Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:359

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
2594221 / EJ VERZ 13-5153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek werkgever afgewezen.

Een onbepaalde mobiliteitsduur conform het Sociaal Plan impliceert niet dat beëindiging van de dienstbetrekking is uitgesloten en dat bij het uitblijven van 'ander werk' zonder meer aanspraak blijft bestaan op loonbetaling tot de pensioenleeftijd. Werkgever heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van (zodanig) onvoldoende onbemiddelbaarheid en/of concessie bereidheid aan de kant van werknemer dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst (thans) gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 2594221 \ EJ VERZ 13-5153

beschikking van de kantonrechter van 28 januari 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Essent Personeel Service B.V.,

hierna te noemen: Essent,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M. van der Schoor,

tegen

[gedaagde]

hierna te noemen: [gedaagde],

wonende te [adres],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. B.J.L. Baas.

1 Het procesverloop

1.1.

Essent heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 4 december 2013 verzocht de tussen haar en [gedaagde] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7: 685 BW.

1.2.

Het verweerschrift van [gedaagde] is binnengekomen op 9 januari 2014.

1.3.

Beide partijen hebben nadere producties in het geding gebracht.

1.4.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

1.5.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist.

2.2.

[gedaagde], geboren op [geboortedatum], is sinds 1 januari 1997, bij (de rechtsvoorganger van) Essent in dienst, laatstelijk in de functie van senior medewerker afdeling folderdistributie, tegen een bruto salaris van € 3.100,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en de jaarlijkse vaste eindejaarsuitkering van 3,7%.

2.3.

In 2010 heeft het Duitse RWE Essent overgenomen. In het kader van de integratie van de bedrijfsonderdelen van Essent in de RWE-organisatie zijn steeds meer verantwoordelijkheden naar de RWE-organisatie in Duitsland overgeheveld, hetgeen tot gevolg had dat de Nederlandse organisatie dienovereenkomstig werd ingekrompen.

2.4.

Met het oog op de voorziene afbouw van een deel van het personeelsbestand heeft Essent in een vroegtijdig stadium in overleg met de ondernemingsraden en de vakbonden een Sociaal Plan opgesteld. Het Sociaal plan voorziet ingeval van een reorganisatie in een plaatsingsproces. Werknemers die niet kunnen worden geplaatst in een functie die na de reorganisatie zal (blijven) bestaan, worden boventallig verklaard. Voor hen begint de mobiliteitsperiode. Zij worden gedurende die periode begeleid bij het vinden van een andere functie. Zij krijgen een mobiliteitsadviseur toegewezen, welke inmiddels in dienst zijn van Essent. De begeleiding richt zich zowel op een interne functie als op het vinden van een functie buiten Essent. Voor dat laatste schakelt Essent het gespecialiseerde bureau Smart Group (voorheen Randstad HR Solutions) in.

2.5.

Als gevolg van een reorganisatie is [gedaagde] per 1 juli 2010 geplaatst in een transitiepool. [gedaagde] is per 1 februari 2011 boventallig geworden. Voor het Sociaal Plan (2005-2008) waar [gedaagde] onder valt geldt dat de mobiliteitsperiode niet in duur is beperkt.

2.6.

Voor werknemers die boventallig zijn op basis van het verlengde Sociaal Plan (2008- 2013) is de mobiliteitsperiode drie jaar.

2.7.

In het Sociaal Plan van 2008-2013 staat onder het kopje Begripsbepalingen bij "passende functie": " Een functie waarvan de werkzaamheden op basis van persoonlijkheid, werk- en denkniveau, ervaring, beloningsniveau en reistijd redelijkerwijs van Werknemer kunnen worden verlangd. Extern zijn dit functies met een gelijk of hoger salaris, of een salaris dat maximaal 20% lager is dan het schaalsalaris van Werknemer bij Werkgever."

In artikel 5.5 Begeleiding van werk naar werk staat:

"Gedurende de mobiliteitsperiode wordt de boventallige Werknemer door een vaste adviseur van het Jobcenter begeleid bij het vinden van een andere functie. De eerste zes maanden richt de begeleiding zich op het vinden van een interne functie (…). Daarna richt de begeleiding zich, naast het vinden van een interne functie, ook op het vinden van een externe functie. De boventallige Werknemer en het Jobcenter zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het zoeken van een passende functie. De boventallige Werknemer is verplicht een passende functie te aanvaarden. (…)

In artikel 6.3 Scholing staat:

" De boventallige Werknemer wordt in de gelegenheid gesteld tot om-, her- of bijscholing en kan daartoe worden verplicht."

In artikel 7.1 Beëindiging arbeidsovereenkomst door Werkgever bij einde mobiliteitsperiode staat:

"Indien aan het eind van de mobiliteitsperiode de Werknemer niet herplaatst is, wordt na toetsing van het individuele dossier door de Toetsingscommissie, de arbeidsovereenkomst door Werkgever beëindigd. De werknemer ontvangt 100% mobiliteitspremie en heeft recht op een bovenwettelijke WW-uitkering. (….).

In artikel 7.2 Beëindiging arbeidsovereenkomst door Werkgever gedurende de mobiliteitsperiode staat:

"Werkgever beëindigt de arbeidsovereenkomst met Werknemer na beoordeling door de Toetsingscommissie, zonder dat recht op een mobiliteitspremie of andere vergoeding bestaat, bij onvoldoende inzet van Werknemer voor het vinden en accepteren van een passende interne of externe functie."

2.8.

[gedaagde] heeft van augustus 2011 tot eind september 2012 een traject gevolgd bij Smart Group. Hij is individueel begeleid door Randstad adviseur [X]. De doelstelling was het vinden van een externe functie. In de eindrapportage van september 2012 van [Y], mobiliteitsadviseur Essent, staat onder andere het volgende: " De heer [gedaagde] kijkt tot nu toe nog kritisch naar mogelijkheden op de externe arbeidsmarkt waarbij de duur van het contract en de salariëring breekpunten zijn. Tot op heden heeft de heer [gedaagde] geen externe functie gevonden. De volgende factoren spelen daarin mee:

  • -

    verslechterde regionale arbeidsmarkt met laag aanbod van passende vacatures en veel concurrenten.

  • -

    zoekprofiel sluit niet aan bij mogelijkheden op de externe arbeidsmarkt. De heer [gedaagde] kan zijn kansen vergroten door zicht te richten op concrete en reële mogelijkheden en het vergroten van zijn concessiebereidheid.

  • -

    De heer [gedaagde] is vooral reactief aan het solliciteren (…).

De belangrijkste redenen zijn denk ik de magere regionale arbeidsmarkt (…) en zijn (nog) lage concessiebereidheid."

2.9.

[gedaagde] heeft vanaf september 2012 tot en met juni 2013 tweemaal en later éénmaal per week JobPlaza in Utrecht bezocht voor groepsbegeleiding bij het vinden van werk.

2.10.

In het addendum juni 2013 van werk naar werk contract, ondertekend op 25 juni 2013 door [Y] en [gedaagde], staat in Hoofdstuk 2 Mogelijkheden en Wensen Werknemer (zoekprofiel) onder andere:

" (…) De mogelijkheid tot externe proefplaatsing is wederom besproken. Op vacatures met een duur van 2 of 3 maanden met vooruitzicht op een vast contract kan worden gesolliciteerd. In de brief kan verwezen worden naar de mogelijkheid tot een detacheringsovereenkomst. Jobcoach geeft aan zelf geen tijd te hebben om zich bezig te houden met het zoeken naar mogelijke vacatures voor mij. (…) Uitbreiding zoekgebied volgens passende reistijd conform sociaal plan. (…) In de afgelopen 2,5 jaar, heeft [gedaagde] meerdere malen onderzocht, welke opleiding hij zou kunnen doen, waarmee hij concreet zijn kansen zou vergroten, maar dit initiatief is tot op heden (juni2013) nog niet succesvol geweest. Zodoende is er op dat vlak nog geen concrete actie geweest. Zorg van de mobiliteitsadviseur is of [gedaagde] goed kan inschatten op welke functies zijn kansen liggen. Wel blijven [gedaagde] als ook het Jobcenter gezamenlijk verantwoordelijk voor het zoeken van een passende functie."

2.11.

In de eindevaluatie outplacementtraject Essent van augustus 2013, opgesteld door [Z], staat onder andere:

"(…) De arbeidsmarkt scan (zie bijlage) laat zien dat er wel vacatures zijn maar het aantal in de directe nabijheid laag is. Bovendien worden vacatures in het zoekgebied van [gedaagde] doorgaans door uitzendbureaus aangeboden. Hierop solliciteert [gedaagde] niet. Het salaris speelde hierbij een rol. Het algemene profiel van [gedaagde], op het gebied van scholing en werkervaring, is in de huidige markt niet onderscheidend genoeg. Hij zal dit moeten compenseren met zijn persoonlijke presentatie (…). Daarvoor is netwerken de aangewezen route. Dit is pas zinvol als [gedaagde] ook daadwerkelijk beschikbaar is (lees; los van Essent). Hij zal dan eerder bereid zijn concessies te doen op financieel gebied. Het feit dat [gedaagde]nog een doorlopend dienstverband heeft en een sociaal vangnet maakt dat nagenoeg iedere vergelijking met potentiele vacatures en werkgevers ongunstig is."

2.12.

Na de zomer van 2013 heeft [gedaagde] een aanvraag voor een MBO-opleiding Technische Vaardigheden gedaan. Op deze aanvraag is door Essent niet gereageerd.

3 Het verzoek

3.1.

Essent heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2014, wegens gewichtige redenen bestaande in veranderingen van omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Essent heeft ter zitting een gewijzigde vergoeding aangeboden van

€ 70.120,- bruto, berekend volgens de kantonrechtersformule met factor C= 1,5, met het veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

Door Essent is gesteld dat sprake is van een paradoxale situatie. De zoektermijn van het Sociaal Plan van drie jaar, die voor [gedaagde] op 1 februari 2014 zou aflopen, is op [gedaagde] niet van toepassing. In beginsel zou de mobiliteitsperiode van [gedaagde] voortduren tot hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Tegelijkertijd is komen vast te staan, dat juist de status van [gedaagde] als boventallige bij Essent eraan in de weg staat dat hij werkelijk kans maakt op het verwerven van een nieuwe functie elders. Het bereiken van het doel wordt dus belemmerd door het instrument dat daarvoor in het leven is geroepen. Essent kan en wil de ogen daar niet voor sluiten. Essent heeft alles gedaan wat binnen haar mogelijkheden ligt om [gedaagde] te bemiddelen naar een andere baan en kan niets meer aan het traject toevoegen. Gezien de opgedane ervaringen en de analyse van Smart Group zou voortzetting van de mobiliteitsperiode tot gevolg hebben dat [gedaagde] nog lange tijd formeel in dienst van Essent zou zijn en zijn aanspraken op loon zal behouden zonder dat daar enige arbeidsprestatie tegenover staat. Essent heeft geconstateerd dat zolang [gedaagde] een dienstverband met Essent heeft, zijn concessiebereidheid niet groot genoeg is en hij geen andere baan zal vinden. Pas indien [gedaagde] los komt van Essent zal zijn concessiebereidheid vergroten. Deze constatering maakt volgens Essent dat er sprake is van veranderingen van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst dadelijk behoort te eindigen. De belofte waar het Sociaal Plan vanuit gaat ziet op het van werk naar werk begeleiden en niet op doorbetaling van het loon tot aan de pensioenleeftijd van een werknemer. Als het doel van werk naar werk niet verwezenlijkt wordt dan staat dit los van een termijn. In het geval van [gedaagde] heeft het geen nut om verder te gaan en de mobiliteitsperiode komt nu overeen met de mobiliteitsperiode van drie jaar. Essent heeft geen functies meer op het niveau van [gedaagde] en zal die ook nooit meer krijgen. [gedaagde] is daarnaast ondanks alle inspanningen, ook die van hemzelf, nooit uitgenodigd voor een extern sollicitatiegesprek. De hoogte van zijn loon zal daar (mede) debet aan zijn, omdat het loon van voor hem geschikte functies in het algemeen veel lager ligt. De toegevoegde waarde van een opleiding was voor Essent niet evident.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Primair heeft hij -kortgezegd- verzocht de ontbinding af te wijzen. Subsidiair heeft hij verzocht om bij toewijzing van de ontbinding een aanmerkelijk hogere vergoeding dan te doen gebruikelijk onder de neutrale kantonrechtersformule aan hem toe te kennen, waarbij [gedaagde] verzoekt om aan te sluiten bij de aan zijn collega de heer [A] in een vrijwel gelijke kwestie toegekende vergoeding van € 200.000,-. [gedaagde] heeft tevens verzocht om met de lange opzegtermijn rekening te houden en daarom pas zo laat mogelijk te ontbinden. Tenslotte heeft [gedaagde] om een hogere dan gebruikelijke proceskosten veroordeling en om een veroordeling tot vergoeding van nakosten verzocht.

4.2.

[gedaagde] heeft daartoe -samengevat weergegeven- het volgende aangevoerd.

[gedaagde] betwist allereerst dat er gewichtige redenen zijn, gelegen in verandering van omstandigheden, om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. [gedaagde] zit al geruime tijd in een van werk naar werk-traject. Dat traject is -welbewust- voor onbepaalde (tot aan de pensioenleeftijd) duur en de omstandigheden zijn nu juist gelijk gebleven.

De conclusie van Essent dat [gedaagde] eerst los van Essent moet zijn om een kans op de arbeidsmarkt te maken is niet in overeenstemming met het doel van het Sociaal Plan, dat begeleiding van werk naar werk beoogt. Die conclusie is tevens ongemotiveerd en onbegrijpelijk. Verdere concessiebereidheid dan een conform het Sociaal Plan passende functie met een salaris dat maximaal 20% lager uitvalt, hoeft [gedaagde] niet te accepteren.

Essent heeft volgens [gedaagde] nagelaten werkelijke activiteiten te ontplooien, terwijl [gedaagde] steeds voldoende sollicitatie- en overige activiteiten conform het Sociaal Plan heeft verricht. Ook heeft [gedaagde] gepoogd zijn positie op de arbeidsmarkt te verbeteren door aan te geven dat hij een MBO cursus Technische Vaardigheden wil volgen. Op 17 oktober 2013 is dit besproken en de afspraak was dat de jobcoach hier op terug zou komen. Dat is niet gebeurd. Hieruit blijkt ook dat Essent niet alle mogelijkheden heeft benut. Volgens [gedaagde] probeert Essent zich te onttrekken aan de afspraken van het Sociaal Plan. Essent handelt onbetamelijk doordat zij nalaat de voorgeschreven werkwijze te volgen, namelijk het voorleggen van de begeleiding aan de interne Toetsingscommissie. [gedaagde] heeft dan ook bezwaar gemaakt bij de bezwarencommisie. Essent heeft een groot aantal externe krachten aan het werk en er is volgens [gedaagde] wel degelijk een passende functie voor hem te vinden. Gezien de moeilijke positie van [gedaagde] op de arbeidsmarkt en zijn privé omstandigheden heeft het behoud van zijn dienstverband de grootste prioriteit. De conclusie van Essent dat [gedaagde] eerst los van Essent moet zijn om een kans op de arbeidsmarkt te maken is volgens hem niet juist en niet in overeenstemming met het doel van het Sociaal Plan dat begeleiding van werk naar werk beoogt.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat zij -met Essent- op zich niet kan inzien dat het Sociaal Plan met zich brengt dat Essent zonder meer gehouden zou zijn [gedaagde] tot zijn pensioen zijn loon door te betalen indien het niet lukt de ambitie van het Sociaal Plan, van het begeleiden van werk naar werk, in die zin waar te maken dat 'ander werk' is gevonden. Er kan een moment komen waarin bij het uitblijven van het vinden van 'ander werk' gezegd kan worden dat sprake is van een verandering van omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen. Anders gezegd: dat de begeleiding voor [gedaagde] voor onbepaalde tijd geldt impliceert niet dat beëindiging van de dienstbetrekking is uitgesloten en dat bij het uitblijven van 'ander werk' zonder meer aanspraak blijft bestaan op loonbetaling tot de pensioenleeftijd.

5.3.

De vraag die beantwoord dient te worden is derhalve of op dit moment geoordeeld kan worden dat sprake is van een verandering van omstandigheden, die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

5.4.

Vast staat dat in het Sociaal Plan expliciet de begeleiding door Essent van werk naar werk is vastgelegd en dat de mobiliteitsperiode van [gedaagde] onbeperkt is. Tevens is niet in geschil en blijkt uit de inspanningen van de afgelopen jaren dat er voor [gedaagde], onder meer gelet op de hoogte van zijn inkomen en woonplaats, sprake is van een moeilijke arbeidsmarkt.

5.6.

De kantonrechter is echter van oordeel dat Essent haar stelling, dat er voor [gedaagde], wegens zijn geringe concessiebereidheid, niets valt te realiseren zolang zijn dienstbetrekking voortduurt, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij tekent de kantonrechter aan dat partijen zijn gehouden aan het Sociaal Plan en dat daarin expliciet is neergelegd welke concessies (wat betreft het loon en de reisafstand) van een werknemer gevergd kunnen worden. Dat [gedaagde] niet tot die concessies bereid zou zijn, is niet voldoende concreet gesteld, noch gebleken. Evenmin is deugdelijk onderbouwd dat [gedaagde], uitgaande van die van hem te vergen concessies, 'ander werk' zou zijn misgelopen. Het valt [gedaagde] voorts niet aan te rekenen dat, zoals in de eindevaluatie van augustus 2013 staat, hij: " … nog een doorlopend dienstverband heeft en een sociaal vangnet maakt dat nagenoeg iedere vergelijking met potentiele vacatures en werkgevers ongunstig is.". Daarbij tekent de kantonrechter aan dat door Essent niet is gesteld, noch is gebleken dat de situatie van artikel 7.2 van het Sociaal Plan zich zou voordoen.

5.7.

In de eindevaluatie van het outplacementtraject Essent van augustus 2013 staat voorts: "(…) De arbeidsmarkt scan (zie bijlage) laat zien dat er wel vacatures zijn maar het aantal in de directe nabijheid laag is." Dat wijst er niet op dat er op de huidige arbeidsmarkt in het geheel geen kansen zouden zijn voor [gedaagde]. De voor [gedaagde] geldende afspraken van het Sociaal Pan betekenen naar het oordeel van de kantonrechter dat ook ten aanzien van geringe kansen voor [gedaagde], Essent (maar ook [gedaagde] zelf!) in beginsel de inspanningen conform het Sociaal Plan dienen te verrichten.

5.8.

Ook overigens is niet voldoende aannemelijk dat sprake is van (zodanig) onvoldoende onbemiddelbaarheid en/of concessie bereidheid aan de kant van [gedaagde] dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst (thans) gerechtvaardigd is. Ten eerste staat in het addendum van 25 juni 2013 van het 'werk naar werk contract' dat [gedaagde] ook op vacatures voor korte duur kan solliciteren met verwijzing naar een detacheringsovereenkomst en dat het zoekgebied wordt uitgebreid volgens passende reistijd conform sociaal plan. De periode van deze overeengekomen uitbreiding, welke een vergroting van de concessiebereidheid van [gedaagde] inhoudt, tot aan de beëindigingsvoorstellen en het indienen van het onderhavige verzoekschrift, was nog geen half jaar en deze periode acht de kantonrechter relatief kort. Van Essent had verwacht mogen worden dat zij [gedaagde] vanuit deze nieuwe zoeksituatie langer en wellicht meer persoonlijk, intensief zou begeleiden, alvorens tot een conclusie over de (on)bemiddelbaarheid van [gedaagde] tijdens zijn dienstverband te komen.

5.9.

Tenslotte acht de kantonrechter van belang dat [gedaagde] heeft aangegeven zijn positie op de arbeidsmarkt te willen verbeteren door een MBO cursus Technische Vaardigheden te gaan volgen. Essent heeft daar ten onrechte geen gehoor aangegeven. Dat [gedaagde], zoals door Essent is gesteld, eerdere mogelijkheden tot scholing niet heeft aangegrepen, maakt niet dat zij niet meer op deze wens behoefde in te gaan. De kantonrechter is van oordeel dat nu [gedaagde] de aanvraag voor een opleiding nu wel heeft gedaan, hij deze mogelijkheid alsnog had moeten krijgen. De stelling van Essent ter zitting dat de toegevoegde waarde van de scholing niet evident is, betekent niet dat Essent deze mogelijkheid aan [gedaagde] heeft mogen ontnemen door een ontbindingsverzoek in te dienen.

5.10.

Uit het voorgaande volgt dat de stelling van Essent, dat zij alle mogelijkheden heeft benut en dat het doel van werk naar werk niet kan worden bereikt zolang de dienstbetrekking voortduurt, gelet op de geringe concessiebereidheid van [gedaagde], niet aannemelijk is gemaakt en daarmee dat niet gebleken is dat sprake is van een verandering van omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen.

Het ontbindingsverzoek zal worden afgewezen.

5.11.

Essent zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kantonrechter ziet geen aanleiding om in de onderhavige procedure aan [gedaagde] een door hem verzochte maar niet nader onderbouwde hogere proceskostenvergoeding dan gebruikelijk toe te kennen.

5.12.

De door [gedaagde] gevorderde nakosten zullen worden afgewezen omdat niet (voldoende deugdelijk) is onderbouwd dat deze kosten zullen moeten worden gemaakt.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af.

veroordeelt Essent tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 500,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beslissing is gegeven door de kantonrechter mr. A.M.A.M. Kager en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2014.

typ: 224/dm

coll: