Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:388

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
19.830337-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht;

poging moord, strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht. Volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Venlafaxine.

Bewezenverklaring opzet. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in de onderhavige zaak het geval. Uit de hiervoor in de bewijsmiddelen omschreven opeenvolgende gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte zowel ten aanzien van Ruben als ten aanzien van Suzanne heeft gehandeld met het opzet om hen te doden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat het hebben van een ernstige geestelijke stoornis (zoals een psychose), al dan niet als gevolg van het gebruik van medicijnen, slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg indien bij betrokkene ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake.

Uit de inhoud van bovengenoemde verklaringen alsmede uit de hiervoor weergegeven opeenvolgende, op de dood van Ruben en Suzanne gerichte, handelingen is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte ten tijde van haar handelen niet ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Dat het inzicht van verdachte betrekking had op een door een psychose verwrongen realiteit doet aan dat oordeel niet af.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door haar genomen besluit en dat zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) uiteindelijk tot het oordeel leiden dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Een stoornis die de gedragskeuzes of de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zodanig heeft beïnvloed dat het bewezen verklaarde niet aan hem kan worden toegerekend, sluit niet uit dat er sprake is van voorbedachte raad.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, 289, 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[jw.sys.1.datum_vonnis_strafzitting]Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 19.830337-12

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 28 januari 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

thans verblijvende in[detentieadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 19 maart 2013 (pro forma), 11 juni 2013 (pro forma), 27 juni 2013 (pro forma), 04 juli 2013 (pro forma), 01 oktober 2013 (pro forma), 01 november 2013 (regie) en 14 januari 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Westerhuis, advocaat te Drachten.

De tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

zij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 21 december 2012 tot en met 23 december 2012 te [plaats delict], althans in Nederland, opzettelijk en met

voorbedachten rade (haar zoon) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, haar zoontje met een kussen verstikt en/of met een riem/ceintuur, althans door middel van samendrukkend geweld op de hals/keel gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1]is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 23 december 2012 te [plaats delict], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade (haar dochter) [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met de door haar, verdachte, bestuurde auto, waarin tevens haar dochter zat, in een diepe sloot nabij de[plaats delict] in het water is gereden en/of toen de auto in het water was beland, tegen haar dochter heeft gezegd dat ze de auto niet mocht verlaten, en/of (daarbij) haar dochter aan haar be(e)n(en) heeft getrokken teneinde haar te beletten de auto te verlaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B.G. van der Burg: acht hetgeen onder 1 en onder 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen, acht verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar, vordert dat verdachte mitsdien wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, vordert dat de rechtbank gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd, en bepaalt dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (conform artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht). De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/nabestaande] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 2.763,70 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op zondag 23 december 2012 te 09:14 uur en 09:17 uur kwam bij de Meldkamer Noord Nederland een melding1 binnen van [getuige] dat er een auto te water was geraakt in het [plaats delict] en dat er nog een jongen van twee jaar in de auto aanwezig zou zijn.

Toen de verbalisanten[verbalisanten]2[verbalisanten]3 ter plaatse kwamen troffen zij ter hoogte van perceel [plaats delict] een man en een vrouw aan. Het betrof melder[getuige]en verdachte [verdachte]. [getuige] wees hen de plaats aan waar de auto in het water lag. Tevens gaf[getuige] aan dat bij hem in de woning een 7-jarig meisje aanwezig was dat ook in de auto had gezeten.

Verbalisanten zagen dat de auto helemaal onder water lag. Verbalisant [verbalisant] heeft met een life hammer het dakraam van de auto ingeslagen en in de auto gevoeld of er nog iemand aanwezig was. Hij voelde achter de voorstoel een hand. Hij heeft de hand vastgegrepen en het lichaam van een jongetje uit de auto getrokken. Hij heeft dit jongetje vervolgens aan zijn collega[verbalisant]4 en de inmiddels aanwezige ambulancemedewerkers overgegeven. Reanimatie door de ambulancemedewerkers mocht niet meer baten. Tijdens de reanimatie bleek dat om de hals/nek van het jongetje een riem van een badjas strak was vastgeknoopt. Dit jongetje was[slachtoffer 1], zoon van verdachte [verdachte].

In de woning van getuige [getuige] werd [slachtoffer 2], dochter van verdachte [verdachte], aangetroffen. [slachtoffer 2] zei tegen de verbalisanten dat haar moeder had gezegd dat zij niet uit de auto mocht.

Feiten 1 en 2

Bewijsmotivering

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Hieronder volgt de zakelijk weergegeven opsomming van de inhoud en van de vindplaats van deze bewijsmiddelen, waarbij (in de voetnoten) verwezen wordt naar de paginanummering in het originele dossier.

- Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant]5, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik heb samen met verbalisant [verbalisant] de verdachte overgebracht naar het politiebureau in Hoogeveen. Ik hoorde de verdachte duidelijk verstaanbaar tegen mij zeggen: “Ik zei tegen [slachtoffer 2] we moeten dood.” Ik hoorde haar vervolgens zeggen: “Het heeft toch geen zin meer, mijn kind is dood”. Ik heb aan verdachte gevraagd ‘wie bedoel je”? Ik hoorde de verdachte zeggen: “[slachtoffer 1]”. “Ik heb hem gewurgd, gestikt”. “Met een kussen”. Vervolgens hoorde ik verdachte zeggen: “ [slachtoffer 2] is uit het raam geklommen en zei Mama niet doen”. “[slachtoffer 2] zat achterin, [slachtoffer 1] had ik in een doosje gedaan en in de kofferbak gelegd”. “Ik reed achteruit….vol….en wilde het water in.”. “Ik zei tegen [slachtoffer 2] we moeten dood”. “Het komt ook door de financiële problemen. Hoe moet ik voor hem zorgen? Ik kan het niet meer aan, er knapte iets in mij. Ik heb gezegd we gaan naar de hemel”.

- Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant]6, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik was met verdachte in het ziekenhuis. Ik hoorde verdachte zeggen: “Ik wilde met de kinderen naar de hemel. Ik heb mijn zoontje doodgemaakt en mijn dochter [slachtoffer 2]….oh, ik heb alles kapotgemaakt”. Ik vroeg haar het volgende: Waar heb je je zoontje gedood? Verdachte: “Thuis”. Hoe heb je dit gedaan? Verdachte: “Verstikking, gewurgd”. Waarmee heb je dit gedaan? Verdachte: “Met een kussen”. (…) Vervolgens hoorde ik dat verdachte zei dat zij achteruit het water was ingereden en dat zij dood wilde. Ik hoorde dat zij zei dat haar dochter achterin de auto zat. Ik hoorde dat zij zei dat zij tegen [slachtoffer 2] had gezegd “[slachtoffer 2] we moeten dood”. Ik hoorde dat zij zei dat zij [slachtoffer 1] in een doosje achterin de auto had gelegd.

- Het proces-verbaal van inverzekeringstelling7, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Het gaat al een tijdje niet goed met mij, ik heb al enige tijd flitsen in mijn hoofd dat mijn kinderen dood moeten en dan weer flitsen dat zij niet dood moeten. Vannacht heb ik [slachtoffer 1], mijn zoontje van 2 jaar met een kussen laten stikken. Hij spartelde nog en direct daarna heb ik hem met de ceintuur van mijn badjas gewurgd. Vanmorgen heb ik hem in een grote doos gedaan en hem dood in de auto gezet en ben samen met mijn dochtertje van 7 jaar, [slachtoffer 2], in de auto naar [plaats delict] gereden. Vlak bij [plaats delict] heb ik mijn auto bewust in een diepe sloot gereden. Ik ben bewust achteruit het water ingereden.

- Het proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 23 december 2012 te 16:03 uur8, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik weet dat ik het kussen bij [slachtoffer 1] op zijn hoofd deed, ik dacht hij moet dood, hij moet dood. Ik zie het wel voor mij… Dat was bij mij op de slaapkamer. (…)

Ik zei tegen [slachtoffer 2] dat ik niet meer voor haar kon zorgen. Ik zei ook steeds we moeten dood.9 (…)

Ik heb hem een prop in zijn mond en tape erover en toen kussen en daar ben ik op gaan zitten. Zo van je moet dood.10

Op een gegeven moment ging ik eraf en toen huilde hij. Ik heb hem vastgehouden en toen drukte ik hem weer van mij af. (…) Hij was wit en … ik dacht dat hij dood was. Ik stop hem dan in een doosje. Een kerstpakket doosje.11

Op de vraag van de verbalisant “Wat kun je over een riem en een badjas vertellen?”:

Ik weet nog dat ik hem in handen had, ik weet het niet meer.12

- Het proces-verbaal van verbalisant[verbalisant]13inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat op de plaats delict delen van een kartonnen doos zijn aangetroffen en dat deze waren voorzien van het opschrift “Merry Christmas” en “Happy New Year”.

- De verklaring van de getuige [getuige]14 die verdachte en [slachtoffer 2] als eerste heeft aangetroffen op de [plaats delict], inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ze vertelde mij dat zij in de sloot was gereden. Nadat ik het haar meerdere malen had gevraagd zei zij uiteindelijk dat haar zoontje van 2 nog in de auto zat. Verder heb ik de moeder tegen mij horen zeggen dat zij haar zoontje had vermoord.

Het meisje vertelde dat de moeder vanmorgen geprobeerd had zich in de brand te steken. Ook hoorde ik het meisje vertellen dat zij van haar moeder niet uit de auto mocht.

- De verklaring van[slachtoffer 2]15, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Mijn moeder reed achteruit de sloot in. Ik kwam er net uit door het raam. Ze wou zichzelf in de fik steken.16

We gingen eerst even praten, dat was nog in de nacht. Toen pakte ze een slang en iets wat heel veel vuur geeft. Toen probeerde ze zich in de fik te steken. Toen moest ik haar steeds uit de keuken halen en de aanstekers weggooien. Toen gingen we naar oma. Eerst reed zij verkeerd. Toen ging zij achteruit en toen reed zij opeens de sloot in.17

Ze zei dat ze bijna dood ging en ze wou niet alleen dood gaan en toen wou ze mij ook in de fik steken. Gelukkig werkte het vuur niet. Ik wist waarom ik niet uit de auto mocht. Ik moest ook verdrinken.18

[slachtoffer 1] was al bij oma. Hij was nergens in het huis.19

We zaten in de auto. Mama voorin en ik achterin. Verder niemand. En mijn knuffels en fotoboeken. Want als zij dood gaat dan kan ik haar niet meer zien en dan heb ik de foto’s nog.20

Ik wist dat ze verkeerd reed want ik weet de hele buurt uit mijn hoofd en bij het eerste kruispunt moet je links. En mama ging rechtdoor. Ik zei je gaat verkeerd. Toen ging ze pas links en toen kwam ze bij die brug. Toen wilde ze eerst over de brug maar toen was ze het plannetje vergeten. Toen herinnerde ze het weer en toen ging ze achteruit en toen reed ze het water in.21

Ze reed heel hard het water in. Ik ben met mijn hoofd tegen het plafond geknald. Ik draaide het raampje open. Ik ben achter mama langs door het raampje gegaan.22

- Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant], inhoudende de lijkschouw23 van [slachtoffer 1], kort en zakelijk weergegeven:

De lijkschouw vond plaats op 23 december 2012 om 13:15 uur. In het mortuarium waren aanwezig [naam], verbalisant van forensische en technische expertise, GGD arts [GGD arts] en verbalisant [verbalisant]. Mij, verbalisant [verbalisant], werd medegedeeld dat [arts MMT] van het Mobiel Medisch Team de dood van [slachtoffer 1] had vastgesteld. Om de nek van het slachtoffer zat een lichtblauw badstoffen ceintuur. Tevens zat door deze ceintuur een ivoorkleurig lint gevlochten. De ceintuur om de nek van het slachtoffer werd ten behoeve van het onderzoek doorgeknipt. Om 13:55 uur werd vastgesteld dat de lijkstijfheid reeds was ingetreden. Door de arts [GGD arts] en verbalisant [naam] werden striemen om de nek en huisverkleuringen aan het gezicht en schouders vastgesteld. Het tijdstip van overlijden kon niet worden vastgesteld.

- Het proces-verbaal van forensisch onderzoek van verbalisant [naam]24, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Op zondag 23 december 2012 te 10:15 uur werd door mij forensisch onderzoek verricht naar aanleiding van het aantreffen van het levenloze lichaam van [slachtoffer 1]. Op het moment dat het lichaam van het slachtoffer door hulpverleners uit de auto werd gehaald werd er door de hulpverleners geconstateerd dat het lichaam van het kind reeds stijf en koud aanvoelde. Tevens werd er om de hals van het kind een “strop” aangetroffen van een blauwe ceintuur van badstof. Onder deze ceintuur was in de huid van de hals insnoerletsel zichtbaar. Het kind werd gereanimeerd door leden van de ambulance en een arts van het Mobiel Medisch Team. Daarbij werd onder meer de lichaamstemperatuur gemeten: deze was 23,7 graden Celsius. Tevens is tijdens de reanimatie niet lichaamseigen materiaal in de mondholte aangetroffen. De trauma arts van het MMT heeft uiteindelijk de dood geconstateerd. Het tijdstip van overlijden is niet vastgesteld.

- Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 februari 201325 inhoudende het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van [slachtoffer 1], inhoudende als conclusie, kort en zakelijk weergegeven:[slachtoffer 1], 2,5 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van bij leven opgelopen omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals. Het in de hals aanwezige snoerspoor past bij de door de hulpverleners aangetroffen om de hals geknoopte riem van een badjas. In de mondholte zijn voorts drie verfrommelde witte gaasjes aangetroffen. Op grond van het ontbreken van letsels aan de slijmvliezen van de mond/keelholte is het waarschijnlijker dat de gaasjes postmortaal zijn ingebracht dan dat ze bij leven zijn ingebracht.

Overweging ten aanzien van de door de verdediging overgelegde stukken:

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte de haar ten laste gelegde feiten heeft begaan als gevolg van het gebruik van venlafaxine. Om dit standpunt te onderbouwen heeft de verdediging een aantal rapporten in het geding gebracht en verzocht deze aan te merken als deskundigenrapporten, te weten de rapporten van S. Eikelenboom-Schieveld d.d. 9 januari 2014, Y. Lucire d.d. 5 januari 2014 en A.D. Barclay d.d. 10 januari 2014.

De rechtbank stelt vast dat geen van de door de verdediging overgelegde rapporten een causaal verband aantoont tussen het gebruik van venlafaxine door verdachte en de aan haar verweten strafbare feiten. In deze rapporten wordt slechts aangegeven op welke wijze venlafaxine van invloed geweest zou kunnen zijn op het gedrag van verdachte.

De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat de overgelegde rapporten niet van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvorderingen en zij zal deze rapporten in deze zaak daarom niet aanmerken als deskundigenrapporten. De rechtbank zal genoemde rapporten bij de beoordeling dan ook buiten beschouwing laten.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde opzet:

De raadsvrouwe heeft als verweer gevoerd dat bij verdachte geen opzet aanwezig was. Volgens de raadsvrouwe is verdachte door de bijwerkingen van het medicijn venlafaxine in een toxische disbalans geraakt en heeft acathesie ontwikkeld. Hierdoor beschikte zij niet meer over een vrije wil en kan geen sprake zijn van het willens en wetens plegen van de tenlastegelegde strafbare feiten. De raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de door haar overgelegde rapportages van S. Eikelenboom-Schieveld d.d. 9 januari 2014, Y. Lucire d.d. 5 januari 2014 en A.D. Barclay d.d. 10 januari 2014.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of er bij verdachte sprake was van opzet op de gepleegde delicten het volgende.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in de onderhavige zaak het geval. Uit de hiervoor in de bewijsmiddelen omschreven opeenvolgende gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte zowel ten aanzien van [slachtoffer 1] als ten aanzien van [slachtoffer 2] heeft gehandeld met het opzet om hen te doden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat het hebben van een ernstige geestelijke stoornis (zoals een psychose), al dan niet als gevolg van het gebruik van medicijnen, slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg indien bij betrokkene ten tijde van haar handelen ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake.

Uit de inhoud van bovengenoemde verklaringen alsmede uit de hiervoor weergegeven opeenvolgende, op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gerichte, handelingen is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte ten tijde van haar handelen niet ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Dat het inzicht van verdachte betrekking had op een door een psychose verwrongen realiteit doet aan dat oordeel niet af.

De rechtbank verwerpt het standpunt van de raadsvrouwe dat verdachte door de aan haar voorgeschreven medicatie (venlafaxine) acathisie heeft ontwikkeld en dat zij de delicten heeft uitgevoerd in een toxische disbalans nu dit niet aannemelijk is gemaakt of geworden.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot de onder 1 en onder 2 tenlastegelegde voorbedachte raad:

De raadsvrouwe heeft voorts als verweer gevoerd -zakelijk weergegeven- dat in onderhavige zaak, gelet op de bijwerkingen van de venlafaxine geen sprake kan zijn van voorbedachte raad. Verdachte heeft gehandeld in een waan, veroorzaakt door een plotseling optredende intoxicatie, waardoor geen sprake was van kalm beraad en rustig overleg en er ook geen gelegenheid was om over de betekenis en gevolgen van haar voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank overweegt allereerst in algemene zin het volgende. Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door haar genomen besluit en dat zij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) uiteindelijk tot het oordeel leiden dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Een stoornis die de gedragskeuzes of de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zodanig heeft beïnvloed dat het bewezen verklaarde niet aan hem kan worden toegerekend, sluit niet uit dat er sprake is van voorbedachte raad.

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat het dossier te weinig informatie bevat om de exacte feitelijke gang van zaken te kunnen reconstrueren met betrekking tot, onder meer, het tijdsverloop, het tijdstip van overlijden van [slachtoffer 1], wat aan zijn overlijden vooraf ging en of sprake was van een hevige ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij verdachte.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het bestanddeel voorbedachte raad en daarmee van de primair tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1].

Met betrekking tot de onder 2 tenlastegelegde poging tot moord op [slachtoffer 2] acht de rechtbank de handelingen zoals deze blijken uit de hiervoor weergegeven verklaringen van [slachtoffer 2] en verdachte van belang. Verdachte heeft eerst geprobeerd om zichzelf en [slachtoffer 2] in brand te steken. Toen dat niet lukte heeft zij enige tijd later geprobeerd om [slachtoffer 2] te verdrinken. Dat zij hierbij doelgericht handelde blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 2], uit de feitelijke handelingen (verdachte is verkeerd gereden, gestopt, en vervolgens het water ingereden), haar mededelingen over ‘dood moeten’, en de langere tijdspanne waarin deze handelingen plaatsvonden.

Onder voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op de betekenis en gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de doelgerichtheid van het handelen en hetgeen zij tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd blijkt niet dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Derhalve acht de rechtbank de voorbedachte raad en daarmee de tenlastegelegde poging tot moord op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen.

Dat verdachte in een psychose verkeerde en volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht maakt dit oordeel niet anders.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op een tijdstip in de periode van 22 december 2012 tot en met 23 december 2012 te [plaats delict], opzettelijk (haar zoon) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet haar zoon met een riem/ceintuur

gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

zij op 23 december 2012 te [plaats delict], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade (haar dochter) [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met de door haar, verdachte, bestuurde auto, waarin tevens haar dochter zat, in een diepe sloot nabij de [plaats delict] in het water is gereden en toen de auto in het water was beland, tegen haar dochter heeft gezegd dat ze de auto niet mocht verlaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen dient als volgt te worden gekwalificeerd:

onder 1: doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: poging moord,

strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd, aangezien zij conform het advies zoals neergelegd in de rapportage van het PBC d.d. 12 juni 2013 en bevestigd door de deskundige A.C. Bruijns ter terechtzitting, in verband met de ernst en complexiteit van de psychopathologie en het daarmee samenhangende verhoogde recidivegevaar, een intensieve, gedwongen behandeling met een goed beveiligingsniveau aangewezen acht. Een gedwongen psychiatrische opname voor de duur van maximaal een jaar in het kader van een maatregel ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, gevolgd door een ambulant traject acht de officier van justitie onvoldoende waarborg en van te korte duur om het recidivegevaar voldoende te beperken, nu niet zonder meer kan worden uitgegaan van de stelling van verdachte dat sprake is van een stabiele relatie, van afwezigheid van een kinderwens en van een sociaal vangnet.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (PBC), d.d. 12 juni 2013, opgemaakt door A.C.Bruijns, psychiater en B.H. Boer, klinisch psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Onderzoekers omschrijven deze bevindingen, kort en zakelijk weergegeven, als volgt:

In diagnostische zin kan worden geconcludeerd dat er bij verdachte al langere tijd sprake is van een gevoeligheid voor het ontwikkelen van psychoses. Sinds de geboorte van het zoontje [slachtoffer 1] in juni 2010 staat, vooral bij vermoeidheid, de realiteitstoetsing van verdachte onder druk, ten gevolge waarvan er geregeld achterdochtig getinte waanideeën en betrekkingsideeën ontstaan. Ook treedt af en toe het verschijnsel op dat het erg druk wordt in haar hoofd. Deze sensitiviteit voor het ontwikkelen van psychoses, geclassificeerd als een psychotische stoornis niet anderszins omschreven, vormt de ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

De gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens wordt bij verdachte bepaald door de persoonlijkheidsproblematiek, die wel ernstig van aard is, maar niet voldoet aan de criteria van een persoonlijkheidsstoornis volgens de regels van het classificatiesysteem dat wordt gehanteerd (DSM-IV-TR). Uit het klinisch onderzoek alsmede uit het psychologisch testmateriaal blijkt dat verdachte een kwetsbare, zwak gestructureerde persoonlijkheid heeft, die niet goed bestand is tegen spanningen. In stressvolle omstandigheden en met name als verdachte daarbij ook nog vermoeid is, schiet de impulsregulatie tekort en kunnen stemmingsschommelingen en woede-uitbarstingen optreden. Ook de realiteitstoetsing komt dan sterk onder druk te staan, wat bij verdachte kan leiden tot dissociatie en psychose.

De onderzoekers trekken de conclusie dat er bij verdachte in de directe aanloop tot de tenlastegelegde feiten een toenemende psychische ontregeling heeft plaatsgevonden. Het bizarre gedrag van verdachte en haar even vreemde uitspraken, zoals die in de periode van de tenlastegelegde feiten in de verklaringen van haar dochter [slachtoffer 2] naar voren komen, wijzen erop dat de psychische ontregeling escaleert in een psychotische decompensatie. Op basis van dit gegeven, samen met de verklaringen van verdachte zelf bij de verhoren door de politie, kort na de tenlastegelegde feiten, komen onderzoekers tot de conclusie dat verdachte in de periode van de tenlastegelegde feiten psychotisch is geweest.

Uit het toxicologisch onderzoek dat door het NFI is verricht, blijkt dat de concentratie van het antidepressivum venlafaxine in het bloed van verdachte, dat werd afgenomen vlak na de tenlastegelegde feiten, hoger is dan de therapeutische concentratie. De onderzoeker van het NFI plaatst bij de gevonden concentratie de opmerking ‘dat hiervan toxische effecten te verwachten zijn’. Verdachte geeft tijdens het PBC-onderzoek te kennen dat zij veel van de gebeurtenissen van de betreffende avond, nacht en ochtend, is vergeten. Ook weet zij zich, naar eigen zeggen, niet meer te herinneren of zij een grote hoeveelheid venlafaxine heeft ingenomen. Op basis van de uitkomst van het toxicologisch onderzoek is het aannemelijk dat dit wel het geval is geweest. Het wordt niet duidelijk of dit in het kader van een suïcidepoging zou zijn gebeurd. Ook is het niet bekend wanneer verdachte de hoge dosering zou hebben ingenomen en of de psychotische ontregeling vóór of na die mogelijke inname is opgetreden.

Volgens onderzoekers is het daarom niet met zekerheid te stellen, maar beslist niet uit te sluiten, dat een acute verhoging van de dosering van het middel de psychische toestand van verdachte kan hebben beïnvloed en dat de psychotische vertekening, de sterke onrust en het agressieve gedrag deels te verklaren zijn als gevolg van een overdosering venlafaxine. Onderzoekers achten echter, ook los van een eventuele invloed van het medicatiegebruik op verdachtes psychische toestand, haar eerdergenoemde psychotische- en persoonlijkheidsproblematiek van doorslaggevende invloed op haar functioneren ten tijde van de tenlastegelegde feiten.

De conclusie van het BPC-onderzoek is dat een psychotische ontregeling het gedrag van verdachte uiteindelijk volledig heeft bepaald en onderzoekers adviseren de rechtbank om verdachte op grond hiervan volledig ontoerekeningsvatbaar te achten voor de ten laste gelegde feiten. Onderzoekers tekenen hierbij aan dat de mogelijkheid dat de psychotische vertekening van de realiteit zou zijn beïnvloed door toxische medicatie-effecten geen afbreuk doet aan deze conclusie.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusies en maakt die tot de hare.

Het bewezen geachte kan verdachte derhalve wegens een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, te weten een psychose, niet worden toegerekend.

Verdachte dient terzake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij haar oordeel in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is door spanningen voortvloeiende uit haar laatste zwangerschap en relationele problemen in een depressie terecht gekomen. Deze toestand is vervolgens, mogelijk onder invloed van medicijnen, verergerd en daarbij is verdachte psychotisch geworden. In deze toestand heeft verdachte haar zoon [slachtoffer 1] om het leven gebracht en heeft zij getracht om haar dochter [slachtoffer 2] door verdrinking om het leven te brengen.

Het hoeft geen nader betoog dat dit zeer ernstige strafbare feiten zijn, gepleegd tegen twee jonge kinderen, waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn. Aan de nabestaanden is met het overlijden van de pas tweejarige [slachtoffer 1] veel verdriet berokkend, zoals onder andere is gebleken uit de slachtofferverklaring van de vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De rechtbank weegt voorts mee dat ook verdachte een groot verlies te dragen heeft en moet leven met het besef dat zij haar eigen kinderen dit heeft aangedaan.

Voor deze door verdachte gepleegde feiten, de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, past in beginsel slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet echter op hetgeen hiervoor omtrent de psychische toestand van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde is overwogen, komt de rechtbank hier niet aan toe, maar zal zij verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de persoonlijk omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen in de reeds genoemde rapportage van het PBC, van de rapportages van de gedragsdeskundigen T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus d.d. 28 oktober 2013 en van A. de Jong, gz- psycholoog d.d. 24 oktober 2013, en zoals die voorts ter terechtzitting zijn gebleken.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 november 2013 waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld.

Uit het rapport van het PBC komt , zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende naar voren:

De gevoeligheid van verdachte voor het ontwikkelen van psychoses, in combinatie met het kwetsbare en grillige karakter van de persoonlijkheidsproblematiek en met de beperkte zelfreflectie, zijn bij het gevaar op recidive van vergelijkbare delicten als de huidige ten laste gelegde feiten van groot belang. De klinische indruk van onderzoekers is dat het recidivegevaar voor doding van eigen (eventueel nieuwe) kinderen verhoogd is, dat er geen aanwijzingen zijn voor gevaar voor anderen dan eigen kinderen en dat suïcidegevaar aanwezig is. Bij de klinische inschatting van het recidivegevaar spelen de jonge leeftijd van verdachte, haar sterke behoefte aan een relatie en een mogelijke kinderwens een duidelijke rol.

In verband met de ernst en complexiteit van de psychopathologie en het daarmee samenhangende verhoogde recidivegevaar achten onderzoekers een intensieve, gedwongen behandeling met een hoog zorg- en beveiligingsniveau geïndiceerd. Geadviseerd wordt om de maatregel van tbs met bevel tot verpleging op te leggen.

Uit de rapportages van de deskundigen Van Os en De Jong komt, zakelijk weergegeven, het navolgende naar voren:

Opname in een psychiatrisch ziekenhuis (behandeling in het kader van een artikel 37 Sr maatregel) met een beveiligingsniveau van een FPA is afdoende om het verlies van [slachtoffer 1] te verwerken, een delict scenario op te stellen en een terugvalpreventieplan te maken, inclusief het leren signaleren van de voortekenen door verdachte en haar familiesysteem van psychotische verschijnselen en hierop adequaat te reageren. Onderzoekers zien geen aanwijzingen voor vlucht- of een acuut delictgevaar. Van belang is dat de psychotische ontregeling zich heeft aangekondigd en niet zomaar uit de lucht kwam vallen. Dat achten onderzoekers van belang met het oog op het voorkomen van recidive, omdat verdachte kan leren om de voortekenen van psychotische verschijnselen te herkennen en daarop adequate actie te ondernemen. Voorafgaande aan het haar tenlastegelegde was verdachte enkele dagen ontregeld. Indien nodig kan na opname in een psychiatrisch ziekenhuis een (ambulante) behandeling in een vrijwillig kader volgen. Verdachte heeft zich eerder in een vrijwillig kader laten opnemen en laten behandelen.

Gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte heeft zij weliswaar een intensieve therapeutische behandeling nodig, maar dat hoeft volgens onderzoekers niet plaats te vinden binnen een setting met een hoog zorg- en beveiligingsniveau, mede ook omdat verdachte geen gevaar vormt voor andere dan eigen kleine kinderen en de kinderwens afwezig is. Een behandeling in het kader van een maatregel ex artikel 37 Wetboek van Strafrecht kan daarom volstaan.

De rechtbank neemt voornoemde bevindingen en adviezen van Van Os en De Jong over en maakt deze tot de hare. De rechtbank overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Uit voornoemde rapportages van de onderzoekers van het PBC alsmede van Van Os en De Jong en de toelichting daarop ter terechtzitting door de getuigen-deskundigen Bruijns en Van Os, komt naar voren dat een mogelijk recidiverisico zich toespitst op gevaar voor (eigen) kinderen en suïcidegevaar. Factoren die in dit kader van belang zijn, zijn de aan- of afwezigheid van een stabiele partnerrelatie, een kinderwens en een sociaal vangnet, waarbij een mogelijke kinderwens van doorslaggevende betekenis is voor het ontstaan van een gevaarsrisico. De rechtbank constateert dat op dit moment geen kinderen aan de zorg van verdachte zijn toevertrouwd. Het ligt niet voor de hand om aan te nemen dat [slachtoffer 2] in de nabije toekomst aan de zorg van verdachte zal worden toevertrouwd. Van andere (nieuwe) kinderen die enig gevaar zouden kunnen lopen is op dit moment geen sprake. De rechtbank verwacht voorts dat verdachte en haar directe omgeving de voortekenen van psychotische verschijnselen zullen leren herkennen en zullen leren hoe zij daar adequaat mee moeten omgaan. Gelet hierop acht de rechtbank, anders dan de onderzoekers van het PBC, het recidiverisico, nodig om een tbs met dwangverpleging op te kunnen leggen, onvoldoende aanwezig.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de veiligheid van verdachte en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen eist van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de door de wetgever maximaal toegestane duur van één jaar.

Benadeelde partij/nabestaande [benadeelde partij/nabestaande]

Door de benadeelde partij/nabestaande [benadeelde partij/nabestaande] (vader van [slachtoffer 1]) is een vordering tot vergoeding van geleden materiële schade ingediend ten bedrage van € 2.763,70 bestaande uit de kosten van de uitvaart van [slachtoffer 1] en kosten voor een grafmonument.

De rechtbank is van oordeel dat zij op dit moment over onvoldoende gegevens beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen bepalen. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat partijen nog gehuwd waren ten tijde van het ontstaan van de schade en dat de boedelscheiding nog moet worden afgewikkeld. Gelet hierop zal de rechtbank in deze procedure niet overgaan tot het beoordelen van de vordering van de benadeelde partij nu dit zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, hij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 37, 45, 289 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank:

- verklaart bewezen dat het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan,

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij,

- stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld,

- verklaart de verdachte niet strafbaar voor de bewezenverklaarde strafbare feiten en ontslaat haar te dier zake van alle rechtsvervolging,

- gelast wegens deze feiten de volgende maatregel:

de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter en mrs. J.G. de Bock en M.A.A. van Capelle, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 28 januari 2014.

1 Pag 32 en 33 van het proces-verbaal van de Politie Noord Nederland, recherche Zuidwest Drenthe, van het onderzoek 03JUNCO 03DRW12027, met proces-verbaal nummer 2012091405;

2 Pag 34 e.v.;

3 Pag 39 e.v.;

4 Pag 41 e.v.;

5 Pag 45 e.v.;

6 Pag 49 e.v.;

7 Pag 491 e.v.;

8 Pag 170 e.v.;

9 Pag 172;

10 Pag 174;

11 Pag 175;

12 Pag 176;

13 Pag 486;

14 Pag 391 e.v.;

15 Pag 354 e.v.;

16 Pag 355;

17 Pag 358;

18 Pag 359;

19 Pag 364 en 365;

20 Pag 373;

21 Pag 375;

22 382;

23 Pag 347;

24 Pag 1 e.v.;

25 Pag 79 e.v.; NFI rapport d.d. 14 februari 2013 opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog, met bijlagen;