Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3729

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
C/18/145368/FA RK 13-2937
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet formele stiefouder in casu wel onderhoudsplichtig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0006

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknr.: C/18/145368/ FA RK 13-2937

beschikking d.d. 29 juli 2014

in de zaak van:

[naam],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. K.J. Kanning,

en

[naam],

wonende te [adres],

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R. de Lange.

PROCESVERLOOP

De vrouw heeft op 20 december 2013 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend. Daarin wordt verzocht bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de man met ingang van 20 december 2013 aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen [naam] een bedrag van € 398,71 per maand dient te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht. Daarnaast is vaststelling van een zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] verzocht.

Op 18 februari 2014 heeft de man een verweerschrift ingediend, waarin wordt verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen. Bij zelfstandig verzoek wordt vaststelling van een zorg- en contactregeling tussen de man en[minderjarige] verzocht. Ook wordt vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage van € 156,-- per maand verzocht, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht. Daarnaast wordt verzocht partijen gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten.

Op 17 maart 2014 is tegen het zelfstandig verzoek van de man met betrekking tot het gezag een verweerschrift van de vrouw ter griffie ontvangen.

Op 8 april 2014 is ter griffie een draagkrachtberekening van de man ontvangen met daaraan ten grondslag liggende financiële stukken.

Op 10 april 2014 zijn ter griffie aanvullende stukken van de vrouw ontvangen.

De rechtbank heeft partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord ter zitting met gesloten deuren van 18 april 2014. De advocaten van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitaantekeningen.

Op 23 april 2014 is ter griffie een brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw ontvangen.

Op 6 mei 2014 zijn ter griffie stukken van de advocaat van de man ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

- zij hebben een affectieve relatie gehad;

- uit deze relatie is geboren het minderjarige kind:

*[naam], op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats],

- de man heeft[minderjarige] erkend;

- [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw;

- de vrouw oefent het gezag uit over[minderjarige];

- partijen spraken in het verleden af dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw een bedrag van € 230,-- per maand zou betalen;

- de man heeft een nieuwe partner die drie kinderen uit een eerdere relatie heeft;

- de man heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk;

- de vrouw is gehuwd met de heer[naam] die twee kinderen heeft uit een vorige relatie.

Gezag

De man heeft verzocht partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over Maik te belasten. De vrouw heeft met dit verzoek ingestemd. Gelet hierop, en nu niet is gebleken dat de belangen van Maik zich hiertegen verzetten, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen, zoals onder de beslissing vermeld.

Zorg- en contactregeling

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man [minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij zich ontvangt, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de vrouw [minderjarige] naar zijn vader brengt en de man het ene omgangsweekend Maik bij de vrouw terugbrengt en de grootvader (m.z.) [minderjarige] het andere omgangsweekend terugbrengt bij de vrouw.

De man kan zich vinden in de door de vrouw verzochte regeling, met dien verstande dat er in de regeling ook tijden worden opgenomen, in die zin dat de vrouw [minderjarige] op vrijdag om 17:00 uur bij de man brengt en de man [minderjarige] het ene omgangsweekend op zondag rond 19:30 uur bij de vrouw terugbrengt en de grootvader (m.z.) het andere omgangsweekend om 18:00 uur. De vrouw heeft tegen deze aanvulling geen bezwaren geuit, zodat de rechtbank deze regeling zal vaststellen, nu niet is gebleken dat de belangen van [minderjarige] zich hiertegen verzetten.

Kinderalimentatie

Voor de vaststelling van de behoefte en de door de man te betalen kinderalimentatie zal de rechtbank de nieuwe rekenmethode, zoals deze geldt vanaf 1 januari 2013 respectievelijk 1 april 2013 toepassen.

Onderhoudsplicht man

Partijen verschillen van mening over de vraag of de man onderhoudsplichtig is jegens de drie kinderen van zijn huidige partner met wie hij niet is gehuwd of een geregistreerd partnerschap heeft, maar met wie hij wel samenwoont. De rechtbank overweegt dat volgens recente jurisprudentie een doorbreking van het in de wet neergelegde stelsel, waarin is opgenomen dat enkel de formele stiefouder onderhoudsplichtig is, mogelijk is in het geval er sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM tussen de nieuwe partner van de verzorgende ouder en zijn of haar minderjarige kinderen. Family life brengt namelijk ook financiële verplichtingen, zoals aanspraak op levensonderhoud, met zich. Het in de wet gemaakte onderscheid tussen een formeel en niet formeel stiefouderschap voortvloeiend uit een samenleving, is niet gerechtvaardigd en zou in de wijze van het berekenen van de alimentatie een ongewenste ongelijkheid tussen de twee categorieën van stiefkinderen met zich brengen.

De man heeft onweersproken gesteld dat hij sinds 2009 samenwoont met zijn huidige partner en dat haar drie kinderen (hoofdzakelijk) in hun gezin verblijven. Daarnaast heeft hij onweersproken gesteld dat hij sinds geruime tijd een groot deel van de kosten van hun verzorging en opvoeding betaalt, ingegeven door het feit dat hun vader sinds mei 2013 geen onderhoudsbijdrage meer levert, omdat hij werkeloos is geworden, en de financiële situatie van zijn partner het niet toelaat om volledig in hun behoefte te voorzien. Ten bewijze hiervan heeft de man op 8 april 2014 en 6 mei 2014 ter griffie stukken overgelegd met betrekking tot het inkomen van zijn partner respectievelijk de financiële situatie van de vader van deze kinderen.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van family life tussen de man en de drie kinderen van zijn nieuwe partner, zodat van de man gevergd kan worden dat hij bijdraagt in de kosten van hun verzorging en opvoeding. Dit betekent dat de draagkracht van de man verdeeld dient te worden over zes kinderen, te weten over zijn twee kinderen uit een eerder huwelijk, over [minderjarige] en de drie kinderen van zijn huidige partner.

Behoefte [minderjarige]

Bij het bepalen van de behoefte van de kinderen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen. Daartoe dient allereerst het netto besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van de samenleving te worden bepaald. Niet in geschil is dat het netto gezinsinkomen ten tijde van de verbreking van de samenwoning in 2006 € 3.574,-- per maand bedroeg. Hierop dient het bedrag dat de man destijds voor zijn twee kinderen uit een eerder huwelijk uit hoofde van zijn alimentatieverplichting jegens hen betaalde, in mindering te worden gebracht. De man heeft gesteld dat hij destijds een bedrag van € 260,-- per kind per maand betaalde, terwijl de vrouw gemotiveerd heeft gesteld dat hij een bedrag van € 230,-- per kind per maand voldeed. Gezien de gemotiveerde betwisting door de vrouw van de niet nader onderbouwde stelling van de man, zal de rechtbank op voornoemd bedrag aan netto gezinsinkomen een bedrag van € 230,-- per kind per maand in mindering brengen, zodat het voormalig netto gezinsinkomen wordt vastgesteld op € 3.114,-- per maand. Uitgaande van 4 kinderbijslagpunten bedroeg de behoefte van [minderjarige] conform de tabel eigen aandeel kosten kinderen in 2006 afgerond € 474,-- per maand, dit is geïndexeerd in 2013 afgerond € 545,-- per maand. Hierop dient het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt van € 45,-- per maand in mindering te worden gebracht, zodat de behoefte van [minderjarige] wordt vastgesteld op afgerond € 500,-- per maand.

Behoefte overige kinderen

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de behoefte van de twee kinderen van de man uit zijn eerdere huwelijk, alsook van zijn drie stiefkinderen enerzijds, en de behoefte van de twee kinderen van de echtgenoot van de vrouw anderzijds, gelijk kunnen worden gesteld aan de behoefte van [minderjarige]. Dit houdt in dat de behoefte van elk van deze kinderen € 500,-- per maand bedraagt.

Draagkracht vrouw

De vrouw heeft gesteld dat zij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had, welke overeenkomst op 4 november 2013 is verlopen en niet is verlengd. Zij spant zich, onder meer via diverse uitzendbureaus, in om een nieuwe baan te vinden, maar dit heeft tot op heden nog geen resultaten opgeleverd. Zij heeft thans geen inkomen, zodat zij geen draagkracht heeft.

De man heeft gesteld dat aan de kant van de vrouw sprake is van verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies en dat zij in staat moet worden geacht een inkomen van minimaal

€ 1.500,-- bruto per maand te genereren. De man heeft zich, nu de vrouw zich onvoldoende inspant om haar verdiencapaciteit te verzilveren, op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van een fictieve draagkracht van de vrouw ten bedrage van € 135,-- per maand.

De rechtbank overweegt dat uit de brief van het UWV van 13 november 2013 blijkt dat de vrouw na beëindiging van haar dienstverband op 4 november 2013 in beginsel recht had op een WW-uitkering, maar dat deze niet is verstrekt omdat zij niet aan de zogenoemde wekeneis voldeed. Op grond hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat de vrouw niet verwijtbaar werkeloos is geworden. Gelet hierop en het feit dat de vrouw, mede gezien de huidige arbeidsmarkt, enige tijd moet worden gegund om een nieuwe baan te vinden, passeert de rechtbank de stelling van de man dat van een fictieve draagkracht moet worden uitgegaan. Nu de vrouw op dit moment geen inkomen heeft, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen draagkracht heeft. De vrouw heeft evenwel aangegeven dat kan worden uitgegaan van een minimale draagkracht van € 25,-- per maand, zodat de rechtbank haar draagkracht op dit bedrag vaststelt. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw zich blijft inspannen om een nieuwe baan te vinden, zodat zij in de nabije toekomst ook weer kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige].

Draagkracht man

Voor de vaststelling van het inkomen van de man gaat de rechtbank, gelet op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting, uit van het inkomen zoals dat blijkt uit de door hem overgelegde jaaropgave 2013. Hierin zijn alle inhoudingen en bijtellingen verwerkt. Voorts zijn hierin reeds alle fiscaal relevante inkomsten opgenomen, zoals de door de man ontvangen bonus en overige vergoedingen, zodat hiermee niet meer afzonderlijk rekening dient te worden gehouden. De man heeft een auto van de zaak. Nu uit de overgelegde salarisstroken niet blijkt dat de man deze auto ook privé gebruikt, in welk geval hij een fiscale bijtelling zou hebben, behoeft het inkomen van de man ter zake dit punt ook geen correctie. Uit het voorgaande volgt dat de man een besteedbaar inkomen heeft van € 3.531,-- per maand, inclusief vakantiegeld, bonus en overige vergoedingen.

De man heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met de kosten van vervoer ten bedrage van € 50,-- per maand die hij moet maken om [minderjarige] na een omgangsweekend terug te brengen bij de vrouw. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw ervoor heeft gekozen om te verhuizen en 135 km van de man vandaan te gaan samenwonen met haar echtgenoot. De vrouw is van mening dat deze last buiten beschouwing moet worden gelaten.

De rechtbank zal, nu sprake is van een niet vermijdbare en niet verwijtbare substantiële last, hiermee rekening houden door deze last bij het draagkrachtloos inkomen van de man te tellen.

De rechtbank berekent, gelet op het voorgaande, de draagkracht van de man als volgt:

30% x € 3.531,-- plus € 860,-- plus € 50,-- aan reiskosten ter zake omgang =

€ 1.969,-- (= draagkrachtloos inkomen)

  • -

    € 3.531,-- minus € 1.969,-- = € 1.562,--

  • -

    70% van € 1.562,-- = afgerond € 1.093,-- per maand.

Zoals reeds overwogen is de man onderhoudsplichtig voor zes kinderen. Aangezien wordt aangenomen dat de behoefte van alle kinderen gelijk is, heeft de man 1/6 deel van zijn draagkracht beschikbaar voor [minderjarige], dit is afgerond € 182,-- per maand.

Gelet op de hoogte van de draagkracht maakt de man aanspraak op fiscaal voordeel. Aan de hand van de tabel aftrek uitgaven levensonderhoud kinderen berekent de rechtbank het fiscaal voordeel op een bedrag van afgerond € 50,-- per maand voor [minderjarige]. Hieruit volgt dat de totale voor [minderjarige] beschikbare draagkracht van de man (€ 182,-- plus € 50,--) € 232,-- per maand, inclusief fiscaal voordeel, bedraagt. Ten overvloede wordt overwogen dat het fiscaal voordeel per 1 januari 2015 komt te vervallen.

Nu partijen twisten over de hoogte van het te hanteren zorgpercentage, zal de rechtbank, gelet op de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige], conform de Tremanormen uitgaan van een zorgpercentage van 15% van de geïndexeerde en gecorrigeerde behoefte van [minderjarige]. Dit betreft een bedrag van afgerond € 75,-- per maand (15% x € 500,-- per maand).

Draagkracht echtgenoot vrouw

Niet in geschil is dat de echtgenoot van de vrouw, die twee kinderen uit een eerdere relatie heeft, onderhoudsplichtig is jegens [minderjarige]. Voor de vaststelling van zijn inkomen gaat de rechtbank, gelet op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting, uit van het inkomen zoals dat blijkt uit de overgelegde jaaropgave 2013. De man heeft gemotiveerd gesteld dat de echtgenoot van de vrouw naast dit inkomen zwarte inkomsten heeft uit zijn handel in auto’s, zodat hiermee rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van zijn netto besteedbaar inkomen. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat de man hobbymatig af en toe een auto koopt, deze opknapt en weer verkoopt. Deze hobby is kostendekkend. Nu de man zijn stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd, zal de rechtbank zijn stelling passeren en met deze inkomsten derhalve geen rekening houden. Uit het voorgaande volgt dat de echtgenoot van de vrouw een besteedbaar inkomen heeft van € 1.873,-- per maand, inclusief vakantiegeld.

De rechtbank berekent vervolgens zijn draagkracht als volgt:

  • -

    30% x € 1.873,-- plus € 860,-- = € 1.422,-- (= draagkrachtloos inkomen)

  • -

    € 1.873,-- minus € 1.422,-- = € 451,--

  • -

    70% van € 451,-- = afgerond € 316,-- per maand.

De echtgenoot van de vrouw is onderhoudsplichtig voor drie kinderen. Gelet op het feit dat wordt aangenomen dat de behoefte van alle kinderen gelijk is, is 1/3 van zijn draagkracht beschikbaar voor [minderjarige], dit is afgerond € 105,-- per maand.

Onderhoudsbijdrage

De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 500,-- per maand. De beschikbare draagkracht van de man is € 232,-- per maand, inclusief fiscaal voordeel. De vrouw heeft een draagkracht van € 25,-- per maand en haar echtgenoot heeft een draagkracht van € 105,-- per maand. De totale draagkracht bedraagt derhalve € 362,-- per maand. Het tekort aan draagkracht is (€ 500,-- minus € 362 =) € 138,-- per maand. Dit tekort vermindert de zorgkorting waarop de man ten aanzien van [minderjarige] aanspraak maakt, in die zin dat dit tekort gelijkelijk wordt toegerekend aan de man (€ 46,--), de vrouw (€ 46,--) en haar echtgenoot (€ 46,--). Een en ander leidt ertoe dat de man, na aftrek van de zorgkorting minus 1/3 van het tekort, inclusief fiscaal voordeel, met een bedrag van € 203,-- per maand kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding [minderjarige].

BESLISSING

bepaalt dat de man en de vrouw gezamenlijk het gezag over het minderjarige kind van partijen [naam], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats], uitoefenen;

stelt de volgende zorg- en contactregeling vast:

de man is gerechtigd [minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij zich te ontvangen, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de vrouw [minderjarige] op vrijdag om 17:00 uur bij de man brengt en de man het ene omgangsweekend [minderjarige] op zondag rond 19:30 uur bij de vrouw terugbrengt en de grootvader (m.z.) [minderjarige] het andere omgangsweekend op zondag om 18:00 uur bij de vrouw terugbrengt;

bepaalt dat de man, met ingang van 20 december 2013, aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] een bedrag van € 203,-- per maand, inclusief fiscaal voordeel, moet voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.Th. Buijtenhuijs, rechter, en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 29 juli 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

WJD

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden, of - voor zover het een beschikking betreft, waarbij de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is uitgesproken - op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is betekend en door plaatsing van een uittreksel daarvan in de Staatscourant openlijk bekend is gemaakt.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.