Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4381

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
K L 2365947 - CV EXPL 13-7275 (E)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

aandelenlease;

adviserende rol tussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 1, p. 39

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 2365947 \ CV EXPL 13-7275

vonnis van de kantonrechter d.d. 9 september 2014

inzake

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

tegen

de besloten vennootschap

AEGON FINANCIËLE DIENSTEN B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.W.G. van der Velden.

Partijen zullen hierna [A] en Aegon worden genoemd.

Procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- het pleidooi d.d. 17 juni 2014.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[A] en zijn echtgenote wilden in 2001 een nieuwe hypotheek afsluiten voor de verbouwing van hun huis. [A] heeft daarom telefonisch contact gezocht met De Hypotheekgevers. [B] van De Hypotheekgevers heeft voor [A] en zijn echtgenote een financieel plan opgesteld. Dit plan vermeldt onder meer:

15

jaren hypotheek

De 15 jaren hypotheek is een nieuw product dat door ons kantoor is ontwikkeld.

Bij deze hypotheek hoeft u maar 15 of 10 jaar rente en premie te betalen. De andere jaren worden betaald uit de opbrengst van uw beleggingen. Hiervoor wordt extra hypotheek opgenomen.

Uit de opbrengst van deze beleggingen wordt de rest van de hypotheek gefinancierd.

Het uitgangspunt van deze berekeningen is gebaseerd op een jaarlijks rendement van 8%

Het gemiddelde rendement over de afgelopen 10 jaar bedroeg 15%.

Behaalde resultaten in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst, daarom zijn wij bij onze berekeningen uitgegaan van een veel lager rendement. Hierdoor krijgen wij een zuiver beeld van de mogelijkheden. Zijn de rendementen hoger dan geeft dit een positiever resultaat.

Aegon Koopsom Vliegwiel

Via de Aegon Koopsompolis wordt een bedrag belegd van fl. 25.000,00.

Deze beleggingsconstructie geeft jaarlijks een dividenduitkering van 2,5%. Door de stijging van de waarde van de aandelen wordt de dividenduitkering steeds hoger. De jaarlijkse dividenduitkering wordt gebruikt om de jaarlasten te verlagen. De gemiddelde historische stijging van de aandelen is 13,5%.

Ons rekenvoorbeeld gaat uit van een gemiddelde stijging van 8%

(Zie voor cijfers het bijgevoegde rekenvoorbeeld)

2.2. [A] heeft in november 2001, via De Hypotheekgevers, met Aegon twee effectenleaseovereenkomsten, genaamd Koopsom Vliegwiel met contractnummers 25007886 en 25007887 (hierna te noemen de overeenkomsten) gesloten, beide met een looptijd van 60 maanden.

2.3. De overeengekomen leasesom voor de overeenkomst met contractnummer 25007886 bedroeg € 7.884,93, welk bedrag als volgt terugbetaald diende te worden:

- € 2.281,20 binnen veertien dagen na ondertekening van de overeenkomst;

- f 100,- uiterlijk op de 15e dag van de 59ste maand van de leaseperiode;

- het restant ten bedrage van f 12.249,00 bij afloop van de overeenkomst.

2.4. De overeengekomen leasesom voor de overeenkomst met contractnummer 25007887 bedroeg € 32.566,22, welk bedrag als volgt terugbetaald diende te worden:

- € 9.098,40 binnen veertien dagen na ondertekening van de overeenkomst;

- f 100,- uiterlijk op de 15e dag van de 59ste maand van de leaseperiode;

- het restant ten bedrage van f 51.616,27 bij afloop van de overeenkomst.

2.5. [A] was in 2001 51 jaar en gehuwd. Zijn hoogst genoten opleiding was het VMBO. [A] kwam destijds net uit de WW en had een zogeheten 'melkertbaan' via de gemeente. Zijn echtgenote was voor 80-100% afgekeurd en zat in de WAO. Het netto gezinsinkomen bedroeg € 1.419,87 per maand.

2.6. Onder de overeenkomsten is een bedrag van € 2.697,31 aan dividend uitgekeerd aan [A].

2.7. De overeenkomsten zijn geëindigd op 31 oktober 2006 door verkoop van de aandelen. Het restant van de leasesommen is bij afloop van de overeenkomsten verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen. De overeenkomsten zijn geëindigd met een restschuld. [A] heeft deze restschuld van in totaal € 703,62 niet aan Aegon voldaan.

De standpunten

3.1. [A] vordert - voor zover rechtens toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad -:

- te verklaren voor recht dat Aegon jegens [A] toerekenbaar onrechtmatig gehandeld heeft door hem de litigieuze effectenleaseovereenkomsten te doen aangaan zonder voldoende informatie te verstrekken over de aan die overeenkomsten inherente beleggingstechnische tekortkomingen, en door de waarschuwings- en de informatieplicht met betrekking tot de inleg en de restschuld en de financiële positie niet te respecteren, en door artikel 41 NR te schenden;

- Aegon te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] te voldoen al hetgeen [A] aan Aegon heeft betaald onder de litigieuze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen door [A] aan Aegon tot aan die der uiteindelijke algehele voldoening;

- Aegon te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] te vergoeden al hetgeen [A] aan schade heeft geleden in verband met de hypothecaire lening die hij heeft aangewend voor betaling aan de litigieuze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen door [A] aan Aegon tot aan die der uiteindelijke algehele voldoening;

- Aegon te veroordelen om aan [A] de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden, forfaitair vast te stellen op 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg met een maximum van 15% van de hoofdsom, te vermeerderen met de btw, of althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

- Aegon te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Aegon heeft verweer gevoerd.

4.

De standpunten van partijen zullen hierna, voor zover van belang, kort worden weergegeven. Voor de uitvoerige standpunten van partijen verwijst de kantonrechter naar de processtukken.

De beoordeling van het geschil

schending van de zorgplicht

5.1. De aandelenleaseovereenkomsten zoals [A] die met Aegon heeft gesloten zijn onderwerp geweest van een langdurige juridische strijd. De Hoge Raad heeft op 5 juni 2009 een drietal arresten gewezen met het oog op een praktische, efficiënte en zo mogelijk uniforme beoordeling van de grote aantallen geschillen omtrent andere effectenleaseovereenkomsten. Daarbij heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er op de aanbieder van een aandelenleaseproduct een dubbele zorgplicht rustte, namelijk (i) om indringend te waarschuwen voor het risico dat een aandelenleaseovereenkomst in een restschuld zou kunnen resulteren en (ii) om onderzoek te doen naar de financiële positie van de afnemer en het afnemen van het product te ontraden indien uit dat onderzoek zou volgen dat de afnemer blootgesteld zou worden aan een risico op een onaanvaardbare zware financiële last.

De waarschuwingsplicht (i) houdt in dat de aanbieder van effectenleaseproducten de afnemer bij het aangaan van de overeenkomst indringend moet waarschuwen voor het restschuldrisico en strekt ertoe de potentieel particuliere wederpartij te informeren over en te waarschuwen tegen het lichtvaardig op zich nemen van onnodige risico's of van risico's die hij redelijkerwijze niet kan dragen. Dat een dergelijke waarschuwing door Aegon niet is gegeven, staat tussen partijen vast. Voorts staat vast dat Aegon de financiële situatie van [A] in het geheel niet in kaart heeft gebracht, zodat zij haar onderzoeksplicht (ii) niet is nagekomen. Deze plicht strekt ertoe dat aanbieders als Aegon afnemers als [A] het aangaan van de effectenleaseovereenkomst moeten ontraden als deze overeenkomst een potentieel te zware last voor hen zou opleveren.

5.2. Met het schenden van de waarschuwings- en/of onderzoeksplicht is in beginsel voldaan aan het conditio sine qua non verband als bedoeld in artikel 6:162 BW. Omdat de verplichtingen waarin Aegon is tekortgeschoten ertoe strekken te voorkomen dat een potentiële particuliere wederpartij lichtvaardig en met ontoereikend inzicht de effectenleaseovereenkomst sluit, kan behoudens bijzondere feiten of omstandigheden - die zich hier niet voordoen - het aangaan van de overeenkomst aan Aegon worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW, zodat Aegon naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel als schade dient te vergoeden de nadelige financiële gevolgen voor [A] van het aangaan van de overeenkomst. (Zie het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).

tussenpersoon

5.3. In verband met de betrokkenheid van De Hypotheekgevers bij de totstandkoming van de leaseovereenkomsten verwijst de kantonrechter naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 september 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:2830). Het gerechtshof heeft onder meer overwogen dat de aansprakelijkheid van de aanbieder jegens de afnemer niet kan worden gebaseerd op artikel 6:76 BW. Op grond van deze wetsbepaling zou Aegon slechts aansprakelijk kunnen zijn voor gedragingen van De Hypotheekgevers indien en voor zover Aegon bij de uitvoering van de verbintenissen voortvloeiende uit de door Aegon en de afnemer gesloten leaseovereenkomsten van de hulp van De Hypotheekgevers gebruik zou hebben gemaakt. De Hypotheekgevers is immers degene die in de fase voorafgaande aan en ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten betrokken is geweest. De gestelde gedragingen van De Hypotheekgevers bij het aanraden en informeren over de producten van Aegon zijn daardoor niet verricht ter uitvoering van enige verbintenis uit de tussen [A] en Aegon gesloten overeenkomsten. De stelling van [A] dat alle in de precontractuele fase uitgewisselde informatie tussen hem en De Hypotheekgevers heeft te gelden als informatie die door en aan Aegon is vertrekt, zodat Aegon op grond daarvan aansprakelijk kan worden gehouden, acht de kantonrechter onjuist, omdat daarmee de eigen en afzonderlijke rol en verantwoordelijkheid worden miskend van De Hypotheekgevers als cliëntenremisier. Om vergelijkbare redenen faalt het beroep op artikel 6:172 BW, zo volgt uit het arrest van het gerechtshof.

eigen schuld

5.4. [A] heeft betoogd dat ieder geschil met inachtneming van alle omstandigheden van het geval op zijn eigen merites beoordeeld dient te worden, doch zulks doet naar het oordeel van de kantonrechter geen afbreuk aan het feit dat partijen in het kader van de rechtszekerheid belang hebben bij een uniforme beoordeling van de effectenleasegeschillen. Weliswaar dient de kantonrechter alle relevante omstandigheden van het geval bij zijn oordeel te betrekken, doch hetgeen [A] heeft aangevoerd brengt naar het oordeel van de kantonrechter niet met zich dat er in het onderhavige geval dient te worden afgeweken van de in de jurisprudentie ontwikkelde lijn. Met name de aard van het product en de wijze waarop het product is aangeboden alsmede de persoonlijke situatie van de afnemer zijn immers onderdeel geweest van de vraag of Aegon de op haar rustende zorgplicht had geschonden.

5.5. Het gerechtshof Amsterdam heeft in het arrest van 10 september 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:2830) met betrekking tot gesloten leaseovereenkomsten "Overwaarde Effect" nogmaals bevestigd dat uit de bewoordingen van (de voorwaarden van) de leaseovereenkomsten voldoende duidelijk kenbaar was dat Aegon tegen een bepaalde koers aandelen ging aankopen, dat de overeenkomsten een bepaalde looptijd hebben (in het geval van [A] van 60 maanden), dat de afnemer rente diende te betalen en dat de leasesom door de afnemer aan Aegon diende te worden voldaan. Daaruit had de afnemer behoren en redelijkerwijs kunnen begrijpen dat Aegon aan de afnemer een geldlening verstrekte, dat het geleende bedrag zou worden belegd in bepaalde specifieke aandelen, dat de afnemer over dat bedrag rente was verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten op het tijdstip van verkoop daarvan. Hiermee was tevens voldoende duidelijk kenbaar dat geen sprake was van "sparen" en, gezien het feit dat zou worden belegd in aandelen, evenmin van een veilige of risicoloze wijze van vermogensopbouw of van een tevoren vaststaande "opbrengst" van de leaseovereenkomsten die voor een bepaald doel zouden kunnen worden benut, aldus het hof. Dat zulks in het onderhavige geval voor [A] anders zou zijn, heeft [A] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd onderbouwd.

5.6. Voor zover [A] meent dat aan de leaseovereenkomsten de nodige beleggingstechnische gebreken kleven, verwijst de kantonrechter naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Het hof concludeert dat de genoemde eigenschappen van de leaseovereenkomsten niet de conclusie rechtvaardigen dat op de aanbieder een verdergaande informatie- en waarschuwingsplicht rustte dan in de rechtspraak in het geval van aandelenleaseovereenkomsten reeds is aangenomen. In het onderhavige geval rustte naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet de verplichting [A] specifiek en in niet mis te verstane bewoordingen te wijzen op en te waarschuwen voor de door [A] genoemde kenmerken van de leaseovereenkomsten die [A] als beleggingstechnische gebreken kwalificeert. De gestelde gebreken kunnen evenmin worden gezien als een op zichzelf staande onrechtmatige daad of toerekenbare tekortkoming. Daarom bestaat er geen reden om anders te oordelen dan in de standaard arresten is gedaan omtrent de mate waarin aan Aegon enerzijds en de afnemers anderzijds toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen.

5.7. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last, moeten alle bekende omstandigheden die van invloed (kunnen) zijn op de financiële ruimte van de afnemer in aanmerking worden genomen (HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4012). In dit arrest is ook aangegeven dat de rechter daarbij gebruik mag maken van een algemene formule, mits daarbij voldoende mogelijkheid bestaat om ook met de individuele omstandigheden van de afnemer rekening te houden. Op 1 december 2009 heeft het gerechtshof Amsterdam de uitspraken van de Hoge Raad uitgewerkt in een rekenmodel (hierna te noemen het hofmodel). De kantonrechter ziet aanleiding om aan te knopen bij dit hofmodel. Dit model beoogt willekeur en rechtsongelijkheid te voorkomen. De kantonrechter passeert daarbij de stelling van Aegon dat als vuistregel kan gelden dat het inkomen en vermogen toereikend waren als alle maandtermijnen zijn betaald. Naar het oordeel van de kantonrechter betekent het feit dat de afnemer er in geslaagd is de maandtermijnen te voldoen niet (zonder meer) dat er geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. Voor de beoordeling daarvan spelen ook andere factoren een rol, welke zijn meegenomen in het hofmodel. Het hofmodel houdt in dat indien de uit de overeenkomst voorvloeiende financiële verplichtingen ertoe zouden leiden dat het besteedbare inkomen van de wederpartij van Aegon beneden de aldus vastgestelde bestedingsnorm zou dalen, in de regel ervan uit zal kunnen worden gegaan dat die verplichtingen een dusdanig groot beslag op de bestedingsruimte van de wederpartij legden, dat van een onaanvaardbaar zware last kan worden gesproken.

5.8. [A] heeft als productie 7 bij dagvaarding een berekening overgelegd gebaseerd op het hofmodel. Blijkens die berekening bedroeg het besteedbare inkomen van [A] € 494,80 en de bestedingsnorm € 976,78. Aegon heeft weliswaar aangevoerd dat deze berekening van [A] niet juist is omdat [A] ten onrechte de rentelasten voortvloeiende uit de ter financiering van de inleg afgesloten hypotheekverhoging voor de berekening in aanmerking neemt, doch gelijk [A] heeft aangevoerd is er ook zonder deze factor sprake van een onaanvaardbaar zware financiële last. Nu toetsing aan de norm van het hofmodel uitwijst dat van een onaanvaardbaar zware last sprake was, had Aegon het aangaan van de overeenkomst aan haar beoogde wederpartij moeten ontraden.

artikel 41 NR 1999

5.9. [A] stelt dat de werkzaamheden van De Hypotheekgevers zich niet hebben beperkt tot het aanbrengen van hem als potentiële klant bij Aegon, maar dat hij door De Hypotheekgevers is geadviseerd en dat de onderhavige effectenlease-overeenkomsten naar aanleiding van een concreet advies van De Hypotheekgevers tot stand is gekomen. Daarnaast heeft De Hypotheekgevers orders doorgegeven. Aegon wist of behoorde dat volgens [A] te weten. Voor deze werkzaamheden was een vergunning nodig krachtens artikel 7 Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (Wte 1995), waarover De Hypotheekgevers niet beschikte. Desondanks heeft Aegon van de diensten van deze tussenpersoon gebruik gemaakt en is de effectenleaseovereenkomst die via deze tussenpersoon tot stand is gekomen door Aegon geaccepteerd. Volgens [A] was het Aegon op grond van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (NR 1999) verboden cliënten te accepteren van De Hypotheekgevers voor zover deze daarmee vergunningplichtige werkzaamheden verrichtte. Door dat wel te doen heeft Aegon in strijd met artikel 41 NR 1999 en aldus onrechtmatig jegens [A] gehandeld, aldus [A].

5.10. In artikel 41, aanhef en onder d, NR 1999 is bepaald dat een effecteninstelling zich met betrekking tot een (rechts-)persoon waarop artikel 21, eerste lid, Wte 1995 van toepassing is, maar die niet is ingeschreven in het in dat lid bedoelde register, dient te onthouden van de rechtshandeling "het accepteren van door deze instelling aangebrachte cliënten of cliëntenorders". Nu vaststaat dat uit hoofde van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 cliëntenremisiers, zoals De Hypotheekgevers, waren vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7, eerste lid, Wte en De Hypotheekgevers was ingeschreven in het betreffende register, mocht Aegon op de voet van artikel 41, aanhef en onder d, NR 1999 de door De Hypotheekgevers aangebrachte cliënten in beginsel accepteren.

Aegon was het, gezien artikel 41, aanhef en onder d, NR 1999, evenwel niet toegestaan om orders van De Hypotheekgevers te accepteren. Een effectenbemiddelaar diende voor het doorgeven van orders immers te beschikking over een vergunning als bedoeld in artikel 7 Wte 1995. [A] heeft zijn stelling dat De Hypotheekgevers een effectenorder heeft doorgegeven en dat zij aldus een vergunning plichtige dienst heeft verricht, onvoldoende onderbouwd. Het kennelijk door De Hypotheekgevers ingevulde en door [A] ondertekende aanvraagformulier voor het onderhavige effectenleaseproduct en het doorsturen van dit formulier door De Hypotheekgevers aan Aegon, kan niet worden aangemerkt als het doorgeven of aanbrengen van een cliëntenorder. Het doorsturen van dit formulier door De Hypotheekgevers en de ontvangst daarvan door Aegon leidde immers niet tot de aankoop van de betreffende effecten voor [A]. Aegon heeft, na ontvangst van dit aanvraagformulier, via De Hypotheekgevers [A] de overeenkomsten ter tekening voorgelegd. Ingevolge artikel 10 van de overeenkomsten kwamen deze echter niet tot stand indien Aegon niet binnen één maand na contractsdatum een door [A] ondertekende overeenkomst in haar bezit had. (zie ook gerechtshof 's-Hertogenbosch d.d. 10 juni 2014, ECLI:NL:GSHE:2014:1736).

5.11. Met betrekking tot de vraag of een tussenpersoon cliënten die zij aanbracht bij een vergunning houdende of vrijgestelde effecten- of beleggingsinstelling zoals Aegon, mocht adviseren, heeft het gerechtshof 's Hertogenbosch in voormeld arrest van 10 juni 2014 overwogen dat het een van vergunning vrijgestelde effectenbemiddelaar, zoals een cliëntenremisier als De Hypotheekgevers, niet was toegestaan om nevendiensten te verrichten, zoals het geven van beleggingsadviezen met betrekking tot effecten. Het gerechtshof heeft voorts overwogen dat indien de tussenpersoon de werkzaamheden als effectenbemiddelaar niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar tevens heeft geadviseerd, de tussenpersoon meer heeft gedaan dan op grond van de vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 7, eerste lid, Wte 1995, was toegestaan, en dat de tussenpersoon een vergunningplichtige dienst verricht. De bepalingen uit de toezichtregelgeving hebben, voor zover de tussenpersoon bij het totstandbrengen van effectenlease-overeenkomsten diensten als effectenbemiddelaar heeft verricht, de strekking om met betrekking tot diens werkzaamheden een zorgvuldige, deskundige en integere handelwijze te waarborgen, aldus het gerechtshof. De kantonrechter is, gelet op voormeld arrest, voorts van oordeel dat indien Aegon wist of behoorde te weten dat de door De Hypotheekgevers als effectenbemiddelaar aangeboden of verrichte diensten zich niet hadden beperkt tot het aanbrengen van [A] als cliënt bij Aegon, maar dat De Hypotheekgevers tevens beleggingsadvies heeft gegeven, Aegon zich had dienen te onthouden van het accepteren van deze door De Hypotheekgevers aangebrachte cliënt. Gezien het feit dat artikel 41 NR 1999 mede strekt ter bescherming van beleggers als [A] heeft Aegon in dat geval door het overtreden van artikel 41 NR 1999 onrechtmatig jegens [A] gehandeld. Het uit artikel 41 NR 1999 voortvloeiende verbod om cliënten te accepteren van effectenbemiddelaars die niet over de vereiste vergunning of vrijstelling beschikken, betekent immers dat op een instelling, zoals Aegon, waarbij de betrokken cliënt is aangebracht, de verplichting rust om te weigeren om met deze cliënt een overeenkomst aan te gaan.

5.12 Met betrekking tot het antwoord op de vraag of De Hypotheekgevers [A] heeft geadviseerd overweegt de kantonrechter als volgt. [A] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat De Hypotheekgevers hem heeft geadviseerd het door De Hypotheekgevers opgestelde financiële plan overgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat [A] hiermee zijn stelling dat De Hypotheekgevers de aandelenleaseovereenkomsten heeft geadviseerd voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Het verweer van Aegon dat zij - bij gebrek aan wetenschap - betwist dat De Hypotheekgevers [A] zou hebben geadviseerd levert naar het oordeel van de kantonrechter een onvoldoende gemotiveerde betwisting op, zodat er vanuit kan worden gegaan dat De Hypotheekgevers - buiten de voorwaarden voor de vrijstelling van de vergunningplicht voor cliëntenremisiers - de aandelenleaseovereenkomsten aan [A] heeft geadviseerd.

5.13. Ten aanzien van de vraag of Aegon wist of behoorde te weten dat cliëntenremisiers als De Hypotheekgevers aandelenleaseovereenkomsten adviseerden, heeft [A] naar het oordeel van de kantonrechter terecht verwezen naar het interview gehouden met de directeur Particulieren van Aegon, [C], bij de lancering van de Vliegwielproducten, zoals gepubliceerd in het AssurantieMagazine (nr. 13 van 1997). [A] heeft ter gelegenheid van het pleidooi benadrukt dat de aandelenleaseproducten door Aegon in de markt zijn gezet als een adviesproduct. Nu zulks van de zijde van Aegon niet gemotiveerd is weersproken, zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid daarvan.

5.14. Het gerechtshof te 's Hertogenbosch heeft voorts overwogen dat bij het bepalen van de omvang van de aan de tekortkoming toe te rekenen gevolgen uitgangspunt dient te zijn dat de afnemer - in dit geval [A] - mocht afgaan op het advies van cliëntenremisier en dat hij aldus minder bedacht hoefde te zijn en zich minder snel eigener beweging behoefde te verdiepen in de risico's dan in het geval de effectenlease-overeenkomst niet naar aanleiding van een advies tot stand zou zijn gekomen. De kantonrechter volgt het gerechtshof in haar oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 6:101 BW in dit geval de nadelige gevolgen voor 20% voor rekening van de afnemer dienen te blijven en dat de verplichting van Aegon tot schadevergoeding 80% van de nadelige gevolgen bedraagt.

omvang van de schade

5.15. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de door [A] gevorderde kosten en rente voor de hypothecaire lening niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hij overweegt daartoe dat het feit dat [A] een nieuwe hypothecaire lening heeft gesloten, die is gebruikt om de vooruitbetaling van de leaseovereenkomsten te financieren, niet leidt tot een verdergaande aansprakelijkheid van Aegon dan die, die reeds volgt uit de vaste jurisprudentie. De verplichtingen waarin Aegon als aanbieder is tekortgeschoten strekken ertoe te voorkomen dat een potentiële particuliere wederpartij, zoals [A], lichtvaardig of met ontoereikend inzicht een aandelenleaseovereenkomst sluit. Dat brengt mee dat bij een schending door Aegon van deze verplichtingen zij de daaruit voor de afnemer voortvloeiende schade dient te vergoeden. Het gaat daarbij in beginsel om de nadelige financiële gevolgen voor [A] doordat [A] de leaseovereenkomsten is aangegaan. Uit de rechtspraak volgt dat onder die schade niet alleen een gerealiseerde restschuld kan worden begrepen, maar ook de reeds betaalde rente en, in voorkomende gevallen, de reeds betaalde aflossing. De omstandigheid dat [A] gelijktijdig met of met het oog op het aangaan van de leaseovereenkomsten een lening heeft gesloten, dient, zoals ook het gerechtshof Amsterdam in het arrest van 10 september 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:283) heeft overwogen, te worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting op [A] een onaanvaardbaar zware financiële last legden. Voorts overweegt de kantonrechter dat het de eigen keuze van [A] is geweest om de gelden die hij wenste aan te wenden voor de inleg van de aandelenleaseovereenkomsten door middel van een hypothecaire lening uit zijn vermogen vrij te maken. Deze beslissing kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden toegerekend aan Aegon.

5.16. Het bovenstaande leidt tot de navolgende schadeverdeling. [A] heeft bij aanvang van de overeenkomsten een bedrag van respectievelijk € 2.281,20 en € 9.098,40, zijnde in totaal € 11.379,60 aan Aegon voldaan. Daarnaast heeft [A] een bedrag van € 2.697,31 aan dividend ontvangen, zodat de totale schade in verband met inleg c.q. rente en aflossing

€ 8.682,29 bedraagt. Op grond van het bovenstaande dient 80% hiervan voor rekening van Aegon te komen, hetgeen met zich brengt dat Aegon een bedrag van € 6.945,83 aan [A] verschuldigd is. Voorts staat vast dat de overeenkomsten zijn geëindigd met een restschuld van € 703,62, welke restschuld eveneens voor 80% voor rekening van Aegon dient te blijven. Het restant van de restschuld, zijnde (20% van € 703,62 =) € 140,73 dient voor rekening van [A] te komen. Nu [A] de restschuld (nog) niet aan Aegon heeft voldaan, dient voormeld bedrag van € 140,73 in mindering te strekken op het bedrag van € 6.945,83, zodat het door Aegon aan [A] te vergoeden bedrag uitkomt op € 6.805,10.

wettelijke rente

5.17. De door [A] gevorderde rente acht de kantonrechter, overeenkomstig het door het gerechtshof Amsterdam in het arrest van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2010:BK 2978) overwogene, toewijsbaar vanaf de datum van beëindiging van de overeenkomsten, zijnde 31 oktober 2006.

buitengerechtelijke kosten

5.18. [A] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en ter zake daarvan een bedrag gevorderd. [A] heeft die kosten niet gespecificeerd terwijl evenmin is gebleken dat de gestelde verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Dat Leaseproces meer handelingen heeft verricht dat de gebruikelijke standaard werkzaamheden in vergelijkbare zaken, is niet gebleken. De kantonrechter zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.

proceskosten

5.20. Aegon zal als de (deels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Dat partijen de zaak ook buitengerechtelijk hadden kunnen afwikkelen, zoals door Aegon gesteld, doet daar niet aan af. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van [A] begroot op:

- explootkosten € 92,82

- griffierecht € 75,00

- salaris gemachtigde € 1.000,00 (4 punten à € 250,00)

totaal € 1.167,82.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat Aegon onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld;

veroordeelt Aegon tot betaling van een bedrag van € 6.805,10 aan [A] ter zake van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

31 oktober 2006;

veroordeelt Aegon in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [A] begroot op

€ 1.167,82;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 471