Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3655

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
18/670295-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, meermalen gepleegd. Slachtoffer door dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie aanwerven, vervoeren en huisvesten met het oogmerk van uitbuiting en bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutie en bewegen veroordeelde te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van het slachtoffer met een derde.

Slachtoffer aanwerven en meenemen met het oogmerk haar in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling en opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van het slachtoffer.

Slachtoffer is een kwetsbare Slowaakse jonge vrouw, die zich in zeer moeilijke economische en sociale omstandigheden bevond. Veroordeelde heeft haar bewogen om naar Nederland te gaan om daar in de prostitutie te gaan werken.

Onvoldoende bewijs voor medeplegen mensenhandel.

Overschrijding redelijke termijn.

Veroordeling tot betaling van schadevergoeding, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 273f, geldigheid: 2014-07-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/670295-10

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 juli 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te Tsjechië, [adres 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 juli 2014.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.J. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot 1 november 2005,

in de gemeente Groningen en/of gemeente Leeuwarden en/of (elders) in

Nederland, en/of in Tsjechie,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens)

A

een ander, te weten [slachtoffer 1], door dwang, geweld of een andere

feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben

(aan)geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1];

en/of

B

een ander, te weten [slachtoffer 1], heeft/hebben aangeworven en/of

medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land, te weten

Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

en/of

C

een ander, te weten [slachtoffer 1], door dwang, geweld of een andere

feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben

gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

arbeid en/of diensten dan wel onder voornoemde omstandigheden enige

handelingen heeft/hebben ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s)

wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor

beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

en/of

D

opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van een ander,

te weten [slachtoffer 1];

en/of

E

een ander, te weten [slachtoffer 1], door dwang, geweld of een andere

feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben

gedwongen dan wel heeft/hebben bewogen verdachte en/of zijn mededader(s) te

bevoordelen uit de opbrengst(en) van haar seksuele handelingen met of voor een

derde;

bestaande die dwang, dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

dreiging met geweld of andere feitelijkhe(i)d(en), misleiding dan wel dat

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

misbruik van een kwetsbare positie en/of dat getrokken voordeel en/of de

overige hierboven omschreven handelingen hieruit dat verdachte en/of zijn

mededader(s), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- die [slachtoffer 1] heeft verteld dat ze in Nederland in de prostitutie meer geld

kon verdienen, en/of

- een paspoort voor die [slachtoffer 1] heeft geregeld, en/of

- die [slachtoffer 1] vanuit het buitenland (Tsjechie) naar Nederland (Groningen)

heeft gebracht en/of laten brengen, al dan niet onder de valse voorstelling

van zaken dat zij, [slachtoffer 1], in Nederland, in vrijheid (veel meer) geld kon

verdienen met werkzaamheden als prostituee, en/of

- de reis van die [slachtoffer 1] (vanuit Tsjechie) naar Nederland geheel of

gedeeltelijk heeft betaald en/of geregeld, en/of

- die [slachtoffer 1] heeft verteld dat bij grenscontroles zij moest zeggen dat zij

op vakantie naar vrienden ging(en) in Nederland, en/of

- die [slachtoffer 1] in een kwetsbare positie heeft gebracht en/of gehouden doordat

zij, [slachtoffer 1], de Nederlandse taal niet machtig was en niet over inkomsten

beschikte, en/of

- die [slachtoffer 1] in een vitrine heeft geplaatst of laten plaatsen, althans een

kamer/vitrine voor haar heeft geregeld of laten regelen, en/of

- die [slachtoffer 1] als prostituee heeft laten werken en/of haar werktijden heeft

bepaald en/of instructies heeft gegeven, en/of

- die [slachtoffer 1] (onder meer telefonisch) onder controle heeft gehouden en/of

laten houden, door (onder meer) haar verdiensten door te laten geven en/of door

die [slachtoffer 1] dreigend een SMS-bericht te sturen met de tekst "Waarom neem je

de telefoon niet op, wacht maar dat ik kom dan zal ik je in elkaar slaan"

en/of door die [slachtoffer 1] te bellen dat ze niet mocht slapen, en/of

- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen door te werken als ze ongesteld was, en/of

- die [slachtoffer 1] (een groot deel) van de verdiensten uit de prostitutie aan

verdachte en/of zijn mededader(s) heeft laten afdragen, en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft gezegd dat zij niet met de politie mocht praten,

anders zou hij, verdachte, haar vermoorden en dat hij, verdachte, haar altijd

zou weten te vinden, en/of

- de SIM-kaart uit de telefoon van die [slachtoffer 1] heeft gehaald en/of de

telefoon van die [slachtoffer 1] heeft vernield, en/of

- een tas van die [slachtoffer 1], waarin zich de paspoort, geld, telefoon en

documenten van die [slachtoffer 1] bevonden, heeft weggenomen/afgepakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 1 mei 2006,

in de gemeente Groningen en/of (elders) in Nederland, en/of in Tsjechie,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens)

A

een ander, te weten [slachtoffer 2], door dwang, geweld of een andere

feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben

(aan)geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2];

en/of

B

een ander, te weten [slachtoffer 2], heeft/hebben aangeworven en/of

medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een ander land, te weten

Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

en/of

C

een ander, te weten [slachtoffer 2], door dwang, geweld of een andere

feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben

gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

arbeid en/of diensten dan wel onder voornoemde omstandigheden enige

handelingen heeft/hebben ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s)

wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor

beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

en/of

D

opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van een ander,

te weten [slachtoffer 2];

en/of

E

een ander, te weten [slachtoffer 2], door dwang, geweld of een andere

feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben

gedwongen dan wel heeft/hebben bewogen verdachte en/of zijn mededader(s) te

bevoordelen uit de opbrengst(en) van haar seksuele handelingen met of voor een

derde;

bestaande die dwang, dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

dreiging met geweld of andere feitelijkhe(i)d(en), misleiding dan wel dat

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

misbruik van een kwetsbare positie en/of dat getrokken voordeel en/of de

overige hierboven omschreven handelingen hieruit dat verdachte en/of zijn

mededader(s), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- die [slachtoffer 2] heeft verteld dat ze in Nederland in de prostitutie meer geld

kon verdienen, en/of

- die [slachtoffer 2] vanuit het buitenland (Tsjechie) naar Nederland (Groningen)

heeft gebracht en/of laten brengen, al dan niet onder de valse voorstelling

van zaken dat zij, [slachtoffer 2], in Nederland, in vrijheid (veel meer) geld kon

verdienen met werkzaamheden als prostituee, en/of

- de reis van die [slachtoffer 2] (vanuit Tsjechie) naar Nederland geheel of

gedeeltelijk heeft betaald (o.a. benzinekosten) en/of geregeld, en/of

- die [slachtoffer 2] in een vitrine heeft geplaatst of laten plaatsen, althans een

kamer/vitrine voor haar heeft geregeld of laten regelen, en/of

- die [slachtoffer 2] als prostituee heeft laten werken en/of haar werktijden heeft

bepaald en/of instructies heeft gegeven, en/of

- die [slachtoffer 2] (onder meer telefonisch) onder controle heeft gehouden en/of

laten houden, door (onder meer) haar verdiensten en/of het aantal klanten door

te laten geven, en/of

- die [slachtoffer 2] (een groot deel) van de verdiensten uit de prostitutie aan

verdachte en/of zijn mededader(s) heeft laten afdragen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Undue delay

Namens verdachte is betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat sprake is van een dusdanig ernstige mate van overschrijding van de redelijke termijn dat de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over deze kwestie niet van toepassing is en daarop een uitzondering moet worden gemaakt. Pas 7 jaar nadat de feiten zouden hebben plaatsgevonden, is er voor het eerst een vorm van objectief verhoor geweest door de rechter-commissaris. Daardoor is de kwaliteit van de waarheidsvinding ernstig in het gedrang gekomen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er weliswaar sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, maar dat dit volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Het verzuim dient tot strafvermindering te leiden. Daarbij heeft de officier van justitie aangegeven dat de zaak vanaf mei 2011 enkele malen op een zitting was gepland, maar dat de zaak telkens moest worden ingetrokken of aangehouden om verschillende redenen, waaronder een verzoek tot het horen van getuigen en verhindering van de raadsman. Vanaf 2013 is getracht de zaak opnieuw op zitting aan te brengen, maar de zaak moest toen telkens wijken voor andere, meer spoedeisende, zaken. Uiteindelijk is het pas in juli 2014 gelukt om de zaak op een zitting te plannen. Al met al is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leidt overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Deze vermindering is afhankelijk van de mate van overschrijding. De rechtbank stelt vast dat er aldus een jurisprudentiële regeling is voor de beoordeling van gevallen van overschrijding van de redelijke termijn, óók in (uitzonderlijke) gevallen als het onderhavige. In hetgeen door de raadsman is aangedragen, ziet de rechtbank geen reden om de voornoemde jurisprudentiële regeling niet van toepassing te achten op het onderhavige geval van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat de overschrijding van de redelijke termijn, zoals deze ook door de rechtbank wordt vastgesteld, zal moeten worden gecompenseerd door een verlaging van de eventueel op te leggen straf.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 sub A, B, D en E en het onder 2 sub B ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Van de overige onderdelen dient verdachte te worden vrijgesproken, evenals van het medeplegen. Bij het onder 1 ten laste gelegde kunnen alle feitelijke gedragingen worden bewezen.

Met betrekking tot het onder 1 sub B en 2 sub B ten laste gelegde heeft de officier van justitie daarbij opgemerkt dat verdachte beide vrouwen naar Nederland heeft gebracht, hetgeen door hem zelf ook wordt erkend. Bij dit onderdeel hoeft niet bewezen te worden dat sprake was van enig dwangmiddel. Het enkele oogmerk de vrouwen tot prostitutie te brengen is voldoende en dat oogmerk had verdachte, hij wist namelijk dat zij actief zouden zijn in de prostitutie.

Met betrekking tot het onder 1 sub A ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake was van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie en misleiding, gelet op de voorgeschiedenis die verdachte en [slachtoffer 1] samen hadden in Tsjechië voorafgaand aan hun komst naar Nederland en de gedragingen van verdachte daarna in Nederland. Met betrekking tot het onder 1 sub E ten laste gelegde heeft de officier van justitie opgemerkt dat sprake was van dwingen tot en bewegen tot.

De officier van justitie heeft tot slot aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer 1] betrouwbaar moet worden geacht, omdat deze aangifte op voldoende punten wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Voor wat betreft [slachtoffer 2] geldt dat haar verklaring niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, met uitzondering van het naar Nederland brengen, zoals ten laste gelegd onder sub B.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman van verdachte is gewezen op een mogelijke onregelmatigheid in het vooronderzoek, in die zin dat de zogenoemde Salduz-criteria mogelijk niet op een juiste wijze door de politie zijn toegepast bij de verhoren van verdachte. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om dit mogelijke verzuim te controleren.

De raadsman van verdachte heeft voorts vrijspraak bepleit van zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde. Daarbij heeft hij aangevoerd dat in het dossier melding wordt gemaakt en ook verklaringen zijn opgenomen van veel meer slachtoffers dan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Die zaken zijn echter niet aan verdachte ten laste gelegd. Ook verkrachting is niet ten laste gelegd. Hieruit valt af te leiden dat de politie en het openbaar ministerie zelf twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verschillende vrouwen. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt niet door enig ander bewijsmiddel ondersteund. [slachtoffer 1] beschikte ook steeds over haar paspoort, zodat zij op elk gewenst moment kon stoppen met werken voor verdachte. Voor wat betreft [slachtoffer 2] geldt dat haar verklaring als niet betrouwbaar moet worden aangemerkt, nu zelfs de rechter-commissaris die haar 7 jaar nadat de feiten zouden hebben plaatsgevonden heeft gehoord, twijfelde aan haar verklaring. Bovendien staat ook haar verklaring geheel op zichzelf en wordt deze niet ondersteund door ander bewijs. Uit haar verklaring blijkt tot slot dat zij volledig vrijwillig werkte, zodat van enige indicatie voor mensenhandel niet kan worden gesproken.

Beoordeling van het bewijs

Salduz-verweer

De rechtbank beschouwt het verweer niet als een nadrukkelijk onderbouwd standpunt, dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie met betrekking tot het daaraan te verbinden rechtsgevolg. Het verweer behoeft daarom geen bespreking.

Gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking heeft gehandeld met een of meerdere mededaders. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

De rechtbank acht met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde enkel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] naar Nederland heeft vervoerd/gebracht met het oogmerk haar ertoe te brengen zich in Nederland beschikbaar te stellen voor de prostitutie. Naast de verklaring van [slachtoffer 2] bevindt zich in het dossier onvoldoende bewijs dat haar verklaring kan ondersteunen, zodat deze verklaring voor het overige te zeer op zichzelf staat om tot wettig en overtuigend bewijs te komen. Van het anders dan onder 2 sub B ten laste gelegde zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

Bewijs met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

De inhoud van een zaaksdossier, onderzoek Vleugel, gesloten op 18 november 2010, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.

een ambtsedig proces-verbaal van aangifte, d.d. 26 januari 2006 (p. 767 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik kom uit Slowakije uit de plaats Nitra. Mijn ouders hebben mij als baby afgestaan, waardoor ik in een kindertehuis ben opgegroeid. Toen ik 18 jaar was, moest ik het kindertehuis verlaten en kon ik bij een vriendin die ik in het tehuis had leren kennen, wonen. Deze vriendin woonde bij haar vader die nogal veel alcohol dronk. Toen hij een keer teveel had gedronken, wees hij mij de deur. Ik heb toen drie dagen buiten rond gelopen en sliep op bankjes. Ik liep op straat toen er een auto stopte met zigeuners. Ze zeiden dat ik maar mee moest gaan naar Tsjechië en dat ik het daar veel beter zou krijgen. Ik wist niet wat ik moest doen en ben toen met hen meegegaan naar Tsjechië. Er zaten twee jongens in de auto, waarvan één genaamd [betrokkene 1]. Zij namen mij mee naar Teplice. Onderweg in de auto vertelden die jongens mij dat ze nog meer Slowaakse vrouwen in huis hadden die voor hen werkten. Zij vertelden ook dat deze vrouwen in de prostitutie werkten. Ik had geen onderdak en kon nergens naar toe. Ze namen mij mee naar een seksclub. [betrokkene 1] zei tegen mij dat ik ook in die seksclub moest werken. Ik heb mij toen niet verzet, omdat ik nergens anders onderdak had. Ik kon eigenlijk geen kant op. Ik ben toen in die seksclub gaan werken. Al mijn verdiende geld werd afgepakt. [betrokkene 1] verkocht mij vervolgens in Chomutov in club [naam] voor 1000 euro aan een man genaamd [verdachte]. Hierna moest ik voor [verdachte] werken in een bordeel in Chomutov. Ik kreeg een kamer in de woning van [verdachte]. [verdachte] zei dat ik al mijn verdiende geld aan hem moest geven, omdat ik de kosten terug moest betalen die hij voor mij had betaald. Hij zei ook dat ik nooit iets tegen de politie mocht vertellen. Ik heb zo'n drie jaar voor [verdachte] in de prostitutie gewerkt. Na een jaar werd het steeds moeilijker om veel geld te verdienen. [verdachte] werd toen agressief tegen mij. In het tweede jaar begon hij mij te slaan en wilde hij ook seks met mij. Hij werd steeds agressiever en dwong mij tot seks. Hij schopte en sloeg mij op mijn hele lichaam.

Volgens mij was het begin 2005 toen [betrokkene 2] contact opnam met [verdachte]. [betrokkene 2] stelde voor om naar Nederland te gaan om daar in de prostitutie te werken, omdat je daar meer kon verdienen. Ik had geen paspoort en ging met [verdachte] naar Slowakije om een paspoort voor mij te regelen. Dit was op 14 februari 2005. Hierna vertrokken wij met drie auto's naar Nederland. Ik ging met een zilverkleurige Citroën Picasso van [verdachte] vanuit Tsjechië naar Nederland.

Wij reden naar de prostitutiebuurt in Groningen. We gingen met z’n allen naar [getuige 1] om een vitrine te huren. Wij huurden een vitrine van [getuige 1] voor 450 euro per week. De mannen hebben dit bedrag rechtstreeks aan [getuige 1] betaald, want we hadden zelf geen geld. Daarna hebben we condooms en gel gekocht wat ook door de mannen werd betaald. Nadat de mannen de eerste huur voor de vitrine hadden betaald, moesten wij daarna zelf de vitrine betalen van ons verdiende geld. Wij zijn daarna direct in de vitrine gaan werken. Wij mochten niet langer dan drie uur rusten en moesten dan al weer gaan werken.

Hierna belde [verdachte] mij iedere dag hoeveel geld ik had verdiend. Na zes dagen had ik 2000 euro verdiend, waarna [verdachte] vanuit Tsjechië naar Groningen kwam om het geld op te halen. Ik had toen veel pijn aan mijn vagina, maar [verdachte] wilde dat ik gewoon door bleef werken. Ook als ik ongesteld was en pijn had, kon ik eigenlijk niet werken, maar mocht niet stoppen. Ik moest dan met een sponsje werken. Als ik eigenlijk niet kon werken, zette ik ook wel eens de telefoon uit. Ik kreeg dan een SMS-je "Waarom neem je de telefoon niet op, wacht maar dat ik kom dan zal ik je in elkaar slaan". Ik was dan erg bang en moest huilen. Ik moest dan wel weer gaan werken, anders zou ik grote problemen krijgen. Ik ging ook wel eens eerder slapen, maar dan ging de telefoon dat ik niet mocht gaan slapen en direct moest gaan werken. Ik moest van [verdachte] om 11.00 uur opstaan en om 12.00 uur gaan werken. Ik moest dan doorwerken tot 04.00 uur in de ochtend en mocht daarna gaan slapen. Zelfs toen ik jarig was, moest ik werken. Ik had geen vrije dag en moest altijd werken, ook als ik erg veel pijn had. [verdachte] kwam in het begin iedere week om mijn verdiende geld op te halen. Hij gaf mij dan 40 euro per week om eten te kunnen kopen. Ik heb drie maanden hier in Groningen in de raamprostitutie gewerkt.

Ik kreeg vriendschap met een vaste klant, [getuige 2]. Ik vertelde hem dat [verdachte] mij had verboden om met de politie te gaan praten, anders zou hij mij vermoorden en hij zou mij altijd wel weten te vinden.

2.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 18 september 2006 (p. 782 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1]:

In Tsjechië zijn wij bij Hora Svateho Sebastiana de grens over gegaan. Wij werden daar door Duitsers gecontroleerd. [verdachte] heeft tegen mij gezegd dat als we bij de grens gecontroleerd zouden worden dat ik dan moest zeggen dat we op vakantie naar vrienden gingen in Nederland.

3.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris, d.d. 11 juni 2012, los bijgevoegd, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben volgens mij in mei 2005 weggegaan bij [verdachte]. Ik heb zelf gezien dat [betrokkene 1] mij verkocht aan [verdachte]. [betrokkene 1] gaf mijn ID aan [verdachte] en [verdachte] gaf hem geld, waarna ik met hem mee moest. Toen ik bij [verdachte] kwam zei hij dat ik het geld dat hij voor mij had betaald moest terugverdienen. Ik moest neuken voor het geld. Na 3 jaar voor [verdachte] gewerkt te hebben ben ik door hem naar Nederland gebracht. Hij zei dat we in Tsjechië niet genoeg geld konden verdienen en dat we het ergens anders moesten proberen. Ik wist wel dat ik als prostituee aan het werk moest. Ik kon daar niets tegenin brengen. Ik moest aan het werk, anders kreeg ik klappen. We zijn met drie auto’s naar Nederland gereden. Ik moest van [verdachte] zeggen in geval van een controle dat we op vakantie gingen. [verdachte] heeft de reis betaald van het geld dat ik in Tsjechië had verdiend. Toen we in Nederland kwamen, gingen we direct aan het werk. [verdachte] heeft voor mij in Slowakije reisdocumenten geregeld. Ik moest van 13:00 uur tot 4:00 uur werken. Als ik geld kreeg dan moest ik hem bellen hoeveel ik verdiend had en als ik weinig verdiende werd hij boos. Van het geld dat ik verdiende kreeg ik van [verdachte] 50 euro per week. Ik werkte iedere dag en verdiende gemiddeld tussen de 300 en 500 euro per dag. Ik had ook wel eens een uitschieter van 800 euro per dag. Ik heb een maand of 2, 3 voor [verdachte] gewerkt. Bij binnenkomst in Groningen sprak ik geen Nederlands.

Het klopt dat ik drie jaar bij verdachte en zijn vrouw in Tsjechië heb gewoond en werd geslagen door [verdachte]. Ik heb gedurende die drie jaren al mijn verdiensten afgedragen aan [verdachte].

[verdachte] heeft de vitrine de eerste keer betaald van het geld dat ik in Tsjechië had verdiend. De vitrine werd voor 1 week gehuurd. Na die week moest ik de maandag steeds de vitrine betalen van het geld dat ik die week had verdiend, 450 euro per week. [verdachte] kwam één keer per twee weken. Hij kwam naar mij kijken, nam het geld en ging terug naar Tsjechië. Ik gaf het geld contant in zijn hand, in een garage of in de vitrine. In het begin kreeg ik 50 euro per week voor eten en later mocht ik 1 dag van de verdiensten voor mijzelf houden. Dit was pas de laatste 3 of 4 weken. Ik had gemiddeld 5 tot 7 klanten per dag. Ik rekende 50 euro voor een half uur en 100 euro voor een uur.

4.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 november 2010 (p. 99) opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 2 maart 2005 omstreeks 1:30 uur zagen wij, verbalisanten, tijdens toezicht op de prostitutie, in de omgeving Gedempte Zuiderdiep, in de directe omgeving van de Nieuwstad te Groningen, een personenauto, merk Citroën, type Xsara Picasso, kleur grijs, voorzien van het Tsjechische kenteken [kenteken] rijden. Bij controle bleek ons dat de inzittenden van deze auto waren: [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum 2], en [verdachte], geboren op [geboortedatum 1].

5.

een ambtsedig zaaksproces-verbaal, d.d. 18 november 2010 (p. 47) opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Tijdens een prostitutiecontrole op 3 maart 2005 is in perceel Nieuwstad [nummer 1] als prostituee werkend aangetroffen [slachtoffer 1] en in werkkamer [nummer 2] [betrokkene 3]. Dit was volgens [betrokkene 3] haar tweede werkdag en zij deelde mee dat ze per auto naar Nederland was gebracht.

6.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 18 september 2006 (p. 804 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2]:

In april/mei 2005 kwam ik [slachtoffer 1] tegen in de Nieuwstad te Groningen. Zij was daar werkzaam als prostituee in een van de aldaar aanwezige panden.

7.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 18 september 2006 (p. 806 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2]:

[slachtoffer 1] is nu mijn vriendin. [slachtoffer 1] had mij een en ander verteld over [verdachte], namelijk dat [verdachte] haar verdiende geld afpakte en dat zij regelmatig door hem in elkaar was geslagen. Verder heeft [slachtoffer 1] mij verteld dat nadat zij het "grote huis" in Tsjechië (de rechtbank begrijpt: Slowakije) moest verlaten zij letterlijk op straat kwam. Dat "grote huis" kan wel een kindertehuis zijn geweest. [slachtoffer 1] kwam na wat omzwervingen terecht bij een man die haar na enige tijd voor 1000 euro heeft verkocht aan [verdachte]. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] in de prostitutie gezet.

8.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 5 oktober 2010 (p. 1211 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 3]:

Ik ken de persoon op foto nr. 2, dat is [slachtoffer 1], die daar ook werkte, zij is afkomstig uit Slowakije. Ze is daar ooit met [verdachte] geweest.

Vraag: welke meisjes werkten voor [verdachte]?

Antwoord: [slachtoffer 1] en [betrokkene 4].

[verdachte] werkte als pooier in de Nieuwstad in Groningen.

9.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 9 juli 2010 (p. 1250 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1]:

Ook een mij bekende Tsjechische man, [verdachte], huurde op de [adres 2], te Groningen, een appartement. (Opmerking: getuige is een foto getoond van [verdachte]) Ja, dat is de [verdachte] die ik bedoel.

Ik herinner mij dat [slachtoffer 1] hier gewerkt heeft. Zij was hier toen met die [verdachte]. Dat is al weer jaren geleden.

10.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 3 juli 2010 (p. 600 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 4]:

[slachtoffer 1] en [verdachte] waren samen in Chomutov. [slachtoffer 1] werkte al in de prostitutie. [verdachte] bracht haar naar Nederland in 2005 om in de prostitutie te werken.

11.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 22 juli 2010 (p. 726 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb twee kennissen naar Nederland gebracht, een daarvan was [slachtoffer 1]. Wij zijn met een Honda of een zilvergrijze Citroën Picasso naar Nederland gereisd. Ze vertelde dat ze uit Slowakije kwam. Ik weet dat ze is afgestaan en in een kindertehuis had gezeten. [slachtoffer 1] heeft twee á drie jaar bij mij en [betrokkene 5] gewoond.

Ik kwam de eerste keer in Nederland ongeveer maart/april 2005.

Bewijs met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

De inhoud van een zaaksdossier, onderzoek Vleugel, gesloten op 18 november 2010, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 7 oktober 2010 (p. 820 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik heb in Nederland in de prostitutie gewerkt. Ik was in Nederland vanaf de zomer van 2005. [verdachte] heeft mij verteld dat ik in Nederland goed kon verdienen. Hij heeft beschreven hoe daar prostitutie werd bedreven. Wij zijn voor het eerst naar Nederland gereisd met zijn auto.

2.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 22 juli 2010 (p. 726 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Over [slachtoffer 2] kan ik verklaren dat ik haar naar Nederland heb vervoerd. Ze wilde in Groningen als gezelschapsdame werken. Ze gaat met mannen en wordt dan voor haar diensten betaald.

3.

een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, d.d. 25 augustus 2010 (p. 757 e.v.), opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

In mei 2005 heb ik [slachtoffer 2] naar Nederland gebracht.

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel.

De rechtbank acht de aangifte van [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar om tot bewijs te dienen. Deze verklaring wordt ook op voldoende punten ondersteund en bevestigd door de overige hierboven opgesomde bewijsmiddelen. De verklaring van aangeefster is dan ook voldoende ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, zodat van die verklaring kan worden uitgegaan. Dit leidt tot het bewijs voor de hieronder bewezen verklaarde onderdelen van de tenlastelegging.

De verklaring van [slachtoffer 2] wordt door verdachte zelf bevestigd, waar het gaat om haar vervoer naar Nederland. Verdachte wist ook dat zij als prostituee in Groningen zou gaan werken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 maart 2005 tot 1 juni 2005, in de gemeente Groningen en/of in Tsjechië,

A

[slachtoffer 1], door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft aangeworven, vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1];

en

B

[slachtoffer 1], heeft aangeworven en medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

en

C

[slachtoffer 1], door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

en

D

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1];

en

E

[slachtoffer 1], door dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengsten van haar seksuele handelingen met of voor een derde;

bestaande die dreiging met geweld en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat misbruik van een kwetsbare positie en/of dat getrokken voordeel en/of de overige hierboven omschreven handelingen hieruit dat verdachte

- die [slachtoffer 1] heeft verteld dat ze in Nederland in de prostitutie meer geld

kon verdienen en

- een paspoort voor die [slachtoffer 1] heeft geregeld en

- die [slachtoffer 1] vanuit het buitenland (Tsjechië) naar Nederland (Groningen) heeft gebracht en

- de reis van die [slachtoffer 1] (vanuit Tsjechië) naar Nederland heeft betaald en geregeld en

- die [slachtoffer 1] heeft verteld dat bij grenscontroles zij moest zeggen dat zij op vakantie naar vrienden gingen in Nederland en

- die [slachtoffer 1] in een kwetsbare positie heeft gebracht en gehouden doordat zij, [slachtoffer 1], de Nederlandse taal niet machtig was en niet over inkomsten beschikte en

- die [slachtoffer 1] in een vitrine heeft geplaatst of laten plaatsen en

- die [slachtoffer 1] als prostituee heeft laten werken en haar werktijden heeft bepaald en instructies heeft gegeven en

- die [slachtoffer 1] (onder meer telefonisch) onder controle heeft gehouden, door haar verdiensten door te laten geven en door die [slachtoffer 1] dreigend een SMS-bericht te sturen met de tekst "Waarom neem je de telefoon niet op, wacht maar dat ik kom dan zal ik je in elkaar slaan"

en door die [slachtoffer 1] te bellen dat ze niet mocht slapen en

- die [slachtoffer 1] heeft gedwongen door te werken als ze ongesteld was en

- die [slachtoffer 1] een groot deel van de verdiensten uit de prostitutie aan verdachte heeft laten afdragen en

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft gezegd dat zij niet met de politie mocht praten, anders zou hij, verdachte, haar vermoorden en dat hij, verdachte, haar altijd zou weten te vinden;

2.

hij in mei 2005, in Tsjechië,

B

[slachtoffer 2], heeft medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

mensenhandel, meermalen gepleegd

2.

mensenhandel

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis en uitleveringsdetentie heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een moderne vorm van slavernij door misbruik te maken van een jonge vrouw die in een moeilijke positie verkeerde. De psychische schade voor slachtoffers van mensenhandel is vaak groot. Voor een dergelijk feit is in beginsel een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. De oudheid van de feiten en de beperkte periode werken strafmatigend. Verdachte heeft geen strafblad en woont niet meer in Nederland. De officier van justitie heeft aangegeven dat zij, zonder rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden zou hebben geëist. De officier van justitie heeft dus een strafvermindering van 6 maanden toegepast ter compensatie van deze termijnoverschrijding.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een eventueel op te leggen straf, maar wel bepleit dat, mocht de rechtbank niet overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, de overschrijding van de redelijke termijn moet worden verdisconteerd in de straf.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel, door twee vrouwen vanuit Tsjechië naar Nederland over te brengen om hen hier in de prostitutie te laten werken. Eén van deze vrouwen had hij in Tsjechië van een andere man gekocht en aldaar reeds lange tijd voor zich laten werken als prostituee, waarbij hij haar veelvuldig met bedreigingen en geweld onder grote druk zette. Hij heeft haar vervolgens naar Nederland gebracht omdat zij in Nederland veel meer zou kunnen verdienen. In Groningen heeft hij haar in de prostitutie te werk gesteld en haar gedurende drie maanden voor zich laten werken, waarbij hij haar verdiensten grotendeels heeft ingenomen. Verdachte heeft daarmee op grove wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin zij verkeerde. Zij had als jonge vrouw in Tsjechië geen onderdak en geen inkomen. Verdachte bood haar onderdak en beloofde een goed inkomen, maar stelde zijn eigen financieel gewin boven het belang van deze vrouw. Hij heeft daarbij inbreuk gemaakt op zowel haar lichamelijke als haar geestelijke integriteit. De rechtbank houdt met al deze feiten en omstandigheden rekening bij de bepaling van de straf. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank voor dergelijke ernstige feiten een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats en de rechtbank hanteert daarbij als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De rechtbank zal daarop, ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn, drie maanden in mindering brengen.

Vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 1 bewezen verklaarde)

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering gedeeltelijk bij wijze van voorschot zal worden toegewezen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient, voor zover deze ziet op de periode waarin aangeefster in Tsjechië werkte, niet ontvankelijk te worden verklaard. Om die reden dient ook de gevorderde immateriële schade te worden gematigd tot een bedrag van € 5.000,--. De rechtsbijstandskosten à € 750,-- kunnen worden toegewezen, en de inkomstenderving voor de tijd waarin aangeefster in Nederland voor verdachte werkte, dient te worden bepaald aan de hand van het in de rechtspraak gehanteerde forfaitaire bedrag van € 100,-- per dag. Uitgaande van drie maanden, levert dat een bedrag op van € 9.000,--. In totaal moet de vordering dan ook voor een bedrag van € 14.750,-- worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, nu hij voor vrijspraak heeft gepleit, betoogd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair dient in ieder geval het gedeelte dat ziet op de werkzame periode in Tsjechië niet ontvankelijk te worden verklaard.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor zover deze ziet op de post 'verdiensten Tsjechië' niet ontvankelijk moet worden verklaard. De periode waarin aangeefster werkzaam is geweest voor verdachte in Tsjechië valt niet onder het bereik van de bewezenverklaring en er is daarom geen rechtstreeks verband tussen deze schade en het bewezen verklaarde.

De rechtbank is van oordeel dat de overige gestelde materiële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die voor wat betreft dit gedeelte niet dan wel onvoldoende door de raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank gaat daarbij uit van de berekening zoals deze is gemaakt door de politie in het kader van het financieel onderzoek, te vinden op pagina 472 e.v. van het dossier. Hierbij is uitgegaan van een periode van drie maanden, derhalve een zelfde periode als door de rechtbank bewezen is verklaard. De materiële schade bedraagt, zo volgt uit deze berekening, € 25.985,60. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de immateriële schade gedeeltelijk voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Het gevorderde bedrag is niet enkel gebaseerd op de periode dat aangeefster in Groningen werkzaam was, maar ook op de periode dat zij in Tsjechië voor verdachte heeft gewerkt. Met de Tsjechische periode kan de rechtbank geen rekening houden bij de beoordeling van de schade, nu dit niet onder het bereik van de bewezenverklaring valt en daarom geen rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde. De rechtbank acht voor de bewezen verklaarde periode een bedrag van € 5.000,-- redelijk en billijk, hetgeen in lijn is met uitspraken in vergelijkbare zaken. Voor het overige zal de rechtbank aangeefster op dit punt niet ontvankelijk verklaren in haar vordering.

In totaal komt de rechtbank tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 30.985,60, bestaande uit € 25.985,60 aan materiële schade en € 5.000,-- aan immateriële schade.

Voor het overige zal de rechtbank aangeefster niet ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag niet bij wijze van voorschot opleggen nu dit niet past in het wettelijk systeem.

De rechtbank zal ook de door de officier van justitie gevorderde wettelijke rente niet toewijzen, nu de benadeelde partij zelf deze rente niet heeft gevorderd en de officier van justitie geen partij is bij de vordering die volgens de regels van het civiele recht moet worden beoordeeld.

Tot slot veroordeelt de rechtbank verdachte in de kosten voor rechtsbijstand, tot op heden begroot op € 750,--.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis en uitleveringsdetentie doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 1 bewezen verklaarde)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 30.985,60 (zegge: dertigduizendnegenhonderdvijfentachtig euro en zestig cent).

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 750,--.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 30.985,60 (zegge: dertigduizendnegenhonderdvijfentachtig euro en zestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 189 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 25.985,60 aan materiële schade en € 5.000,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Agema, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juli 2014.