugbetaald en dat deze schuld met ingang van 1 januari 1994 opeisbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank geldt in dezen de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:307, lid 1 BW en heeft de verjaringstermijn op

15 december 1993, zijnde het moment waarop de moeder tot opeising is overgegaan, een aanvang genomen. Gesteld noch gebleken is dat [B] na deze brief is aangemaand om tot betaling van het verschuldigde bedrag over te gaan. Met inachtneming van het voorgaande is deze vordering van [A] op [B] eveneens verjaard. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

4.6.

Ten aanzien van het verjaringsverweer terzake de vordering van [A] op[C] stelt de rechtbank voorop dat deze vordering een verbintenis tot nakoming als bedoeld in artikel 3:307, lid 2 BW is, zodat een verjaringstermijn van twintig jaren geldt. In de op

4 juni 1981 verleden akte is vastgelegd dat de vader en de moeder aan[C] hebben overgedragen het woonhuis aan de Nieuwstad 7 te Hindeloopen, dat de koop en verkoop is geschied tegen een bedrag van f 42.000,00 en dat de vader en de moeder[C] de koopsom hebben kwijtgescholden.[C] was terzake van het woonhuis dan ook geen betaling meer verschuldigd. In de akte van 4 april 1991 is opgenomen dat in het kader van de scheiding en deling van de gemeenschap van goederen van de vader op[C] een vordering ten bedrage van f 45.000,00 bestaat en dat hij na de scheiding en deling nog een bedrag van f 27.094,64 (€ 12.295,01) verschuldigd is. De rechtbank constateert dat de genoemde bedragen niet overeenkomen, zodat niet vaststaat of de vordering betrekking heeft op de koopsom voor de woning (waarvoor kwijtschelding is verleend) of op een schuld van[C] uit anderen hoofde. Uit de akte van 4 april 1991 blijkt dit in ieder geval niet. Tussen de akte van

4 april 1991 - een moment waarop de vordering in ieder geval bestond - en het moment van dagvaarden - als het moment waarop [A] voor het eerst heeft medegedeeld tot opeising van de vordering op[C] te zullen overgaan - meer dan twintig jaren verstreken. De rechtbank is niet gebleken dat de verjaringstermijn van deze vordering op enig moment is gestuit. Ook in dit verband geldt dat mr. Nicolai weliswaar in 2007 heeft getracht tot een afwikkeling van de nalatenschap van de moeder te komen - hetgeen blijkens zijn brief van 18 januari 2008 niet is gelukt -, maar dat zijn handelingen in dit kader te algemeen zijn geweest om deze als een concrete stuitingshandeling aan te merken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering van [A] op[C] is verjaard. De rechtbank zal deze vordering afwijzen.

4.7.

Hetgeen partijen voorts te berde hebben gebracht kan, gelet op het voorgaande, onbesproken blijven.

4.8.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] en[C] worden vastgesteld op een bedrag van:

- griffierecht [B] € 37,50

- griffierecht[C] € 421,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.616,50.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [A] op [B] af;

5.2.

wijst de vordering van [A] op[C] af;

5.3.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] en[C] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 1.616,50;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken door mr.

J.C.G. Leijten op 24 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.1

1 type:coll: 613.