Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3244

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
2751051 - CV EXPL 14-493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdige opzegging huur ex art. 7:290 BW-bedrijfsruimte; art. 7:225 BW; voortzetting gebruik; onduidelijke ingansgdatum huur;

Tegenstrijdige bepalingen over de ingangsdatum van de huurovereenkomst worden op grond van het contra proferetem-beginsel in het nadeel van de verhuurder uitgelegd. Voortgezet gebruik door de huurder na einde huur geschiedt zonder recht of titel en is in beginsel onrechtmatig. In dit geval geen instemming van de verhuurder. Lex specialis van art. 7:225 BW gaat voor op de algemene bepaling over ongerechtvaardigde verrijking. Geen toepassing van Hoge Raad 24 mei 2013, LJN: BZ1782 (Z).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2014/101
WR 2015/29

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 2751051 \ CV EXPL 14-493

vonnis van de kantonrechter van 8 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap [eiser],

hierna ook te noemen: [eiser],

gevestigd te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. T.H.G. Steenmetser,

tegen

1.

De vennootschap onder firma [gedaagde], gevestigd te [adres],

2.

[gedaagde],

3.

[gedaagde] ,

gedaagden sub 2 en 3 wonende te [adres],

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gedaagden,

gemachtigde: mr. W. Hogenkamp.

De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 1 april 2014.

1.2 Ter uitvoering van het tussenvonnis is op 22 mei 2014 een comparitie na antwoord gehouden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de stukken zit. Ter comparitie is van de zijde van [eiser] een akte vermeerdering eis ingediend. Tevens is een productie 12 in het geding gebracht.

1.3 Ten slotte is in overleg met partijen bepaald dat vonnis zal worden gewezen. De datum daarvan is nader vastgesteld op vandaag.

De vaststaande feiten

2.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2 [eiser] is eigenaresse van de winkelruimte gelegen te [plaats] aan de [adres], unit 2. Deze winkelruimte maakt onderdeel uit van het winkelcentrum [X] te [plaats]. [eiser] is tevens eigenaresse van dit winkelcentrum.

2.3 Tussen [gedaagde] en (de rechtsvoorganger van) [eiser] is een huurovereenkomst ex

art. 7:290 BW tot stand gekomen met betrekking tot de in punt 2.2 genoemde unit 2 (aanvankelijk in de stukken ook aangeduid als unit 9). Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte (model Raad voor Onroerende Zaken, gedeponeerd 28 januari 1994) van toepassing. De huurprijs bedraagt thans € 3.889,70 per maand, te vermeerderen met de BTW. Daarnaast dient [gedaagde] € 216,02 per maand te voldoen te vermeerderen met BTW als voorschot op de servicekosten.

2.4 Art. 3.1 (Duur, verlenging en opzegging) van de huurovereenkomst luidt:

"Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 10 jaar, ingaande op de datum van ingebruikname ten behoeve van de afbouw door huurder en eindigende 10 jaar na deze datum."

2.5 Art 10 (Ingangsdatum contract) luidt:

"Nadat de sub 3.1 bedoelde datum definitief bekend is zal de verhuurder hiervan schriftelijk mededeling doen aan huurder, welke brief dan onderdeel van deze overeenkomst zal uitmaken." Deze schriftelijke mededeling is niet door de verhuurder verstuurd.

2.6 Op 22 september 2003 is een "proces-verbaal van oplevering / ingebruikname unit 9" door partijen ondertekend.

Art. 1 van dit proces-verbaal luidt:

"Met de deze opname de aannemer de unit oplevert aan [Y] en gelijktijdig [Y] de winkelunit oplevert aan [gedaagde] ten behoeve van de ingebruikname.".

Art. 6 van dit proces-verbaal luidt:

"De datum van ondertekening van dit proces-verbaal dient te worden aangemerkt als ingangsdatum van de eerder vermelde huurovereenkomst tussen partijen A.([Y]; ktr.) en D.([gedaagde]; ktr.) Dit proces verbaal wordt geacht onderdeel te zijn van de huurovereenkomst."

Bijlage 1 bij dit proces-verbaal bevat een "Lijst van geconstateerde en gemelde gebreken". Het gaat om een dertiental geconstateerde en gemelde gebreken.

Tevens is op 22 september 2003 bijlage 2 "Sleuteloverdracht" door partijen ondertekend. Deze bijlage vermeldt, voor zover hier van belang:

Ondergetekende verklaren dat:

navolgende sleutels van partij B. in ontvangst zijn genomen door partij A. en aan partij D. ter hand zijn gesteld.

sleutelnummer aantal exemplaren

nvt

nvt

Verder is op 22 september 2003 de bijlage "Aanvullende verklaring inzake ingebruikname winkelunit 9" door partijen ondertekend. Deze bijlage vermeldt, voor zover hier van belang:

"(…) verklaart goede notitie te hebben genomen van onderstaande bepalingen en deze gedurende de periode gelegen tussen het moment van ingebruikname (sleutelontvangst) van de unit en de openingsdag ten behoeve van de consumenten strikt te zullen naleven. (…)".

2.7 Bij brief van 30 augustus 2012 bericht [gedaagde] aan [eiser] naar aanleiding van een bespreking het volgende:

"Hedenmorgen hebben wij gesproken over een aanpassing van de huur, ingegeven door de

economische situatie van onze organisatie in het bijzonder en de markt in het algemeen. U heeft aangegeven dit te gaan overleggen, en zo mogelijk met een nieuw voorstel te komen. Omdat de feitelijke opzegtermijn van het huurcontract 29 september 2012 is, hebben wij vanmorgen afgesproken dat deze datum doorschuift totdat de onderhandelingen over de toekomst zijn afgerond. (…)".

2.8 Bij brief van 14 september 2012 reageert [eiser] als volgt, voor zover hier van belang:

"Onder verwijzing naar ons onderhoud van 30 augustus 2012 alsmede uw brief van

30 augustus jongstleden doen wij u éénmalig de volgende aanbieding toekomen waaronder wij bereid zijn om de huidige huurovereenkomst met betrekking tot bovengenoemde unit aan te passen. Wij zullen het opzegtermijn niet conform uw brief opschorten en derhalve blijven de termijnen uit de huurovereenkomst van kracht. Wij zien deze aanbieding conform uw

verzoek als tijdig verzonden. U dient derhalve voor 20 september 2013 aan ons te laten weten of u akkoord kunt gaan met deze aanbieding dan wel of u de huurovereenkomst definitief opzegt.(…)".

2.9 Bij aangetekende brief van 25 september 2012 zegt [gedaagde] de huur op aan [eiser]. [gedaagde] schrijft, voor zover hier van belang:

"Met dit schrijven wil ik de huurovereenkomst zoals die op 29 september 2003 door ons is

ondertekend beëindigen.

De reden voor beëindiging op dit moment is m.n. een gevolg van het feit dat deze overeenkomst formeel een jaar voor het verlopen van de looptijd opgezegd moet worden.

In een gesprek met Mevr. [B] en de heer [C] op 30 augustus jl. heb ik de feitelijke situatie toegelicht. Gelet op de huidige liquiditeitspositie, de omzet- en marge -ontwikkeling is het op dit moment onverantwoord om deze overeenkomst in de huidige vorm, of zelfs in de nieuw voorgestelde vorm te verlengen. (…)".

Deze brief is door [eiser] op 27 september 2012 ontvangen.

2.10 Deze opzegging is door [eiser] niet geaccepteerd. [eiser] schrijft bij brief van

18 oktober 2012, voor zover hier van belang:

"In reactie op uw brief van 10 oktober jongstleden berichten wij u nogmaals dat wij niet

akkoord kunnen gaan met uw verzoek voor het beëindigen van de huurovereenkomst van

bovengenoemde winkelruimte per 29 september 2013.

De ingangsdatum van de huurovereenkomst is 20 september 2003, zijnde de dag van

oplevering van het gehuurde (zie artikel 3.1 van de huurovereenkomst), en de ingangsdatum is niet de dag dat de huurovereenkomst is ondertekend. Dienaangaande had u deze huurovereenkomst voor 20 september 2012 moeten opzeggen. Wij hebben u hierop ook gewezen in onze aanbieding van 14 september 2012.

Gelet op het voorgaande zien wij uw opzegging dan ook als een opzegging per 20 septem-

ber 2018. (…)".

2.9 Partijen en hun gemachtigden hebben over deze opzegging en de beëindiging van de huurovereenkomst gecorrespondeerd maar zijn niet tot een oplossing gekomen.

De vordering en het verweer, samengevat en zakelijk weergegeven

3.1 [eiser] vordert - na vermeerdering van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] hoofdelijk (des de één betalende de ander(en) gekweten zijnde) te veroordelen tot betaling aan [eiser] binnen 7 dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis van een bedrag van € 24.512,62, althans een nader door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de contractuele rente van 2% per maand, telkens te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarover de huur van de winkelruimte gelegen aan de [adres], unit II te [plaats], verschuldigd is tot het moment der algehele voldoening, althans subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente, te tekenen vanaf 13 december 2013, althans een nader door de kantonrechter te bepalen datum, tot aan het moment der algehele voldoening;

II a. primair te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst, die als productie 1 is

overgelegd, niet tijdig en correct is opgezegd door [gedaagde] en derhalve is gecontinueerd tot en met 21 september 2018, en in het verlengde hiervan [gedaagde] hoofdelijk (des de één betalende de ander(en) gekweten zijnde) te veroordelen tot betaling vanaf 1 februari 2014 van een bedrag van € 4.890,72 (huur icl. servicekosten en BTW) voor iedere maand of gedeelte van een maand dat [gedaagde] het gehuurde onder zich heeft/hebben en [eiser] niet vrij over het gehuurde kan beschikken, met dien verstande dat de huurprijs jaarlijks dient te worden geïndexeerd conform art. 4.3 van de huurovereenkomst, ingaand op datum wijzen vonnis, althans een nader door de kantonrechter te bepalen datum;

II b. subsidiair — indien en voor zover de kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst door [gedaagde] tijdig en correct is opgezegd — [gedaagde] hoofdelijk (des de één betalende de ander(en) gekweten zijnde) te veroordelen tot betaling vanaf 1 februari 2014 van een bedrag van € 4.890,72 per maand voor iedere maand of gedeelte van een maand dat [gedaagde] het gehuurde onder zich heeft/hebben en [eiser] niet vrij over het gehuurde kan beschikken, op grond van art. 7:225 BW dan wel op grond van art. 6:212 BW, ingaand op datum wijzen vonnis, althans een nader door de kantonrechter te bepalen datum;

III. [gedaagde] hoofdelijk (des de één betalende de ander(en) gekweten zijnde) te veroordelen tot betaling aan [eiser] binnen 7 dagen na dagtekening van het dezen te wijzen vonnis van een bedrag van € 783,23 aan buitengerechtelijke kosten (conform de staffel BIK);

IV. [gedaagde] hoofdelijk (des de één betalende de ander(en) gekweten zijnde) te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen salaris gemachtigde, alsmede nakosten.

3.2

[eiser] beroept zich voor haar vordering op de vaststaande feiten en stelt daartoe nog het volgende. Op grond van art. 3.1 van de huurovereenkomst, in samenhang met het proces verbaal van ingebruikname, is de huurovereenkomst op 22 september 2003 aangevangen en liep deze dus tot en met 21 september 2013. Op grond van art. 3.3 van de huurovereenkomst geldt een opzegtermijn van twaalf maanden. De huurovereenkomst is door [gedaagde] niet tegen de juiste einddatum opgezegd en evenmin neemt [gedaagde] een termijn van ten minste twaalf maanden in acht. Op grond van art. 3.2 van de huurovereenkomst is de huurovereenkomst met vijf jaar verlengd vanaf 22 september 2013. Subsidiair - voor het geval de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd - zit [gedaagde] zonder recht of titel in het gehuurde en is zij op grond van art. 7:225 BW een vergoeding gelijk aan de huurprijs verschuldigd. Meer subsidiair is sprake van ongerechtvaardigde verrijking (HR 24 mei 2013, LJN: BZ1782 [Z]).

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd met als conclusie afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij pas op 29 september 2003 de sleutels in ontvangst heeft genomen na oplevering van de geconstateerde gebreken. Ook is op die datum de huurovereenkomst door de verhuurder ondertekend. Pas vanaf die datum kon [gedaagde] het gehuurde betreden voor de afbouw. Die datum geldt dus als ingangsdatum van de huur; dat volgt uit art. 3.1 van de huurovereenkomst. Voor zover er onduidelijkheid mocht zijn over de ingangsdatum dient dit voor risico van [eiser] te komen nu de door haar opgestelde contracten tegenstrijdige bepalingen bevatten. Bovendien heeft [eiser] de onduidelijkheid laten voortbestaan zoals blijkt uit haar brieven aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft dus tijdig opgezegd. Mocht [gedaagde] niet tijdig hebben opgezegd, dan is zij van mening dat onder de gegeven omstandigheden de zeer beperkte overschrijding van de termijn haar niet kan worden tegengeworpen. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat zij niet zonder recht op titel in het gehuurde zit nu [eiser] lopende de onderhandelingen heeft ingestemd met het voortgezette gebruik. Meer subsidiair dient een vergoeding voor het voortgezet gebruik te worden vastgesteld op het laagste bedrag van de verrijking en de verarming. Nu deze ruimte in verband met de economisch malaise niet of nauwelijks verhuurbaar is, gaat de verarming een bedrag van € 2.166,67 exclusief BTW niet te boven.

De beoordeling

4.1 Art. 3.1 van de huurovereenkomst bepaalt dat de huur ingaat op de datum van ingebruikname ten behoeve van de afbouw door huurder. Het betrof een nieuwbouwproject. [gedaagde] heeft aangevoerd dat het gehuurde niet eerder dan op 29 september 2003 in gebruik is genomen en de kantonrechter volgt haar in die stelling. De kantonrechter overweegt daartoe het navolgende.

4.2 Uit bijlage 2 bij het proces-verbaal van oplevering blijkt dat op 22 september 2003 nog geen sleuteloverdracht heeft plaatsgevonden. Deze wordt immers door partijen niet van toepassing verklaard. [eiser] heeft niet betwist dat [gedaagde] op 29 september 2003 een afspraak had met de aannemer om de laatste punten langs te gaan (proces-verbaal comparitie na antwoord pagina 3). [gedaagde] heeft in dat verband ter comparitie verklaard dat er op

22 september 2003 nog geen deuren in het gehuurde zaten, en er dus ook geen sleutels waren, en er op 29 september 2003 een tweede oplevering geweest waarvan niets op papier is gezet. Toen ook heeft [gedaagde] de sleutels ontvangen, aldus [gedaagde]. [gedaagde] kon er pas op de 29e in voor de afbouw en inrichting. Voor die tijd heeft [gedaagde] daar niets gedaan en dat kon ook niet. Er liepen nog veel mensen van de bouw rond; bovendien moest de afbouwvloer er nog in en die moest ook nog drogen, aldus [gedaagde]. Mede gelet op Bijlage 1 "geconstateerde en gemelde gebreken", die 13 punten omvat, heeft [eiser] hiertegen onvoldoende ingebracht om aan te nemen dat [gedaagde] het gehuurde al eerder in gebruik heeft genomen of kon nemen. De kantonrechter gaat dan ook van de juistheid van het standpunt van [gedaagde] uit. Daarbij weegt de kantonrechter ook nog als aanwijzing mee dat de verhuurder - toentertijd [Y] - de huurovereenkomst op 29 september 2003 heeft ondertekend en het ondertekende contract op die datum aan [gedaagde] heeft overhandigd. De kantonrechter is aldus van oordeel dat de datum van ingebruikname niet eerder dan

29 september 2003 is geweest.

4.3 [eiser] stelt niettemin dat de huurovereenkomst op 22 september 2003 is ingegaan. Zij beroept zich daarvoor enerzijds op de Aanvullende verklaring van 22 september 2003 (zie punt 5 van de dagvaarding) waarin ingebruikname en sleuteloverdracht worden gelijkgesteld. De kantonrechter verwerpt dit standpunt omdat, op grond van wat in punt 4.2 is overwogen, als vaststaand wordt aangenomen dat ingebruikname en sleuteloverdracht pas op

29 september 2003 hebben plaatsgevonden.

Anderzijds beroept [eiser] zich op art. 6 van het proces-verbaal van oplevering dat bepaalt dat de datum van ondertekening van het proces-verbaal dient te worden aangemerkt als ingangsdatum van de huurovereenkomst. De kantonrechter stelt vast dat art. 3.1 van de huurovereenkomst en art. 6 van het proces-verbaal van oplevering tegenstrijdige bepalingen zijn over de ingangsdatum van de huur. Waar deze stukken eenzijdig door de verhuurder zijn opgesteld, komt dit op grond van het contra proferentem-beginsel voor risico van [eiser]. In dit verband wijst de kantonrechter ook nog op art. 10 van de huurovereenkomst dat aan (de rechtsvoorganger van) [eiser] de verplichting heeft opgelegd om aan [gedaagde] schriftelijk mededeling te doen over de ingangsdatum van de huur. Dat [eiser] deze verplichting niet is nagekomen dient in haar nadeel te worden uitgelegd nu daardoor de onduidelijkheid over de ingangsdatum van de huur heeft kunnen voortduren. Voor zover [eiser] een beroep heeft willen doen op art. 1 van het proces-verbaal van oplevering verwerpt de kantonrechter ook deze stelling. Gelet op de bewoordingen van art. 3.1 van de huurovereenkomst mocht [gedaagde] aannemen - naar gangbare verkeersopvattingen - dat daarmee een feitelijke ingebruikname werd bedoeld en hoefde zij geen rekening te houden met een zogenaamde "papieren ingebruikname" van art. 1.

4.4 Waar vast staat dat sleuteloverdracht en ingebruikname op 29 september 2003 hebben plaatsgevonden, de tegenstrijdigheden tussen de huurovereenkomst en het proces-verbaal van oplevering in het nadeel van [eiser] behoren te worden uitgelegd en [eiser] in strijd met haar verplichting heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over de ingangsdatum, heeft [gedaagde] er op mogen vertrouwen dat de huurovereenkomst op 29 september 2003 is ingegaan. [gedaagde] heeft ter comparitie ook verklaard dat hij 29 september 2003 altijd heeft beschouwd als de ingangsdatum van de huur. Zij heeft dit standpunt nadien volgehouden, blijkens haar briefwisseling met [eiser]. De kantonrechter honoreert aldus dit verweer van [gedaagde].

4.5 Waar [eiser] heeft erkend dat zij de opzeggingsbrief op 27 september 2012 heeft ontvangen, is de huur dus tijdig en tegen de juiste datum - 29 september 2013 - opgezegd. De andere verweren van [gedaagde] op dit onderdeel behoeven geen verdere bespreking meer.

5.1 [gedaagde] heeft het gebruik van het gehuurde na 29 september 2013 voortgezet. [eiser] vordert subsidiair - voor het geval dat de huurovereenkomst is geëindigd - een vergoeding voor dit gebruik gelijk aan de huurprijs, dit op grond van art. 7:225 BW Zij stelt daartoe dat [gedaagde] zonder recht of titel het gehuurde is blijven gebruiken. [gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat [eiser] lopende de onderhandelingen heeft ingestemd met het voortgezet gebruik zodat art. 7:225 BW toepassing mist. De kantonrechter overweegt het volgende.

5.2 [gedaagde] heeft de huur opgezegd tegen 29 september 2013 en daarmee de huur beëindigd zoals zij ook heeft beoogd. [gedaagde] dient dan het gehuurde te ontruimen. Doet zij dat niet, dan houdt zij na die datum het gehuurde zonder recht of titel onder zich, en dus in beginsel onrechtmatig. [eiser] heeft ingestemd met het voortgezet gebruik, maar dit op grond van de naar haar opvatting voortdurende huurovereenkomst en niet op grond van lopende onderhandelingen. Die onderhandelingen waren met de brieven van [eiser] van

14 september en 18 oktober 2012 al afgebroken. Waar [gedaagde] de gewezen huurder is, geldt de lex specialis van art. 7:225 BW boven de algemene bepaling van de ongerechtvaardigde verrijking. In die zin verschilt deze casus dan ook op een essentieel punt van de casus in het aangehaalde arrest van de Hoge Raad (HR 24 mei 2013, LJN: BZ1782 [Z]). Een uitleg als [gedaagde] voorstaat, zou meebrengen dat [gedaagde] aan [eiser] bij wege van schadevergoeding een lagere huuropbrengst zou kunnen opdringen, dit in strijd met de strekking van art. 7:225 BW. De kantonrechter verwerpt dus dit verweer van [gedaagde].

5.3 Gelet op wat is overwogen in punt 5.2 hoeven de stellingen van partijen met betrekking tot de ongerechtvaardigde verrijking geen verdere bespreking meer.

5.4 Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter de vordering van [eiser] op basis van art. 7:225 BW zal toewijzen. Bij akte vermeerdering van eis heeft [eiser] haar vordering gespecificeerd tot een bedrag van € 24.512,62 per 7 mei 2014. Deze specificatie is door [gedaagde] niet weersproken. Dit bedrag is dus toewijsbaar. Het bedrag bestaat blijkens de specificatie deels uit achterstallige huur van vóór 29 september 2013. Daarover is [gedaagde] de contractuele rente verschuldigd. Per 29 september 2013 is [gedaagde] de vergoeding van

art. 7:225 BW verschuldigd. Daarover is [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd. Nu het geen verplichting uit een handelsovereenkomst betreft maar schadevergoeding, is niet de wettelijke handelsrente verschuldigd. Ter wille van de eenvoud zal de kantonrechter als rentedatum hanteren de datum van opeisbaarheid van de vergoeding per de eerste van de maand waarop de vergoeding ziet. De vordering tot betaling van het bedrag van € 4.890,72 ook voor een gedeelte van een maand dat [gedaagde] het gehuurde onder zich heeft, wijst de kantonrechter af, nu dat niet in overeenstemming is met het bepaalde in art. 7:225 BW. De vergoeding moet worden berekend over de tijd die [eiser] het gehuurde mist.

6.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wijst de kantonrechter toe, dit op grond van art. 13 van de toepasselijke Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte.

7.

In het feit dat partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van deze procedure te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten dient te dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde], [gedaagde] en [gedaagde] hoofdelijk (des de één betalende de ander(en) gekweten zijnde) tot betaling aan [eiser] binnen

zeven dagen na betekening van dit vonnis van een bedrag van € 24.512,62, te vermeerderen met de contractuele rente van 2% per maand over het gedeelte dat ziet op de achterstallige huur tot 29 september 2013, telkens te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarover de huur van de winkelruimte gelegen aan de[adres], unit 2 te [plaats], verschuldigd is tot het moment der algehele voldoening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte dat ziet op de verschuldigde vergoeding per 1 oktober 2013 vanaf de opeisbaarheid van de vergoeding per de eerste van de maand waarop de vergoeding ziet tot de dag van de algehele betaling;

veroordeelt [gedaagde], [gedaagde] en [gedaagde] hoofdelijk (des de één betalende de ander(en) gekweten zijnde) tot betaling aan [eiser] vanaf

1 februari 2014 van een bedrag van € 4.890,72 per maand, te berekenen over de tijd dat [eiser] het gehuurde mist en [eiser] niet vrij over het gehuurde kan beschikken;

veroordeelt [gedaagde], [gedaagde] en [gedaagde] hoofdelijk (des de één betalende de ander(en) gekweten zijnde) tot betaling aan [eiser] van

€ 783,23 aan buitengerechtelijke incassokosten;

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij haar eigen kosten dient te dragen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum op 8 juli 2014.

typ/conc: 552 / GJJS

coll: