Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4547

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
18.920099-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2015-03-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.920099-14; 18.930250-13 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 05 september 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 22 augustus 2014.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. P.C. van Diest, advocaat te Zuidlaren.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. hij op of omstreeks 21 mei 2014 op de weg N378 te/nabij [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Aa en Hunze, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 1], hoofdagent van politie, en/of [slachtoffer 2], brigadier van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar

bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een (personen)auto met die (personen)auto met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid op een (politie)auto waarin voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, is toegereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 21 mei 2014 op de weg N378 te/nabij [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Aa en Hunze, [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie) en/of [slachtoffer 2] (brigadier van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk als bestuurder van een (personen)auto met die (personen)auto met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid op een (politie)auto waarin voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, toegereden;

2. hij op of omstreeks 21 mei 2014 te [pleegplaats 2], (althans) gemeente Pekela, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk Honda Civic), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

3. hij op of omstreeks 01 mei 2014 te [pleegplaats 3], (althans) in de gemeente Midden-Drenthe, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Gilera Eco Citta), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Kromdijk acht hetgeen onder 1 subsidiair, 2 en 3 is tenlaste-gelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

12 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering die heeft geadviseerd;

 toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling;

 toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

Feit 1

De verdachte dient van het onder 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit met de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen acht. De rechtbank acht met name niet bewezen dat verdachte het voornemen had om aan de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het handelen van verdachte was er naar het oordeel op gericht aan de achtervolging door de politie te blijven ontkomen.

Feit 3

De verdachte dient eveneens van het onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Uit het dossier blijkt dat [verbalisant] verdachte herkent van een foto die zij in een email heeft ontvangen. Het emailbericht met de daarin opgenomen foto is niet bij het dossier gevoegd zodat niet duidelijk is of verbalisant verdachte herkent van een van de screenprints van de beelden van de beveiligingscamera of dat het de foto is die is gebruikt bij de briefing van Politie Noord Drenthe en weergegeven op pagina 138 van het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de screenprints niet onomstotelijk dat het verdachte is geweest die de bromfiets op 1 mei 2014 heeft gestolen.

Bewijsmotivering

Feit 1

Op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

Uit die bewijsmiddelen volgt dat verdachte met hoge snelheid op de rotonde nabij [pleegplaats 1] afreed. Op die rotonde stonden verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun voertuig te wachten op de naderende verdachte.

Verdachte heeft in de nabijheid van de rotonde naar links gestuurd (kennelijk) om het voor hem rijdend verkeer te ontwijken en om aan de achtervolging door de politie te blijven ontkomen. Als gevolg van die stuurbeweging reed verdachte nog steeds met hoge snelheid op verbalisanten af. Gelet op deze omstandigheden konden verbalisanten zich bedreigd voelen met enig misdrijf tegen hun leven gericht. Verbalisanten geven immers aan in hun proces-verbaal van bevindingen dat zij vreesden voor hun leven.

Dat verdachte allerlei handelingen heeft verricht om de politieauto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te kunnen ontwijken doet aan de bewezen geachte bedreiging niet af.

De rechtbank gaat van de volgende bewijsmiddelen uit.

- een proces-verbaal van bevindingen 1 d.d. 26 mei 2014, inhoudende -zakelijk weergegeven- de waarnemingen en bevindingen van verbalisanten [slachtoffer 1], hoofdagent van politie en [slachtoffer 2], brigadier van politie.

Op 21 mei 2014 hebben heb ik met collega [slachtoffer 2] ons dienstvoertuig tot stilstand gebracht op de rotonde ter hoogte van [pleegplaats 1] en ter hoogte van de oprit naar de N378.

Hierdoor hadden wij zicht op het voor ons tegemoetkomende verkeer zodat wij de achtervolging konden inzetten wanneer het voertuig ons zou passeren. Daarnaast was het voertuig voorzien van optische signalen.

Wij zagen dat het voertuig met hoge snelheid reed. Ik, verbalisant [slachtoffer 1] schatte de snelheid van het voert op ruim 140 km/uur. Wij zagen dat het voertuig op de linker rijbaan ging rijden en recht op ons af kwam rijden. Wij hoorden of zagen niets waaruit kon blijken dat het voertuig vaart minderde.

Wij zagen dat het voertuig in een slip raakte. Ik verbalisant [slachtoffer 2] zag de auto op mij afkomen. Ik schatte de afstand van de auto tot ons voertuig op dat moment op ongeveer twintig meter. Ik riep door de portofoon dat er een aanrijding ging plaatsvinden. Ik maakte me gereed voor de klap die komen zou.

Ik verbalisant [slachtoffer 1] zag dat het voertuig voor ons dienstvoertuig langs schoot en op de rotonde tot stilstand kwam.

Wij verbalisanten hoorden dat de verdachte bleek te zijn: [verdachte].

- een tweetal processen-verbaal van verhoor verdachte 2 d.d. 21 mei 2014 respectievelijk 22 mei 2014, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik had de auto gestolen en ik zag een politieauto keren. Toen bij een rotonde stond een politieauto schuin op de weg en aan de andere kant stond verkeer. Je kon er niet langs.

Feit 2

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen te weten:

- een proces-verbaal van aangifte 3 d.d. 21 mei 2014, inhoudende de verklaring van [persoon], namens[slachtoffer 3] te [pleegplaats 2].

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de openbare terechtzitting van 22 augustus 2014.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 21 mei 2014 op de weg N378 nabij [pleegplaats 1], [slachtoffer 1], hoofdagent van politie, en [slachtoffer 2], brigadier van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk als bestuurder van een personenauto met die personenauto met hoge snelheid op een politieauto waarin voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, toegereden;

2. hij op 21 mei 2014 te [pleegplaats 2], (althans) gemeente Pekela, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Honda, toebehorende aan[slachtoffer 3], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte twee verbalisanten heeft bedreigd op een wijze zoals hiervoor in de bewijsmiddelen is opgenomen en dat verdachte een auto heeft gestolen.

Verdachte had een auto gestolen in [plaats] en toen hij vernam dat de politie achter hem aan kwam is verdachte op de vlucht geslagen. Hij probeerde met hoge snelheid en inhaalmanoeuvres aan de politie te ontkomen. Toen verdachte de rotonde naderde waar verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met hun voertuig stonden is verdachte op de linker rijbaan gaan rijden om het voor hem rijdende verkeer te ontwijken.

Uit de verklaringen van de verbalisanten komt naar voren dat zij voor hun leven gevreesd hebben door de handelwijze van verdachte. Zij zagen een auto die in de slip was geraakt recht op hen afkomen en leefden in de veronderstelling dat verdachte hen met zijn auto vol zou raken. Hetgeen gelukkigerwijze niet is gebeurd.

Door zijn handelwijze heeft verdachte voornoemde verbalisanten op een forse wijze bedreigd door met hoge snelheid op hen af te rijden. Hij heeft daardoor een voor hen levensbedreigende situatie doen ontstaan. Ook heeft verdachte door zijn rijgedrag het overige verkeer in gevaar gebracht. De rechtbank zal met dat laatste ook in de strafoplegging rekening houden nu verdachte dat feit heeft bekend en hiermee als afgedaan wordt beschouwd.

Aangaande de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het over verdachte uitgebrachte reclasserings-advies d.d. 1 juli 2014. De reclassering heeft een aantal bijzondere voorwaarden gesteld waaraan verdachte -zoals hij op de terechtzitting heeft aangegeven- wil meewerken. Met name dat hij gemotiveerd is om zich klinisch te laten behandelen ook als die behandeling langdurig zal zijn.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het omvangrijke strafblad van verdachte d.d. 28 juli 2014.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd.

Benadeelde partijen

1 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De gevorderde bedragen acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vorderingen zijn dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

3 [slachtoffer 4]

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht tot na te noemen bedragen aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd die bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 141a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.930250-13

De rechtbank acht de vordering van de officier van justitie toewijsbaar nu de verdachte, eerder veroordeeld tot een deels voorwaardelijke straf bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 03 september 2013, zich tijdens de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De rechtbank zal gelasten dat de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuit-voergelegd.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 3 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlaste-gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

 een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan een gedeelte groot zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank beveelt, dat deze voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, onder het stellen van na te melden voorwaarden.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

zich binnen 5 dagen volgend op zijn invrijheidstelling meldt bij de VNN, afdeling reclassering te 9401 LA Assen, Overcingellaan 19. Hierna moet hij zich gedurende bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering dat noodzakelijk acht;

zal meewerken aan een opname in de FPK te Assen of soortgelijke intramurale instelling voor de duur van maximaal 24 maanden, om zich te laten behandelen met betrekking tot zijn persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van de som van € 250,00, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 250,00, zijnde immateriële schade, te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van de som van € 250,00, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], een bedrag van € 250,00, zijnde immateriële schade, te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.930250-13

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 03 september 2013 door de meervoudige strafkamer in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, gewezen voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mr. M.A.A. van Capelle en mr. M. van der Veen, rechters in tegenwoordigheid van D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 05 september 2014, zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 pag. 68 ev van het dossier PL01KN-2014054994 (het dossier)

2 pag. 43 en 48 van het dossier

3 pag. 26 van het dossier