Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3362

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
10-07-2014
Zaaknummer
13/250 en 13/270
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning eerste fase voor het uitbreiden van een kartonfabriek te Hoogezand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/2029

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Assen

Kenmerk: ASS 13/250 en 13/270

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken van 20 februari 2014 in de zaak tussen

[eisers]

, wonende te[woonplaats], eisers,

gemachtigden: mr. O.V. Wilkens en J.G. Vollenbroek,

en

Gedeputeerde Staten van Groningen , verweerder,

gemachtigden: H. Cazemier, J.P. van Zweeden, A. Ayal en H. Hoekman

Als belanghebbende neemt deel: Eska Graphic Board B.V.,

gemachtigde: J.A.R. Vermont.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2013 heeft verweerder een omgevingsvergunning eerste fase verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het uitbreiden van de kartonfabriek van Eska aan de Meint Veningastraat 114-116 te Hoogezand met een rejectvergassingsinstallatie, die wordt aangeduid als Eska Power.

Namens eisers is tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (de StAB) te benoemen teneinde de rechtbank van advies te dienen. Op 9 augustus 2013 heeft de StAB de rechtbank van advies voorzien. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om op dit advies te reageren. Eisers hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De StAB heeft bij rapport van 26 september 2013 een nader advies gegeven naar aanleiding van de reactie van eisers.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 december 2013, alwaar [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, J.G. Vollenbroek.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Namens vergunninghoudster is verschenen B.J. Bodewes, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij het thans bestreden besluit is aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid onder e, juncto artikel 2.5 van de Wabo voor het uitbreiden van de kartonfabriek met een rejectvergassingsinstallatie. Bij de verwerking van oud papier tot karton blijven reststoffen over (rejects genaamd) die in de oude situatie worden afgevoerd en elders worden verbrand. Vergunninghoudster wil deze rejects in de nieuwe situatie in de vergassingsinstallatie vergassen, waarbij de vrijkomende gasstroom (syngas) wordt verbrand en de daarbij vrijkomende thermische energie wordt aangewend voor de productie van stoom. De stoom zal worden ingezet in het eigen productieproces waardoor het aardgasverbruik van het bestaande bedrijf kan worden verminderd. De installatie kan zowel op rejects als op aardgas worden gestookt als op een mengvorm van beide brandstoffen.

2.

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is op onderhavige procedure. Vergunninghoudster voert aan dat de Chw van toepassing is. De vergassingsinstallatie is te kwalificeren als een duurzaam energieproject in de zin van categorie 1.5 van Bijlage I van de Chw. Deze categorie ziet op de ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het transport of het leveren van duurzame energie.

2.1.

Verweerder en eisers betwisten dat de Chw van toepassing is nu het initiatief een aanpassing van de eigen inrichting van vergunninghoudster behelst en de opgewekte energie niet aan derden wordt geleverd.

2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is het onderhavige project te kwalificeren als een duurzaam energieproject in de zin van categorie 1.5 van Bijlage I van de Chw. De rechtbank ziet in de wettelijke regeling geen aanknopingspunten voor een vereiste dat de energie aan een derde moet worden geleverd, wil er sprake zijn van een duurzaam energieproject. Dit betekent dat de Chw van toepassing is.

De rechtbank vindt hiervoor steun in het feit dat de Afdeling in het kader van het bestemmingsplan “Eska Power” de Chw van toepassing heeft geacht. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een rejectvergassingsinstallatie, zodat afdeling 2 van de Chw van toepassing wordt geacht op het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2011, zaak nr. 201011617/1/R1, is gelet op artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van deze wet van toepassing op alle besluiten die nodig zijn voor de ontwikkeling of verwezenlijking van het ruimtelijke project dat is opgenomen in bijlage I bij de wet. Hieruit volgt dat de Chw ook om die reden op de onderhavige omgevingsvergunning van toepassing is.

3.

Vergunninghoudster heeft in haar nadere reactie van 29 april 2013 aangevoerd dat eisers konden weten dat de Chw van toepassing is, nu de Afdeling bij brief van 29 november 2012 heeft laten weten dat de Chw van toepassing is verklaard op de procedure in het kader van het bestemmingplan “Eska Power”. De pro forma ingediende beroepen zouden dan ook niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

3.1.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van ABRvS van 2 maart 2011, LJN: BP6388, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om duidelijkheid te verschaffen over de rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit. Indien, zoals in dit geval, in de rechtsmiddelenverwijzing die in de kennisgeving van het besluit is opgenomen, niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen en na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd en hij na afloop van de beroepstermijn de beroepsgronden aanvult. Dit is volgens de Afdeling slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden meer kunnen worden aangevoerd en aangevuld.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bekend was met de brief van 29 november 2012 van de Afdeling. Verweerder heeft zich echter in deze procedure vastgehouden aan zijn standpunt dat de Chw niet van toepassing was. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de Afdeling ten tijde van het beroep hierover nog geen bindend oordeel had gegeven, zodat naar het oordeel van de rechtbank eisers redelijkerwijs af mochten gaan op de rechtsmiddelenclausule, zoals die door verweerder is gehanteerd. aan eisers. De rechtbank acht het indienen door eisers van de pro forma beroepen verschoonbaar en acht de beroepen ontvankelijk.

4.

Eisers stellen nu allereerst dat de m.e.r-beoordelingsaanvraag en m.e.r.-beoordeling ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen bij de ontwerpbeschikking.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat tegen een m.e.r.-beoordelingsbeslissing alleen bezwaar- of beroep mogelijk als deze beslissing de belanghebbende, los van het voor te bereiden besluit, rechtstreeks in zijn belang treft. Verder staat er tegen een m.e.r.-beoordelingsbeslissing geen direct bezwaar en beroep open. Men kan bezwaar of beroep indienen bij het besluit in het kader waarvan de m.e.r.-beoordeling plaatsvond.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting erkend dat derhalve de aanmeldingsnotitie en de m.e.r.-beoordeling ter inzage hadden moeten worden gelegd bij het ontwerpbesluit en de vergunning op grond van artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de omstandigheid dat verweerder de aanmeldingsnotitie en de m.e.r.-beoordeling ten onrechte niet ter inzage heeft gelegd bij het ontwerpbesluit en het definitieve besluit, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.

Gelet op artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

De rechtbank stelt vast dat eisers wel over de betreffende stukken beschikken en tevens reeds in de zienswijzen gronden zijn aangevoerd tegen de m.e.r.-beoordeling, zodat naar het oordeel van de rechtbank eisers niet in hun rechtspositie zijn benadeeld. Aan het gebrek in de voorbereidingsprocedure kan derhalve voorbij worden gegaan op grond van artikel 6:22 van de Awb.

5.

Eisers geven aan dat ook andere cruciale stukken zouden ontbreken, zoals het advies van het Waterschap en de inspectie IL&T.

5.1.

Verweerder heeft aangegeven dat er geen advies van IL&T is en dat het advies van het Waterschap is opgenomen in de beschikking. Voorts is de watervergunning niet afgegeven door verweerder, maar door het Waterschap.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat er cruciale stukken zouden ontbreken. Voor zover eisers niet kunnen instemmen met de afgegeven watervergunning, hadden eisers hiertegen bij het Waterschap op kunnen komen.

6.

Eisers stellen dat er sprake is van rechtsonzekerheid nu niet is ingegaan op eisers verzoek om in het dictum (of elders) op te nemen dat voor zover de voorschriften niet anders bepalen de aanvraag van toepassing is.

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is opgenomen dat de aanvraag onderdeel uitmaakt van de vergunning en volgt hieruit dat bij verschillen tussen de aanvraag en de voorschriften, als antwoord op de aanvraag van toepassing zijn. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

7.

Eisers stellen zich op het standpunt dat de m.e.r.-beoordeling niet adequaat is verricht. De aanmeldingsnotitie laat zien dat er in ieder geval een DeNox zal worden geplaatst, hetzij een SCR, hetzij een SNCR. Echter de nu vergunde Nox-normen laten toe dat mogelijk geen DeNox hoeft te worden aangelegd omdat de Nox-emissie norm nu zo ruim is dat deze ook zonder De-Nox kan worden gehaald. De aanmeldingsnotitie m.e.r. geeft ook niet exact weer aan welke emissienormen zal gaan worden voldaan. Verwezen wordt naar het BVA dat een norm kent van 70 mg/Nm3 terwijl uiteindelijk 180mg/Nm3 wordt vergund. Bij de m.e.r.-beoordeling ontbreken ten onrechte de verspreidingsberekeningen voor zowel geur als NOx.

7.1.

De door de rechtbank benoemde deskundige StAB komt tot de conclusie in haar rapport van 9 augustus 2013 inzake bovenstaand standpunt van eisers dat de exacte emissies nog niet bekend waren ten tijde van de m.e.r.-beoordeling, maar op basis van de in de notitie beschreven technieken kon worden verwacht dat aan de (wettelijke) geldende emissie-eisen zou kunnen worden voldaan.

7.2.

Voorop gesteld moet worden dat de StAB is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening en dat de rechtbank in beginsel op het uitgebrachte deskundigenbericht mag afgaan. Dat is slechts anders indien het deskundigenbericht onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht deze beschouwing van de StAB dan ook voldoende en ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de m.e.r.-beoordeling op dit punt niet adequaat is verricht. Verder blijkt volgens de rechtbank uit pagina 26 van de vergunning dat voor de vermindering van Nox, SCR of SNCR wordt toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat vergunninghoudster is gehouden om een DeNox te plaatsen.

8.

Eisers stellen dat in het m.e.r.-besluit ten onrechte is opgenomen dat de vergasser geen relevante toename van de geuremissie tot gevolg heeft, vanwege het feit dat het door de vergasser geproduceerde gas moet voldoen aan de BVA eisen. Hiervoor moet het verbranden van het geproduceerde gas zodanig gebeuren dat er sprake is van een volledige verbranding. Eisers verwijzen in dit kader naar de afvalverbrandingsinstallatie van Omrin Harlingen, die ook bij hoge temperatuur verbrandt, maar waarbij de te lage schoorsteen leidt tot ernstige stankoverlast.

8.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vergunningverlening in het kader van Omrin in Harlingen thans hier niet aan de orde is en zich geen oordeel kan vormen of in die procedure stankhinder is veroorzaakt. De rechtbank ziet voorts wel aanleiding te concluderen op grond van het StAB advies van 9 augustus 2013 dat in dat bedrijf huishoudelijke afval en bedrijfsafval wordt verbrand in een installatie met een capaciteit van 228.000 ton per jaar. Qua capaciteit en samenstelling van het afval is dus geen sprake van een vergelijkbare situatie. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

9.

Voorts stellen eisers dat de eigen rejects en rejects van buiten de inrichting eveneens tot geuroverlast kunnen leiden, omdat deze per definitie nat zijn en kunnen gaan broeien en stinken. Verwezen wordt in dit kader naar het bijgevoegde rapport van Grontmij.

9.1.

Uit het deskundigenrapport van 9 augustus 2013 leidt de rechtbank af dat proeven in het verleden hebben uitgewezen dat de rejects onvoldoende biologische activiteit bevatten om door bijvoorbeeld broei of compostering/rotting voor toenemende geuremissie te zorgen. Ook bij opslag over een langere periode wordt geen geurtoename verwacht. Overigens zal doorgaans van langdurige opslag geen sprake zijn omdat in voorschrift 2.2.1 van de vergunning is bepaald dat op enig moment niet meer dan 250 ton rejects binnen de inrichting mag worden opgeslagen, terwijl de installatie 84 ton rejects per dag kan en mag verwerken. De gemiddelde verblijftijd is dan circa drie dagen hetgeen te kort is om broei/compostering of rotting te veroorzaken. De beroepsgrond faalt.

10.

Eisers menen dat in de m.e.r.-beoordeling niet wordt opgemerkt dat het vrachtverkeer van en naar de inrichting zal gaan toenemen. In de aanmeldingsnotitie is een beschrijving gegeven van de te verwachten verkeersbewegingen. Grontmij geeft als onderbouwing hiervan enkel aan dat nog meer extra aanvoer van derden is te verwachten.

10.1.

De rechtbank acht de onderbouwing zoals gegeven in de aanmeldingsnotitie voldoende. De m.e.r. beoordeling is een beoordeling van de gevolgen van de uitbreiding, waarbij het niet uit te sluiten is dat nog niet over alle gegevens wordt beschikt zoals vervolgens bij de aanvraag. In het kader van de m.e.r.-beoordeling is geconstateerd dat de verkeersbewegingen geen nadelige gevolgen opleveren voor het milieu. Uit het rapport van de Grontmij maakt de rechtbank niet op dat deze conclusie van verweerder onjuist is te achten.

11.

Eisers stellen dat er wel een toename van geuremissie is te verwachten. Daarbij hebben eisers in de aanvullende reactie van 13 september 2013 aangevoerd dat de StAB in dit kader de vergelijkbare situatie van Parenco in Wageningen bij de beoordeling had moeten betrekken.

11.1.

De rechtbank stelt vast onder verwijzing naar het rapport van de StAB van 9 augustus 2013, dat de vergunde geurnorm uit 2002 in het kader van de revisievergunning blijft gelden. Dit betekent dat de uitbreiding van de installatie geen overschrijding van deze geurnorm tot gevolg mag hebben. De geurnorm is onderdeel van de onderliggende revisievergunning van 2002 en staat niet ter discussie in deze procedure. Dit betreft de geurnorm zoals opgenomen in voorschrift 1.1.1 van de beschikking d.d. 24 februari 2009 ambtshalve wijziging wet milieubeheer ten behoeve van het wijzigen van de voorschriften van de revisievergunning die op 11 juli 2002 is verleend. Ingevolge deze geurnorm mag de door de inrichting veroorzaakte geuremissie ter plaatse van de in bijlage 2 aangegeven contour van 5,9 se/m3 als 98 percentiel geen overschrijding veroorzaken van de geurconcentratie waarbij H= -2, berekend als 98 percentiel.

Uit voorheen uitgevoerde controles is inmiddels gebleken dat de feitelijke geuremissie veel lager is dan de vergunde geuremissie. Vergunninghoudster heeft aan de Tauw de opdracht gegeven een notitie op te stellen over het bepalen van de geuremissie vanwege de vergassingsinstallatie. Dit betreft het rapport van Tauw van 21 december 2011. Gelet op de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen, is het volgens de StAB niet aannemelijk dat een relevante geuremissie is te verwachten.

De StAB komt verder tot de conclusie dat de emissie-eisen die gelden voor de installatie en de luchtkwaliteitsnormen die van toepassing zijn op de gehele inrichting zijn gebaseerd op BBT documenten als de Bref-afvalverbranding en de NeR dan wel de Wet Luchtkwaliteit. Verder volgt uit de berekeningen van Tauw dat nergens de emissie-eisen worden overschreden. De berekeningen van Tauw zijn volgens de StAB overeenkomstig artikel 75, eerste lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 uitgevoerd met de standaard rekenmethode 3 en de rekenmethode van het Nieuw Nationaal Model. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken dat er een toename van geuremissie is te verwachten.

Daarbij neemt de rechtbank overigens in overweging dat de vergunningverlening van Parenco hier niet aan de orde is, zodat de StAB niet gehouden was om dit aspect in het advies te betrekken. Voor zover er nu een beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt gedaan door eisers, kan dit naar het oordeel niet slagen. Uit het aanvullend StAB advies van 26 september 2013 maakt de rechtbank op dat in de papierfabriek Parenco sprake is van een verbrandingsproces van vaste en gasvormige brandstoffen. De vergassinginstallatie van vergunninghoudster is hiermee niet vergelijkbaar.

12.

Volgens eisers is verder niet uit te sluiten dat alsnog een installatie met een capaciteit van meer dan 100 ton/dag wordt geplaatst, zodat een m.e.r-plicht geldt.

12.1.

De rechtbank stelt vast dat niet meer kan worden vergund dan is aangevraagd, zodat 84 ton de maximale capaciteit is van de installatie.

13.

De vergunde NOx-emissie is te hoog volgens eisers.

13.1.

De inrichting dient tenminste te voldoen aan de voor de inrichting in aanmerking komende Best Beschikbare Technieken (BBT). Bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende BBT wordt rekening gehouden met de BBT-conclusies en met de bij de ministeriële regeling omgevingsrecht aangewezen informatiedocumenten over BBT. In het onderhavige geval moeten als de relevante BBT documenten worden aangemerkt de Bref afvalverbranding met de bijbehorende oplegnotitie en de NeR. Daarnaast zijn de emissie-eisen in paragraaf 5.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (sinds 1 januari 2013, voorheen het Bva) en de luchtkwaliteitsnormen van de Wet luchtkwaliteit (ingevolge artikel 5.6 van de wet milieubeheer) van toepassing op de inrichting. De StAB stelt vervolgens vast dat gelet op de in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit de installatie van Eska dient te worden aangemerkt als een meeverbrandingsinstallatie. Zowel tabel 5.19 als 5.20 van het Activiteitenbesluit ziet op afvalmeeverbrandingsinstallaties. Tabel 5.19 van het Activiteitenbesluit heeft betrekking op meeverbrandingsinstallaties waarin gevaarlijk afval of onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of naar aard en samenstelling met zodanige afvalstoffen overeenkomende bedrijfsafval, hetgeen hier niet aan de orde is zodat tabel 5.20 van toepassing is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat een daggemiddelde van 180mg/m3 Nox is vergund en dit binnen de Bref-range van de Bref afvalverbranding van 72-180 is. Voorts geldt er een mengregel ingevolge het Activiteitenbesluit van 3% O2. Deze norm is strenger dan de norm in tabel 5.19 van het Activiteitenbesluit terwijl artikel 5.20 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat de vergunde Nox-emissies voldoen aan de geldende BBT en de emissie-eisen van het Activiteitenbesluit.

Hetgeen namens eisers is betoogd, inhoudende dat de Nox-emissiehandel is afgeschaft, zodat het niet houdbaar is om in de maximale Bref-range te gaan zitten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

14.

De schoorsteen van 24 meter hoog leidt tot geuroverlast en onnodige hoge Nox-concentratie in de omgeving volgens eisers.

14.1.

De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de schoorsteen toereikend is om ervoor te zorgen dat eventueel resterende geurconcentraties in de afgassen afdoende worden verspreid en sterk verdund op leefniveau. De rechtbank baseert deze conclusie op het deskundigenbericht en de daarin behandelde rapporten.

15.

Er mist volgens eisers een belangrijk voorschrift dat aangeeft dat het milieuzorgsysteem aan de in paragraaf 5.1 gespecificeerde minimale eisen van de Bref-Afvalverbranding dient te voldoen.

15.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is het milieuzorgsysteem afdoende geregeld in de voorschriften 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 van de revisievergunning van 2002 en voorschrift 2.2.2 van de onderhavige vergunning.

16.

Voorschrift 5.1.7 is volgens eisers te vaag op het gebied van registratie van actief kooldosering en niet is vastgelegd dat de gegevens minimaal 2 jaar bewaard dienen te blijven.

16.1.

Verweerder heeft aangegeven dat actief kool zal worden toegediend om eventueel gevormde dioxines af te vangen. Voorschrift 5.1.7 is bedoeld om vast te leggen dat actief kool wordt toegediend. Op grond van voorschrift 2.3.1 en 2.3.7 dienen de data tenminste 5 jaar worden bewaard. Daarnaast dienen dioxinen en kwik periodiek te worden gemeten. De rechtbank kan de stelling van eisers dan ook niet volgen.

17.

Volgens eisers dient te worden vastgelegd dat het ammoniakgehalte van de oplossing niet meer dan 25% mag bedragen.

17.1.

De rechtbank volgt het deskundigenbericht. De StAB merkt op dat het hier niet gaat om opslag van ammoniak in oplossing, maar om opslag van tot vloeistof verdicht ammoniakgas. Zodoende is een beperking van de concentratie ammoniak in oplossing tot maximaal 25% niet aan de orde.

18.

Eisers stellen dat de aanvraag onduidelijk is wat betreft de hoeveelheid opgeslagen ammoniak en dat het lijkt dat ammoniakgas onder druk per tankwagen wordt aangevoerd en/of overgepompt. Daarnaast wordt in weerwil van de aanvraag in voorschrift 7.1.1 niet alle belangrijke paragrafen van Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen, PGS-12 “opslag en verlading Ammoniak” (PGS-12) benoemd.

18.1.

De rechtbank stelt vast dat op pagina 33 van de aanvraag staat aangegeven wat de maximale hoeveelheid in opslag is, namelijk 1 m3. Ook staat vermeld dat de stof wordt aangeleverd per vrachtwagen en opgeslagen in een tank met een inhoud van 1 m3.

Voorts is opgenomen dat de opslag plaatsvindt volgens de relevante voorschriften uit de PGS-12. De rechtbank stelt vast dat nu niet nader is onderbouwd door eisers welke relevante voorschriften door voorschrift 7.1.1 van de vergunning buiten werking worden gesteld.

19.

Eisers stellen dat uit de aanvraag niet blijkt of de voorziene stofverwijdering wel voldoende capaciteit heeft en ook eventuele verstoppingen en beschadigingen kunnen worden hersteld zonder het proces stil te leggen.

19.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eisers nu betwisten dat in het kader van de stofverwijdering de gebruikte technieken BBT zijn. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de rookgasreiniging inclusief stoffilter BBT zijn en als uitgangspunt dient te gelden dat over voldoende capaciteit wordt beschikt. Op grond van artikel 5.24 van de Activiteitenregeling dient bij de exploitatie van een afvalverbrandingsinstallatie gebruik te worden gemaakt van een automatisch systeem dat voorkomt dat afvalstoffen worden toegevoerd wanneer uit continue metingen blijkt dat de emissiegrenswaarde wordt overschreden als gevolg van storingen of defecten aan de afgasreinigingsapparatuur, waar het stoffilter deel van uitmaakt. Uit de toepasselijkheid van artikel 5.11 van de Activiteitenregeling volgt dat de emissie van stof continue wordt gemeten en het proces wordt stilgelegd op het moment dat blijkt dat de emissiegrenswaarden worden overschreden of storingen/defecten zijn.

20.

Eisers voeren voorts alsnog bij brief van 13 september 2013 aan in het kader van de Natuurbeschermingswet dat het niet duidelijk is of alleen op soorten en niet op kwalificerende habitat is getoetst met de extra stikstofdeposito. Onduidelijk is ook of de vergunde ammoniakemissie is meegenomen in de depositieberekeningen voor het Natura 2000 gebied.

20.1.

De rechtbank stelt vast dat de StAB heeft geconcludeerd dat enkel getoetst is op soorten en niet op habitattypen. Deze soorten zijn beschouwd in de rapportage van 31 januari 2012 van Tauw, dat onderdeel uitmaakt van de vergunning. Niet is gebleken dat er ook op habitattypen dient te worden getoetst op grond van aanwijzingsbesluit van het Zuidlaardermeergebied als speciale beschermingszone. Voorts heeft de StAB Tauw verzocht om een nader verslag inzake ammoniakemissie. Hieruit blijkt dat niet is gebleken van significante effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied. Eisers hebben voorts geen bezwaren aangevoerd tegen deze conclusie van Tauw, zodat de rechtbank deze conclusie als afdoende beschouwt.

21.

Ten aanzien van het beroep van [eiser 2] met zaaknummer 13/270 merkt de rechtbank het volgende op. Eiser heeft zich in eerste instantie laten vertegenwoordigen door een andere gemachtigde. In het aanvullend beroepschrift van 24 april 2013 van deze gemachtigde wordt met name verwezen naar de zienswijze en gesteld dat deze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd voor zover niet gegrond verklaard. Voor het overige zijn gronden in het kader van geluid en stankoverlast aangevoerd in algemene bewoordingen.

Eiser heeft zich vervolgens laten vertegenwoordigen door de heer Vollenbroek. Gelet op de vervolgens door gemachtigde Vollenbroek aangevoerde gronden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het aanvullend beroepschrift van 24 april 2013 nader te bespreken.

22.

Gelet op het vorenoverwogene verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, als voorzitter en mr. E.M. Visser en mr. L. Mulder, als leden, bijgestaan door mr. H.E. Melissen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2014.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.

Afschrift verzonden op: