Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:4334

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
98986 FA RK 13-1282
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De ouders zitten in een strijd omtrent ieder aspect van hun echtscheiding. Dat is al geruime tijd het geval en daar zit geen verbetering in. Dat is belastend voor hun dochter, over wie tussen de ouders nog wordt geprocedeerd. Nadat de dochter aangaf dat zij graag zou zien dat die procedure niet langer meer zou duren en zij uitlegde dat zij daar last van had is de zaak verder buiten zitting afgedaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/133

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

LOCATIE ASSEN

Afdeling Privaatrecht

Beschikking d.d. 20 augustus 2014

Zaaknummer C/19/98986 / FA RK 13-1282

Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer in de zaak van:

Mevrouw A,

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,

verzoekster, hierna te noemen moeder,

toegevoegd advocaat mr. P.L. Verhulst,

-- en --

De heer B,

wonende te [adres],

gerekwestreerde, hierna te noemen vader,

toegevoegd advocaat mr. W.J.P. Suringar.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2013, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, de beslissing omtrent het ouderschapsplan en de kinderalimentatie aangehouden en voorts de stukken in handen gesteld van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, met het verzoek een onderzoek in te stellen naar de stand van zaken in de thuissituatie alsmede naar de vraag wat voor kind C nodig is en daaromtrent te rapporteren en de rechtbank te adviseren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 1 april 2014.

De rechtbank heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent het rapport van de Raad.

Mr. Suringar heeft op 24 april 2014 meegedeeld zich te kunnen vinden in de inhoud van de rapportage van de Raad. Van de zijde van moeder is geen reactie ontvangen, zodat de rechtbank, zoals ook reeds in de brief van 4 april 2014 is vermeld, ervan uitgaat dat ook moeder zich kan vinden in het advies van de Raad.

Aanvankelijk was de zaak desondanks op 13 oktober 2014 op een zitting gepland. Mede naar aanleiding van het horen van kind C in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling is die zitting geannuleerd. Partijen is medegedeeld dat de zaak zonder verdere behandeling ter zitting zal worden afgedaan. Op 14 augustus 2014 is aan de advocaten van partijen nog een termijn van 10 dagen gegeven waarbinnen zij – indien nodig – nog nadere stukken met betrekking tot de kinderalimentatie kunnen inbrengen.

Gezien de druk die deze procedure op kind C legt ziet de rechtbank aanleiding om de overige nog openstaande beslispunten reeds nu af te doen. De beslissing over de bijdrage in de kosten van kind C volgt zo snel mogelijk na 24 augustus in een afzonderlijke beschikking.

Beoordeling

Dan valt als eerste op dat geen van de ouders in deze procedure heeft verzocht het hoofdverblijf van kind C te bepalen. Een verzoek tot het vaststellen van een contactregeling is ook nooit gedaan. In haar echtscheidingsverzoek geeft moeder in de tekst van haar verzoek wel aan wat zij graag zou willen, maar zij verzoekt daaromtrent in het petitum van het verzoekschrift niets. Namens vader is ingegaan op hoofdverblijf en contactregeling, maar ook hij heeft daaromtrent nimmer een nevenvoorziening verzocht. Beide ouders geven aan dat er geen ouderschapsplan is omdat de ander daaraan niet zou meewerken, althans dat zij daar niet uitkomen.

Een verzoek een ouderschapsplan vast te stellen en / of op te nemen is overigens ook door niemand ingediend.

Op de zitting van 18 november 2013 heeft de Raad aangeboden een onderzoek in te stellen naar de stand van zaken en naar de vraag wat in het belang is van kind C, zodat de ouders aan de hand daarvan een ouderschapsplan zouden kunnen opstellen.

Bij brief van 4 april 2014 werd de ouders gevraagd om binnen 4 weken aan te geven of zij het eens waren met de bevindingen van de Raad en of zij nog een zitting nodig achtten. Daarbij werd ook vermeld “Bij gebreke van uw reactie gaat de rechtbank er vanuit dat u het eens bent met het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.”

Daarop is van de kant van vader vernomen dat hij zich kan vinden in de inhoud van de rapportage. Van de kant van moeder is niets vernomen.

Van enige poging van de ouders om nog tot een ouderschapsplan te komen blijkt niets. Gezien de manier waarop de ouders op elkaar reageren en met elkaar omgaan valt van een dergelijke poging ook niets te verwachten. De zaak verder aanhouden is daarmee zinloos. Dat geldt temeer nu deze procedure voor kind C een grote belasting en bron van stress en onrust blijkt. De gang van zaken ter zitting van 12 augustus 2014 omtrent de verlenging van de ondertoezichtstelling van kind C waar beide ouders aanwezig waren heeft dat helaas nogmaals bevestigd.

Gezien de inhoud van de processtukken, het verhandelde ter zitting en de inhoud van het rapport van de Raad neemt de rechtbank aan dat partijen hebben bedoeld om op een aantal cruciale punten een beslissing van de rechtbank te krijgen. Nu het creëren van duidelijkheid in het belang is van kind C zal de rechtbank die knopen dan ook doorhakken.

Hoofdverblijf van kind C

De Raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek geadviseerd het hoofdverblijf van kind C bij vader te bepalen. Kind C verblijft sinds het vertrek van moeder bij de vader en het is ook haar wens om bij haar vader te blijven wonen. Dat heeft kind C op 12 augustus, toen zij werd gehoord in het kader van de ondertoezichtstelling, ook nogmaals bevestigd.

De rechtbank acht het in het belang van kind C dat haar huidige woonsituatie blijft gehandhaafd en zal daarom het advies van de Raad volgen en het hoofdverblijf van kind C vaststellen bij haar vader.

Contact met moeder

Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat er als de situatie het toelaat een contactregeling tussen kind C en haar moeder tot stand zou moeten worden gebracht. Op dit moment lijkt die situatie zich daar nog niet voor te lenen. Nu een regeling vastleggen zal naar alle waarschijnlijkheid niets oplossen, louter een nieuwe bron van onenigheid opleveren en kind C wil dat niet. Gezien de mate waarin zij al wordt belast door de strijd tussen de ouders lijkt het niet in de rede te liggen om daar nog een nieuwe bron van onrust aan toe te voegen.

De ondertoezichtstelling van kind C is verlengd. De gezinsvoogd is bij uitstek in de positie om te bezien in hoeverre het mogelijk is om contact tussen moeder en dochter tot stand te brengen en in hoeverre die contacten begeleid moeten worden.

Daarbij moet het belang van kind C voorop staan. Dat moeder van alles wil en dat zij meent daar recht op te hebben is meer dan duidelijk, maar dat is niet van doorslaggevend belang. Moeder kan de gang van zaken op positieve wijze beïnvloeden door haar eigen gedrag aan te passen. Dat wil zeggen dochter C niet claimen, dochter C niet dwingen, aan dochter C niet trekken en dochter C niet blootstellen aan confrontaties tussen haar ouders.

Dat maakt dat de rechtbank geen contactregeling zal vastleggen en het impliciete verzoek van moeder daartoe zal afwijzen.

Beslissing

De rechtbank

- bepaalt het hoofdverblijf van de minderjarige, voornoemd, bij vader;

- wijst af het verzoek van moeder tot het vaststellen van een contactregeling tussen haar en kind C;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- houdt de beslissing omtrent het verzoek tot vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aan:

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M.L. Veen, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2014 in tegenwoordigheid van E. Koops, griffier.