Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3154

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
525511 \ CV EXPL 11-14517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Overtreding relatiebeding door het benaderen relaties via Linkedin.

zie tussenvonnis: ECLI:NL:RBGRO:2012:3726

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/445
RAR 2014/142

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 525511 \ CV EXPL 11-14517

Vonnis d.d. 24 april 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam],

gevestigd te [plaatsnaam]

eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna [A] te noemen,

gemachtigde mr. E.D. de Jong, advocaat te Steenwijk,

tegen

[naam],

wonende te [plaatsnaam], [adres],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna [B] te noemen,

gemachtigde mr. A.P.E.M. Pover, advocaat te Meppel.

1 PROCESGANG

1.1.

De verdere procesgang blijkt uit onderstaande processtukken:

  • -

    het tussenvonnis van 3 oktober 2012,

  • -

    de uitlatingsakte zijdens [A] van 31 oktober 2012,

  • -

    de akte van [B] van 7 november 2012,

  • -

    de akte van [A] van 5 december 2012,

  • -

    de akte van [B] van 5 december 2012,

  • -

    de akte van [B] van 16 januari 2013,

  • -

    de akte van [A] van 13 februari 2013.

1.2.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

1.3

Door [B] zijn in de akte van 16 januari 2013 nadere producties in het geding gebracht. Hij heeft verzuimd om een exemplaar van de akte aan (de gemachtigde van) [A] toe te zenden, zodat [A] geen gelegenheid heeft gehad om op de producties te reageren. Gelet op de hoeveelheid proceshandelingen die partijen hebben uitgevoerd na het tussenvonnis, heeft de kantonrechter besloten om [A] geen gelegenheid te bieden voor het indienen van een akte, maar zal de kantonrechter op de producties die bij akte van 16 januari 2013 in het geding zijn gebracht, geen acht slaan bij het wijzen van dit vonnis.

1.4.

Vonnis is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

In conventie

2.1.

De kantonrechter neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 3 oktober 2012 omtrent de uitleg van het relatiebeding in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. [A] heeft aangegeven dat de bedoeling van het relatiebeding voor beide partijen duidelijk was. Een letterlijke toepassing van het relatiebeding, zou tot het ongerijmde gevolg leiden dat uitingen tijdens het dienstverband, gericht op het overnemen van relaties zouden zijn toegestaan, daar waar deze na het dienstverband verboden zijn. [A] heeft er voorts op gewezen dat de berichten door [B] zijn verzonden tijdens de periode van op non-actiefstelling. Volgens [A] moet voorts worden uitgegaan van meerdere overtredingen. Het verzenden van e-mails via het medium LinkedIn vergt immers dat actief de e-mailadressen worden ingevoerd. Het verzenden van een e-mailbericht naar een adres is niet wezenlijk anders dan het via de post laten bezorgen van afzonderlijke brieven. [B] heeft daarentegen een strikte en letterlijke toepassing van het relatiebeding verdedigd, onder meer met een beroep op de rechtszekerheid. Voorts heeft hij aangevoerd dat er slechts sprake zou kunnen zijn van één overtreding, waarbij hij heeft benadrukt dat hij geen partijen via de e-mail heeft benaderd.

2.2.

De kantonrechter is met [A] van oordeel dat een letterlijke toepassing van het relatiebeding in die zin dat het benaderen van relaties voorafgaand aan de beëindiging van de dienstbetrekking zou zijn toegestaan daar waar dit direct na het einde van het dienstverband niet meer mag, tot ongerijmde resultaten zou leiden. Een werknemer die weet dat zijn dienstverband ten einde loopt, zou dan ongestraft alle relaties van zijn werkgever kunnen benaderen ‘voor eigen gewin’. Een dergelijke uitleg en toepassing van het relatiebeding, zou de werking en effectiviteit ervan ernstig ondermijnen. De kantonrechter acht een dergelijke (letterlijke) uitleg van het beding niet juist, te meer niet omdat de (overige) inhoud van de arbeidsovereenkomst blijkens artikel 16 ervan, juist aangeeft dat alle activiteiten van de werknemer die strijdig (kunnen) zijn met de (commerciële) belangen van de werkgever, verboden zijn.

2.3.

Zoals in rechtsoverweging 2.4.3. van het tussenvonnis is overwogen, was [B], als senior accountmanager schade, het gezicht van [A] in de markt en derhalve dienden al zijn contacten met relaties plaats te vinden in het (zakelijk) belang van [A]. De kantonrechter is van oordeel dat gegeven de functie van [B], zijn opleidingsniveau en arbeidsverleden, [B] zich ervan bewust had moeten zijn dat het via LinkedIn op 26 mei 2011 benaderen van relaties van [A] als schending van het relatiebeding zou worden aangemerkt. De kantonrechter is van oordeel dat het enkele feit dat partijen hebben gedebatteerd over de uitleg van het beding, niet betekent dat kan worden geoordeeld dat het relatiebeding zo ‘ongelukkig’ is geformuleerd, dat [B] met een beroep op de rechtszekerheid zich met succes kan verweren tegen de vorderingen van zijn voormalige werkgever.

2.4.

Aangenomen moet worden dat het relatiebeding daarom zo moet worden uitgelegd dat het [B] niet was toegestaan om tijdens de periode van op-non-actiefstelling toen het dienstverband formeel nog bestond, maar door hem reeds was opgezegd, bestaande relaties van [A] te informeren over zijn nieuwe dienstbetrekking bij een concurrent van [A]. Zowel de mededeling van [B] dat hij zou gaan werken bij een partij “die weet hoe het werkt in assurantieland”, als ook de aankondiging dat de relatie(s) door [B] op de hoogte zullen worden gehouden van zijn nieuwe ‘mobiele nummer en e-mailadres’ maken duidelijk dat dit e-mailbericht niet in het belang van [A] werd verzonden. Met [A] neemt de kantonrechter aan dat blijkens het via LinkedIn verzonden bericht, waarin stond vermeld: ‘[B] has sent you a message’ ervan moet worden uitgegaan dat er niet alleen sprake is van plaatsen van een bericht op de site LinkedIn, maar tevens van het verzenden ervan aan relaties van [A] door [B].

2.5.

Met [A] is de kantonrechter voorts van oordeel dat er sprake is van meerdere schendingen van het relatiebeding, zodat per overtreding een boete is verbeurd. Door [A] is naar het oordeel van de kantonrechter met juistheid aangegeven dat per relatie een e-mailadres moest worden ingegeven. Het verzenden van een bericht naar meerdere geadresseerden levert evenzovele overtredingen op.

Anders dan door [A] naar voren is gebracht, is de kantonrechter echter met [B] van oordeel dat ingeval van [naam] (hierna: [D]) niet kan worden gesproken van een relatie in de zin van het beding. Tussen partijen staat namelijk vast dat tot 1 juni 2011 door [A] nimmer zaken is gedaan met [D]. [A] heeft aangevoerd dat [D] een zogenaamde 'prospect' is, die was vermeld op de prospectlijst die maandelijks werd besproken. De enkele vermelding op enige prospectlijst acht de kantonrechter echter onvoldoende om ook in dit geval een boete wegens het schenden van het relatiebeding aan te nemen. Door [A] is onvoldoende gesteld om te kunnen beoordelen op welke wijze de prospectlijst werd samengesteld en waarom het enkele feit van vermelding op deze lijst een boete zou rechtvaardigen.

2.6.

[B] heeft een beroep op matiging van de verbeurde boete gedaan en aangevoerd dat de boete zou moeten worden gematigd tot nihil. Hij heeft aangevoerd dat er geen sprake is van schade zodat hij aanleiding ziet om de gefixeerde schade te matigen tot nihil.

2.7.

De kantonrechter ziet een boete als in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst primair als een prikkel tot nakoming. De kantonrechter overweegt voorts dat [B] niets heeft aangevoerd voor zijn stelling dat de boete zou moeten worden gematigd tot nihil. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [B] de maatstaf van art. 6:94 BW heeft miskend. De in deze bepaling opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Hieromtrent is door [B] niets naar voren gebracht. Het beroep op matiging moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden verworpen.

2.8.

De kantonrechter is mitsdien van oordeel dat vordering I in conventie kan worden toegewezen, in die zin dat [B] zal worden veroordeeld tot betaling van € 75.000,00 aan [A]. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, nu door [A] onvoldoende onderbouwd is gesteld dat er sprake is van andere werkzaamheden dan waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. De vordering III in conventie zal eveneens als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

In reconventie

2.9.

De kantonrechter neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 3 oktober 2012. [A] heeft bezwaar gemaakt tegen het door de kantonrechter gehanteerd uitgangspunt voor de berekening van de provisie. De kantonrechter kan slechts terugkomen op bindende eindbeslissingen in een tussenvonnis, indien er sprake is van een feitelijke of juridische misslag. Dat daarvan sprake zou zijn is door [A] niet aangevoerd en de kantonrechter heeft ambtshalve evenmin aanleiding gezien om terug te komen op haar beslissingen inzake het uitgangspunt voor de provisieberekening.

2.10.

De kantonrechter ziet evenmin aanleiding om in hetgeen door [B] naar voren is gebracht omtrent de verrekening van € 2.685,08 terug te komen op de eindbeslissing dat de vordering van [B] op dit punt, als onvoldoende onderbouwd, moet worden afgewezen.

2.11.

[B] is in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van zijn stelling dat het provisie-overzicht niet volledig is. [B] heeft kenbaar gemaakt geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om door middel van het horen van getuigen bewijs te leveren. [B] heeft ter voldoening aan de aan hem gegeven bewijsopdracht, in de akte van 7 november 2011 verwezen naar een e-mailbericht van hem aan mevrouw [C], lid van het managementteam van [A] en haar reactie van 3 maart 2011. Hij heeft gesteld dat daaruit blijkt dat er gerede twijfel is of de door de werkgever aangeleverde cijfers juist zijn zodat ´verder onderzoek gerechtvaardigd is.` Hij heeft gewezen op uitingen van mevrouw [C] in de mailwisseling, waarin zij aangeeft dat zaken niet 100% correct zijn. Hij heeft voorts aangegeven dat hij openstond voor aanpassing van de bonusregeling, maar dat daar geen overeenstemming over is bereikt.

2.12.

[A] heeft aangevoerd dat zij op aandringen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is afgestapt van het werken op provisiebasis. Zij heeft echter geen overeenstemming met [B] bereikt over (de wijze van) aanpassing van de bonusregeling aan de nieuwe situatie.

2.13.

De kantonrechter is van oordeel dat [B] niet is geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen bewijs. Hij heeft volstaan met het nogmaals becommentariëren in de akte van 7 november 2012 van een tweetal producties die reeds eerder in het geding waren gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat uit het door [B] gezonden e-mailbericht en de reactie van mevrouw [C] daarop van 3 maart 2011, niet kan worden geconcludeerd dat ‘er dusdanig gerede twijfel over de juistheid van de door de werkgever aangeleverde cijfers is dat verder onderzoek gerechtvaardigd is’ zoals [B] in de akte heeft opgemerkt. In reactie op het door [B] gezonden e-mailbericht, heeft mevrouw [C] immers op 3 maart 2011 geschreven dat de ‘huidige cijfers, met name vermelding berekend door mij niet zouden kloppen gaat te ver, ze zijn nagenoeg correct en conform het systeem van 2007, 2008 en 2009.’ De kantonrechter is daarom van oordeel dat de stellingname van [B] dat het ‘MT lid’ mevrouw [C] zou toegeven dat de zaken niet 100% correct zijn alsmede dat nader onderzoek noodzakelijk zou zijn, niet kan worden afgeleid uit de door [B] aangehaalde bewijsmiddelen.

2.14.

De kantonrechter gaat daarom uit van het door [A] gemaakte overzicht van de totale productie. [B] heeft mitsdien nog aanspraak op uitbetaling van een bonus ten bedrage van € 7.444,58. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het indienen van de eis in reconventie (21 december 2011). Er is sprake van achterstallig loon, de kantonrechter zal mitsdien ook de gevorderde wettelijke verhoging toewijzen. De kantonrechter ziet in het onderhavige geval aanleiding om af te wijken van het bestaande beleid om de wettelijke verhoging te matigen. De werknemer is immers voor zijn resultaatsafhankelijke beloning in hoge mate afhankelijk van de medewerking van de werkgever bij het vaststellen van de omvang ervan. Deze afhankelijkheid kan (deels) worden gecompenseerd door de sterke prikkel te geven aan de werkgever tot het correct en volledig uitbetalen van dit deel van het loon. De kantonrechter is van oordeel dat de wettelijke verhoging tot 50% als bedoeld in artikel 7:625 BW een dergelijke prikkel kan opleveren.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zal de kantonrechter evenwel afwijzen, nu door [B] onvoldoende onderbouwd is gesteld dat er sprake is van andere werkzaamheden dan waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten.

In conventie en in reconventie

2.15.

De kantonrechter ziet vanwege de vroegere relatie tussen partijen aanleiding om de proceskosten te compenseren des dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3 BESLISSING

In conventie

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [B] tot betaling van een bedrag van € 75.000,00 aan [A],

3.2.

compenseert de proceskosten des dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,

3.3

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie

3.5

veroordeelt [A] om aan [B] te betalen het bedrag van € 7.444,58, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 21 december 2011 tot de dag van volledige betaling,

3.6.

compenseert de proceskosten, des dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann, kantonrechter, en op 24 april 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: mf

coll: