Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4601

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
18/830203-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak seksueel misbruik stiefdochter en dochter. Aangifte stiefdochter en getuigenverklaring dochter betrouwbaar, maar onvoldoende steunbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/830203-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

22 september 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in de P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven, Oude Asserstraat 20 te Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

15 september 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Kooistra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van

8 oktober 2003 tot en met 7 oktober 2009 te Ter Apel, (althans) in de gemeente

Vlagtwedde en/of te Veendam en/of te Wildervank, (beide) in de gemeente

Veendam, in elk geval in Nederland,

meermalen, met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2]), die toen de leeftijd

van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft

gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1],

hebbende verdachte

- zijn (stijve) penis aan die [slachtoffer 1] getoond en/of

- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [slachtoffer 1] en/of

- zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of

- zijn (stijve) penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- zijn (stijve) penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of

- een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;

2.

hij (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van

27 maart 1995 tot en met 26 maart 1998 te Nieuw-Buinen, (althans) in de

gemeente Borger-Odoorn en/of te Ter Apel, (althans) in de gemeente Vlagtwedde,

in elk geval in Nederland,

meermalen, met [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 3]), die toen de leeftijd van

twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd,

die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer 2],

hebbende verdachte

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] gestopt/geduwd, althans die

[slachtoffer 2] getongzoend en/of

- zijn (stijve) penis aan die [slachtoffer 2] getoond en/of

- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [slachtoffer 2] en/of

- zich door die [slachtoffer 2] laten aftrekken en/of

- zijn (stijve) penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn (stijve) penis in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- ( over) de clitoris van die [slachtoffer 2] gewreven/aangeraakt en/of

- een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht

en/of

- met zijn tong aan de vagina van die [slachtoffer 2] gelikt;

3.

hij (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van

27 maart 1998 tot en met 26 maart 2002 te Ter Apel, (althans) in de gemeente

Vlagtwedde en/of te Veendam en/of te Wildervank, (beide) in de gemeente

Veendam, in elk geval in Nederland,

meermalen, met [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 3]), die de leeftijd van

twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een

of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2],

hebbende verdachte

- zijn (stijve) penis aan die [slachtoffer 2] getoond en/of

- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [slachtoffer 2] en/of

- zich door die [slachtoffer 2] laten aftrekken en/of

- zijn (stijve) penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn (stijve) penis in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

- geëjaculeerd en/of geplast in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer 2]

en/of

- een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht

en/of

- die [slachtoffer 2] (in opdracht van verdachte) een bierflesje in haar

vagina laten duwen/brengen en/of

- met zijn tong aan de vagina van die [slachtoffer 2] gelikt.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 t/m 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er is een aangifte van [slachtoffer 2], de stiefdochter van verdachte, en een verklaring van [slachtoffer 1], de dochter van verdachte. Deze verklaringen ondersteunen elkaar over en weer en kunnen gelden als bewijs voor het misbruik. Er is geen ander motief of belang te bedenken voor het feit dat zij aldus hebben verklaard, dan dat zij de waarheid vertellen. De aangifte en de getuigenverklaring komen ook op veel punten overeen. Niet gebleken is dat zij elkaar hebben beïnvloed in hun verhaal. Verdachte had ook de gelegenheid om het misbruik te plegen. Het gedrag van [slachtoffer 1] is achteraf te verklaren nu het past bij het misbruikt zijn.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit van al het ten laste gelegde bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De aangifte en de getuigenverklaring lijken erg veel op elkaar en gebleken is dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met elkaar over het misbruik hebben gesproken. [slachtoffer 1] bevestigt ook niet dat [slachtoffer 2] misbruikt is door verdachte. Opvallend is verder dat uit een brief van Bureau Jeugdzorg blijkt dat [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij niet is misbruikt. Het zou goed kunnen dat [slachtoffer 1] uit loyaliteit met haar zus zo heeft verklaard als zij heeft gedaan. Ook overigens bevindt zich in het dossier geen enkele verklaring die steunbewijs op kan leveren voor hetgeen ten laste is gelegd.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank stelt het volgende voorop. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Het voorschrift van artikel 342 tweede lid, Sv leidt ertoe dat - in een geval als het onderhavige, waarin de verklaringen van aangeefster en verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan - de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster dient te beoordelen en daarnaast dient te bepalen of voor de beweringen van aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De juistheid van de kern van de tenlastelegging moet – met andere woorden - niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaring van aangeefster volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig dient te zijn uit een andere bron.

Toepassing van bovenstaande op het ten laste gelegde leidt tot het volgende oordeel.

Bij zedenzaken gaat het in de meeste gevallen om een aangifte, waar de (ontkennende) verklaring van de verdachte tegenover staat. Kenmerkend voor dit soort zaken is dat er geen directe getuigen zijn en vaak ook geen ander, bijvoorbeeld forensisch, bewijs. Dat geldt ook voor deze zaak.

De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding heeft om aan de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer 2] te twijfelen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in dit geval een ander motief voor het doen van aangifte van seksueel misbruik dan het vertellen van wat haar is overkomen niet voor de hand ligt, met name gelet op het moment waarop zij voor het eerst over het misbruik heeft verklaard, vervolgens aangifte heeft gedaan en de omstandigheden waaronder zij daartoe is gekomen.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de aangifte van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal dat afkomstig is uit een andere bron, gelet op hetgeen hiervoor ter zake is overwogen. Er is een verklaring van [slachtoffer 1], de dochter van verdachte, die stelt ook te zijn misbruikt door verdachte. Zij kan echter niets uit eigen waarneming verklaren over het misbruik dat door verdachte zou zijn gepleegd met haar halfzus, aangeefster. Zij verklaart enkel over wat haar zelf zou zijn overkomen. Deze verklaring kan dan ook niet dienen als het vereiste steunbewijs. In het dossier bevinden zich voorts nog verschillende andere verklaringen van personen die zijn gehoord in het onderzoek. Ook voor deze verklaringen geldt dat zij geen steun kunnen bieden aan de aangifte en dus niet aan het ten laste gelegde. Sommige getuigen hebben op enig moment van aangeefster zelf gehoord dat zij is misbruikt en kunnen om die reden niet tot steunbewijs dienen, omdat deze informatie niet uit andere, maar juist uit dezelfde bron afkomstig is. Anderen schetsen een beeld van de persoon van verdachte en zijn gezin en beschrijven hoe zij de gezinssituatie hebben ervaren. Deze verklaringen kunnen niet tot steunbewijs dienen omdat zij over het vermeend misbruik zelf niets zeggen. Waar de verklaring van aangeefster op onderdelen wordt ondersteund door ander bewijs, te weten het met verdachte (moeten) douchen en het na onbeschermde seks met verdachte halen van een morning-after pil, ziet dit niet op de kern van het ten laste gelegde misbruik, zodat ook daaruit geen steunbewijs valt af te leiden. Ten aanzien van het halen van de morning-afterpil geldt bovendien dat een ander – door verdachte geschetst scenario – op grond van de stukken in het dossier mogelijk is. Tot slot biedt ook de verklaring van verdachte zelf, die zowel bij de politie als ter terechtzitting stellig heeft ontkend dat er sprake is geweest van seksueel misbruik, onvoldoende aanknopingspunten om steun te kunnen bieden aan de verklaring van aangeefster. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat zij niet tot een bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde kan komen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] te twijfelen en heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden voor een ander motief voor het afleggen van een verklaring, zoals door en namens verdachte is gesteld. Het enkele feit dat [slachtoffer 1] op enig moment bij Bureau Jeugdzorg zou hebben verklaard dat de beschuldigingen die zij ten aanzien van haar vader heeft geuit niet klopten, maakt dat niet anders, nu uit een later afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat zij uit angst voor verdachte en door de voortdurende druk van haar moeder en verdachte om haar verklaring bij de politie in te trekken, hierover tegenover Bureau Jeugdzorg anders is gaan verklaren. In die latere verklaring heeft zij de door haar ten overstaan van de politie afgelegde getuigenverklaring vervolgens in de kern (weer) bevestigd.

De rechtbank heeft in het dossier naast de getuigenverklaring van [slachtoffer 1] echter geen bewijsmateriaal aangetroffen dat tot steunbewijs van de kern van het ten laste gelegde seksuele misbruik kan dienen. [slachtoffer 2], halfzus van [slachtoffer 1], verklaart weliswaar over misbruik van [slachtoffer 1] door verdachte, maar kan daarover niets uit eigen waarneming verklaren. Ook in de verklaringen van verdachte vindt de rechtbank een dergelijk steunbewijs niet.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat zij evenmin tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde kan komen.

De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van al het aan hem ten laste gelegde.

Vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 2 en 3 ten laste gelegde)

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde alsmede de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, nu zij voor vrijspraak heeft gepleit, betoogd dat de benadeelde niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, althans dat de vordering moet worden afgewezen.

Beoordeling

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 t/m 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en

mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2014.

Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.