Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4493

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
LEE AWB 12/1580
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:4338, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft aftrek elders belast en premieplicht ogv art E101-verklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1859
V-N 2014/57.2.3
Belastingadvies 2014/24.4
FutD 2014-2160
FutD 2014-2161
NTFR 2015/2085 met annotatie van dr.mr. M. van Dun
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: 12/1580

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 juni 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst Noord, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder]).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2008 met dagtekening 21 oktober 2011 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.757.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 3.585 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2013. Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde verweerder]. Het onderzoek ter zitting is geschorst in verband met de aan verweerder verstrekt opdracht van de rechtbank om een derdenonderzoek in te stellen bij de werkgever van eiser.

Na ontvangst van het verslag van dit derdenonderzoek en het verstrekken van nadere stukken door beide partijen, is de mondelinge behandeling voorgezet op 16 januari 2014. Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen, bijgestaan door [bijstand].

Overwegingen

Feiten

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser, geboren op [geboortedag] 1954, woont te [woonplaats] en is in het jaar 2008 in dienstbetrekking bij [X] B.V. ([X]). Deze B.V. is onderdeel van het [X] concern, dat zich bezig houdt met gespecialiseerde olieboringen ten behoeve van grote oliemaatschappijen.

1.2

In 2008 heeft eiser 175 dagen voor [Y] GmbH, de Duitse vestiging van het concern, gewerkt. Eiser ontving voor deze werkzaamheden, naast zijn gewone salaris, een offshore allowance van € 317 per gewerkte dag.

1.3

[X] heeft voor de werkzaamheden van eiser een bedrag van $ 1.200 per gewerkte dag aan [Y] GmbH gefactureerd.

1.4

Volgens de jaaropgave van [X] heeft eiser in 2008 een loon genoten van in totaal € 97.559 waarop een bedrag van € 40.374 aan loonheffingen is ingehouden.

1.5

Eiser is sinds 2001 gedeeltelijk arbeidsongeschikt.

1.6

Eiser geniet in 2008 naast zijn looninkomsten van [X] een WAO-uitkering van het UWV. Deze uitkering wordt door het UWV maandelijks overgemaakt op een rekening van [X] en vervolgens door [X] doorbetaald aan eiser. De WAO-uitkering over 2008 bedraagt € 12.613. De doorbetaling van de WAO-uitkering is in de jaaropgave over het jaar 2008 (1.4) begrepen.

1.7

In verband met de arbeidsongeschiktheid van eiser zijn door [verzekeringsmaatschappij] in 2008 uitkeringen van in totaal € 11.867 betaald aan [X]. Eiser is de gerechtigde van deze [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen. Het bedrag van € 11.867 is door [X] niet doorbetaald aan eiser.

1.8

Eiser beschikte in 2008 over een zogenaamde E101-verklaring van de Sociale Verzekeringsbank. [X] heeft in 2008 op eisers salaris premies volksverzekeringen ingehouden en afgedragen. Door of namens eiser zijn in 2008 in Duitsland geen premies volksverzekeringen betaald of afgedragen.

1.9

Eiser heeft aangifte IB/PVV 2008 gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.757. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:

Looninkomsten [X] € 97.559

Inkomsten uit eigen woning € 802 -/-

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 96.757

Eiser heeft in zijn aangifte vermindering ter voorkoming van dubbele belasting (aftrek elders belast) gevraagd voor het volledige loon ten bedrage van € 97.559. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning overeenkomstig de aangifte vastgesteld, maar geen aftrek elders belast verleend.

1.10

Eiser heeft bij brief met dagtekening 1 november 2011, door verweerder ontvangen op 28 oktober 2011, een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2008. Hij verzoekt in dit bezwaarschrift de aanslag te verminderen tot nihil in verband met het recht op aftrek elders belast voor de bij 1.2 bedoelde werkzaamheden. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

1.11

In opdracht van de rechtbank heeft verweerder na de mondelinge behandeling op 11 juli 2013 een derdenonderzoek ingesteld bij [X]. Doel van dit onderzoek was om meer duidelijkheid te krijgen over de financiële gang van zaken rond de WAO-uitkering en de [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen. De controlerend ambtenaar heeft zijn bevindingen vastgelegd in het verslag van 8 augustus 2013. In dit verslag staat de volgende specificatie van eisers jaarloon vermeld:

Soort Vergoeding

Bedrag

Reguliere maandelijkse loon

16.596,16

+

Salaris ziekte

2.190,66

+

Bijdrage ziektekostenverzekering

1.664,40

+

Auto vergoeding

3.900,--

+

Offshore allowance (daily charge) gewerkte dagen

54.365,50

+

Offshore allowance tijdens ziekte dagen

1.244,14

+

Bruto kilometer vergoeding

2.032,28

+

Niet verhaalde corr. WW premie

3,39

+

Vakantiegeld

2.512,85

+

WAO uitkering (UWV)

13.362,03

+

Pensioen premie *)

1.497,18

-/-

WW premie *)

1.063,35

-/-

Vergoeding ZVW

2.248,66

+

__________

Totaal = Loon Loonheffing = Loon jaaropgave

97.559,44

”.

1.12

De WAO-uitkering in de bij 1.11 vermelde specificatie verschilt van het bedrag van de bij 1.6 vermelde WAO-uitkering, omdat [X] de van het UWV ontvangen bedragen abusievelijk inclusief vergoeding van sociale verzekeringspremies en premies Zorgverzekeringswet heeft uitbetaald.

1.13

In het bij 1.11 vermelde controleverslag wordt door de controlerend ambtenaar onder andere het volgende vermeld:

Van dagen besteed aan vergaderingen, cursussen, thuiswerken etc. is op basis van de ingediende, goedgekeurde en verwerkte formulieren en bij inhoudingsplichtige ingewonnen informatie niets gebleken. Aan de hand van de door [eiser] ingediende declaratieformulieren zijn geen reizen naar bijvoorbeeld het kantoor in [vestigingsplaats] of andere locaties binnen Nederland aangetroffen. ”.

1.14

Tijdens het bij 1.11 bedoelde vermelde derdenonderzoek was [Z] namens [X] de contactpersoon voor de controlerend ambtenaar. Blijkens het controleverslag heeft zij ten aanzien van de bij 1.7 vermelde [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen het volgende verklaard:

“Volgens [Z] zou [eiser] normaliter, vanwege het afgekeurd zijn, geen recht (meer) hebben op de offshore allowance en de zogenaamde regeling “garantiedagen”. De gemaakte afspraak houdt volgens [Z] in dat hij recht blijft houden op de offshore allowance en de “garantiedagen” maar dat ter compensatie de [verzekeringsmaatschappij] uitkeringen conform in het resultaat van [X] BV vloeien en dus in tegenstelling tot de WAO uitkering niet aan hem worden doorbetaald.

Gevolg, [eiser] mag de offshore allowance voor iedere gewerkte dag claimen. De locatie waar de arbeid verricht wordt (i.c. Nederland of Duitsland) speelt geen rol.”.

1.15

[A] van de Sociale Verzekeringsbank heeft verweerder bij mail van 20 augustus 2013 onder andere het volgende meegedeeld:

“Uit ons systeem blijkt dat de Sociale Verzekeringsbank voor [eiser] verklaringen van toepasselijke wetgeving (E 101 verklaringen) heeft afgegeven t/m 31-12-2013. Betrokkene blijft met deze verklaringen sociaal verzekerd in Nederland wanneer hij in het buitenland werkt.

Deze verklaringen werden aangevraagd door zijn werkgever [X] B.V. die bij het indienen van de aanvragen o.a. heeft verklaard dat [eiser] 1 dag per maand in Nederland blijft werken.

Hierdoor zijn deze verklaringen afgegeven voor de situatie ‘wisselend werken’ aangezien er naast het buitenland ook nog deels in het woonland gewerkt wordt.”.

Geschil en beoordeling

2.

In geschil is het antwoord op de vraag tot welk bedrag eiser recht heeft op vermindering wegens dubbele belastingen in verband met de voor [Y] GmbH verrichte werkzaamheden. Daarnaast is in geschil of eiser in Nederland verzekerd, en dus premieplichtig, is voor de volksverzekeringen.

3.

Eiser heeft ter zitting zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ingetrokken.

Aftrek elders belast

4.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voor zijn gehele looninkomen van

€ 97.559 recht heeft op aftrek elders belast, omdat hij in 2008 alleen in Duitsland heeft gewerkt. Volgens eiser komt de heffingsbevoegdheid over de WAO-uitkering en de [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen toe aan Duitsland en dient Nederland daarom ook voor deze inkomensbestanddelen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen.

5.

Verweerder heeft in de beroepsfase alsnog het standpunt ingenomen dat eiser op grond van het vertrouwensbeginsel in 2008 recht heeft op aftrek elders belast. In de visie van verweerder dient de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te worden berekend volgens de breuk 175/187 x € 73.079. De dagen in de noemer heeft verweerder bepaald door het totaal aantal in Duitsland gewerkte dagen te vermeerderen met de 12 dagen die eiser volgens de E101-aanvraag in Nederland zou hebben gewerkt (zie 1.15). Het loon waarover volgens verweerder de aftrek elders belast moet worden berekend bestaat uit het jaarloon van [X] ad € 97.559 minus de WAO-uitkering ten bedrage van € 12.613 (zie 1.6) en de [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen ten bedrage van € 11.867 (zie 1.7).

6.

De rechtbank stelt eerst vast dat in beroep tussen partijen niet meer in geschil is dat eiser ter zake van de bij 1.2 bedoelde werkzaamheden recht heeft op aftrek elders belast. Wel verschillen partijen nog van mening over het antwoord op de vraag over welk inkomen deze aftrek dient te worden berekend en welke breuk daarbij dient te worden gehanteerd.

6.1

Eiser heeft gesteld dat de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting mede betrekking dient te hebben op het bedrag van de WAO-uitkering. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze WAO-uitkering als volgt. Op grond van artikel 12, tweede en derde lid, van de in 1959 gesloten Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belasting van het inkomen en van het vermogen (het verdrag) is de heffing over sociale verzekeringsuitkeringen toegewezen aan de staat die deze uitkeringen, direct dan wel indirect, betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit artikel dat Nederland ten aanzien van deze, door het UWV betaalde, WAO-uitkering heffingsbevoegd is. Eisers beroep op dit punt faalt.

6.1.2

Eiser heeft daarnaast gesteld dat vermindering ter voorkoming van dubbele belasting dient te worden verleend voor de [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen. Ten aanzien van de [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen overweegt de rechtbank dat zij, gezien de bij 1.14 vermelde verklaring, aannemelijk acht dat met betrekking tot deze uitkeringen een uitruil heeft plaatsgevonden. Eiser heeft weliswaar betwist dat deze uitruil mede betrekking zou hebben op de garantiedagen, maar heeft daarmee de uitruil als zodanig niet bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, die gerechtigd was tot de [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen, deze uitkeringen gebruikt ten behoeve van de hiervoor genoemde uitruil. Eiser heeft deze uitkeringen daarmee genoten in de zin van artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen behoren daardoor tot zijn (wereld)inkomen.

6.2

De rechtbank constateert echter dat de [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen door eiser niet in zijn aangifte zijn opgenomen en door verweerder bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2008 niet in eisers (wereld)inkomen zijn begrepen (zie 1.9). Nu de [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen niet in eisers (wereld)inkomen zijn begrepen, bestaat voor verweerder ook geen verplichting om daarvoor vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 16 van het verdrag de woonstaat het recht tot belastingheffing heeft over inkomsten waarvoor in de voorgaande artikelen geen regeling is getroffen. De [verzekeringsmaatschappij]-uitkeringen vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder één van de in artikel 4 tot en met 15 van het verdrag genoemde inkomensbestanddelen, met als gevolg dat hierop artikel 16 van het verdrag van toepassing is. Omdat eiser in Nederland woont, komt de heffingsbevoegdheid ten aanzien van deze uitkeringen dan in beginsel aan Nederland toe. Eisers beroep op dit punt faalt daarom.

7.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag welke breuk voor de berekening van de aftrek elders belast dient te worden gehanteerd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in 2008 175 dagen in Duitsland heeft gewerkt. Eiser stelt dat hij uitsluitend in Duitsland heeft gewerkt, zodat de breuk 175/175 bedraagt. Verweerder gaat uit van de breuk 175/187, omdat eiser ook nog 12 dagen in Nederland zou hebben gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, niet aannemelijk gemaakt dat eiser in 2008 naast de 175 dagen in Duitsland, ook nog 12 dagen in Nederland heeft gewerkt. De tot de gedingstukken behorende, door [X] afgetekende, overzichten van eisers werkdagen en eisers tijdregistratieoverzichten geven de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat eiser in Nederland zou hebben gewerkt en ook tijdens het derdenonderzoek is hiervan niets gebleken (zie 1.13). De rechtbank kent in dit kader geen bewijskracht toe aan de aanvraag voor de E-101 verklaring waarin [X] heeft vermeld dat eiser 1 dag per maand in Nederland werkt (zie 1.15). Nu deze verklaring aan het begin van het kalenderjaar is opgesteld en in de overige stukken van het geding geen bevestiging is te vinden van feitelijk in Nederland gewerkte dagen, kan niet worden uitgesloten dat de E-101 verklaring op dit punt realiteit ontbeert. Het gelijk is op dit punt dus aan eiser.

8.

Uit het bij 6. tot en met 6.2 overwogene volgt dat de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting dient te worden berekend over eisers looninkomsten van € 97.559 minus de WAO-uitkering. De rechtbank gaat voor de WAO-uitkering uit van het bij 1.11 vermelde bedrag van € 13.362, omdat dit bedrag uiteindelijk ter zake van deze uitkering in eisers loon is begrepen. De aftrek elders belast dient dus te worden berekend over een inkomen van € 84.197 (€ 97.559 minus € 13.362). Uit het bij 7. overwogene volgt dat dit inkomen dient te worden vermenigvuldigd met de breuk 175/175, zodat eiser recht heeft op vermindering van dubbele belasting over een inkomen van € 84.197. Het beroep is dus gegrond.

Verzekeringsplicht

9.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in 2008 niet premieplichtig is in Nederland, omdat hij feitelijk niet in Nederland heeft gewerkt. In de visie van eiser kan op de afgegeven E101-verklaring worden teruggekomen als deze, zoals in zijn geval, achteraf onjuist blijkt te zijn.

10.

Verweerder acht eiser in 2008 premieplichtig in Nederland en verwijst daarvoor naar de bij 1.8 vermelde E101-verklaring.

11.

De rechtbank overweegt dat, zuiver bezien naar nationaal recht, eiser premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Niet in geschil is immers dat eiser ingezetene van Nederland is, terwijl artikel 6, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bepaalt dat premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen. Verzekerd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) is degene die ingezetene is (artikel 6, lid 1, onderdeel a, van de AOW, artikel 13, lid 1, onderdeel a, van de Anw en artikel 5, lid 1, onderdeel a, van de AWBZ).

11.1

Verder overweegt de rechtbank dat eiser op grond van internationaal recht toch niet in Nederland verzekerd is als op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is (artikel 6a, onderdeel b, van de AOW, artikel 13a, onderdeel b, van de Anw en artikel 5b, onderdeel b, van de AWBZ). Nu niet in geschil is dat eiser als werknemer feitelijk in Duitsland heeft gewerkt en uit het bij 11. overwogene volgt dat op eiser het sociale zekerheidsstelsel van Nederland van toepassing is, is Verordening (EEG) Nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (de Verordening) ingevolge artikel 2, lid 1, in verbinding met artikel 1, onderdeel a, van de Verordening van toepassing op eiser. De Verordening treedt in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid. In artikel 13, lid 2, sub a, van de Verordening is het algemene beginsel neergelegd dat op de werknemer de sociale zekerheidsregeling van toepassing is van de lidstaat waar hij werkt (HvJ 17 mei 1984, Brusse, 101/83, Jurispr. Bldz. 2223, punt 15). Dat beginsel geldt echter “onder voorbehoud” van het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 17 van de Verordening.

11.1.2

Niet is geschil is dat op basis van artikel 14, tweede lid, van de Verordening een zogenaamde E-101 verklaring (hierna: verklaring) is afgegeven, welke verklaring inhoudt dat het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel op eiser van toepassing is.

11.1.3

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) vormen de bepalingen van titel II van de Verordening, waartoe artikel 14, lid 2, behoort, een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels, dat tot doel heeft, de werknemers die zich binnen de Unie verplaatsen onder het sociale zekerheidsstelsel van één lidstaat te brengen, teneinde te voorkomen dat meerdere nationale wettelijke regelingen toepasselijk zijn en dat daaruit complicaties voortvloeien. (Zie onder andere HvJ 4 oktober 2012, nr. C-115/11 ECLI:XX:2012:BY0913).

11.1.4

Het is eveneens vaste rechtspraak van het HvJ dat een door een lidstaat afgegeven verklaring de sociale verzekeringsorganen van andere lidstaten bindt. Wanneer de organen van andere lidstaten echter twijfels uiten over de feiten waarop de verklaring berust of over de juridische beoordeling van die feiten, dient het afgevende orgaan de gegrondheid van die verklaring opnieuw te onderzoeken en deze zo nodig in te trekken. (Zie onder andere HvJ 10 februari 2000, Fitzwilliam Executive Search, nr. C-202/97, BNB 2000/219).

11.1.5

De rechtbank heeft overwogen dat er sprake is van een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels op basis waarvan de toepasselijke wetgeving wordt bepaald (11.1.3.) en dat de verklaring die op grond van dit stelsel is afgegeven verbindend is voor de lidstaat waarin de werkzaamheden worden verricht, totdat ze wordt ingetrokken. Dit geldt zelfs in het geval waarin die verklaring inhoudelijk onjuist is (11.1.4). Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat voor eiser bij uitsluiting geldt dat het sociale zekerheidsstelsel van Nederland op hem van toepassing is. Eisers beroepsgrond op dit punt faalt.

12.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de met de beschikking heffingsrente samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat verweerder het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.

13.

De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar. De rechtbank vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.757, waarbij over een inkomen van € 84.197 vermindering ter voorkoming van dubbele belasting dient te worden verleend. De rechtbank vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig.

14.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

15.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.460,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift van € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder, gezien het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40.088, ECLI: NL:HR:2006:AZ3169, tegen beter weten in heeft geprocedeerd en dat hij daarom recht heeft op vergoeding van werkelijke proceskosten. De rechtbank ziet in het genoemde arrest geen aanleiding voor een vergoeding van werkelijke proceskosten, nu in de onderhavige procedure zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase ook andersoortige elementen in geschil zijn geweest dan die in genoemd arrest.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    bepaalt dat de aanslag wordt berekend naar een belastbaar inkomen uit

werk en woning van € 96.757, waarbij over een inkomen van € 84.197

vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend;

  • -

    vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op

bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.460,50, te betalen

aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, en mrs. T. Tanghe en J.F.H. van den Belt, rechters, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2014.

griffier (De griffier is verhinderd te ondertekenen)

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.