Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3288

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
C-17-134872 - KG ZA 14-167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Samenwerking in VOF mbt windmolens. Rectificatie brief van 2 vennoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/134872 / KG ZA 14-167

Vonnis in kort geding van 4 juli 2014

in de zaak van

[A],

wonende te[woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. M.J.M. Derks te Utrecht,

tegen

1 [C],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat: mr. J.T. Fuller te Zwolle.

Eiser zal hierna "[A]" worden genoemd. Gedaagde zullen hierna "[C]" en "[B]" en gezamenlijk "[B] c.s." worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

[A] heeft [B] c.s. in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare terechtzitting van 20 juni 2014.

1.2.

[A] heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [B] c.s., hoofdelijk, gebiedt om per onmiddellijk over te gaan tot rectificatie van de verspreide brieven "Ontwikkelingen windpark A31 Midlum", gedateerd 19 april 2014, welke rectificatie zou moeten geschieden middels:

- een brief van [B] c.s. aan allen aan wie zij de brieven hebben verzonden dan wel uitgereikt op grond van een tekst die als productie 6 is overgelegd, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [B] c.s. in gebreke blijven aan deze rectificatie te voldoen;

- een brief van [B] c.s. aan de gemeente Harlingen op grond van een tekst die als productie 7 is overgelegd, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [B] c.s. in gebreke blijven aan deze rectificatie te voldoen;

- een brief van [B] c.s. aan de provincie Friesland op grond van een tekst die als productie 8 wordt overgelegd, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [B] c.s. in gebreke blijven aan deze rectificatie te voldoen;

II. [B] c.s., hoofdelijk, beveelt om binnen 24 uur na het in dezen te wijzen vonnis aan [A] een lijst over te leggen van de (rechts)personen die een exemplaar van één of meer van de brieven van 19 april 2014 hebben ontvangen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [B] c.s. in gebreke blijven aan deze rectificatie te voldoen;

III. [B] c.s., hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [A], ten titel van onrechtmatige daad, van een bedrag van € 5.000,-, zijnde de immateriële schade die [A] ten gevolge van de onrechtmatige brieven heeft geleden c.q. nog zal lijden, althans een bedrag als de voorzieningenrechter, in goede justitie, zal vermenen te behoren, welke schadevergoeding dient te worden voldaan binnen zeven dagen na het ten deze te wijzen vonnis;

IV. [B] c.s., hoofdelijk, veroordeelt in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten ad € 131,00 zonder betekening en in geval van betekening van het vonnis ad

€ 199,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van betaling.

1.3.

Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten (nader) toegelicht, waarbij hun advocaten gebruik hebben gemaakt van pleitnotities. [B] c.s. hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [A], met veroordeling van [A] in de kosten van het geding.

1.4.

Partijen hebben producties overgelegd.

1.5.

Het vonnis is - bij vervroeging - bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[A] exploiteert een aantal windturbines. Op aan hem in eigendom toebehorende gronden te Midlum zijn vier windturbines gesitueerd, welke één lijn vormen met twee naastgelegen windturbines. Laatstgenoemde windturbines worden geëxploiteerd door [B] respectievelijk [C].

2.2.

Bij het realiseren van de windturbines in 2007 zijn [A], [B] en de heren [D]/[C] [D] is de vader van gedaagde[C] en is inmiddels overleden) een samenwerking aangegaan in de vorm van een vennootschap onder firma. Partijen hebben per 1 oktober 2007 een vennootschap onder firma (hierna: de VOF) opgericht onder de naam Windpark A31, met als doel het opwekken van elektriciteit (en het daarmee verwerven van inkomsten) en het ontvangen van subsidies. De windturbines als zodanig zijn niet in de VOF ingebracht. Iedere exploitant draagt zelf zorg voor zaken als financiering, onderhoud en verzekering van zijn windturbine(s). De gronden waarop de aansluiting op het (openbare) elektriciteitsnet voor voornoemde windturbines zich bevindt, behoren in eigendom toe aan [A]. Op basis van de VOF-akte kunnen [B] c.s. tot het einde van de VOF gebruik maken van de aansluiting van hun windturbines op het elektriciteitsnet via de gronden van [A].

2.3.

Per eind 2014 zal het recht op ontvangst van subsidie voor de huidige (zes) windturbines in het windpark ophouden te bestaan. De windturbines hebben gedurende 18.000 vollasturen of gedurende maximaal 10 jaar recht op subsidie. Eind 2014 zijn er 18.000 vollasturen gedraaid. Op grond van het voorgaande zal de VOF per (omstreeks) eind 2014 eindigen (artikel 1.4. van de VOF-akte).

2.4.

De advocaat van [A] heeft [B] c.s. bij aangetekende brief van 5 maart 2014 onder meer laten weten:

"(…)

2. Einde Vof

2.1.

De windturbines zullen eind 2014/begin 2015 18.000 vollasturen gedraaid hebben. Het recht op MEP subsidie houdt met ingang van dat moment op te bestaan. Aangezien de Vof wat duur betreft verbonden is aan de duur van de MEP subsidie, zal de Vof gelijktijdig met het eindigen van de MEP subsidie ophouden te bestaan.

(…)

2.3.

Zodra de Vof ontbonden is, vervalt het recht van de overige vennoten om hun windturbines via kabels die door de gronden van de heer [A] lopen, aan te sluiten op het inkoopstation en via dat station op het openbare net.

(….)

3. Vroegtijdige aankondiging en maatregelen nemen

3.1.

Aangezien de heer [A] wenst te voorkomen dat allerlei maatregelen op stel en sprong genomen moeten worden zodra de Vof is ontbonden, krijgt u nu vast deze brief. U kunt zich nu derhalve voorbereiden op het einde van de Vof en daartoe de benodigde maatregelen nemen. Zoals gezegd is het einde van de Vof te verwachten per eind 2014/begin 2015. U heeft derhalve zo'n tien maanden om voorbereidingen te treffen.

3.2.

Zo zullen eigen aansluitingen op het openbare net moeten worden gemaakt. De aansluitingen kunnen nu reeds voorbereid en gerealiseerd worden, om actief te worden met ingang van het einde van de Vof. Wachten met het realiseren van aansluitingen is niet nodig en zelfs onlogisch. Immers, indien de overige vennoten geen eigen aansluiting realiseren zullen hun windturbines vanaf het einde van de Vof geen elektriciteit kunnen leveren aan het openbare net en derhalve zullen zij geen inkomsten uit opgewekte stroom kunnen genereren.

3.3.

Ook zult u nieuwe stroomcontracten moeten sluiten (net als de heer [A] uiteraard).

3.4.

Daar waar Flynth tot op heden de administratie van de Vof verzorgt, zal dat met ingang van het einde van de Vof ook veranderen. U zult zelf de administratie van de Vof van uw windturbine moeten (laten) verzorgen, dat zal niet langer gezamenlijk geschieden.

3.5.

Voorts zal de Vof met ingang van het einde ervan moeten worden uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel (zie formulier 17A van de Kamer van Koophandel). Flynth zal verzocht worden om als vereffenaar op te treden en als zodanig ook de boeken en bescheiden van de Vof onder zich te houden. Alle vennoten zullen te zijner tijd het formulier van de Kamer van Koophandel moeten ondertekenen.

(…)"

2.5.

[B] c.s. hebben een brief d.d. 19 april 2014 verspreid onder omwonenden van de windturbines en vertegenwoordigers van Dorpsbelangen in de omgeving (Midlum, Herbaijum en Wijnaldum). Deze brief, getiteld "Ontwikkelingen windpark A31 Midlum" luidt als volgt:

"Geachte heer/mevrouw,

Middels dit schrijven brengen wij, [C] en [B] als vennoten van Windpark A31 vof, u graag op de hoogte van de plannen om het huidige windpark A31 te vernieuwen, conform de onderstaande situatie.

Huidige situatie Windpark A31 vof Toekomstige (vernieuwde) situatie

6 turbines van elk 850 kW 5 turbines van elk 3,2 MW (3200 kW)

Voor meer informatie zie de tekeningen die aan deze brief als bijlage zijn toegevoegd.

Wij bieden u een tegemoetkoming aan, ingaande na realisatie van de hierboven geschetste toekomstige situatie.

Uw huis gelegen aan de ……………..te ……………. valt binnen de 1000 meter zone van het toekomstige windpark A31 Midlum.

Aan de huiseigenaar (zijnde de bewoner) bieden wij een jaarlijkse vergoeding van

€ 1.250,-. Dit recht wordt en blijft gekoppeld aan het woonhuis zolang het door u wordt bewoond. Als u eventueel gaat verhuizen gaat het recht op compensatie over naar de toekomstige bewoner.

Tevens krijgen de dorpsbelangen van Midlum, Wijnaldum en Herbaijum elk een jaarlijkse vergoeding van € 10.000,-, wat ten goede zal komen aan de leefbaarheid in uw dorp.

Een onderdeel voor het indienen van de plannen bij de overheidsinstanties, is dat wij aantoonbaar kunnen maken dat omwonenden/vertegenwoordigers van de dorpsbelangen, voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, zijn ingelicht.

Om aan te kunnen tonen dat wij deze plannen met u hebben besproken, vragen wij u om hiervoor op onderstaande plaats te willen tekenen. Indien u het op prijs stelt kunt u een kopie van dit document ontvangen.

Nogmaals, deze ondertekening heeft geen enkele juridische status, slechts alleen dat bovenstaande met u is besproken.

Ondertekening datum plaats

----------------- ------- -------

Mocht u nog vragen of opmerkingen hebben dan kunt u altijd contact met ons opnemen.

Met vriendelijke groet,

Namens Windpark A31 vof

Mede parkeigenaren

[C] [B]

[adres]

[adres]

[adres]

Diverse omwonenden c.q. vertegenwoordigers van Dorpsbelangen hebben de door hen ontvangen brief ondertekend.

2.6.

[B] c.s., handelend namens Windpark A31 VOF, hebben op 30 april 2014

- zonder overleg met c.q. betrokkenheid van [A] - bij Fryslan Foar De Wyn (hierna: FFDW), een platform voor windenergieplannen - hun plan voor een nieuw Windpark A31 ingediend. De provincie Fryslân is nauw betrokken bij (de activiteiten van) FFDW.

2.7.

De advocaat van [A] heeft bij brief van 1 mei 2014 aan de advocaat van [B] c.s. laatstgenoemden gesommeerd om tot rectificatie van de hiervoor bedoelde brief over te gaan, onder het aanreiken van een daartoe bestemde tekst. [B] c.s. hebben geen gevolg gegeven aan deze sommatie.

2.8.

Nadat de gemeente aan [A] een vergunning had verleend voor het oprichten van een nieuwe windturbine, heeft de provincie Fryslân een zogeheten reactieve aanwijzing gegeven, waartegen [A] beroep heeft ingesteld bij de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank. Zijn beroep is ongegrond verklaard. Inmiddels loopt er in dezen een procedure in hoger beroep bij de Raad van State.

3 Het standpunt van [A]

3.1.

[A] legt aan zijn vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag.

3.2.

De (inhoud van de) brief van [B] c.s. van 19 april 2014 is feitelijk onjuist. Allereerst geven [B] c.s. daarin te kennen dat zij de VOF vertegenwoordigen, waartoe zij zonder medewerking van [A] echter niet bevoegd zijn, Voorts maken [B] c.s. in de brief (aan derden) kenbaar dat zij de windturbines van [A] deel uit zullen laten maken van een windproject, terwijl zij niets hebben te zeggen over eigendommen van [A]. [B] c.s. hebben hiermee onrechtmatig jegens [A] gehandeld, (te meer) nu zij weten dat zij niet kunnen beschikken over windturbines die hen niet in eigendom toebehoren en zij evenzeer weten dat zij de VOF niet zonder medewerking van [A] kunnen vertegenwoordigen. Bedoelde brief kan bovendien onrust wekken bij omwonenden en overheidsinstanties en daardoor inbreuk maken op het project voor een extra windturbine waarmee [A] op zijn beurt bezig is en waarvoor hij al een vergunning van de gemeente heeft gekregen. Ook zijn de eer en goede naam van [A] aangetast door de brief van [B] c.s. Er zijn immers omwonenden die weten dat er geen plan van [A] en [B] c.s. gezamenlijk ontwikkeld wordt en zij hebben in de brief een heel ander verhaal gelezen, aldus [A].

3.3.

Gelet op het voorgaande dienen [B] c.s. te worden veroordeeld tot openbaarmaking van een rectificatie aan allen die de brief van 19 april 2014 hebben ontvangen. De rectificatie zal ook aan de gemeente en de provincie Fryslân moeten worden gestuurd, aangezien ook deze overheden kennis genomen zullen, althans kunnen hebben van de brief. Alle mogelijke verwarring over de brief dient te worden weggenomen, zo stelt [A]. Het spoedeisend belang bij de vorderingen van [A] is erin gelegen, dat hij binnen afzienbare tijd een beslissing van de provincie Fryslân verwacht en dat het daarbij van groot belang is dat er geen verwarring ontstaat. Dit kan funest zijn voor het door hem ingediende plan. Het voortduren van onjuiste beeldvorming moet bovendien worden voorkomen.

3.4.

De gevorderde schadevergoeding ziet zowel op materiële als op immateriële schade. De materiële schade is erin gelegen dat [B] c.s. met hun bewust onrechtmatig handelen [A] hebben gedwongen om advocaatkosten te maken. De immateriële schade voor [A] bestaat eruit dat er voor hem een grote mate van onzekerheid is gecreëerd door [B] c.s., waarbij men tracht om een plan waaraan door [A] jarenlang is gewerkt "om zeep te helpen". De impact daarvan op [A] is groot, zeker indien bedacht wordt dat [B] c.s. reeds eerder, in 2012, lieten zien dat zij lak hebben aan de belangen van [A].

4 Het standpunt van [B] c.s.

4.1.

[B] c.s. hebben een plan ontwikkeld om de opstelling van de windturbines te wijzigen van zes naar vijf, waarbij de nieuwe turbines meer vermogen hebben dan de huidige. Over de uitvoering van dit plan dienen zij nog overeenstemming te bereiken met medefirmant [A] en zij hopen daarin (alsnog) te slagen omdat het plan voor allen veel mogelijkheden biedt. [B] c.s. hebben ook de omwonenden over hun plannen moeten informeren, via (onder meer) de brief van 19 april 2014. Hiermee wilden [B] c.s. duidelijk communiceren. In deze brief en tijdens een mondelinge toelichting is aangegeven dat het gaat om een plan van [B] c.s. De belangen van [A] zijn hierdoor niet geschaad. [B] c.s. hadden van [A] begrepen dat hij geen bezwaar had tegen openbaarmaking van hun plannen. [B] c.s. moesten wel overgaan tot indiening van hun plan bij FFDW, omdat hiervoor een bepaalde termijn gold. Er is gezien het voorgaande geen sprake geweest van (enig) onrechtmatig handelen van [B] c.s. jegens [A].

4.2.

Voor zover [A] meent dat zijn belangen zijn geschaad door het verspreiden van de brief en er een rectificatie zou moeten worden verzonden, hebben [B] c.s. zich bereid verklaard om hiertoe over te gaan. Een tekstvoorstel daarvoor is door hen als productie 1 in het geding gebracht. Gelet daarop heeft [A] geen (spoedeisend) belang meer bij zijn vorderingen, aldus [B] c.s. De gewraakte brief dateert inmiddels ook al van twee maanden geleden. [A] heeft voorts niet onderbouwd waarom de gemeente en de provincie zouden moeten worden geïnformeerd. Verzending van de door [A] voorgestelde rectificatie(s) zal schadelijke gevolgen hebben voor het plan van [B] c.s. Immers, omwonenden en overheden kunnen als gevolg van een dergelijke rectificatie de indruk krijgen dat [B] c.s. onbetrouwbaar zijn, hetgeen voor hen onwenselijk is. [A] kan omwonenden en overheden ook zelf informeren, zo stellen [B] c.s.

4.3.

De gevorderde dwangsommen staan niet in verhouding tot het vermeende onrechtmatig handelen van [B] c.s. Er zal ook een maximum aan het totaal der te verbeuren dwangsommen moeten worden verbonden. Overigens zullen [B] c.s. vrijwillig aan een eventuele veroordeling voldoen.

4.4.

Nu er geen sprake is van onrechtmatig handelen van [B] c.s. jegens [A], dient de gevorderde schadevergoeding te worden afgewezen. [B] c.s. stellen tevens dat er bij wijze van voorlopige voorziening geen schadevergoeding kan worden toegewezen, omdat er dan sprake zou zijn van een soort declaratoir vonnis.

5 De beoordeling van het geschil

Rectificatie

5.1.

Het spoedeisend belang bij de in dit kader gevraagde voorzieningen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter (nog) voldoende aanwezig. Indien er bij wijze van veronderstelling vanuit wordt gegaan dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen van [B] c.s., dan heeft [A] er belang bij dat deze uitlatingen op korte termijn worden gerectificeerd, om de schending van zijn belang(en) zo spoedig mogelijk recht te kunnen (laten) zetten. Overigens kan, anders dan [B] c.s. ingang trachten te doen vinden, niet geoordeeld worden dat [A] (te) lang heeft getalmd met het aanhangig maken van onderhavig kort geding.

5.2.

De voorzieningenrechter stelt voorts het volgende bij zijn beoordeling voorop.

5.2.1.

Toewijzing van de vordering van [A] tot rectificatie zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van [B] c.s. op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is bijvoorbeeld sprake, wanneer (gepubliceerde) uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam of de rechten van een ander– in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

5.2.2.

Op grond van artikel 6:167 lid 1 BW kan de rechter iemand die jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens op vordering van die ander veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.

5.2.3.

Het begrip "publicatie" dient ruim te worden opgevat, zodat voormeld wetsartikel op iedere openbaarmaking van toepassing is, ook voor zover deze niet in de pers (media) is gedaan. Of er sprake is van een publicatie die onjuist of door onvolledigheid misleidend is, is een vraag van feitelijke aard, welke beoordeeld moet worden in het kader waarin de publicatie is gedaan, met oog voor plaatselijke opvattingen en omstandigheden en de overige context.

5.3.

Het belang van [B] c.s. is in dezen erin gelegen dat zij zich in het openbaar moeten kunnen uitlaten over (toekomstige) plannen die zij hebben met hun windturbines. Het belang van [A] is in dezen erin gelegen dat hij niet wordt blootgesteld aan publicaties die (feitelijk) onjuist en/of door onvolledigheid misleidend zijn en waardoor hij in zijn belangen kan worden geschaad. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het thans voorliggende geval.

5.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [B] c.s. aan omwonenden en Dorpsbelangen van Midlum, Herbaijum en Wijnaldum verspreide brief van 19 april 2014 (feitelijk) onjuist en/of door onvolledigheid misleidend is, nu:

( i) in de inleiding én het slot van deze brief de indruk wordt gewekt dat [B] c.s. de VOF vertegenwoordigen, terwijl voldoende aannemelijk is dat de brief zonder instemming van medevennoot [A] is verstuurd;

(ii) in de brief de indruk wordt gewerkt dat de VOF het in de brief vervatte plan heeft opgesteld, terwijl over dat plan géén overeenstemming met medevennoot [A] bestond;

(iii) in de brief de aan [A] in eigendom toebehorende windturbines óók in de planvorming worden betrokken, terwijl niet aannemelijk is geworden dat [B] c.s. daarover overeenstemming met medevennoot [A] hadden;

(iv) in de brief namens de VOF financiële vergoedingen aan huiseigenaren worden aangeboden, terwijl niet aannemelijk is dat medevennoot [A] daarmee had ingestemd;

( v) in de brief namens de VOF kenbaar wordt gemaakt dat de dorpsbelangen van Midlum, Herbaijum en Wijnaldum elk jaarlijks een vergoeding zullen ontvangen terwijl niet aannemelijk is dat [B] c.s. daarover overeenstemming hadden met medevennoot [A];

(vi) in de brief wordt gemeld dat de VOF aantoonbaar wil maken dat zij voorafgaand aan de indiening van de plannen bij de overheidsinstanties de omwonenden/vertegenwoordigers van dorpsbelangen heeft ingelicht.

5.5.

Door het (feitelijk) onjuiste en/of door onvolledigheid misleidende karakter van de brief van [B] c.s. van 19 april 2014 kan bij degenen die deze brief hebben ontvangen de indruk zijn ontstaan dat alle vennoten van de VOF - en dus ook: [A] - akkoord waren met de in de brief uiteengezette (onderdelen van) de planvorming voor een nieuw windturbinepark. Genoegzaam aannemelijk is geworden dat [A] daarmee in het geheel niet akkoord was. [B] c.s. waren er ten tijde van de publicatie van de brief bovendien van op de hoogte dat de VOF per eind 2014 eindigt en dat [A] de samenwerking met [B] c.s. niet wilde continueren, getuige de (voorafgaande) brief van zijn advocaat aan [B] c.s. van 5 maart 2014.

5.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [B] c.s. onrechtmatig jegens [A] hebben gehandeld met de publicatie van de brief van 19 april 2014. Deze onrechtmatige daad kan ook aan [B] c.s. worden toegerekend, nu zij wisten althans redelijkerwijs hadden kunnen weten dat het publiceren van de planvorming namens de VOF in genoemde brief niet met instemming van [A] geschiedde.

5.7.

Rectificatie van deze brief in de richting van omwonenden en de betrokken Dorpsbelangen acht de voorzieningenrechter dan ook geboden. De daartoe strekkende vordering is dus toewijsbaar. De door [A] voorgestelde tekst voor een zodanige rectificatie (productie 6 bij dagvaarding) acht de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden passend.

5.8.

Gebleken is dat [B] c.s. het door hen zonder instemming van medevennoot [A] opgestelde windturbineplan ook bij FFDW hebben ingediend. Gelet op de nauwe betrokkenheid van de provincie Fryslân bij deze organisatie acht de voorzieningenrechter het voorshands bepaald niet denkbeeldig dat de provincie van de planvorming van [B] c.s. op de hoogte is. Om te voorkomen dat ook bij de provincie de indruk zou (kunnen) ontstaan dat medevennoot [A] met deze planvorming heeft ingestemd - dit terwijl hij nota bene met de verwezenlijking van een eigen windmolenplan bezig is, waarbij de provincie een reactieve aanwijzing heeft gegeven na een verleende vergunning - dienen [B] c.s. (alsnog) een juist beeld van de stand van zaken te geven. Derhalve is ook rectificatie van genoemde brief in de richting van de provincie geïndiceerd. De daartoe strekkende vordering van [A] is daarmee toewijsbaar. De door [A] voorgestelde tekst voor een zodanige rectificatie (productie 8 bij dagvaarding) acht de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden passend.

5.9.

Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat de brief van 19 april 2014 ook ter kennis van de gemeente is gekomen, zodat er naar voorlopig oordeel geen grond bestaat voor rectificatie van de brief in de richting van de gemeente. De daartoe strekkende vordering van [A] zal worden afgewezen.

5.10.

Dat rectificatie van de brief mogelijk nadelige gevolgen voor de planvorming van [B] c.s. zal hebben, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan (een veroordeling tot) rectificatie in de weg. Deze nadelige gevolgen hadden zij zich dienen te realiseren vóór publicatie van de brief. Zij dienen thans in te staan voor de gevolgen van de publicatie van hun brief.

5.11.

De door [A] voorgestelde termijn voor rectificatie acht de voorzieningenrechter te kort. Deze termijn zal worden gesteld op (uiterlijk) veertien dagen na betekening van dit vonnis.

5.12.

De vordering die erop ziet om een lijst te verstrekken van (rechts)personen aan wie de brief van 19 april 2014 ter kennis is gebracht, is in het licht van het vorenstaande eveneens toewijsbaar. Deze lijst dient uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te worden verstrekt.

Schadevergoeding

5.13.

De door [A] in dit kort geding gevorderde schadevergoeding kent, blijkens de toelichting daarop in de stukken, klaarblijkelijk twee componenten, te weten materiële en immateriële schade. Overigens wordt bij de betreffende vordering in het petitum van de dagvaarding slechts over immateriële schade gesproken.

5.14.

Voor zover er vergoeding van materiële schade wordt gevorderd, ligt de vordering voor afwijzing gereed, reeds nu [A] niet heeft onderbouwd welk spoedeisend belang hij heeft bij verkrijging van zodanige schadevergoeding op korte termijn en dat van hem niet zou kunnen worden gevergd de uitkomst van een eventuele bodemprocedure daaromtrent af te wachten. Ook op inhoudelijke gronden kan de gevorderde materiële schadevergoeding naar voorlopig oordeel niet slagen. De betreffende vordering ziet kennelijk op vergoeding van advocaatkosten aan de zijde van [A]. Deze kosten worden in beginsel via het liquidatietarief en/of via toekenning van buitengerechtelijke incassokosten vergoed. Niet aannemelijk is geworden dat [B] c.s., zoals [A] suggereert, hem bewust op (advocaat)kosten hebben willen jagen, op grond waarvan een andere vergoeding van deze kosten dan hiervoor bedoeld geïndiceerd zou zijn.

5.15.

Voor zover er vergoeding van immateriële schade wordt gevorderd, ligt ook die vordering naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor afwijzing gereed. Daartoe wordt het volgende overwogen. In zijn algemeenheid kan toekenning van een bedrag aan immateriële schadevergoeding - zo daartoe gronden aanwezig zijn - voor een gelaedeerde erkenning opleveren van het leed dat hij door het (beweerdelijke) toedoen van de laedens heeft ondergaan en aldus een bijdrage leveren aan de verwerking van dat leed. De procedure in kort geding kan in die zin een geschikt middel tot schadebeperking zijn. In zoverre kán er dan sprake zijn van een spoedeisend belang bij toekenning van immateriële schadevergoeding in kort geding. In het onderhavige geval wil de voorzieningenrechter wel aannemen dat [A] in onzekerheid is komen te verkeren door de handelwijze van [B] c.s. met betrekking tot de publicatie van een windturbineplan namens de VOF. Dat is echter onvoldoende voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Daarvoor is redengevend dat niet aannemelijk is geworden dat [B] c.s. bewust onzekerheid bij [A] hebben willen creëren dan wel dat [A] in zijn eer en goede naam is aangetast dan wel dat hij op andere wijze in de persoon is aangetast, een en ander als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub a en b BW. Volgens vaste jurisprudentie is een meer of minder sterk geestelijk onbehagen ook onvoldoende voor toewijzing van immateriële schadevergoeding (zie o.a. HR 26 juni 1998, NJ 1998, 778).

Proceskosten

5.16.

Gezien de uitkomst van de procedure dienen [B] c.s. als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij te worden aangemerkt en dienen zij daarom in de proceskosten te worden veroordeeld. Deze proceskosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld als volgt:

- dagvaardingskosten € 77,52

- informatiekosten € 23,86

- vast recht € 282,00

- salaris advocaat € 816,00

-------------

Totaal € 1.199,38

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. veroordeelt [B] c.s., hoofdelijk, om (uiterlijk) binnen een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot rectificatie van de verspreide brieven "Ontwikkelingen windpark A31 Midlum", gedateerd 19 april 2014, welke rectificatie dient te geschieden door middel van:

a. het toezenden van de rectificatie aan alle personen aan wie [B] c.s. de brieven van 19 april 2014 hebben verzonden dan wel uitgereikt, welke rectificatie de tekst dient te bevatten, die als bijlage I bij dit vonnis is gevoegd;

b. het toezenden van de rectificatie aan de provincie Fryslân, welke rectificatie de tekst dient te bevatten die als bijlage II bij dit vonnis is gevoegd;

II. bepaalt dat [B] c.s. een dwangsom van € 2.500,- zullen verbeuren voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan de veroordeling sub I. te voldoen en verbindt aan het totaal van de ter verbeuren dwangsommen een maximum van € 50.000,-;

III. veroordeelt [B] c.s. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [A] een lijst over te leggen van de (rechts)personen die een exemplaar van één of meer van de brieven van 19 april 2014 hebben ontvangen;

IV. bepaalt dat [B] c.s. een dwangsom van € 500,- zullen verbeuren voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan de veroordeling sub III. te voldoen en verbindt aan het totaal der te verbeuren dwangsommen een maximum van € 10.000,-;

V. veroordeelt [B] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op € 1.199,38, alsmede in de nakosten van € 131,00 zonder betekening en € 199,00 bij betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over genoemde kosten indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn voldaan, vanaf het verstrijken van deze termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VII. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Smit en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op

4 juli 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

fn 343