Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3687

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
AWB LEE 13_447
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder in het boekjaar 2007/2008 terecht een bedrag van € 1.305.239 als bestemmingswijzigingswinst, heeft aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2417
V-N Vandaag 2014/2110
V-N 2014/65.30.21

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE AWB 13/447

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 17 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder]).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2008 met dagtekening 29 juli 2011 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.271.706 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 102.428.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 3.841 aan heffingsrente vergoed.

Bij uitspraken op bezwaar van 18 december 2012 is verweerder gedeeltelijk aan de bezwaren van eiser tegemoet gekomen. Verweerder heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.141.229 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 102.428. De te vergoeden heffingsrente heeft verweerder overeenkomstig aangepast.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].

Overwegingen

Feiten

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser is geboren op [dag] [maand] 1953 en heeft in het (boek)jaar 2008 een melkveehouderij te [woonplaats] geëxploiteerd. Het boekjaar liep van 1 mei tot en met 30 april.

1.2

Eiser heeft op 17 september 1996 een koopovereenkomst gesloten met [X] BV te [plaats] (de koopovereenkomst). Per 13 september 1999 heeft [Y] BV te [plaats] [X] BV als rechtsopvolger bij deze overeenkomst opgevolgd. De koopovereenkomst betrof de verkoop van eisers boerderij met landerijen en aanhorigheden, gelegen aan de [straat] te [woonplaats], groot in totaal 20.39.10 hectare. De verkoopprijs was ƒ 32 (€ 14,52) per centiare.

1.3

In de bij 1.2 vermelde koopovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“De koop is gesloten onder de volgende:

BEDINGEN

notariële akte van levering

Artikel 1

a. Het verkochte zal eventueel in fases worden overgedragen.

De voor de overdracht vereiste akte(n) van levering zal/zullen worden verleden ten overstaan van [notaris] of [notaris], notarissen ter standplaats de gemeente [gemeente], of hun plaatsvervanger, binnen 3 maanden nadat de bestemming van het verkochte onherroepelijk is gewijzigd, zodanig dat koper het verkochte kan gebruiken als hierna in artikel 5 lid 6 bedoeld en er gestart kan worden met de bouw van woningen op het verkochte, doch niet eerder dan 73

maanden na heden of zoveel later als partijen nader zullen overeenkomen.

b. Indien voor minder dan 10 hectare van het verkochte de bestemming is gewijzigd, zoals hierna bedoeld in artikel 5 lid 6, wordt dat deel overgedragen en wordt de koopsom berekend als volgt:

aantal over te dragen centiares x f 32,--.

c. 1. Indien voor 10 hectare van het verkochte de bestemming is gewijzigd, zoals hierna bedoeld in artikel 5 lid 6, wordt dat deel overgedragen, alsmede 1

hectare grond met daarop de gebouwen en wordt de koopsom vastgesteld op vier miljoen gulden (f 4.000.000,--);

-- 2. Indien voor meer dan 10 hectare van het verkochte de bestemming is gewijzigd, zoals hierna bedoeld in artikel 5 lid 6, wordt dat deel overgedragen en wordt de koopsom berekend als volgt:

voor de eerste 10 hectare wordt de koopsom vastgesteld op vier miljoen gulden (f 4.000.000,--);

---- a. mocht de totale koopsom, berekend door het aantal over te dragen centiares te vermenigvuldigen met f 32,-- meer bedragen dan vier miljoen gulden zal dit meerdere eveneens betaald moeten worden en zal dus de koopsom de som zijn van deze twee bedragen.

---- b. mocht de totale koopsom, berekend door het aantal over te dragen centiares te vermenigvuldigen met f 32,-- gelijk zijn aan of minder bedragen dan vier miljoen gulden behoeft er niet bijbetaald te worden.

Aan deze akte zal een, door partijen gewaarmerkte, berekening worden gehecht, waarop diverse mogelijkheden worden uitgewerkt.
(…)

Artikel 4

Binnen 1 maand na heden zal koper aan verkoper een bedrag betalen van twee honderd drie duizend gulden (f 203.000,--), welke betaling zal plaatsvinden via het kantoor van de notaris.

Deze betaling moet worden gezien als een aanbetaling en zal met de betaling van de eerste koopsom worden verrekend.

Indien de overeenkomst ontbonden wordt, om redenen waarvan verkoper niet de oorzaak is, behoeft dit bedrag niet terug betaald te worden.

feitelijke levering, staat van het verkochte

Artikel 5

(…)

3.

De feitelijke levering van het verkochte zal in beginsel geschieden bij de ondertekening van de notariële akte van levering. Indien de feitelijke levering plaatsvindt op een ander tijdstip dan bij de ondertekening van de notariële akte van levering, eindigt de zorgplicht van de verkoper per het tijdstip van feitelijke levering tenzij anders overeen te komen.

(…)

6.

Koper is voornemens het verkochte te gebruiken als bouwgrond ten behoeve van de bouw van woningen en de daarbij behorende infrastructuur, zoals trottoirs, groenstroken, wegen, fietspaden, waterpartijen e.d., zulks in het kader van het/de in ontwikkeling zijnde/komende bestemmingsplan(nen) ter plaatse.

Verkoper staat er voor in dat er geen privaatrechtelijke belemmeringen zijn voor dit (beoogde) gebruik van het verkochte; verkoper heeft terzake van de publiekrechtelijke mogelijkheden van woningbouw op het verkochte geen garantieverplichting jegens koper.

(…)

risico-overgang, beschadiging

Artikel 12

1.

Het verkochte komt eerst voor risico van koper, zodra de notariële akte van levering is ondertekend, tenzij de feitelijke levering eerder plaatsvindt, in welk geval het risico met ingang van die dag overgaat op koper. Tot dat moment is verkoper verplicht de woonboerderij ten genoegen van koper naar herbouwwaarde casu quo nieuwwaarde verzekerd te houden en goed te onderhouden.

2.

Indien het verkochte vóór het tijdstip van risico-overgang anders dan door toedoen van de koper, geheel of gedeeltelijk verloren gaat of in meer dan geringe mate wordt beschadigd, is verkoper verplicht koper daarvan onverwijld in kennis te stellen en is deze overeenkomst van rechtswege ontbonden, tenzij binnen vier weken nadat het onheil is geschied, maar in ieder geval vóór de in artikel 1 genoemde datum van levering:

— a. koper niettemin uitvoering van de onderhavige overeenkomst verlangt, in welk geval verkoper aan koper zal overdragen:

het verkochte in de staat waarin het zich alsdan bevindt, alsmede - zonder enige bijzondere tegenprestatie naast de overeengekomen koopprijs - alle rechten, welke verkoper terzake van vorenbedoelde schade, hetzij uit hoofde van verzekering, hetzij uit anderen hoofde jegens derden kan doen gelden;

of,

— b. verkoper verklaart de schade vóór de in artikel 1 genoemde datum van levering dan wel binnen vier weken nadat deze is ontstaan voor zijn rekening te zullen herstellen.

(…)



ontbindende voorwaarde

Artikel 18

(…)
2. Indien de bestemming van (een gedeelte van) het verkochte 15 jaar na heden niet is gewijzigd, zoals bedoeld in artikel 5 lid 6, kunnen verkoper en/of koper deze overeenkomst ontbinden, zonder dat een der partijen tot schadevergoeding gehouden zal zijn.
(…)”

1.4

[X] BV heeft op 19 november 1996 schriftelijk verklaard dat de gronden naar haar verwachting de eerste tijd nog niet voor woningbouw in aanmerking zouden komen. Naar verwachting zou dit volgens [X] BV nog zeker 7 tot 8 jaar duren.

1.5

Bij aanvullende overeenkomst van 18 juli 2000 tussen [X] BV en eiser is er voor gronden ter grootte van in totaal 1.20.00 hectare een uitzondering gemaakt op de 73-maandenclausule van artikel 1, onder a, van de koopovereenkomst (zie 1.3), omdat koper deze gronden al eerder nodig had voor het aanleggen van een wegtracé. De juridische levering van dit perceel heeft op verzoek van koper dus plaatsgevonden voordat 73 maanden waren verstreken na het sluiten van de koopovereenkomst. De belastingschade die eiser hierdoor leed, heeft koper aan verkoper vergoed.

1.6

In de loop van het jaar 2007 is de bestemming van de in de koopovereenkomst genoemde percelen gewijzigd in woningbouw. Blijkens een ontwerp-akte van levering van 6 december 2007 heeft eiser op 11 december 2007 10.73.89 hectare cultuurgrond aan [Y] BV geleverd voor een bedrag van € 1.681.936,11, onder aftrek van de reeds betaalde aanbetaling van € 92.117,38 (laatstgenoemd bedrag komt overeen met het in artikel 4 van de koopovereenkomst genoemde bedrag van ƒ 203.000). Daadwerkelijke levering heeft op 11 december 2007 plaatsgevonden bij akte van levering die gelijk is aan genoemde ontwerp-akte. [Y] BV heeft de cultuurgrond bij dezelfde akte doorgeleverd aan de Gemeente [woonplaats]; de levering door eiser heeft rechtstreeks aan de gemeente plaatsgevonden.

1.7

Eiser heeft de bij de levering van 11 december 2007 behaalde verkoopopbrengst verantwoord in de jaarrekening over het boekjaar 2007/2008. In de aangifte IB/PVV 2008 heeft eiser op de gehele verkoopwinst de landbouwvrijstelling toegepast.

1.8

Verweerder is bij de aanslagregeling afgeweken van eisers aangifte, door de op 11 december 2007 behaalde verkoopopbrengst als bestemmingswijzigingswinst te belasten. Deze winst is daarbij berekend op € 1.450.213, waarbij verweerder is uitgegaan van het verschil tussen de verkoopprijs ten tijde van de levering van 11 december 2007 en de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) per 17 september 1996. Blijkens de brief van 11 juli 2011 heeft verweerder het belastbare inkomen uit werk en woning als volgt vastgesteld:


Inkomen uit werk en woning volgens de aangifte: -/- € 38.170
Bij: meer winst uit onderneming: +/+ € 1.450.213
Af: meer MKB-winstvrijstelling: -/- € 145.021
Bij: minder zelfstandigenaftrek: +/+ € 4.684
Belastbaar inkomen uit werk en woning: € 1.271.706

1.9

In bezwaar heeft verweerder de bestemmingswijzigingswinst opnieuw bepaald, ditmaal uitgaande van de WEVAB per 11 december 2007. De aldus bepaalde winst heeft verweerder berekend op € 1.305.239. Dientengevolge heeft verweerder de aanslag in bezwaar als volgt verminderd:

Eerder vastgestelde belaste bestemmingswijzigingswinst: € 1.450.213
Nieuw vastgestelde belaste bestemmingswijzigingswinst: € 1.305.239

Verschil: € 144.974

Eerder vastgesteld belastbaar inkomen: € 1.271.706
Af: minder belaste bestemmingswijzigingswinst: -/- € 144.974
Bij: minder MKB-winstvrijstelling: +/+ € 14.497
Nieuw vastgesteld belastbaar inkomen: € 1.141.229

Geschil en beoordeling

2.

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder in het boekjaar 2007/2008 terecht een bedrag van € 1.305.239 als bestemmingswijzigingswinst, heeft aangemerkt. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend, verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend.

3.

Ter onderbouwing van zijn standpunt voert eiser – kort gezegd – aan, dat de bij 1.3 vermelde koopovereenkomst een overeenkomst onder ontbindende voorwaarde is. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat deze ontbindende voorwaarde is opgenomen in artikel 18, tweede lid, van de koopovereenkomst. Dit betekent volgens eiser dat de koopovereenkomst in 1996 verbindend is geworden. Eiser heeft gesteld dat hij daarom de mogelijkheid had om de verkoopwinst reeds in het boekjaar 1996/1997 aan te geven, maar dat hij tevens de keuze had om de winst pas bij levering in 2007 te nemen. Voor deze laatste mogelijkheid heeft eiser gekozen. Omdat eiser de landbouwgrond na 17 september 1996 nog ten minste 73 maanden in zijn landbouwonderneming heeft gebruikt, dient hetgeen in 2007 is ontvangen boven de WEVAB van de landbouwgrond onder de landbouwvrijstelling te vallen, aldus eiser. Eiser mocht er, toen hij in 1996/1997 koos voor winstneming op het latere moment van levering, op vertrouwen dat de toenmalige wettelijke regeling – op grond waarvan de bestemmingswijzigingswinst onbelast kon worden genoten – voor hem zou blijven gelden tot en met dat latere moment van levering. Het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel verzetten zich, zowel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur als in de hoedanigheid van beginselen van behoorlijke wetgeving, tegen de opvatting van verweerder. Eiser heeft hierbij gewezen op het bepaalde in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

Ten slotte heeft eiser ter zitting betoogd dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verhindert dat de bestemmingswijzigingswinst wordt belast.

4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde, welke eerst werking krijgt op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld. Met betrekking tot de cultuurgrond die op 11 december 2007 is geleverd (zie 1.6), heeft de vervulling van de voorwaarde pas in 2007 plaatsgevonden. Dat brengt mee dat de winst, behaald met de in 2007 gerealiseerde verkoop, in het boekjaar 2007/2008 in de heffing dient te worden betrokken overeenkomstig de dan geldende wet- en regelgeving.

5.

Ter zitting hebben partijen verklaard zich te kunnen vinden in de cijfermatige uitwerking van elkaars standpunten.

6.

Op grond van artikel 3:38, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht, tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit. Ingevolge de artikelen 6:21 en 6:22 van het BW is een verbintenis voorwaardelijk, wanneer bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige en onzekere gebeurtenis afhankelijk is gesteld. Opschortend is de voorwaarde, bij welker vervulling de werking der verbintenis een aanvang neemt. Ontbindend is de voorwaarde, bij welker vervulling de werking der verbintenis vervalt.

7.

Naar het oordeel van de rechtbank is de tussen eiser en [X] BV gesloten overeenkomst te kwalificeren als een koopovereenkomst aangegaan onder een opschortende voorwaarde, te weten het onherroepelijk worden van de (publiekrechtelijke) bestemming “woningbouw”. De rechtbank overweegt dat, gelet op de bepalingen in de koopovereenkomst, de voor de overdracht vereiste akte(n) van levering pas zullen worden verleden nadat de bestemming is gewijzigd in woningbouw en de koper ook daadwerkelijk kan starten met het bouwen van woningen (zie artikel 1 in verbinding met artikel 5, zesde lid, van de overeenkomst) en dat het verkochte in beginsel pas voor risico van de koper komt zodra de akte van levering is ondertekend (artikel 12, eerste lid, van de overeenkomst). Voorgaande bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, leiden naar het oordeel van de rechtbank tot het oordeel dat de uit de koopovereenkomst voortvloeiende verbintenissen pas werking krijgen op het moment waarop deze – opschortende – voorwaarde is vervuld. Dat is het moment waarop voor het registergoed onherroepelijk de bestemming “woningbouw” vaststaat, in casu dus: in 2007 (zie 1.6).

8.

Dat de koopovereenkomst volgens artikel 18, tweede lid kon worden ontbonden ingeval de bestemming niet zou zijn gewijzigd binnen 15 jaar na het sluiten van de overeenkomst, maakt niet dat er sprake is van een ontbindende voorwaarde in de door eiser bedoelde zin. De verbintenissen uit de overeenkomst hebben daarmee immers niet reeds in 1996 werking gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is er onverminderd sprake van een opschortende voorwaarde, zij het dat deze in artikel 18, tweede lid, van de koopovereenkomst aan een tijdsbepaling is onderworpen. Deze tijdsbepaling maakt echter niet dat sprake is van een ontbindende voorwaarde. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

9.

Eiser heeft voorts gesteld dat hij heeft kunnen kiezen voor winstneming op het tijdstip van de verkoop of bij latere levering. Ook als eisers stelling juist zou zijn, kan deze hem naar het oordeel van de rechtbank niet baten, reeds omdat hij de keuze voor winstneming ten tijde van de verkoop niet daadwerkelijk heeft gemaakt. Daarom faalt deze beroepsgrond.

10.1

Eiser heeft voorts een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als beginselen van behoorlijke wetgeving. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst geldende wettelijke regeling – op grond waarvan de bestemmingswijzigingswinst onbelast kon worden genoten – voor hem zou blijven gelden tot en met dat latere moment van levering. Mede gelet op hetgeen eiser ter zitting heeft ingebracht, vat de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel tevens op als een beroep op schending van artikel 14 EVRM of van artikel 26 IVBPR.


10.2 De wet- en regelgeving, zoals deze ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst op 17 september 1996 golden, brachten mee dat een bestemmingswijzigingswinst onder de landbouwvrijstelling zou vallen, mits er tussen de verkooptransactie en het moment van realisatie van de niet-agrarische bestemming meer dan zes jaren zouden zijn verstreken. De vigerende wet- en regelgeving op het moment van de levering op 11 december 2007 had tot gevolg dat de bestemmingswijzigingswinst belast was, ongeacht de verstreken tijd tussen de verkooptransactie en het moment van realisatie van de niet-agrarische bestemming.

10.3

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Uitgaande van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde en de mogelijkheid van winstneming op het tijdstip van de verkoop of bij latere levering, kunnen twee situaties worden onderscheiden. Met betrekking tot de keuze voor winstneming op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst is de situatie van eiser niet gelijk aan de situatie van belastingplichtigen die hebben gekozen voor directe winstneming, omdat eiser deze keuze niet heeft gemaakt. Met betrekking tot de winstneming op het moment van latere levering wordt eiser niet ongelijk behandeld ten opzichte van andere belastingplichtigen die dezelfde keuze (voor latere winstneming) hebben gemaakt. Er is in beide situaties dus geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

10.4

Zo er al sprake zou zijn van gelijke gevallen, is de wetgever is naar het oordeel van de rechtbank gebleven binnen de hem op dit gebied toekomende ruime beoordelingsmarge, ook zonder daarbij voor gevallen als de onderhavige in overgangsrecht te voorzien. De rechtbank overweegt in dit verband dat een wetswijziging naar haar aard meebrengt dat onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen die zich hebben voorgedaan vóór dan wel na het tijdstip met ingang waarvan de nieuwe regeling van toepassing is. Een dergelijk onderscheid kan in beginsel niet als discriminatie worden aangemerkt. Anders zou de wetgever de mogelijkheid worden ontnomen om wetten in te voeren of te wijzigen, bijvoorbeeld naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen of gewijzigde beleidsinzichten (vgl. HR 14 juni 2013, nr. 12/03630, ECLI:NL:HR:2013:BZ7857 en EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, Series A no. 102, punt 187). De rechtbank merkt hierbij nog op, dat het de wetgever er met de onderhavige wetswijziging juist om te doen is geweest, om een einde te maken aan de mogelijkheid voor belastingplichtigen om bewust de termijn van zes jaren op te zoeken om zo onbelaste waardestijgingen te realiseren (zie Kamerstukken II 1999/2000, 27 209, nr. 3, p. 18). Gezien het voorgaande is de wetswijziging naar het oordeel van de rechtbank ook niet van elke redelijke grond ontbloot.

10.5

Het voorgaande brengt mee dat er geen sprake is van een schending van artikel 14 EVRM of van artikel 26 IVBPR, noch van enig beginsel van behoorlijke wetgeving. Eisers stellingen slagen niet.

10.6

Voor het overige kan de rechtbank de (wijziging van de) wet- en regelgeving niet beoordelen. De Wet Inkomstenbelasting 1964, alsook de Wet inkomstenbelasting 2001, zijn wetten als bedoeld in artikel 120 van de Grondwet, zodat het de rechtbank niet is toegestaan om deze wetten te toetsen op hun grondwettigheid. Evenmin staat het de rechtbank, gezien het bepaalde in artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wetten te beoordelen.

10.7

De beroepsgronden genoemd bij 10.1 falen.

11.1

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: Eerste Protocol EVRM) in de weg staat aan belastingheffing over de bestemmingswijzigingswinst, omdat sprake is van een verboden inbreuk op het recht van eigendom in de zin van dat artikel.

11.2

In zijn arrest van 3 april 2009 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (ECLI:NL:HR:2009:BC2816):

Het is vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Dat artikel houdt in, aldus eveneens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk of rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn. Deze rechtsgeldigheid veronderstelt dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. In artikel 1 Eerste Protocol ligt eveneens besloten dat de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient na te streven. Ten slotte brengt artikel 1 Eerste Protocol mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (''fair balance'') tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe.

11.3

Artikel 1 Eerste Protocol EVRM tast uitdrukkelijk niet het recht van de verdragsluitende staten aan om belasting te heffen, mits daarbij de in het EVRM gegarandeerde rechten worden gerespecteerd. Vaststaat dat de onderhavige heffing over de bestemmingswijzigingswinst is vastgelegd in een wet en dat de belasting wordt geheven van een ieder die een dergelijke opbrengst realiseert. Dat er voor eiser sprake zou zijn van een individuele en buitensporige last in voormelde zin heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.

11.4

De enkele hoop of verwachting dat te zijner tijd een vrijstelling zal gelden is voorts onvoldoende voor een geslaagd beroep op een verboden inbreuk als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. Artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM beschermt niet de verwachting dat de belastingwet, zoals geldend tot 27 juni 2000, ongewijzigd zou blijven tot na het moment waarop bedoelde waardestijging zich zou vertalen in een voor de belastingheffing in aanmerking te nemen inkomst (vgl. HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3037).

11.5

Naar het oordeel van de rechtbank faalt dus ook de beroepsgrond inzake artikel 1 Eerste Protocol EVRM.

12.1

Ten slotte heeft eiser ter zitting nog aangevoerd dat in het onderhavige geval ook het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, ditmaal op te vatten als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de belastingheffing over de bestemmingswijzigingswinst verhinderen.

12.2

Het gelijkheidsbeginsel is naar de mening van eiser geschonden, aangezien verweerder in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van Hof Arnhem 12 januari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL0265, ten aanzien van een zelfde overeenkomst het andersluidende standpunt heeft verdedigd dat er sprake is van een overeenkomst onder ontbindende voorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd echter niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat er hetzij sprake is geweest van begunstigend beleid, hetzij van een oogmerk van begunstiging, dan wel dat de meerderheidsregel in zijn geval van toepassing is. Het enkele feit dat verweerder ten aanzien van een andere belastingplichtige een ander standpunt heeft ingenomen, brengt nog niet mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

12.3

Eiser heeft zijn beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geconcretiseerd door te wijzen op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 juni 1990, nr. DB1998/821. Dit beroep kan eiser niet baten. De wetgeving ter uitvoering waarvan het aangehaalde besluit was genomen, was ten tijde van de onderhavige levering immers niet langer geldend. Reeds om deze reden kan dan geen beroep meer worden gedaan op het betreffende besluit.

12.4

Ook de beroepsgrond inzake de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan niet slagen.

13.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de vergoede heffingsrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de bij uitspraak op bezwaar vastgestelde beschikking heffingsrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de heffingsrente het bedrag van de aanslag volgt.

14.

De beroepen zijn ongegrond.

15.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, en mr. G.B.A. Brummer en mr. A. Heidekamp, leden, in aanwezigheid van mr. T.L. Gaarman-Jonkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.

De griffier is verhinderd te ondertekenen. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.