Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:333

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
c/18/143433 / HA RK 13-211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

n.v.t.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/143433 / HA RK 13-211

Beschikking van 23 januari 2014

in de zaak van

1 [verzoeker 1],

wonende te Groningen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OTIUM MERITO B.V.,

gevestigd te Groningen,

3. [verzoeker 3],

wonende te Groningen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHIER UUT BEHEER B.V.,

gevestigd te Groningen,

verzoekers,

advocaat mr. A. Volkerink-de Boer te Apeldoorn,

tegen

1. de naamloze vennootschap

SNS REAAL N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SNS PROPERTY FINANCE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweersters,

advocaat mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling.

2 De feiten

2.1.

De heer [verzoeker 1] (hierna: [verzoeker 1]) is fiscaal jurist en directeur / aandeelhouder van Otium Merito B.V.

2.2.

De heer [verzoeker 3] (hierna: [verzoeker 3]) is registeraccountant en directeur / aandeelhouder van Schuur Uut Beheer B.V.

2.3.

[verzoeker 1] en [verzoeker 3] (verzoekers sub 1 en sub 3) hebben gedurende enkele jaren met elkaar samengewerkt bij een internationaal opererend vastgoedfonds, Reggehuys Management B.V./ Central Europe Group (hierna: CEG). De heer [directielid CEG] (hierna: [directielid CEG]) heeft deel uitgemaakt van de directie van CEG. CEG heeft zich bezig gehouden met de herstructurering van vastgoedprojecten in Oost-Europa. In 2010 is CEG failliet gegaan.

2.4.

[directielid CEG] heeft in augustus 2010 [verzoeker 1] en [verzoeker 3] benaderd met de vraag of zij interesse hadden om herstructureringswerkzaamheden te verrichten bij een financiële dienstverlener. [verzoeker 3] en [verzoeker 1] hebben, op verzoek van [directielid CEG], hun curriculum vitae aan de heer [interim bij SNS] (hierna: [interim bij SNS]), gezonden, die op dat moment op interim basis werkzaam was bij SNS Property Finance (hierna: SNS PF) als zogeheten ‘Restructuring Medewerker’.

2.5.

[verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben nadien een uitnodiging ontvangen voor een gesprek over een functie bij SNS PF. Deze uitnodiging was verzonden namens de heer [CRO bij SNS] (hierna: [CRO bij SNS]) die destijds als ‘Chief Restructuring Officer’ (CRO) bij SNS PF eveneens op interim basis werkzaam was. In vervolg op het gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen [verzoeker 1], [verzoeker 3] en [CRO bij SNS] heeft SNS PF met ieder van de besloten vennootschappen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] in september 2010 een overeenkomst van opdracht gesloten. Het overeengekomen uurtarief voor de te verrichten werkzaamheden bedroeg € 225,00 exclusief BTW en reiskosten. Partijen zijn nadien aanvullende overeenkomsten aangegaan, laatstelijk in juni 2012. Het honorarium werd toen verlaagd tot € 202,50 per uur, exclusief BTW in verband met een algehele verlaging van de tarieven binnen SNS PF. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben namens hun vennootschappen maandelijks facturen ingediend bij SNS PF voor de door hen gewerkte uren.

2.6.

[verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben op enig moment met [directielid CEG] afgesproken dat zij een ‘fee’ van € 75,- per bij SNS PF gedeclareerd uur aan hem zouden afdragen, omdat hij hen in contact had gebracht met SNS PF. [directielid CEG] heeft verzocht de betaling niet rechtstreeks aan hem te doen, maar ‘via een vennootschap van [interim bij SNS]’. Betaling van de fee op basis van de gemaakte afspraken heeft voornamelijk plaatsgevonden op basis van de door [verzoeker 1] en [verzoeker 3] rechtstreeks aan [interim bij SNS] gestuurde (kopieën van) facturen ter zake van de door hen gewerkte uren voor SNS PF. [interim bij SNS] berekende vervolgens de omvang van de fee en heeft facturen op naam van zijn vennootschap(pen) Sebastivier Beheer B.V. dan wel Sebastivier Trade B.V. aan de vennootschappen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] gestuurd met als omschrijving ‘Adviesdiensten’. Deze facturen zijn door (de vennootschappen van ) [verzoeker 1] en [verzoeker 3] aan de betreffende vennootschap van [interim bij SNS] voldaan. In de praktijk stuurde vervolgens [directielid CEG] op naam van een in Tsjechië gevestigde vennootschap Querry, waar hij feitelijk leidinggevende was, facturen aan de betreffende vennootschap van [interim bij SNS] met als omschrijving ‘Consultancy services’. Deze facturen werden dan vervolgens door de vennootschap van [interim bij SNS] voldaan.

2.7.

Op enig moment heeft [verzoeker 3] de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]) en de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) benaderd met de vraag of zij interesse hadden voor een functie als herstructureringsspecialist. [verzoeker 3] heeft hen vervolgens in contact gebracht met [directielid CEG]. [verzoeker 3] heeft met [directielid CEG] afgesproken dat [verzoeker 1] en [verzoeker 3] vanwege het aanbrengen van [naam 1] en [naam 2], een korting zouden ontvangen op de fee die zijzelf aan [directielid CEG], via de vennootschap van [interim bij SNS] betaalden. Deze korting bedroeg € 7,50,- per door [naam 1] en € 7,50 per door [naam 2] gedeclareerd uur. [verzoeker 3] deelde deze korting met [verzoeker 1]. Volgens afspraak vond betaling plaats doordat [verzoeker 1] en [verzoeker 3] (namens hun vennootschappen) facturen stuurden aan de (vennootschap van) [interim bij SNS] op basis van de door [naam 1] en [naam 2] gedeclareerde uren bij SNS PF. Deze facturen droegen de omschrijving ‘Werkzaamheden inzake [BV]’ (facturen van de vennootschap van [verzoeker 1]) respectievelijk ‘Adviesdiensten’ (facturen van de vennootschap van [verzoeker 3]). De facturen werden verrekend met de facturen die (de vennootschap van) [interim bij SNS] aan (de vennootschap van) [verzoeker 1] en [verzoeker 3] stuurde in verband met de fee die zij zelf verschuldigd waren, zodat het gefactureerde bedrag daarvan lager uitviel.

2.8.

[verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben, in het kader van een intern onderzoek van SNS Reaal, naar (mogelijk) ernstige onregelmatigheden door (ex)medewerkers van SNS PF, onder meer over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder externe medewerkers een overeenkomst met SNS PF hebben gesloten, op 25 februari 2013 een gesprek gevoerd met de afdeling Veiligheidszaken van SNS Reaal. In het gespreksverslag van 25 februari 2013 is onder meer opgenomen:

‘Als wij, [verzoeker 3] en [verzoeker 1], het contract met SNS PF zouden accepteren en bij SNS PF gaan werken, dan wisten wij dat wij een Fee aan [directielid CEG] zouden gaan betalen. Aangezien hij voor de bemiddeling zorg heeft gedragen vonden wij dat niet meer dan redelijk en gangbaar.

Aangezien ik, [verzoeker 3], wist dat SNS PF nog meer mensen zocht, heb ik contact opgenomen met [naam 1], (studiegenoot) en [naam 2].

Ik, [verzoeker 3], heb deze twee personen in contact gebracht met [directielid CEG]. (..)

In het begin hebben wij onze facturen geprint en afgegeven bij de secretaresse van [CRO bij SNS]. Daarna zijn de facturen gemaild naar [interim bij SNS]. Bij indienen voor de 5de werden de facturen voor de 20ste uitbetaald. Wij hebben een verzoek gekregen van [directielid CEG] om de betalingen via de heer [interim bij SNS] te laten lopen. Nadat wij onze declaraties hadden ingediend bij SNS PF kregen wij een factuur van [interim bij SNS] om de fee te betalen. De facturen werden gestuurd op naam van Sebastivier. Via [interim bij SNS] ontving [directielid CEG] zijn vergoeding. Zodra onze facturen door SNS PF waren voldaan en wij een factuur kregen om de fee te betalen wilden wij het zo snel mogelijk afhandelen aangezien wij op de hoogte waren van de situatie van de heer [directielid CEG]. De meegegeven omschrijving op de facturen voor de fee was: Adviesdiensten. (…)

In een gesprek met [directielid CEG] opperden (het betrof geen vooropgezet plan om te verdienen aan het aanbrengen van [naam 2] en [naam 1] bij SNS PF) wij een tariefkorting op de door ons te betalen fee als de heer [naam 2] en de heer [naam 1] werkzaamheden gingen verrichten voor SNS PF. Toen hadden wij ze al aangedragen bij SNS PF. In plaats van een korting op de door ons te betalen fee, heeft [directielid CEG] onderstaand voorstel gedaan.

Van [interim bij SNS] krijgen wij maandelijks een overzicht van de uren die de heren [naam 2] en [naam 1] bij SNS PF gedeclareerd hebben. Op basis van deze gedeclareerde uren door [naam 2] en [naam 1] sturen wij een aparte factuur aan [interim bij SNS] om € 7,50 per uur per persoon (in totaal € 15,00) in mindering te brengen op de door ons aan [interim bij SNS] te betalen fee.

Deze afspraak is gemaakt met [directielid CEG] en de betalingen vinden plaats via [interim bij SNS]. (…)’

2.9.

Bij brief van 4 maart 2013 heeft SNS PF [verzoeker 1] en [verzoeker 3] medegedeeld dat zij en hun vennootschappen per direct tijdelijk hun werkzaamheden voor SNS PF dienden te staken.

2.10.

Op 12 maart 2013 is [verzoeker 3] verhoord door de FIOD. In het proces-verbaal van dit verhoor is onder meer opgenomen:

‘Op basis van onze gesprekken met [CRO bij SNS], rb] en de positieve feedback daarop is er een contract gekomen met SNS PF. In een gesprek met [directielid CEG] zijn wij ([verzoeker 1] en ik) een fee overeengekomen van € 75,00 per gewerkt uur. (..) Op verzoek van [directielid CEG], is de betaling van de fee aan een met [interim bij SNS] gelieerde vennootschap gefactureerd en ook betaald. Dit was op expliciet verzoek van [directielid CEG] om voor zijn moverende redenen. Ik wist dat [directielid CEG] de door mij betaalde vergoeding kreeg, want [directielid CEG] had mij binnengeloodst. Nadat wij de afspraak met [directielid CEG] hadden gemaakt met betrekking tot de facturen en betalen van de Fee gaf [directielid CEG] aan dat hij de betaling zou laten lopen via [interim bij SNS]. Ik heb elke maand mijn factuur opgestuurd aan SNS en daarna kreeg ik een factuur van [interim bij SNS], met als omschrijving declaratie betreffende advies diensten t.b.v. Schier uut Beheer B.V. voor de betreffende maand.(..) Als ik deze factuur kreeg dan kon ik het bedrag herleiden naar de fee die ik met de heer [directielid CEG] had afgesproken.

Vraag: Op de factuur staat dat adviesdiensten, dus?

Antwoord: Ik weet hoe deze fee tot stand is gekomen. Ik heb nooit stil gestaan bij de omschrijving van de factuur. Ik kon het bedrag herleiden aan de hand van de door mij gewerkte uren. Dat was voldoende. (..) ik heb ze ook netjes betaald.(..)

Het initiatief kwam van [directielid CEG]. [directielid CEG] heeft ervoor gezorgd dat hij ons binnenbracht en hij verlangde hiervoor een vergoeding. [directielid CEG] heeft aan mij het voorstel gedaan om € 75,00 van mijn uur tarief als vergoeding te willen ontvangen en ik vond dat bedrag aanvaardbaar dus ik ben daarmee akkoord gegaan. Omdat [verzoeker 1] en ik altijd samen waren wist ik dat ook [verzoeker 1] eenzelfde afspraak met [directielid CEG] heeft gemaakt. [directielid CEG] heeft tegenover mij aangegeven dat ik een factuur zou ontvangen van [interim bij SNS]. Ik mailde mijn factuur eerst aan SNS PF en ook aan [interim bij SNS]. [interim bij SNS] kon aan mijn factuur zien welke uren ik gemaakt had en wat mijn uurtarief is. De eerste maanden heb ik mijn facturen fysiek afgegeven aan [CRO bij SNS]. Het bleek dat dat proces niet goed liep, omdat ik te lang op betaling moest wachten. Na die begin maanden bleek dat het niet goed liep en toen zei [interim bij SNS] tegen mij, stuur die facturen naar mij en dan zorg ik wel voor de interne afhandeling en daarna ging het beter met de betaling. Omdat de bedragen van de door mij ontvangen facturen van [interim bij SNS] juist waren, ben ik er vanuit gegaan dat [interim bij SNS] op de hoogte was gesteld door [directielid CEG] van de door hem te ontvangen fee.(..)

Vraag: Komen de omschrijvingen op de facturen overeen met de werkelijk door [interim bij SNS] geleverde prestaties?

Antwoord: Nee.

Vraag: Heeft [interim bij SNS] de prestaties zoals die op de factuur vermeld staan geleverd?

Antwoord: Nee (..)

Vraag: Heeft u een vergoeding voor het aanbrengen van nieuwe mensen ontvangen?

Antwoord: Ja, uiteindelijk wel. (..) [directielid CEG] (..) stelde voor € 7,50 per uur per persoon per medewerker. (..) Er is een maandelijkse correctie geweest op de factuur die [interim bij SNS] aan mij stuurde. Ik heb hiervoor een correctiefactuur aan [interim bij SNS] gestuurd met dezelfde omschrijving als op de factuur die ook zelf van [interim bij SNS] ontving die omschrijving luidde ‘adviesdiensten’ en ik betaalde het netto verschuldigde bedrag aan [interim bij SNS] zijn B.V. want ik zag het ook als een correctie op mijn Fee aan [directielid CEG]. Ik zag het als een correctie op zijn factuur ([interim bij SNS]) en daarom heb ik ook dezelfde omschrijving overgenomen, anders was het ook niet te corrigeren en zou het mogelijk worden gezien als twee verschillende zaken.

Vraag: Is de omschrijving van de door u opgemaakte factuur correct?

Antwoord: Nee, maar ik zocht bewust aansluiting met de andere factuur van [interim bij SNS] aan mij gericht. (..)

Vraag: Heeft u ooit aan uw opdrachtgever SNS aangegeven dat u per gewerkt uur een beloning ontving van de door uw opdrachtgever ingehuurde/ aangebrachte werknemers?

Antwoord: Nee, ik zag het als een correctie op mijn Fee.’

2.11.

Op 13 maart 2013 is [verzoeker 1] verhoord door de FIOD. In het proces-verbaal van dit verhoor is onder meer opgenomen:

[verzoeker 3] en ik in 1e instantie hebben onze originele declaratie gezamenlijk ingediend in een enveloppe bij mevrouw [naaam 4], de secretaresse van [CRO bij SNS]. Zij zorgde voor verdere verwerking. Het duurde lang met betalen. (..) De Fee voor [directielid CEG] liep op zijn verzoek vanaf het begin via [interim bij SNS].

[interim bij SNS] ontving van de declaratie een kopie, zodat hij dan de Fee voor [directielid CEG] aan hem kon betalen. [naaam 4] zorgde voor de verwerking van de declaraties in het systeem. [interim bij SNS] zorgde voor het uitbetalen van de Fee aan [directielid CEG]. [interim bij SNS] stelde begin 2011 voor dat wij onze urenfacturen voortaan rechtstreeks aan hem zouden toesturen. Hij gaf aan dat hij ervoor kon zorgdragen dat onze declaraties in het systeem kwamen, zodat er voor tijdige betaling van de door mij gemaakte uren zou worden zorg gedragen. (..) Het deel van het afdragen van de Fee was 30 % zijnde € 75,00 per gewerkt uur. Deze afspraak heb ik met [directielid CEG] gemaakt, dat was nadat wij het definitieve contract met SNS PF hadden gemaakt. [directielid CEG] zijn vennootschap lag op dat moment onder vuur, gezien het faillissement van CEG en ik vermoedde dat [directielid CEG] het risico liep dat er beslag op zijn inkomsten zou worden gelegd. (..)

Vraag: Door wie en op welke wijze is aangegeven dat hij/zij een deel van uw beloning wenste te ontvangen?

Antwoord: Dat is een mondelinge afspraak die ik heb gemaakt met [directielid CEG]. (..) Het initiatief tot uitbetalen van de Fee aan [directielid CEG] is van mijzelf uitgegaan, omdat ik het normaal vind dat je bij een opdracht als deze een Fee betaald aan het recruitment bureau, door wie ik ook was benaderd. Er is voordat het contract in de eindfase kwam niet over de hoogte van de Fee gesproken. (..)

Vraag: Als u deze factuur kreeg wat wist u dan?

Antwoord: Ik mailde mijn factuur aan [interim bij SNS] en ik kreeg van [interim bij SNS] en het bedrag correspondeerde precies met het aantal uren keer het tarief van € 75,00.

Vraag: Op de factuur staat als aard van werkzaamheden ‘adviesdiensten’?

Antwoord: Ik heb daar verder niet bij stil gestaan. Dat deze factuur correspondeerde met de materiële werkelijkheid dat ik een afspraak heb gemaakt met [directielid CEG] en dat het op zijn verzoek liep via [interim bij SNS] en dat de eerder ingediende factuur correspondeerde met het aantal uren keer het bedrag van € 75,00. Meneer [interim bij SNS] betaalde [directielid CEG] weer. (..)

Vraag: Komen de omschrijvingen van de advieswerkzaamheden zoals vermeld op de facturen overeen met de werkelijk door [interim bij SNS] geleverde prestaties?

Antwoord: Nee.(..)

Vraag: Heeft u een vergoeding voor het aanbrengen van nieuwe mensen ontvangen?

Antwoord: Ik heb daar zelf niet over onderhandeld, maar [verzoeker 3] heeft op eigen titel overleg gehad met [directielid CEG] en daar kwam een korting op zijn Fee van € 15,00 uit. Deze Fee heeft [verzoeker 3] vrijwillig met mij gedeeld.

Vraag: Kent u namen van de personen die door [verzoeker 3] zijn aangebracht?

Antwoord: [naam 2] en [naam 1].(..)

Vraag: Is de omschrijving van de werkzaamheden op de door u gemaakte factuur correct?

Antwoord. Ja, voor mij wel want die luidt werkzaamheden inzake [BV]. De factuur is helemaal helder en volledig te herleiden. Als u mij vraagt of ik ook de werkzaamheden zoals die op de factuur staan vermeld verricht heb. Ik heb geen werkzaamheden verricht maar de Fee was wel afgesproken, er is geen sprake van een valse declaratie. Voor mij zien ‘de werkzaamheden’ op de afspraak voortvloeiend uit de basis afspraak zoals die met [directielid CEG] is gemaakt. (..)

Vraag: Heeft u ooit aan uw opdrachtgever SNS aangegeven dat u per gewerkt uur een beloning ontving van de door uw opdrachtgever ingehuurde/aangebrachte werknemers?

Antwoord: Nee. (..)

Vraag: Waren er naast [CRO bij SNS] en/of [interim bij SNS] en/of [directielid CEG] gezamenlijk afspraken gemaakt omtrent de gang van zaken met de Fee’s?

Antwoord: Nee, ik had een afspraak met [directielid CEG] en de afspraak was de hele Fee voor [directielid CEG]. Deze wijze van uitbetalen was zo gedaan omdat dat met persoonlijke omstandigheden van [directielid CEG] te maken had en op zijn verzoek. Omdat ik op de hoogte was van de persoonlijke omstandigheden van [directielid CEG]. Het bedrijf waarvan hij directeur was is (buiten zijn schuld om) failliet gegaan. Hij kreeg de schuld van een heleboel zaken. Hij kon niet eens een bankrekening openen en hij kon geen andere vennootschap oprichten. Dat hij het even parkeerde, totdat hij een eigen BV had opgericht kon ik snappen. Er waren meerdere partijen die [directielid CEG] een lening hebben verstrekt. Ik vermoed ook van [interim bij SNS]. [directielid CEG] is persoonlijk niet failliet gegaan. (..) In mijn beleving was het zo dat [directielid CEG] eigenaar was van een BV met een zwaar negatief vermogen en deze activiteiten was een nieuwe activiteit die hij in een nieuwe rechtspersoon wilde doen. Hij wilde niet in de situatie komen dat er meteen beslag op zijn inkomsten werd gelegd.’

2.12.

Op 19 maart 2013 is [directielid CEG] verhoord door de FIOD. In het proces-verbaal van dit verhoor is onder meer opgenomen:

‘(..) Mijn dochter heeft Querry, dat het ik opgezet voor haar. (Een vriend van mij was daar directeur (..) dit omdat ik in die tijd niet zichtbaar wilde zijn in verband met bedreigingen. Maar ik heb voor Querry een algemene tekenbevoegdheid. (..) Ik ben de feitelijk leidinggevende van Querry (..) [interim bij SNS] vroeg mij op een gegeven moment of ik goede mensen voor de herstructureringspoot van SNS wist. Ja dat wist ik (..) Dat waren [verzoeker 3] en [verzoeker 1]. [interim bij SNS] zei dat hij bij de inbreng van deze mensen wilde verdienen en zei toen jij kunt er ook aan verdienen. Voor mij was dat niet vreemd, het was prachtig, ik zat met een curator die geen fees wilde vergoeden vanuit de CEG en ik had verder geen inkomsten. (..) Ik kreeg per gewerkt uur van de jongens € 25,00 per uur. (..) Ik maakte een factuur op op naam van Querry. Ik stuurde een emailtje of ik zag [interim bij SNS] met vermelding van consultancy services over een bepaalde maand. Op uw vraag of dat elke maand gebeurde dan ja dat gebeurde maandelijks (..) In feite is dit de factuur voor mijn vergoeding van de gewerkte uren van de jongens. In mijn optiek krijg ik een vergoeding voor het aanbrengen van deze mensen. Fysiek heb ik geen werkzaamheden verricht voor Sebastier. (..)’

2.13.

Op 19 maart 2013 is [interim bij SNS] eveneens verhoord door de FIOD. In het proces-verbaal van dit verhoor is onder meer opgenomen:

‘Vraag verbalisanten: Wat kunt u verklaren over de facturen die u opmaakte vanuit Sebastivier Beheer BV en Sebastivier Trade BV voor Schier Uut BV?

Antwoord gehoorde: Die maakte ik op uit de administratie, daar stonden de uren. De basis waren daarvoor de overzichten uit het spreadsheet D-230 dat u eerder aan mij toonde.

Vraag verbalisanten: Was de omschrijving op de facturen gebaseerd op de werkelijkheid?

Antwoord gehoorde: Dat had anders moeten heten zoals ik al eerder verklaard heb namelijk bemiddelingsfee. Ik wil daarbij opmerken dat de heer [verzoeker 3] zelf RA is dus hij had ook meteen kunnen opmerken dat het anders had gemoeten. (..)

Vraag verbalisanten: Wat kunt u verklaren over de facturen die u opmaakte vanuit Sebastivier Beheer BV en Sebastivier Trade BV voor Otium Merito BV?

Antwoord gehoorde: Dit is op exact dezelfde manier gegaan als bij [verzoeker 3]: Ook hier had bemiddelingsfee moeten staan op de factuur.

Vraag verbalisanten: (..) Hebben de adviesdiensten op de factuur van u aan [verzoeker 3] en [verzoeker 1] feitelijk plaatsgevonden?

Antwoord gehoorde: Iedereen wist waarover het ging maar er had bemiddelingsfee moeten staan. De adviesdiensten hebben niet plaatsgevonden.

Vraag verbalisanten: Was de omschrijving op de facturen gebaseerd op de werkelijkheid?

Antwoord gehoorde: Nee. Hier had bemiddelingsfee moeten staan.

Vraag verbalisanten: Ook hier komt weer [directielid CEG] naar voren. Kunt u hier verder over de verdeling zoals te zien is in het overzicht D-230 wat verklaren?

Antwoord gehoorde: (..) Daarna zijn andere personen uit de groep binnen gekomen die door bemiddeling van [directielid CEG] bij SNS PF gekomen zijn. Met deze personen is door [directielid CEG] een bemiddelingsfee afgesproken van € 75,00 zodat er door mij € 50,00 en [directielid CEG] € 25,00 ontvangen zou worden. Later heb ik [CRO bij SNS] aangegeven dat ik de € 50,00 met hem wilde delen in het kader van de ereschuld (..)

Vraag verbalisanten:Wie waren op de hoogte van de bemiddelingsfee die [naam 2] en [naam 1] aan u moeten betalen.

Antwoord gehoorde: [directielid CEG] en [verzoeker 1] en [verzoeker 3].

Vraag verbalisanten: Was de omschrijving ‘adviesdiensten’ op de facturen van Sebastivier gericht aan [BV] gebaseerd op de werkelijkheid?

Antwoord gehoorde: Nee, daar had bemiddelingsfee moeten staan.’

2.14.

SNS Reaal heeft bij brief van 2 april aan [verzoeker 1] en [verzoeker 3] meegedeeld dat zij staan geregistreerd in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister (hierna: het EVR) van SNS Reaal. In de brief staat geschreven, na een algemene uitleg van voornoemde registers en het doel ervan:

‘U bent geregistreerd omdat voldoende aannemelijk is geworden dat u bij een incident betrokken bent of bent geweest. Tevens hebben wij vastgesteld dat is voldaan aan de opnamecriteria voor registratie in het Extern Verwijzingsregister.’

2.15.

Op de verwerking van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR is het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen (hierna: het Protocol) van toepassing. In artikel 4.3.1. betreffende de verwijdering van gegevens uit het Incidentenregister staat vermeld:

‘Deelnemer doet dit ook [verwijderen gegevens, rb] op basis van een gehonoreerd verzoek conform artikel 9.4 Protocol.’

Artikel 5.2 betreffende de vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister luidt, voor zover van belang:

‘5.2.1. De deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a. a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een financiële instelling, alsmede de (organisatie van de) financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klacht wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de betrokkene als gevolg van opname van zijn persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister. (..)’

In artikel 5.3.1. betreffende de verwijdering van gegevens uit het EVR staat vermeld:

‘Indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 5.2.1. Protocol wordt voldaan draagt de Deelnemer zorg voor verwijdering van de door de Deelnemer opgenomen verwijzingsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister. De deelnemer doet dit ook naar aanleiding van een gehonoreerd verzoek tot verwijdering conform artikel 9.4 Protocol.’

Artikel 9.4.1. van het Protocol luidt:

‘Indien uit het verstrekt overzicht blijkt dat Persoonsgegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt, kan de betrokkene schriftelijk verzoeken om verbetering, aanvulling of verwijdering of afscherming van de betreffende Persoonsgegevens.’

2.16.

Naast het Incidentenregister en het EVR, maakt SNS Reaal in haar administratie gebruik van een ‘gebeurtenissenadministratie’ en een Intern Verwijzingsregister (hierna: IVR). De registers worden toegankelijk gemaakt door een Externe Verwijzingsapplicatie (EVA).

2.17.

Bij brief van 3 april 2013 heeft SNS PF aan [verzoeker 1] en [verzoeker 3] kenbaar gemaakt dat SNS PF voornemens is de overeenkomst met hen met onmiddellijke ingang te beëindigen. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] worden in de gelegenheid gesteld om hun visie op dit voornemen te geven.

2.18.

Bij brief van 18 april 2013 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 3] te kennen gegeven dat zij zich niet herkennen in de door SNS PF gebezigde bewoordingen in de brief van 3 april 2013. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben om een nadere toelichting gevraagd en zij hebben verzocht om toezending van stukken waarop de stellingen van SNS PF berusten.

2.19.

Bij brief van 26 april 2013 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 3] aan SNS Reaal nadere informatie verzocht over hun registratie in het Incidentenregister en het EVR. SNS Reaal heeft gereageerd bij brieven van 14 mei 2013 aan [verzoeker 3] respectievelijk [verzoeker 1].

2.20.

Nadat op 24 mei 2013 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen SNS PF en [verzoeker 1] en [verzoeker 3], heeft SNS PF bij brief van 13 juni 2013 de overeenkomsten tot opdracht vernietigd met een beroep op dwaling dan wel met onmiddellijke ingang opgezegd.

2.21.

Hierna heeft een briefwisseling plaatsgevonden over de vernietiging/opzegging van de overeenkomst, waarbij SNS PF en SNS Reaal het standpunt hebben gehandhaafd dat de registratie in het Incidentenregister en EVR terecht is geweest.

Bij schrijven van 7 augustus 2013 van de afdeling Veiligheidszaken van SNS Reaal wordt aan [verzoeker 1] en [verzoeker 3] medegedeeld dat de registratie gehandhaafd blijft.

3 Het verzoek

3.1.

Verzoekers hebben verzocht om verweerders gezamenlijk, althans één van hen, althans verweerder sub 1, als verantwoordelijke(n) van een verzameling persoonsgegevens te bevelen:

om binnen 10 (zegge: tien) dagen na betekening van de beschikking op dit verzoekschrift, althans binnen een door uw rechtbank te bepalen redelijke termijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- (zegge: vijfduizend) per dag of dagdeel en per verzoeker dat verweerder(s) met de gehele of gedeeltelijke nakoming van de hierna te verzoeken bevelen in gebreke blijven,

  1. de registratie van alle verzoekers, alsmede alle op hen betrekking hebbende persoonsgegevens uit het Incidentenregister, waaronder begrepen het IVR, EVR en EVA te verwijderen en verwijderd te houden, het een en ander onder toezending van een bewijsstuk aan verzoekers en hun advocaat;

  2. aan verzoekers en hun advocaat af te geven kopieën van alle informatie die jegens hen is ingebracht, alsmede de herkomst van die gegevens waaronder in ieder geval begrepen de onderzoeksresultaten en de ondernomen stappen in het onderzoek, en besluitvormingsproces en;

  3. schriftelijk aan verzoekers en hun advocaat mee te delen wie bij verweerder(s) in het kader van een onderzoek van EVA over hen informatie heeft ingewonnen.

Voorts hebben verzoekers verzocht,

4. verweerders gezamenlijk, dan wel een van hen, dan wel verweerder sub 1, te veroordelen in de kosten van dit geding,

5. de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

6. een dag en uur te bepalen, waarop de behandeling van dit verzoekschrift zal aanvangen.

3.2.

Verweerders hebben de rechtbank verzocht het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van verzoekers uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding, met bepaling dat over de proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen wijzen beschikking.

4 De beoordeling

4.1.

Verzoekers hebben hun verzoek gebaseerd op de artikelen 35, 36 en 46 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Zij hebben aan het verzoek ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de wettelijke eisen van registratie, zoals die onder meer zijn vastgelegd in het Protocol en uit de vaste jurisprudentie voortvloeien. Verweerders hebben geen althans onvoldoende feiten en rechten gesteld die de beslissing om de persoonsgegevens in de registers op te nemen, kunnen dragen. Niet staat vast dat aan verzoekers een strafrechtelijk verwijt zal kunnen worden gemaakt. Verzoekers zijn op basis van een redelijk vermoeden van schuld binnen het onderzoek naar [interim bij SNS] en [CRO bij SNS] als verdachten gehoord. Of zij zullen worden vervolgd is evenwel onduidelijk. Tegen hen is geen aangifte gedaan. Een redelijk vermoeden van schuld is onvoldoende voor registratie. Verzoekers hebben aangevoerd dat de betalingen aan [directielid CEG] als bemiddelingsfee moeten worden beschouwd, omdat [directielid CEG] er voor heeft gezorgd dat verzoekers in contact zijn gekomen met SNS PF. De bemiddelingsfee die verzoekers aan [directielid CEG] hebben aangeboden is een in de branche gangbare fee. De sollicitatieprocedure hebben verzoekers op eigen kracht doorlopen. Verzoekers hebben uit vrije wil en op eigen initiatief besloten om [directielid CEG] de bemiddelingsfee te betalen en zijn daar op geen enkele wijze toe gedwongen. Verzoekers gunden [directielid CEG] die fee vanwege het gedeelde arbeidsverleden. Dat betaling van de bemiddelingsfee is gebeurd via (een onderneming van) [interim bij SNS] is te verklaren door de moeizame start die [directielid CEG] doormaakte na het faillissement van CEG. De ingediende facturen zijn door SNS volledig voldaan en ook de tarieven hebben nimmer ter discussie gestaan. Van een financiële benadeling van SNS PF is geen sprake geweest. Ook de fiscus is niet benadeeld. Hoe [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hun inkomen zijn gaan besteden, was aan hen zelf.

4.2.

Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het verzochte moet worden afgewezen. Zij hebben als preliminaire verweren aangevoerd dat SNS Reaal de verantwoordelijke is in de zin van artikel 1(d) Wbp. SNS PF is ten onrechte in de procedure betrokken. Voorts is het verzoekschrift tardief ten aanzien van de inzageverzoeken op de voet van artikel 35 Wbp jo. artikel 46 lid 2 Wbp en kunnen Otium Merito en Schier Uut Beheer geen rechten ontlenen aan de Wbp.

Daarnaast hebben verweerders aangevoerd ten aanzien van het verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens uit het Incidentenregister en het IVR dat een concrete onderbouwing ontbreekt. Ook is niet duidelijk welk belang [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben bij verwijdering uit deze registers omdat niet is gesteld welke hinder zij ondervinden van de verwerking van hun persoonsgegevens in de interne administratie van SNS Reaal. Bovendien geldt voor verweerders een administratie- en bewaarplicht. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben niet gesteld dat die plicht ten aanzien van hen niet zou gelden. Evenmin hebben zij niet concreet gesteld dat de verwerking van de persoonsgegevens in het Incidentenregister niet voldoet aan het Protocol. Ten aanzien van het IVR hebben verweerders aangevoerd dat SNS Reaal de vrijheid heeft om te bepalen met welke (rechts)personen zij een relatie wil aangaan of beëindigen. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] zijn in het IVR opgenomen omdat verweerders met hen geen bancaire relatie meer willen aangaan. Het EVA is een applicatie waarmee gegevens kunnen worden ingevoerd. Als zodanig bevat het EVA geen gegevens. Met de verwijdering van gegevens uit het EVR en het IVR zijn deze in EVA niet meer te raadplegen.

Met betrekking tot het EVR hebben verweerders aangevoerd dat is voldaan aan de criteria voor registratie zoals die op basis van het Protocol zijn vereist en uit de jurisprudentie voortvloeien. Uit de verklaringen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] en de overgelegde facturen is voldoende gebleken dat de gedragingen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] het misdrijf valsheid in geschrift (artikel 225 Sr) opleveren en daarnaast ook het delict witwassen (artikel 420bis / 420ter Sr), niet ambtelijke omkoping (artikel 328ter) en oplichting (artikel 326 Sr).

De gedragingen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] vormen een bedreiging voor SNS Reaal en de integriteit van de financiële sector zodat een registratie in het EVR is geïndiceerd, ook na weging van de belangen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3]. Daarmee voldoet de registratie aan het vereiste van proportionaliteit.

Preliminaire verweren

4.3.

Ten aanzien van de preliminaire verweren overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.1.

Nu SNS Reaal de verantwoordelijke is in de zin van artikel 1 onder d Wbp en de onderhavige verzoeken krachtens artikel 35, 36 en 46 Wbp enkel kunnen zijn gericht tegen de verantwoordelijke, is SNS PF ten onrechte in de procedure betrokken en zullen de jegens haar gerichte verzoeken worden afgewezen.

4.3.2.

Ter zitting hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 3] erkend dat het inzageverzoek in de zin van artikel 35 Wbp te laat is ingediend. Voorts hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 3] erkend dat inmiddels aan deze verzoeken is tegemoet gekomen zodat zij geen belang meer hebben bij het verzochte. Het verzochte onder 2) en 3) van het verzoekschrift zal dan ook worden afgewezen.

4.3.3.

De Wbp is uitsluitend van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 1 onder a Wbp. De wet is, zo volgt uit voormelde bepaling, niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens van rechtspersonen. Tussen partijen is overigens ook niet langer in geschil dat Otium Merito B.V. en Schuur Uut Beheer B.V. niet geregistreerd staan in het IVR of EVR. Het verzochte voor zover het deze rechtspersonen betreft, zal om voornoemde redenen worden afgewezen .

Registratie EVR

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat opname in het Incidentenregister en met name in het daaraan gekoppelde EVR, voor een betrokkene verstrekkende consequenties kan hebben. Om die reden dienen hoge eisen te worden gesteld aan de grond(en) van SNS Reaal voor opname in deze registers van [verzoeker 1] en [verzoeker 3].

4.5.

De rechtbank zal allereerst ingaan op het verzoek voor zover het betreft het verwijderen van de gegevens uit het EVR waarbij het opnemen van de persoonsgegevens in dit register zal worden getoetst aan het wettelijk kader en het Protocol. Daarbij dient te worden aangetekend dat voor verwerking in overeenstemming met het Protocol van strafrechtelijke persoonsgegevens in het EVR en in het Incidentenregister die onder het regime van de Wbp vallen, een veroordeling door de strafrechter niet is vereist. Wel dienen verweerders aan te tonen dat in voldoende mate vast staat dat er ‘zodanige concrete feiten en omstandigheden zijn dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv. kunnen dragen.’ Als maatstaf geldt daarvoor dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (Vgl. ECLI:NL:HR:2009:BH4720).

4.6.

SNS Reaal heeft in de eerste plaats aangevoerd dat [verzoeker 1] en [verzoeker 3] door betaling van de door [interim bij SNS] gestuurde facturen met de omschrijving ‘adviesdiensten’ opzettelijk gebruik hebben gemaakt van de factuur als ware deze echt en onvervalst in de zin van artikel 225 lid 2 Sr. Daarnaast hebben ze deze valse facturen voorhanden gehad in de zin van artikel 225 lid 2 Sr nu deze facturen deel uitmaakten van hun administraties. Daarnaast hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 3] zelf valsheid in geschrifte gepleegd in de zin van artikel 225 lid 1 Sr doordat zij facturen stuurden aan [interim bij SNS] met de omschrijving ‘advieswerkzaamheden’ of ‘adviesdiensten’ terwijl het in werkelijkheid ging om een zogeheten ‘kickback’ voor het aanbrengen van [naam 1] en [naam 2].

4.7.

[verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben gesteld dat een bewustzijn dat de facturen vals waren, bij hen niet aanwezig was. Voor hen correspondeerden de facturen met de ‘materiële werkelijkheid’ gezien het verzoek van [directielid CEG] om de betaling van de fee via [interim bij SNS] te laten verlopen. Het begrip ‘adviesdiensten’ is een ruim begrip. Van opzettelijke misleiding was geen sprake. Opsteller en ontvanger van de factuur wisten van de onderliggende overeenkomst af tussen [directielid CEG] en [verzoeker 1] en [verzoeker 3]. Van misleiding van een derde is geen sprake geweest. Niemand werd misleid. Ook ten aanzien van de facturen naar aanleiding van het aanbrengen van [naam 1] en [naam 2] is geen valsheid in geschrifte gepleegd. [BV] is de vennootschap waarin [naam 1] en [naam 2] aandeelhouder zijn en van waaruit zij hun werkzaamheden voor SNS PF verrichtten en factureerden.

4.8.

De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat [verzoeker 1] en [verzoeker 3] als feitelijk leidinggevenden van de rechtspersonen Otium Merito B.V. en Schier Uut Beheer B.V. strafrechtelijk aansprakelijk kunnen zijn voor het handelen van deze rechtspersonen, vergelijk artikel 51 Sr. Hierna zal kortheidshalve enkel gesproken worden van het handelen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3].

4.9. De rechtbank is van oordeel op basis van het gespreksverslag van de afdeling Veiligheidszaken van 25 februari 2013, de processen-verbaal die zijn opgemaakt naar aanleiding van het verhoor van [verzoeker 3] en [verzoeker 1] op 12 respectievelijk 13 maart 2013 en van het verhoor van [directielid CEG] en [interim bij SNS] op 19 maart 2013, alsmede de stellingen van partijen in de onderhavige procedure, dat in deze civiele procedure gedragingen kunnen worden vastgesteld die in ieder geval een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren ten aanzien aan het plegen van valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 Sr door [verzoeker 1] en [verzoeker 3]. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.10. Krachtens het eerste lid van artikel 225 Sr wordt gestraft hij ‘die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.’ Krachtens het tweede lid van artikel 225 Sr geldt dat ook voor hem ‘die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik’.

4.11.

In het bijzonder blijkt uit de processen-verbaal ten aanzien van de door [interim bij SNS] opgestelde facturen met de omschrijving ‘adviesdiensten’, die door hem op naam van een vennootschap van hem zijn verstuurd aan de vennootschappen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3], dat [verzoeker 1] en [verzoeker 3] wisten dat aan deze facturen geen adviesdiensten ten grondslag lagen die waren verricht door (de vennootschap van) [interim bij SNS]. Ook [directielid CEG] wist dit. De betrokkenen wilden de facturering via deze vennootschap laten lopen. Op verzoek van [directielid CEG] is niet rechtstreeks aan hem (of aan een vennootschap van hem) betaald voor de door hem ten behoeve van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] verrichte bemiddelingsactiviteiten, maar aan (een vennootschap van) [interim bij SNS]. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] (en ook [interim bij SNS]) zijn willens en wetens op dit verzoek van [directielid CEG] ingegaan en hebben daaraan uitvoering gegeven. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben gebruik gemaakt van de door [interim bij SNS] bewust in strijd met de werkelijkheid opgestelde facturen en daarmee valselijk opgemaakte facturen en valse facturen, door ze als echt en onvervalst te betalen aan de betreffende vennootschap van [interim bij SNS].

4.12.

In het verzoekschrift hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 3] gesteld dat [directielid CEG] heeft uitgelegd dat hij vreesde dat enkele ontevreden beleggers beslag wilden leggen op zijn tegoeden. [directielid CEG] bestreed, aldus [verzoeker 1] en [verzoeker 3], op goede gronden de rechtmatigheid van deze beslagen, zodat zij het verzoek van [directielid CEG] hebben ingewilligd. [verzoeker 3] en [verzoeker 1] hebben daarbij gesteld dat ondanks de wijze van facturering zij aan al hun fiscale verplichtingen hebben voldaan en de fiscus niet is misleid of tekort gedaan en dat ook SNS Reaal niet is benadeeld. Wat daar ook van zij, de rechtbank is evenwel op basis van het gestelde en de processen-verbaal van de verklaringen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] van oordeel dat de betrokkenen deze constructie willens en wetens hebben opgezet ten einde eventueel derden c.q. schuldeisers van (een vennootschap van) [directielid CEG] te misleiden. Zij hebben tezamen in nauwe en bewuste samenwerking met [interim bij SNS] en [directielid CEG] met opzet een constructie opgezet door het maken van onderlinge afspraken en het maken van facturen die niet met de werkelijkheid overeenstemden die er tezamen toe strekten de geldstroom al dan niet tijdelijk, gedurende de ‘financiële dreiging’ waaraan [directielid CEG] heeft bloot gestaan, niet rechtstreeks aan [directielid CEG] of een vennootschap van hem te doen toekomen en aldus aan het oog van eventuele schuldeisers van (een vennootschap van) [directielid CEG] te onttrekken. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben willens en wetens aan deze constructie meegewerkt. Zij hebben ook geen andere redenen aangevoerd dan voornoemde. Door de gekozen constructie zou [directielid CEG] zelf, zoals [verzoeker 3] en [verzoeker 1] hebben gesteld ‘de regie (..) over de betaling van de diverse schuldeisers’ houden.

4.13.

Het vorenstaande voert de rechtbank tot de conclusie dat de facturen die vanuit de vennootschap van [interim bij SNS] door hem aan de vennootschappen van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] werden gestuurd en betaald, door [interim bij SNS] valselijk zijn opgemaakt, want niet in overeenstemming met de werkelijkheid, en ertoe dienden en met dat oogmerk waren opgesteld de betalingen aan het zicht van derden c.q. schuldeisers van [directielid CEG] te onttrekken en daarmee deze te misleiden. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] wisten dit en hebben hiermee ingestemd door bewust gebruik te maken van deze valse facturen door ze te betalen. Deze facturen hebben een bewijsbestemming zoals artikel 225 Sr vereist. De facturen zijn immers bestemd om te dienen tot bewijs van hetgeen daarin is vermeld c.q. dienden tot bewijs van betaling voor adviesdiensten die door (de vennootschap van) [interim bij SNS] aan de (vennootschappen van) [verzoeker 1] en [verzoeker 3] waren verricht terwijl in werkelijkheid daar geen sprake van was.

4.14.

Voor zover voor strafbaarheid onder artikel 225 lid 2 Sr is vereist dat wil sprake zijn van ‘gebruik maken’ in de zin van deze bepaling, de facturen daadwerkelijk aan een derde ter misleiding zijn voorgelegd, hetgeen niet uit de gestelde feiten kan worden opgemaakt, is de rechtbank niettemin van oordeel dat de vastgestelde gedragingen met elkaar een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake van het meermalen plegen van valsheid in geschrifte bij wijze van voorhanden hebben in de zin van artikel 225 lid 2 Sr opleveren. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben immers willens en wetens valse facturen voorhanden gehad door ze in hun administratie op te nemen terwijl zij wisten dat de facturen de bestemming hadden als echt en onvervalst te worden gebruikt, ook jegens derden indien dat gewenst zou zijn. Aldus is het door artikel 225 lid 2 Sr vereiste ‘opzet’ van [verzoeker 3] en [verzoeker 1] op het voorhanden hebben van de valse facturen naar het oordeel van de rechtbank gegeven.

4.15.

De rechtbank merkt overigens nog op dat verweerders weliswaar niet expliciet aan het opnemen van de persoonsgegevens in het EVR ten grondslag hebben gelegd dat ten aanzien van de facturen die door (de vennootschap van) [interim bij SNS] aan (de vennootschappen van) [verzoeker 1] en [verzoeker 3] zijn gestuurd met de omschrijving ‘adviesdiensten’, [verzoeker 1] en [verzoeker 3] zich schuldig hebben gemaakt aan de delictsomschrijving van artikel 225 lid 1 Sr, maar dat ten aanzien van hen naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk tevens een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake van het meermalen medeplegen van valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 lid 1 Sr bestaat waar het voornoemde facturen betreft. Voldoende voor strafvervolging op basis van artikel 225 lid 1 Sr is dat het gebruik van de bedoelde facturen slechts zo nodig jegens derden plaatsvindt, die niet met de valsheid op de hoogte zijn. Het gebruik hoeft niet daadwerkelijk plaats te vinden. Voorts ziet de term ‘gebruik’ in de zin van het eerste lid op elk gebruik in het maatschappelijk verkeer, waarbij sprake is van misleiding en waaruit enig nadeel kan ontstaan. Of daadwerkelijk benadeling is ontstaan is dus evenmin doorslaggevend.

Gezien het vorenstaande en de overweging in randnummer 4.11, 4.12 en 4.13 is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] bij het valselijk opmaken door [interim bij SNS] van de facturen met omschrijving ‘Adviesdiensten’ als nauwe en bewuste samenwerking kan worden gekwalificeerd in de zin van artikel 47 lid 1 Sr zodat, nu ook aan de overige vereisten voor toepassing van artikel 225 lid 1 Sr lijkt te zijn voldaan, ook sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan medeplegen van valsheid in geschrifte in de zin van voornoemde bepaling.

4.16.

Ten aanzien van de ‘correctiefacturen’ die door [verzoeker 3] en [verzoeker 1] periodiek zijn opgemaakt en verzonden aan (de vennootschap van) [interim bij SNS] met de omschrijving ‘Adviesdiensten’ dan wel ‘Werkzaamheden [BV]’ is de rechtbank van oordeel dat de vastgestelde gedragingen eveneens een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake van het meermalen plegen van valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 lid 1 Sr opleveren. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben gesteld dat de facturen een korting betroffen op de door hen aan [directielid CEG] te betalen bemiddelingsvergoeding vanwege het feit dat zij [naam 2] en [naam 1] bij SNS PF hadden aangebracht. In plaats van het versturen van een correctiefactuur aan [directielid CEG], werden in strijd met de werkelijkheid willens en wetens diensten dan wel werkzaamheden in rekening gebracht bij de vennootschap van [interim bij SNS]. [verzoeker 1] en [verzoeker 3] hebben met zoveel woorden erkend dat zij geen werkzaamheden voor (de vennootschap van) [interim bij SNS] hebben verricht zoals op de facturen omschreven respectievelijk dat de omschrijving van de facturen niet correct was. De ter zake door [verzoeker 1] en [verzoeker 3] opgemaakte en verzonden facturen waren geschriften, die bestemd waren om tot bewijs te dienen, door hen evenwel valselijk opgemaakt, want niet in overeenstemming met de werkelijkheid, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te gebruiken, zo nodig tegen derden die niet met de valsheid op de hoogte zouden zijn.

4.17.

De rechtbank concludeert dat de vastgestelde gedragingen met elkaar een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake van het meermalen (mede)plegen van valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 lid 2 Sr en artikel 225 lid 1 Sr opleveren. Zoals uit het voorgaande tevens volgt, is voldoende bewijs van betrokkenheid tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 3] voorhanden. De voornoemde zwaardere verdenking alsmede het bewijs van betrokkenheid, zijn ernstig genoeg om registratie in het EVR van de persoonsgegevens van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] te rechtvaardigen, indien ook aan de overige criteria voor opname in het register is voldaan.

4.18.

Verweerders hebben aangevoerd dat zij ten aanzien van het feitencomplex waarbij [verzoeker 1] en [verzoeker 3] betrokken waren aangifte hebben gedaan. [verzoeker 3] en [verzoeker 1] zijn door het Openbaar Ministerie vervolgens als verdachten aangemerkt.

Ook al is niet tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 3] zelf aangifte gedaan, de rechtbank acht de aangifte van het feitencomplex waarbij [verzoeker 3] en [verzoeker 1] betrokken zijn, als een voldoende naleving van de in artikel 5.2.1. sub b van het Protocol geformuleerde eis dat van strafbare feiten in principe aangifte of klacht wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

4.19.

Om registratie in het EVR te rechtvaardigen dienen de gedragingen voorts een bedreiging te vormen dan wel te hebben gevormd of te kunnen vormen voor -kort gezegd onder meer- de financiële instelling of de continuïteit en / of de integriteit van de financiële sector. Naar het oordeel van de rechtbank staat dit in voldoende mate vast. Het opmaken van valse facturen vormt, ook al is daarmee de fiscus niet benadeeld, een bedreiging voor een integere bedrijfsvoering van SNS als bankinstelling en voor de integriteit van de financiële sector als geheel. Het gegeven dat niet meer op de juistheid kan worden vertrouwd van facturen die zijn opgemaakt (mede) door personen die werkzaam zijn voor de financiële instelling schaadt het vertrouwen dat de samenleving in de financiële instellingen moet kunnen hebben. Dit klemt eens te meer indien het - zoals hier - gaat om facturen die (mede) door personen zijn opgesteld die hoog zijn opgeleid c.q. als fiscalist en registeraccountant werkzaam zijn en derhalve ook een voorbeeldfunctie hebben. Dat een en ander wellicht bij een bedrijfscultuur hoort of heeft gehoord, ontslaat het individu er niet van zich te onthouden van gedragingen die in strijd zijn met, in dit geval artikel 225 Sr.

4.20.

Voor registratie in het EVR is voorts van belang dat het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen (Protocol artikel 5.2.1. onder c). Dat wil zeggen dat het belang van de deelnemer en die van de andere deelnemers bij opname in het EVR prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de betrokkenen als gevolg van de opname van zijn persoonsgegevens in het EVR. De gevolgen van de opname moeten in verhouding staan tot de gewraakte gedraging en de overige omstandigheden van het geval.

4.21.

[verzoeker 1] en [verzoeker 3] menen dat het proportionaliteitsbeginsel is geschonden omdat geen sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld zoals voor opname in het register is vereist. De rechtbank zal gezien het bovenstaande aan het gestelde voorbijgaan.

4.22.

Verzoekers hebben verder in verschillende bewoordingen en onder verwijzingen naar verschillende brieven gesteld dat verweerders hebben verzuimd zorgvuldig en met inachtneming van de wettelijke regels en de daarop gebaseerde werkinstructies te handelen, maar nu zij daaraan verder geen gevolgen hebben verbonden, en de rechtbank daartoe geen aanleiding ziet, zal, wat van het gestelde ook verder moge zijn, daaraan eveneens voorbij worden gegaan.

4.23.

Verweerders hebben aangevoerd dat een EVR-registratie gerechtvaardigd is nu de handelwijze van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] een bedreiging vormt voor SNS, SNS PF en de financiële sector. Het belang van opname prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor [verzoeker 1] en [verzoeker 3] als gevolg van de opname van hun gegevens in het EVR. Daarbij hebben verweerders aangevoerd dat EVR geen zwarte lijst vormt en dat wanneer een afdeling Veiligheidszaken van een financiële instelling wordt geconfronteerd met een zogeheten ‘hit’ door opname van de gegevens in het EVR, zij contact dient op te nemen met de afdeling Veiligheidszaken van SNS Reaal om vervolgens in het individuele geval te bezien of gezien de registratie het weigeren van een product of dienst aan [verzoeker 1] of [verzoeker 3] geïndiceerd is. Voorts geldt dat een EVR-registratie geen gevolgen heeft voor de bestaande bankrelatie van de geregistreerde persoon bij een andere instelling. Ten slotte geldt dat een geregistreerde onder het Convenant Basisbankdiensten recht heeft op een Basisbankrekening. De EVR registratie leidt er dus niet toe dat niet deelgenomen kan worden aan het maatschappelijk verkeer via een bankrekening of pinpas.

4.24.

De rechtbank is van oordeel dat de inschrijving van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] voldoet aan het proportionaliteitsbeginsel. Zij overweegt daartoe dat de gedragingen die een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan valsheid in geschrifte opleveren, zwaarwegend zijn en een bedreiging vormen voor de integriteit van verweerders en andere financiële instellingen. De rechtbank realiseert zich dat registratie voor [verzoeker 1] en [verzoeker 3], ook vanwege hun werkzaamheden als fiscalist en registeraccountant, ernstige consequenties heeft, maar juist gezien deze werkzaamheden hadden zij eens te meer de gedragingen achterwege moeten laten. Gezien het feit dat op basis van een ‘hit’ bij raadpleging van het EVR uiteindelijk in het individuele geval per product of dienst beoordeeld zal worden door de financiële instelling die het betreft of zij een dienst of product aan [verzoeker 1] of [verzoeker 3] zal leveren, terwijl tevens is gewaarborgd dat [verzoeker 1] en [verzoeker 3] op een normale, zij het op een meer bescheiden wijze aan het maatschappelijk verkeer kunnen blijven deelnemen, weegt het belang van opname in het EVR boven de mogelijk nadelige gevolgen voor [verzoeker 1] en [verzoeker 3].

4.25.

Het verzoek tot verwijdering uit het EVR van de persoonsgegevens van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] op grond van artikel 36 Wbp zal worden afgewezen, nu voorts niet is gesteld dan wel gebleken dat de registratie anderszins onrechtmatig is.

Registratie Incidentenregister, IVR en EVA

4.26.

De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.5. en overweegt dat het Protocol in artikel 4.3. een eigen bepaling kent ten aanzien van het verwijderen van gegevens uit het Incidentenregister. Niet is gebleken dat op basis van het Protocol tot verwijdering van de gegevens uit het Incidentenregister dient te worden overgegaan dan wel dat registratie in strijd zou zijn met het doel van het Incidentenregister. Ook ten aanzien van de overige registers is onvoldoende gebleken dat tot verwijdering van de gegevens dient te worden overgegaan. Op basis van gelijkluidende overwegingen die ten grondslag liggen aan de registratie in het EVR, is ook opname in de overige registers, waaronder de interne gebeurtenissenadministratie van verweerders niet onrechtmatig. Het verzoek tot verwijdering, voor zover het deze registers betreft, zal dan ook worden afgewezen. Nu het EVA zelf geen persoonsgegevens bevat, maar slechts een ondersteunende applicatie is die toegang verstrekt tot de registers zal het verzoek ten aanzien van het EVA ook worden afgewezen.

Conclusie

4.27.

Gelet op het voorgaande zal het verzochte worden afgewezen.

4.28.

Verzoekers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van verweerders worden tot op heden begroot op:

  • -

    Vast recht € 589,00

  • -

    Salaris € 904,00 (2 punten x tarief € 452)

Totaal € 1.493,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzochte af,

5.2.

veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van verweerders tot op heden begroot op

€ 1.493,00 en bepaalt dat over de proceskosten de wettelijke rente in de zin van

artikel 6:119 BW verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van deze beschikking,

5.3.

verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Wichers en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2014.1

1 type: coll: