Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3234

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
C-17-133139 - HA RK 14-38
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Wet bescherming persoonsgegevens. Incidentenregister.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Wet bescherming persoonsgegevens 38
Wet bescherming persoonsgegevens 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2014/90
JBP 2014/64
RF 2014/79
JONDR 2014/1105

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Leeuwarden

zaaknummer / rekestnummer: C/17/133139 / HA RK 14-38

Beschikking van 3 juli 2014

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. H.A. Hoving, kantoorhoudende te Nijmegen,

tegen

de naamloze vennootschap

FRIESLAND BANK N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerster,

advocaat mr. R. Bremer, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [A] en de Friesland Bank worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de fax met bijlagen van 6 mei 2014 van de zijde van [A],

  • -

    de mondelinge behandeling.

2 De feiten

2.1.

Bij testament van 14 juni 2007 heeft mevrouw [D] (hierna: [D]) [A], [C], de vader van [A], mevrouw [E], de moeder van [A], en [B], een broer van [A] tot haar enige erfgenamen benoemd. Daarbij zijn de vader van [A] en, bij zijn belet, ontstentenis of niet aanvaarden van deze functie, dan wel bij opvolging, [A] tot executeur benoemd.

2.2.

[D] is geboren op[geboortedatum] en vertoont sinds einde van het jaar 2011 verschijnselen van dementie.

2.3.

Op 15 mei 2012 is door [D] een volmacht verstrekt aan [A], op grond waarvan [A] - kort gezegd - kon beschikken over de bankrekeningen die door [D] worden aangehouden bij de Friesland Bank.

2.4.

Op 24 mei 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en de heer[X] (hierna: [X]), accountmanager van de Friesland Bank.

2.5.

Op 25 mei 2012 is een bedrag van € 6.000,- opgenomen uit een termijndeposito van [D] en overgeboekt naar de betaalrekening van [D] bij de Friesland Bank.

2.6.

Op 28 mei 2012 is vanaf de betaalrekening van [D] een bedrag van € 2.000,- afgeschreven naar de betaalrekening van [A] en een bedrag van € 2.000,- afgeschreven naar de betaalrekening van de heer [B]. Bij de overboekingen was als omschrijving vermeld: "schenking".

2.7.

[A] beschikt over een stuk betreffende een volmacht gedateerd 1 juli 2012. Hierin staat - voor zover - van belang het volgende vermeld:

"(…)

Hierbij geef ik toestemming aan [A], [adres], geboren [geboortedatum], die samen met haar vader de heer [C] gemachtigd is voor mijn bankzaken bij de Friesland Bank te Leeuwarden, om mijn klimspaarbewijs nummer [rekeningnummer] te beëindigen en in termijnen op te nemen ten behoeve van mijn erfgenamen te weten:

De Heer [C]

De Heer [B]

Mevrouw [A]

"(…)

Op de volmacht staat de naam van [D] en een handtekening.

2.8.

Bij brief van 5 juli 2012 heeft [A] aan de Friesland Bank verzocht om een bedrag van € 10.000,- vanuit het klimspaardeposito van [D] over te boeken naar de betaalrekening van [D].

2.9.

Daarop heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen [X] en [A].

2.10.

Op 13 juli 2012 heeft [A] een bedrag van € 5.000,- in contanten opgenomen van de betaalrekening van [D].

2.11.

Op 16 juli 2012 is door de Friesland Bank een bedrag van € 5.000,- vanuit het klimspaardeposito naar de betaalrekening van [D] overgemaakt. Eveneens op 16 juli 2012 heeft [A] een bedrag van € 5.000,- opgenomen in contanten. [A] heeft De Friesland daarnaast op 16 juli 2012 verzocht om ook de tweede termijn van € 5.000,- vanuit het klimspaardeposito over te maken naar de betaalrekening.

2.12.

Bij e-mailbericht van 19 juli 2012 heeft [A] - voor zover van belang - het volgende aan De Friesland Bank geschreven.

"(…)

Talloze malen heb ik gebeld over overboeking en kasopname betr. rekening-courant van mevrouw [D]. Ik vewijs naar mijn brief van 5 juli 2012.

Heb afgelopen dinsdag contact gehad met mevrouw [Y], die mij verzekerde dat die dag 5000 euro naar de betaalrekening geboekt zou worden.

Tot op heden lijkt er niets gebeurd te zijn.

(…)

Hoop dat vandaag 5000 euro geboekt zal worden naar betaalrekening.

(…)"

2.13.

Op 20 juli 2012 heeft een gesprek tussen [A], de echtgenoot van [A], de heer [F] (hierna:[F]), fraude-inspecteur bij de Friesland Bank, en de heer[G] (hierna: [G]), Fraude Risk manager van de Friesland Bank, plaatsgevonden.

2.14.

De Friesland Bank heeft op 6 augustus 2012 aangifte tegen [A] gedaan van verduistering. In de door de heer[G] namens de Friesland Bank gedane schriftelijke aangifte staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"(…)

Aangifte:
Hierbij doe ik aangifte ter zake het vermoeden van verduistering c.q. diefstal van gelden van rekeningen van [D] door derden (…)

Op 18 juli 2012 werd door [X], als Accountmanager Particulier Advies werkzaam bij Friesland Bank, melding gedaan van vermoedelijk misbruik van een recentelijk, op 15 mei 2012, verleende volmacht aan [A] .

Aanleiding van het verlenen van een volmacht aan [A] was dat daarvoor was vastgesteld dat derden vermoedelijk € 38.250 hadden "ontfutseld" middels diefstal/verduistering van rekeningen van [D]. Hiervan werd aangifte gedaan op 8 mei 2012, waarbij [A] als getuige optrad.

(…)

[X] had geconstateerd dat kort na het verlenen van de volmacht, op 25 mei 2012, aanzienlijke bedragen door de gevolmachtigde [A] van een zogenaamde Klim Spaar Deposito (KSD) op naam van [D] werden onttrokken en overgeboekt naar de tegenrekening van [D]. Dat er vervolgens van deze tegenrekening 2 maal een bedrag van € 2000 was weggeboekt naar de rekening van [A] en vermoedelijk familie van [A] met de omschrijving "schenking".

Daarnaast was er recentelijk en wederom na een overboeking van een KSD, respectievelijk op 13 en 16 juli 2012 door [A], persoonlijk, tweemaal een contant bedrag opgenomen van elk € 5000,--.

[X], die al geruime tijd als accountmanager contactpersoon is voor [D], had een dergelijke werkwijze niet eerder geconstateerd op de rekeningen van [D]. De onttrekkingen op de Klim Spaar Deposito rekeningen waren niet gebruikelijk en wenselijk, immers ontstond hierdoor renteverlies. De Overboekingen en opnames die hierna plaatsvonden waren eveneens ongebruikelijk.

Door [X] werd op 19 juli 2012, middels een email , de volgende informatie verstrekt:

Onderstaand in vogelvlucht een opsomming van de gebeurtenissen;

- Vader van mw.[A] is/was reeds gevolmachtigd over rekening(en) van mevrouw [D]

- in maart/april worden wij via mw.[A] op de hoogte gebracht van het feit dat er gedurende langere tijd misbruik via pinopnamen van meestal € 250,- (soms vaker dan dagelijks) is gemaakt.

- Er zou door mw.[A] aangifte zijn gedaan bij de politie, een procesverbaal zou zij ons toesturen, hetgeen tot nu toe niet is ontvangen door ons. Volgens [A] zou dit door een verzorgster van [instelling] (Talant) zijn gedaan, (…)

- In april is mevrouw [A] door mij bezocht, zij wilde ook gevolmachtigd worden over de rekeningen van mevrouw [D] (…) gezien de leeftijd van vader. Vader moest wel gevolmachtigd blijven.

- Dit telefonisch besproken met mw.[D] en was akkoord.

- enige tijd later wordt 2 x € 2.000,- overgeboekt (zou betrekking hebben op schenkingen door mw.[D] aan vader en dochter [A] ( voor bewezen diensten??, akkoord, voordeel v.d. twijfel

- in juli ontvangen wij brief om tussentijds € 10/m over te boeken van KSD getekend door mw.[A]

- telefonisch contact opgenomen met mw.[D]. Wist van niets van grote uitgaven/betalingen. Rekeningen/administratie werd gedaan door mw.[A] waar ik maar contact mee moest opnemen.

- Met mevrouw [A] is contact opgenomen, gedeelte van opname zou gereserveerd blijven op IB op PR.

- Naar nu blijkt is al € 10.000,- opgenomen/overgeboekt door mw. [A] en kregen wij kortgeleden ook het verzoek om de laatste 5/m over te boeken tlv Ibsp naar Pr. van Mw.[D] zodat mw.[A] dit ook weer via Internetbankieren kon gaan (weg)boeken.

(…)

Gelet op het feit dat door [A] bij de politie op 8 mei 2012 was aangegeven dat door artsen/specialisten de diagnose Alzheimer bij mevrouw [D] was vastgesteld, heb ik navraag gedaan (…) of deze informatie was verstrekt door [A] bij de aanvraag van de machtiging/volmacht op de rekeningen van [D] of anderszins bekend was geworden.

Het bleek dat deze informatie nimmer door [A] was verstrekt en op geen enkele wijze bekend was in de administratie van Friesland Bank.

(…)

datum

omschrijving

bedrag

14-5-2012

[rekeningnummer] [A] 12-5-2012 IB (internet bankieren)

€ 200,00

14-5-2012

ING leeuwarden, app. 000955, 9.00 uur, K254

€ 70,00

21-5-2012

ING leeuwarden, app. 000955, 20.29 uur, K254

€ 70,00

25-5-2012

Overboeking 29.78.75.310 gedeeltelijke onttrekking KSD

€ 6.000,00

26-5-2012

[rekeningnummer] [A] "schenking" IB

€ 2.000,00

[rekeningnummer] [B] "schenking" IB

€ 2.000,00

11-6-2012

ING leeuwarden, app. 000955, 19.59 uur, K254

€ 100,00

20-6-2012

ING leeuwarden, app. 000955, 13.14 uur, K254

€ 100,00

26-6-2012

ING leeuwarden, app. 000955, 18.15 uur, K254

€ 100,00

29-6-2012

ING leeuwarden, app. 000955, 15.46 uur, K254

€ 250,00

ING leeuwarden, app. 000955, 19.47 uur, K255

€ 250,00

10-7-2012

Friesland Bank Franeker, app.001009, 18.02 uur, K255

€ 500,00

13-7-2012

Kasopname Friesland Bank Leeuwarden, [A]

€ 5.000,00

16-7-2012

Overboeking 29.10.18.378 gedeeltelijke onttrekking KSD

€ 5.000,00

16-7-2012

Kasopname Friesland Bank Leeuwarden, [A]

€ 5.000,00

Met betrekking tot de mutaties zag ik het volgende en werd van mijn bevingen het navolgende overzicht vervaardigd.

(…)

Gespreksverslag [A]

Op vrijdag 20 juli 2012 omstreeks 13.00 uur had ik in het kantoor van Friesland Bank NV, (…) in aanwezigheid van [F] (…) een gesprek met de daartoe uitgenodigde vrouw die opgaf te zijn;

[A]

(…)

Na [A] inhoudelijk waar het gesprek over zou gaan te hebben ingelicht, verklaarde zij ons het volgende;

(…)

[A] geeft aan dat mw [D] vermogend is en dat zij als toekomstig erfgenaam kan beschikken over de gelden.

(…)

/e geeft aan dat de opgenomen gelden dan wel schenkingen een vergoeding zijn voor bewezen diensten.

Met betrekking tot de overboekingen van elk € 2.000, met daarbij "schenking" gaf [A] aan dat zij dit had overgeboekt naar haar broer [B], die momenteel werkloos is en studerende kinderen heeft. De kontante opnamen van elk €5000,00 waren volgens [A] een vergoeding voor familieleden die over waren uit Canada; dit werd later in het gesprek door haar herroepen.

Ze gaf toen aan dat dit contant opgenomen geld bedoeld was voor haar vader, haar broer en haarzelf, de toekomstige erfgenamen, en dat zij dit nog thuis had liggen.

(…)

Ook zegt zij dat er afspraken zijn gemaakt met mw [D] over vergoedingen voor de ondersteuning en ook zou er geen bezwaar zijn van de zijde van mw [D] tegen deze gedane opnamen.

(…)

[A] geeft verder aan dat zij vindt dat mw [D] het door haar opgenomen en/of weggeboekte geld, dat eigendom is/was van mw [D], niet nodig heeft en dat de toekomstige erfgenamen deze gelden nu heel goed kunnen gebruiken.

(…)

[A] geeft tenslotte aan dat zij niet de contante bedragen van €5000,00 had moeten opnemen en beter met de pinpas telkens €250 had moeten blijven pinnen, dan was het niemand opgevallen."

(…)"

2.15.

Door de politie en het Openbaar Ministerie is geen (verder) onderzoek naar [A] ingesteld en zij is niet naar aanleiding van de aangifte vervolgd.

2.16.

Bij brief van 20 augustus 2012 heeft de Friesland Bank, voor zover van belang, het volgende aan [A] bericht:

"(…)

Hierbij deel ik u mede dat de afdeling Fraud Risk Management van Friesland Bank op u betrekking hebbende gegevens heeft opgenomen in het incidentenregister.

(…) Ten aanzien van u is er sprake van een redelijk vermoeden dat u bij een incident betrokken bent of bent geweest.

Vastgesteld is dat u, na het verkrijgen van een machtiging/volmacht op de rekeningen van mevrouw [D], opzettelijk gelden - die geheel in eigendom behoorden aan mevrouw [D] en die u anders dan door misdrijf onder u had - wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Indien de gegevens waarover wij beschikken onjuist zijn of op een misverstand berusten, verneem ik dat graag van u. (…)"

2.17.

Op 29 augustus 2012 heeft [A] een bedrag van € 9.950,- teruggebracht naar de Friesland Bank.

2.18.

Op 28 september 2012 is een akte notariële volmacht gepasseerd door notaris mr. P.A. van Dijk te Leeuwarden waarbij [D] aan [A] een algemene volmacht in de zin van artikel 3:62 lid 1 Burgerlijk Wetboek heeft verleend. GGZ-arts, I. van der Wolf, heeft in dat kader bij brief van 11 september 2012 - voor zover van belang - het volgende verklaard:

"(…) Op basis van een gesprek met betrokkene op 10 september j.l. heb ik tijdens een huisbezoek geconstateerd dat mevrouw [D], geboren [geboortedatum], wilsbekwaam is ten aanzien van het opmaken van haar testament/ nalatenschap. (…)"

2.19.

De Friesland Bank is in een brief van 17 oktober 2012 van de notariële volmacht in kennis gesteld.

2.20.

Bij beschikking van 22 april 2013 zijn de goederen van [D] door deze rechtbank onder bewind gesteld met [A] als bewindvoerder. Bij beschikking van 19 september 2013 is in plaats van [A] een nieuwe bewindvoerder benoemd, te weten CSI Bewindvoeringen B.V.

2.21.

Bij brief van 19 januari 2014 heeft [A] de Friesland Bank verzocht om haar persoonsgegevens uit het incidentenregister te verwijderen. Hierin staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

"(…) Door middel van deze brief verzoek ik u de opname van mijn gegevens in het incidentenregister van uw bank door de halen, indien mogelijk met terugwerkende kracht. De reden hiervoor is dat de door de Friesland Bank vermeende frauduleuze handelingen van mij op geen enkele wijze gedeeld worden door politie en justitie. Ik word door hen niet gezien als verdachte van de delicten waarvoor door Friesland Bank op 2 augustus 2012 aangifte tegen mij gedaan is. Zoals gezegd, er zal geen (nader) onderzoek naar een leiding van deze aangifte gedaan worden. Ik ben niet gehoord en zal ook niet gehoord worden door politie/justitie. De zaak is opgelegd c.q. afgedaan. Hierdoor ontvallen de aanleiding en grondslag voor opname in het incidentenregister, zoals aangegeven in de brief van 20 augustus 2012. (…)"

2.22.

Op 18 februari 2014 heeft de Friesland Bank het verzoek tot verwijdering van de persoonsgegevens van [A] uit het register afgewezen. De Friesland Bank heeft daarbij - voor zover van belang - het volgende geschreven:

"(…) Verwijdering van de gegevens vindt plaats als niet meer voldaan wordt aan de eisen van vastlegging: de gedraging vormde, vormt of kan een bedreiging vormen voor de financiële belangen van cliënten en er staat in voldoende mate vast dat die persoon betrokken is bij die gedraging. Daarbij moet het belang van opname in het EVTR prevaleren boven mogelijke nadelige gevolgen voor de persoon als gevolg van opname van zijn gegevens in het EVR.

Deze toetsing leidt er in uw geval niet toe dat wij uw gegevens uit het EVR zullen verwijderen. Uit het gespreksverslag van 20 juli 2012 blijkt dat u zich herhaaldelijk gelden die aan mevrouw [D] toebehoorden, hebt toegeëigend. Dit vormde een bedreiging voor de financiële belangen van mevrouw [D]. Vast staat ook dat u degene bent die bij deze gedragingen was betrokken. Gezien uw uitlatingen in dit gesprek zijn wij van mening dat opname van uw gegevens in het EVR prevaleert boven mogelijke nadelige gevolgen daarvan voor u als persoon. (…)"

2.23.

Het “Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen” (hierna: het PIFI), gedateerd 3 maart 2011, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Preambule (…)

(…)

Aan het Incidentenregister is een Extern Verwijzingsregister gekoppeld. Dit Extern Verwijzingsregister bevat uitsluitend Verwijzingsgegevens (bijvoorbeeld een naam en geboortedatum of KvK-nummer) die onder strikte voorwaarden mogen worden opgenomen. Iedere deelnemer heeft afhankelijk van het lidmaatschap van de betreffende Branchevereniging toegang tot een deel of meerdere delen van het Externe Verwijzingsregister. De banken die lid zijn van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), alsmede de financieringsinstellingen die lid zijn van de Vereniging van Financieringsinstellingen (VFN) in Nederland, hebben de mogelijkheid om via een Verwijzingsapplicatie te toetsen of een (rechts)persoon in het extern verwijzingsregister (EVR) van de banken voorkomt.

(…)

2 Begripsbepalingen

In dit Protocol wordt verstaan onder:

(…)

Incident een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, (…)

(…)

3.1

Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister

3.1.1

Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident. (…)

(…)

4.1

Doel Incidentenregister

4.1.1

Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:

. op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;

. op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;

. op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen."

(…)

5 Extern Verwijzingsregister

(…)

5.2

Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister

5.2.1

De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de ) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.

5.2.2

Een Deelnemer is niet gehouden tot opname van Verwijzingsgegevens in het Externe Verwijzingsregister indien opsporingsbelangen of andere gewichtige belangen hiertoe aanleiding geven.

(…)

Annex (…)

Financiële instelling doet zelf geen aangifte of kan zelf geen klacht indienen

Niet in alle gevallen wordt door de financiële instelling zelf aangifte gedaan. Vooral bij fraude in het betalingsverkeer is het veelal de benadeelde cliënt van de financiële instelling zelf die aangifte doet van valsheid in geschrifte of oplichting. De rekening van de cliënt is immers frauduleus gedebiteerd en de cliënt is daarmee slachtoffer van het strafbare feit. (…)

Ook wanneer afgezien wordt van het doen van aangifte of de besloten wordt de aangifte uit te stellen blijven de criteria voor opname in het EVR onverminderd van toepassing. In die gevallen dat van strafbare feiten geen aangifte of klachte wordt gedaan blijft het uitgangspunt dat een deelnemer moet kunnen aantonen dat in voldoende mate vaststaat dat de gedraging de kwalificatie strafbaar feit kan dragen en dat voldoende bewijs van betrokkenheid tegen de betreffende (rechts)persoon voorhanden is.

(…)”

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoek van [A] strekt ertoe dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de Friesland Bank beveelt om binnen twee dagen:

- op grond van artikel 46 lid 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) de persoonsgegevens van [A] uit het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) te verwijderen wegens strijd met artikel 8 Wbp;

- op grond van artikel 38 lid 1 Wbp aan alle derden aan wie de Friesland Bank mededelingen heeft gedaan over de verwerking van de persoonsgegevens van [A] in het Incidentenregister (inclusief EVR) schriftelijk mede te delen, dat deze inschrijving onterecht is en op last van de rechtbank inmiddels is verwijderd, onder gelijktijdige schriftelijke toezending aan [A] van afschriften hiervan;

- op grond van artikel 38 lid 2 Wbp aan [A] schriftelijk opgave te doen van alle derden (officiële naam instantie, adresgegevens en contactpersonen) aan wie mededelingen zijn gedaan over de verwerking van de persoonsgegevens van [A] in het Incidentenregister;

- met veroordeling van de Friesland Bank in de kosten van de procedure.

3.2.

[A] legt hieraan – kort gezegd – het volgende ten grondslag. Met het opnemen en handhaven van haar persoonsgegevens in het register en het daaraan gekoppelde EVR handelt de Friesland Bank onrechtmatig jegens [A]. De Friesland Bank heeft ten onrechte aangenomen dat op grond van de door De Friesland Bank in haar schriftelijke aangifte gestelde feiten bewezen kan worden geacht dat [A] zich schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit. Er is geen redelijk vermoeden van schuld en [A] betwist het door De Friesland Bank opgestelde gespreksverslag van het gesprek van 20 juli 2012.

[A] heeft zich juist altijd behulpzaam ten opzichte van [D] opgesteld.

4 Het verweer

4.1.

De Friesland Bank stelt zich op het standpunt dat zij terecht is overgegaan tot opneming van de persoonsgegevens van [A] in de betreffende registers. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

Er is sprake van een situatie waarin de verwerkte strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vast staan en er is sprake van een zwaardere verdenking van een strafbaar feit dan een redelijk vermoeden van schuld. De Friesland Bank is van mening dat met de door haar aangevoerde feiten zoals beschreven in het proces-verbaal van aangifte, zoals geciteerd in r.o. 2.14, een zwaardere verdenking van een strafbaar feit dan een redelijk vermoeden van schuld vast staat.

4.2.

Op deze en de overige stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover hier van belang, ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank stelt vast dat [A] haar verzoekschrift op tijd heeft ingediend zodat zij in haar verzoek kan worden ontvangen.

5.2.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of, zoals de Friesland Bank heeft gesteld en [A] heeft betwist, de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan (HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720). De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.3.

De rechtbank kan de Friesland Bank op zich zelf wel volgen in haar standpunt dat de in geding zijnde geldopnames (en daarmee verband houdende overboekingen vanuit het Klimspaardeposito) binnen de gegeven context als zodanig argwaan wekken. Het is dan ook alleszins voorstelbaar dat de Friesland Bank, mede op grond van haar zorgplicht jegens [D], zich kritisch jegens [A] heeft opgesteld en onderzoek heeft verricht naar de gedragingen van [A] teneinde vast te stellen of de in geding opnames overeenstemmen met de wil van [D].

5.4.

[A] is evenwel niet een willekeurige derde, maar goed bevriend met [D] en bovendien al in 2007 samen met enkele familieleden door [D] aangewezen tot haar enig erfgenaam. Het valt dan ook bepaald niet uit te sluiten dat [D], zoals [A] heeft aangevoerd, reeds bij leven geld aan [A] en de overige erfgenamen wilde schenken. Voor zover het om de opnames gaat die zijn gefaciliteerd door (gedeeltelijke) beëindiging van het klimspaardeposito geldt bovendien dat [A] een machtiging hiertoe (gedateerd 1 juli 2012) in het geding heeft gebracht waarop de naam van [D] wordt vermeld en waarop een handtekening voorkomt, waarvan [A] stelt dat deze destijds door [D] is geplaatst. De Friesland Bank heeft de juistheid en datering van deze volmacht betwist, onder andere op de grond dat [A] deze machtiging ten tijde van de in geding zijnde gedragingen en het daarop volgende onderzoek niet aan de Friesland Bank heeft getoond. [A] heeft dit evenwel met klem betwist en naar voren gebracht dat zij deze volmacht bij zich had tijdens het gesprek op 20 juli 2012 met [G] en[F] en dat zij deze aan hen wilde laten zien, maar dat haar gesprekspartners toen hebben aangegeven daarin niet geïnteresseerd te zijn. Hetgeen de Friesland Bank op dit punt stelt staat derhalve niet vast. Bij gebreke van een grafologisch onderzoek staat evenmin vast dat de desbetreffende handtekening niet van [D] is. Als er - geheel veronderstellenderwijs - van wordt uitgegaan dat de handtekening daadwerkelijk van [D] is, dan is het bovendien nog maar de vraag of het verstrekken van deze machtiging niet overeenstemde met de wil van [D] op dit punt. Immers, uit het onderzoek dat in september 2012 door een GGZ-arts is ingesteld is gebleken dat [D] destijds (ook) wilsbekwaam was ten aanzien van het opmaken van haar testament/nalatenschap. De Friesland Bank heeft in dit verband weliswaar nog gesteld dat destijds uit telefonische navraag door [X] bij [D] is gebleken dat “zij niets wist van grote uitgaven/betalingen”, maar nu geen informatie is verstrekt ten aanzien van de specifieke vragen die [X] in dat kader heeft gesteld, is deze enkele algemene opmerking van [D] onvoldoende om hierop het oordeel te kunnen baseren dat [A] buiten [D] om zich de desbetreffende gelden heeft toegeëigend.

5.5.

Indien evenwel, zoals de Friesland Bank doet, wordt uitgegaan van de juistheid van het door[F] opgemaakte verslag van het gesprek dat hij en [G] op 20 juli 2012 met Hovinga hebben gevoerd, dan kan aan de Friesland Bank worden toegegeven dat de door [A] gegeven verklaringen niet consistent zijn en de nodige twijfel doen rijzen ten aanzien van de juistheid van haar handelen. [A] heeft echter stellig en gemotiveerd betwist dat dit verslag een juiste weergave is van het besprokene. Hier wreekt zich dat het verslag eenzijdig door de Friesland Bank is opgesteld en niet aan [A] ter goedkeuring en/of ondertekening is voorgelegd. Bovendien heeft [A] aangevoerd dat de vraagstelling erg vooringenomen was, dat zij onder druk is gezet en dat zij niet de kans heeft gekregen om haar kant van het verhaal goed over het voetlicht te brengen. Gelet hierop kan de rechtbank niet de betekenis aan dit verslag toekennen, die de Friesland Bank daaraan gehecht wil zien.

5.6.

Alles bijeen genomen en mede gelet op het feit dat nader onderzoek achterwege is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de hiervoor vermelde maatstaf. De Friesland Bank heeft weliswaar aangeboden om haar stellingen te bewijzen door het horen van[F], [X] en [G], maar de rechtbank ziet geen aanleiding om dit (algemene) bewijsaanbod te honoreren. Het horen van deze personen als getuige ten aanzien van een aantal in geding zijnde feiten zou weliswaar - afhankelijk van de uitkomst van de bewijswaardering - meer duidelijkheid kunnen brengen, maar ook indien een aantal feiten ten faveure van de Friesland Bank zou komen vast te staan blijven er nog steeds hiaten in het betoog van de Friesland Bank, met name ten aanzien van de wil van [D]. Het bewijsaanbod is daarom niet (althans in onvoldoende mate) ter zake dienend. Het vorenstaande brengt mee dat de persoonsgegevens van [A] uit het incidentenregister dienen te worden verwijderd.

5.7.

Gelet hierop kan hetgeen partijen verder hebben aangevoerd, als zijnde niet beslissend voor de beoordeling van het geschil, onbesproken worden gelaten.

5.8.

Het verzoek van [A] tot verwijdering van haar persoonsgevens uit de registers zal dan ook worden toegewezen, waarbij de rechtbank aansluiting zal zoeken bij het bepaalde in artikel 38 Wbp.

5.9.

Tevens zal het verzoek worden toegewezen de Friesland Bank te bevelen aan alle derden aan wie zij mededelingen heeft gedaan over de verwerking van de persoonsgegevens van [A] in het incidentenregister schriftelijk mede te delen dat deze inschrijving inmiddels is verwijderd, nu dit rechtstreeks voortvloeit uit het PIFI en de Friesland Bank daartegen geen verweer heeft gevoerd. Daarbij zal worden bepaald dat de Friesland Bank een afschrift van deze mededeling dient toe te zenden aan [A].

5.10.

Uit het feit dat [A] een afschrift zal worden toegezonden van de door de Friesland aan derden gedane mededeling van de verwijdering van de gegevens van [A] uit het incidentenregister, vloeit de opgave van degenen aan wie de Friesland Bank de mededeling heeft gedaan reeds voort, waardoor [A] geen belang heeft bij een afzonderlijke opgave.

5.11.

De rechtbank acht de verzochte termijnen te kort om door de Friesland Bank redelijkerwijs aan de veroordeling te laten voldoen. Zij zal het verzochte daarom toewijzen op de wijze zoals hier na in het dictum te melden.

5.12.

De Friesland Bank zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de [A] tot op heden vastgesteld op:

Griffierecht EUR 282,00

Salaris advocaat EUR 452,00 (1 punt x tarief II)

Totaal EUR 734,00.

5.13.

Deze beschikking zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

beveelt de Friesland Bank binnen twee werkdagen na het wijzen van deze beschikking de persoonsgegevens van [A] te verwijderen uit het incidentenregister van de Friesland Bank en het daaraan gekoppelde externe verwijzingsregister;

6.2.

beveelt de Friesland Bank om vervolgens binnen vijf werkdagen aan alle derden aan wie zij mededelingen heeft gedaan over de verwerking van de persoonsgegevens van [A] in het incidentenregister van de Friesland Bank (inclusief het externe verwijzingsregister) schriftelijk mede te delen, dat deze inschrijving inmiddels op last van de rechtbank is verwijderd, onder gelijktijdige schriftelijke toezending van een afschrift aan [A] van deze schriftelijke mededeling(en) aan de betreffende derde(n);

6.3.

veroordeelt de Friesland Bank in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op € 734,00;

6.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op

3 juli 2014.1

1 type: 611 coll: