Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3307

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
18.950003-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De officier van justitie acht hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 zowel primair als subsidiair is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de verdachte van deze feiten zal worden vrijgesproken. Zij acht hetgeen aan de verdachte onder 2 meer subsidiair en onder 3 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311, 416, geldigheid: 2014-07-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.950003-14

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 8 juli 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],[adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 24 juni 2014.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. E.P. Eujen, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 17 november 2013 te Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (in/uit de snackbar [naam]" aan de [adres]) een geldbedrag en/of een kassalade, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of diens mededader(s)

- op dreigende wijze een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op, althans getoond aan, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- ( daarbij) de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd en/of geroepen "Op de grond, op de grond!" en/of "Ga liggen!" en/of "Geld!" en/of "Kassalade openmaken!";

2.

hij op of omstreeks 23 augustus 2013 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit de brandstofvoorraad van na te noemen rechthebbende(n) heeft weggenomen een hoeveelheid motorbrandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 augustus 2013 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid motorbrandstof, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke motorbrandstof verdachte en/of zijn mededader(s) bij een brandstofpompinstallatie van die [benadeelde 2] had(den) getankt onder gehoudenheid daarvoor te betalen en welke motorbrandstof verdachte en/of zijn mededader(s) aldus, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 augustus 2013 in de gemeente Emmen, in elk geval in Nederland, een hoeveelheid motorbrandstof heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die motorbrandstof wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 15 september 2013 te en in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan/nabij de [adres] heeft weggenomen sieraden, een of meer laptop(s), een I-Pad, geld, een hoofdtelefoon en/of een (school)tas, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] en/of haar huisgeno(o)t(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B.D. van der Burg acht hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 zowel primair als subsidiair is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de verdachte van deze feiten zal worden vrijgesproken. Zij acht hetgeen aan de verdachte onder 2 meer subsidiair en onder 3 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

Zij vordert voor deze feiten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van de tijd door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Tevens vordert de officier van justitie dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 180,08 wordt toegewezen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Verder vordert de officier van justitie dat de benadeelde partijen[benadeelde 1], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen.

Vrijspraak

De verdachte dient van het hem onder tenlastegelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit feit, evenals de verdachte, diens raadsman en de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De verdachte dient eveneens van het hem onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit, evenals de verdachte, diens raadsman en de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Met de officier van justitie en anders dan de raadsman van verdachte acht de rechtbank, zoals hierna zal blijken, wel het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde bewezen.

Bewijsoverwegingen

ten aanzien van feit 2 meer subsidiair:

De rechtbank bezigt voor het bewijs

1.

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2014, dat hij op 23 augustus 2013 bij [medeverdachte] in de auto zat en dat ze zonder benzine kwamen te zitten.

2.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Noord-Nederland, Recherche Drenthe, Onderzoek Boignee, bestaande uit een zestal ordners, proces-verbaalnummer: 2013084738 d.d. 19 mei 2014 met bijlagen, onder meer inhoudende:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van Politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen, proces-verbaalnummer PL032V 2013062876-1 d.d. 3 december 2013, houdende de verklaring van aangever [benadeelde 2] (pagina’s 643 en 644);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van Politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen, proces-verbaalnummer PL032V 2013065968-2 d.d. 6 november 2013, houdende de verklaring van verdachte (pagina’s 651 en 652):

[verdachte 1] verklaart dat ze geen benzine meer hadden. Verdachte zegt dat dat tussen Hoogeveen en Emmen was en dat zij toen de auto naar een benzinepomp hebben gedrukt. Verdachte zegt dat [medeverdachte] geen geld had om te tanken en weg reed zonder te betalen en dat er voor 30 à 40 euro is getankt en dat het ongeveer 2 maanden geleden was;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van Politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen, proces-verbaalnummer PL032V 2013067536-48 d.d. 22 november 2013, houdende de verklaring van de medeverdachte Dusan Oluic (pagina’s 654 t/m 660, en met name 658 en 659):

Medeverdachte zegt je tankt en je rijdt weg zonder te betalen. Hij zegt dat dat een keer was in Lelystad, een keer tussen Zwolle en Emmen in en een keer bij de 24-uurs pomp in Emmen. Medeverdachte zegt dat elke keer als hij tankte zonder te betalen[verdachte 1] (verdachte) er bij was.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde heling, omdat niet kan worden gesteld dat hij het genot van de getankte benzine heeft gehad, bovendien wist hij niet dat de benzine niet betaald was.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog. Verdachte is met zijn medeverdachte meegereden in zijn auto. Verdachte was bevriend met de medeverdachte, die destijds bij hem in woonde, omdat hij geen onderdak had. Verdachte wist dat verdachte geen werk en inkomsten had. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte redelijkerwijze moeten en kunnen vermoeden dat de benzine niet was betaald door de medeverdachte, te meer daar medeverdachte bij de politie verklaarde, dat iedere keer dat hij tankte zonder te betalen verdachte daarbij dan steeds bij hem in de auto meereed.

ten aanzien van feit 3:

Nu verdachte, hetgeen de rechtbank ten aanzien van dit tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren, niet heeft weersproken en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

De rechtbank hanteert voor het bewijs de navolgende bewijsmiddelen:

1.

de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2014.

2.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Noord-Nederland, Recherche Drenthe, Onderzoek Boignee, bestaande uit een zestal ordners, proces-verbaalnummer: 2013084738 d.d. 19 mei 2014 met bijlagen, onder meer inhoudende:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van Politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen, proces-verbaalnummer PL032V 2013067536-1 d.d. 17 september 2013, houdende de verklaring van aangeefster [benadeelde 3] (pagina’s 700 t/m 702);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van Politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen, proces-verbaalnummer PL032V 2013067536-34 d.d. 6 november 2013, houdende de verklaring van de verdachte (pagina’s 842 t/m 851);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van Politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen, proces-verbaalnummer PL032V 2013067536-48 d.d. 22 november 2013, houdende de verklaring van de [medeverdachte] (pagina’s 863 t/m 869, en met name 867 en 868);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van Politie Drenthe, District Zuidoost, Basiseenheid Emmen, proces-verbaalnummer PL032V 2013067536-49 d.d. 23 november 2013, houdende de verklaring van de [medeverdachte] (pagina’s 870 t/m 874).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het hem onder 2 meer subsidiair en het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

2.

hij op 23 augustus 2013 in de gemeente Emmen een hoeveelheid motorbrandstof voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die motorbrandstof redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op 15 september 2013 te en in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen laptops, een I-Pad, een hoofdtelefoon en een schooltas, toebehorende aan [benadeelde 3] en/of haar huisgenoten, waarbij verdachte en zijn medeverdachten zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 2 meer subsidiair en het onder 3 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

2.

Schuldheling,

strafbaar gesteld bij artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht;

3.

Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 26 mei 2014.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

De raadsman van verdachte heeft onder meer gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geldboete.

De rechtbank overweegt dat verdachte bij het plegen van de feiten naar haar oordeel louter en alleen uit winstbejag heeft gehandeld en daarbij op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de gevolgen die zijn handelingen voor de slachtoffers konden hebben en hebben gehad.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder terzake van vermogensdelicten is veroordeeld.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheden en achtergronden van de verdachte zoals omschreven in het beknopte reclasseringsadvies van Verslavingszorg Noord Nederland te Groningen van 18 februari 2014.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden en mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting, van oordeel dat in dit geval het opleggen

van een gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis een passende bestraffing is voor deze verdachte.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot vergoeding van geleden (materiële) schade ingediend ten bedrage van € 180,08.

De rechtbank acht het causaal verband tussen het onder feit 2 bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen.

De vordering bestaat uit de volgende schadeposten, te weten een bedrag van € 30,08 aan weggenomen benzine en een bedrag van € 150,00 aan verzuimkosten in verband met de diefstal.

De rechtbank acht de vordering tot dat bedrag van € 180,08 voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 2]

Met betrekking tot de in het onder feit 2 bewezen verklaarde acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot een bedrag van € 180,08 aansprakelijk voor de schade, die door dat strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1 een vordering tot vergoeding van geleden (materiële) schade ingediend ten bedrage van € 420,75.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit 1 waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen.

De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1 een vordering tot vergoeding van geleden schade ingediend.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit 1 waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen.

De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1 een vordering tot vergoeding van geleden schade ingediend.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit 1 waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen.

De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en onder 2 zowel primair als subsidiair, is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 2 meer subsidiair en het onder 3 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer subsidiair en onder 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen, waarvan een gedeelte groot 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank beveelt dat het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tevens tot een taakstraf bestaande uit 60 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2][benadeelde 2] van de som van € 180,08 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil,

met dien verstande dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve

van het slachtoffer [benadeelde 2][benadeelde 2], een bedrag van € 180,08 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, met dien verstande dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1][benadeelde 1] niet ontvankelijk is in haar vordering.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1][slachtoffer 1] niet ontvankelijk is in haar vordering.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2][slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in haar vordering.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. O.J. Bosker, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 juli 2014.