Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3079

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
C-17-130719 - HA ZA 13-339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid om oud verstekvonnis te executeren aan de crediteur ontzegd, Zorgplicht kredietgever jegens debiteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/130719 / HA ZA 13-339

Vonnis van 18 juni 2014

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

procederende met toevoeging,

advocaat: mr. M.S. Dunant Maurits, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IEBE LEASE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. A. Robustella, kantoorhoudende te Ede.

Partijen zullen hierna “[A]” en “IeBe Lease” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 12 november 2013

  • -

    de akte van [A]

  • -

    de antwoordakte van IeBe Lease.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op of omstreeks 4 januari 1990 is tussen Albank B.V. (hierna te noemen: Albank) enerzijds en [A] en diens echtgenote[B] (hierna gezamenlijk te noemen: [A] c.s.) anderzijds een overeenkomst van geldlening gesloten, uit hoofde waarvan Albank aan [A] c.s. een doorlopend krediet heeft verstrekt ten bedrage van f 18.500,- (€ 8.394,93). Over het opgenomen krediet is door [A] c.s. maandelijks een kredietvergoeding van 1,235% verschuldigd. Krachtens de overeenkomst dienden [A] c.s. maandelijks een bedrag van f 370,- aan Albank af te betalen op het krediet.

2.2.

Op 5 november 1993 beliep het achterstallig saldo onder het doorlopend krediet een bedrag van f 2.200,00. Het voor opname beschikbare bedrag is toen geblokkeerd.

2.3.

Aetran Financiële Dienstverlening heeft [A] c.s. bij brief van 28 december 1993, betreffende het doorlopend krediet, medegedeeld:

“Hiermede maken wij u er op attent, dat wij tot op heden nog niet in het bezit zijn gekomen van het bedrag van de achterstallige termijnen. Het zal u duidelijk zijn, dat wij met een dergelijke gang van zaken geen genoegen nemen.

U kunt deze brief beschouwen als de laatste gelegenheid om op normale wijze aan uw betalingsverplichtingen te voldoen.

Hierdoor eisen wij de achterstand ad fl. 2.590,-- op.

Wij sommeren u voornoemd bedrag binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief aan ons over te maken. (…)

Mocht u aan deze sommatie geen gevolg geven, dan zullen wij tot rechtsmaatregelen overgaan. (…)”

2.4.

Albank heeft het krediet op enig moment in zijn geheel opeisbaar gesteld in verband met een betalingsachterstand, waarna zij [A] c.s. op 21 november 1994 heeft gedagvaard voor de (toenmalige) Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, in welke procedure zij heeft gevorderd om [A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van f 22.583,11, te vermeerderen met de overeengekomen rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van het geding. In deze dagvaarding stelt Albank ter onderbouwing van haar vordering onder meer:

“(…) Gedaagden zijn met de betaling van meer dan twee termijnen gedurende meer dan twee maanden in gebreke gebleven ondanks herhaalde aanmaningen zoals bedoeld in de Wet op het Consumentenkrediet, zodat ingevolge de bepalingen der overeenkomst het totale krediet ineens opeisbaar is geworden;

Per heden bedraagt de door gedaagden aan eiseres te betalen som f 22.583,11 (inclusief de tot heden vervallen en nog niet in de hoofdsom van de rekening-courant geboekte rente ten bedrage van

f 2.119,27);

(…)

2.5.

Bij verstekvonnis van de enkelvoudige handelskamer van voormelde Arrondissementsrechtbank van 11 januari 1995 is de hiervoor weergegeven vordering van Albank jegens [A] c.s. toegewezen, vermeerderd met een bedrag van f 710,- voor salaris en een bedrag van f 572,29 voor verschotten.

2.6.

In januari 1995 heeft genoemde Arrondissementsrechtbank [A] c.s., destijds h.o.d.n. [C], in staat van faillissement verklaard. Daaropvolgend heeft de (toenmalige) incassogemachtigde van Albank, Oordijk & Struiksma te Leeuwarden, bij brief aan de curator in dit faillissement van 1 februari 1995 opgave gedaan van de geldsom die [A] c.s. verschuldigd zijn – f 25.011,56 – en de curator verzocht om de vordering op de lijst van voorlopig erkende crediteuren te plaatsen.

2.7.

Het faillissement van [A] c.s. is op 23 februari 1995 opgeheven bij gebrek aan baten. De curator van [A] c.s. heeft hiervan bij brief van 1 maart 1995 mededeling gedaan aan het voor Albank optredende incassokantoor Anterra Incasso te Amsterdam. Daarbij heeft de curator tevens aangegeven dat er geen enkele uitkering aan de crediteuren van [A] c.s. volgt.

2.8.

De grosse van het verstekvonnis is op 4 mei 2010 door de deurwaarder betekend ten woonhuize van [A] c.s. aan de [adres]. In dit exploit zijn [A] c.s. gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 32.164,29, welk bedrag als volgt is opgebouwd:

- hoofdsom € 10.247,77

- rente tot 26 april 2010 € 21.250,01

- proceskosten, inclusief BTW € 581,88

- kosten exploit, inclusief BTW € 84,63

--------------

Totaal € 32.164,29.

In het exploit wordt tevens vermeld dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van genoemde titel is overgegaan op de besloten vennootschap IeBe Lease B.V., statutair gevestigd te Amsterdam, ingevolge statutenwijziging voorheen genaamd Albank Lease B.V. zijnde verkrijgster door overdracht d.d. 1 januari 2001 van Albank B.V.

2.9.

Uit hoofde van meergenoemd verstekvonnis heeft de deurwaarder op verzoek van IeBe Lease de volgende beslagen gelegd ten laste van [A] c.s.:

- Op 26 mei 2011 is onder de stichting Stichting Serviceflat Oranjewoud executoriaal beslag gelegd op alle gelden, vorderingen, geldswaarden en/of roerende zaken die deze derde onder zich heeft of mocht verkrijgen van en/of verschuldigd is en/of mocht worden aan [B].

- Op 6 juni 2011 is executoriaal beslag gelegd op een zich ten adresse van [A] c.s. bevindende bedrijfsauto, merk Citroën, type Berlingo, kenteken [kenteken].

- Op 1 juli 2010 is executoriaal beslag gelegd op het onverdeelde ½ aandeel van de aan [A] c.s. in eigendom toebehorende onroerende zaak, zijnde hun woonhuis aan de [adres].

2.10.

Bij brief van 22 juni 2011 heeft Schuman Incasso en Gerechtsdeurwaarders

[A] c.s. een specificatie van de openstaande vordering toegezonden. De totale

vordering bedroeg op dat moment, aldus IeBe Lease, € 20.308,92, onverminderd de lopende rente, gerechts- en executiekosten. Bij brief van 17 februari 2012 heeft Schuman Incasso en Gerechtsdeurwaarders [A] c.s. wederom een specificatie van de openstaande vordering toegezonden waarbij, in vergelijking met de eerdere brief, de rentevordering (verder) is beperkt (thans berekend vanaf 4 mei 2005). De totale vordering op [A] c.s. bedroeg op dat moment, aldus IeBe Lease,

€ 18.744,20.

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert dat de rechtbank IeBe Lease veroordeelt tot het onmiddellijk stoppen, voor nu en in de toekomst, met alle incassomaatregelen verband houdende met de door [A] in de dagvaarding bedoelde, en door hem ingeloste financiering.

3.2.

IeBe Lease concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [A] in de proceskosten.

4 De standpunten van partijen

4.1.

[A] legt aan zijn vordering – samengevat en voor zover van belang – het volgende ten grondslag. Er is sprake van een oude vordering, die IeBe Lease meent na verloop van 20 jaar – waarin de zaak blijkbaar “op de plank lag” - nog te kunnen executeren. [A] is nimmer op de hoogte geweest van de destijds op verzoek van Albank uitgebrachte dagvaarding, waardoor hij van het bestaan van de betreffende – naar zijn mening aanvechtbare - vordering niets wist. [A] is door zijn (toenmalige) curator ook nimmer op de hoogte gesteld van de vordering van Albank. Op de betreffende financiering van Albank is punctueel vanaf de ingangsdatum daarvan tot een paar maanden voorafgaand aan het faillissement van [A] c.s. iedere maand het verschuldigde overgemaakt. Dit betekent volgens [A] dat deze financiering in ruim 5 jaar reeds is afbetaald (50 maanden x f

370,-/maand levert het overeengekomen kredietbedrag van f 18.500,- op). Hiervan zijn meer dan 15 jaar nadien echter geen bewijsstukken meer voorhanden. Uit het feit dat Albank nimmer gebruik heeft gemaakt van het door [A] c.s. ter gelegenheid van de kredietverlening fiduciair aan haar overgedragen eigendomsrecht van een auto met kenteken[kenteken] blijkt eveneens dat er nimmer achterstanden in de aflossing van het krediet hebben bestaan, zo stelt [A], alsmede blijkt zulks uit de omstandigheid dat bij later aan [A] c.s. verstrekte financieringen het door Albank verstrekte krediet geen belemmerende factor bleek te zijn. Tevens acht [A] het onwaarschijnlijk dat Albank een betalingsachterstand vijf jaar zou hebben laten oplopen, zonder gepaste maatregelen te nemen. Nu er aldus vanuit dient te worden gegaan dat IeBe Lease geen vordering op [A] c.s. (meer) heeft, dient IeBe Lease onmiddellijk te stoppen, voor nu en in de toekomst, met het nemen van executiemaatregelen verband houdende met de (afgeloste) financiering bij Albank. Subsidiair stelt [A] nog dat in elk geval de bevoegdheid tot executie is verjaard, voor zover deze ziet op de betaling van wettelijke rente en dat onduidelijk is gebleven hoe IeBe Lease meent rechtsgeldig een vonnis te kunnen executeren dat ten gunste van een andere entiteit, te weten Albank, is gewezen.

4.2.

IeBe Lease betwist het gevorderde. Zij voert daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan. Zij valt als rechtsopvolgster van Albank aan te merken. Voorts voert zij aan dat de verjaring van een vordering uit hoofde van een vonnis bedraagt krachtens artikel 3:324 BW 20 jaar. Deze verjaringstermijn is door IeBe Lease in het onderhavige geval tijdig gestuit. Na de opheffing van het faillissement van [A] c.s. is de vordering van IeBe Lease op [A] c.s. weer herleefd conform het verstekvonnis van 11 januari 1995. In dit vonnis is de schuld van [A] c.s. aan (thans) IeBe Lease in rechte vastgesteld en tegen dit vonnis hebben [A] c.s. geen rechtsmiddelen aangewend, waarmee het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, aldus [A] c.s. Door [A] c.s. zijn nadien geen betalingen meer gedaan die op die schuld in mindering kunnen strekken. Enig bewijs van betaling heeft [A] in dit geding niet overgelegd. Aldus staat in dit geding de omvang van de schuld van [A] c.s. aan IeBe Lease vast. Vanwege genoemd faillissement, de verhaalpositie van [A] c.s. en door derden ten laste van hen gelegde beslagen, heeft IeBe Lease besloten om een afwachtende houding aan te nemen met betrekking tot het incasseren van haar vordering op [A] c.s. In 2009 heeft IeBe Lease haar vordering op [A] c.s ter incasso uit handen gegeven aan Schuman Incasso en Gerechtsdeurwaarders. Aan [A] c.s. is herhaaldelijk aangeboden om een minnelijke regeling met IeBe Lease te treffen. Toen een dergelijke regeling uitbleef, heeft de deurwaarder namens IeBe Lease executiemaatregelen getroffen. Het “stilzitten” van IeBe Lease bij de incasso van de vordering is, zo het standpunt van [A] aldus zou moeten worden begrepen, onvoldoende om rechtsverwerking aan te kunnen nemen. In het licht van het vorenstaande is IeBe Lease onverminderd gerechtigd om de executie van het vonnis van 11 januari 1995 te vervolgen jegens [A] c.s. Voor het door [A] gevorderde verbod op verdere executiemaatregelen is dan ook geen plaats, aldus IeBe Lease.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

De rechtbank stelt vast dat [A] in (het lichaam van) de inleidende dagvaarding een tweetal vorderingen benoemt. Ten eerste dat IeBe Lease met onmiddellijke ingang dient te stoppen met alle mogelijke incassomaatregelen verband houdende met een vordering daterend van 4 januari 1990 en ten tweede dat Iebe Lease met een schriftelijke verklaring dient aan te geven dat de betreffende vordering wordt ingetrokken en er in de toekomst geen enkele poging zal worden ondernomen om de incassoprocedure weer op te starten. Geconstateerd moet worden dat [A] aan het eind van zijn dagvaarding (onder het kopje “mitsdien”) in het petitum slechts de eerst genoemde vordering feitelijk instelt. De tweede vordering noemt hij daar namelijk niet. De rechtbank kan zich slechts buigen over vorderingen die formeel op de juiste wijze zijn ingesteld en komt daarom niet toe aan de behandeling van de tweede vordering die [A] slechts in het lichaam van de dagvaarding noemt.

5.2.

In deze procedure is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat IeBe Lease als rechtsopvolgster van de aanvankelijke contractspartij van [A] c.s., Albank, kan worden aangemerkt. IeBe Lease heeft, mede aan de hand van daarop betrekking hebbende bewijsstukken, voldoende uiteengezet dat Albank per 1 januari 2001 haar vorderingen uit hoofde van consumentenkrediet in economische eigendom heeft overgedragen aan Albank Lease (tevens inhoudende dat Albank Lease gevolmachtigd is om de vorderingen uit hoofde van consumptief krediet te incasseren) en dat Albank Lease bij akte van statutenwijziging van 14 mei 2002 haar naam heeft gewijzigd in IeBe Lease. Aldus is IeBe Lease Albank in de rechten en verplichtingen van Albank tegenover [A] c.s. opgevolgd en is het dus ook IeBe Lease die een ten gunste van Albank gewezen vonnis (eventueel) kan executeren.

5.3.

Het geschil van partijen moet als een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv worden beschouwd, gerezen in verband met de tenuitvoerlegging van een tussen partijen gewezen vonnis. In een dergelijke procedure kunnen geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak worden aangevoerd, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW door tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. Dit laatste kan zich voordoen indien het betreffende vonnis op een kennelijke (juridische of feitelijke) misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is (zie HR 22 april 1983, NJ 1984, 145). Een geval waarin betaling wordt afgedwongen op grond van een niet op een kennelijke misslag berustende uitspraak, terwijl vast staat dat reeds was betaald, houdt misbruik van bevoegdheid in (zie HR 22 december 2006, NJ 2007, 173).

5.4.

De rechtbank leest in de stellingen van [A], gelijk IeBe Lease dat heeft gedaan, (tevens) een beroep op rechtsverwerking en zal daarop thans eerst ingaan.

5.5.

Uitgangspunt is dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708). Voor het aannemen van rechtsverwerking is volgens vaste jurisprudentie enkel stilzitten, ook gedurende geruime tijd, niet voldoende. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (zie o.a. HR 24 april 1998, NJ 1998, 621).

5.6.

Naar het oordeel van de rechtbank mag van IeBe Lease als financieel dienstverlener worden gevergd dat zij jegens haar cliënten de zorgvuldigheid in acht neemt die van haar als redelijk bekwaam en redelijk handelend financieel dienstverlener mag worden verwacht (zie gerechtshof ’s-Gravenhage, 3 juli 2012, ECLI: GHSGR: 2012:4259). De omvang van deze zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. In elk geval dient de kredietverlenende instelling zich rekenschap te geven van de gerechtvaardigde belangen van haar wederpartij. Zij dient zich in dit verband redelijke inspanningen te getroosten om te voorkomen dat haar wederpartij wordt geconfronteerd met financiële verplichtingen die zij niet (meer) kon voorzien en/of niet kan dragen. Deze inspanningsverplichting strekt zich ook uit tot inning en verhaal van reeds verleende kredieten, in die zin dat van de kredietverlenende instelling voortvarendheid bij de inning c.q. het nemen van verhaal mag worden verlangd, om te voorkomen dat de rentelast onnodig hoog oploopt en van de kredietverlenende instelling mag tevens worden gevergd dat zij (periodiek) duidelijkheid verschaft omtrent de (resterende) betalingsverplichting van de debiteur. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer wanneer de kredietverlenende instelling zich, zoals hier, op een contractueel rentebeding beroept (zie gerechtshof Amsterdam 16 maart 2010, ECLI:GHAMS: 2010:BM1291).

5.7.

Met inachtneming van het voorgaande, stelt de rechtbank het volgende vast:

- Albank heeft de vordering op [A] c.s. op 1 februari 1995 aangemeld bij de curator in het faillissement van [A] c.s., met het verzoek deze vordering op de lijst van voorlopig erkende vorderingen te plaatsen. Tevens kan ervan worden uitgegaan, nu deze brief door IeBe Lease is overgelegd, dat op of omstreeks 1 maart 1995 Albank bericht van de curator in het faillissement heeft ontvangen dat het faillissement van [A] c.s. wegens gebrek aan baten was opgeheven en dat er geen uitkering aan de crediteuren zou volgen. Tegen die achtergrond had redelijkerwijs van Albank verwacht mogen worden dat zij [A] c.s. onverwijld na ontvangst van dat bericht mededeling had gedaan dat zij gehouden bleven om de openstaande vordering van Albank (geheel) te voldoen. Gesteld noch gebleken is dat Albank zodanige brief destijds aan [A] c.s. heeft gestuurd.

- De eerste incassohandeling zijdens IeBe Lease jegens [A] c.s. waarvan de rechtbank uit de dossierstukken concreet blijkt, betreft de betekening van het verstekvonnis van 11 januari 1995 door de deurwaarder op 4 mei 2010, dus meer dan 15 jaar na de datum van het verstekvonnis. Gesteld noch gebleken is dat Albank althans haar rechtsopvolgster – hetgeen wel van haar als zorgvuldig handelende kredietverstrekkende instelling had mogen worden verwacht - in de tussenliggende tijd enig bericht aan [A] c.s. heeft gedaan over het handhaven van de vordering uit hoofde van het verstekvonnis, zodat [A] c.s. er rekening mee hadden kunnen blijven houden dat deze vordering nog moest worden voldaan. IeBe Lease stelt weliswaar dat zij vanwege het faillissement van [A] c.s., hun (toenmalige) verhaalpositie en het feit dat er in januari 1997 bleek dat er diverse beslagen ten laste van [A] c.s. waren gelegd, destijds moest concluderen dat er geen verhaalsmogelijkheden waren en dat zij daarom een afwachtende houding ten aanzien van het verhaal van de vordering heeft aangenomen, maar dat argument kan haar niet baten. Ook al was er in de periode na het faillissement van [A] c.s. tijdelijk geen verhaal mogelijk, die omstandigheid ontsloeg IeBe Lease naar het oordeel van de rechtbank niet van haar verplichting om de (mogelijkheden tot) inning c.q. het verhaal van onderhavige vordering periodiek te bezien en [A] c.s. er periodiek van op de hoogte te stellen dat er nog steeds betaling werd verlangd. Aan die verplichting heeft IeBe Lease gelet op het voorgaande in het onderhavige geval niet voldaan.

- Het voorgaande klemt naar het oordeel van de rechtbank te meer, nu het de executie van een bij verstek gewezen vonnis inzake de betaling van een schuld betreft, waartegen door [A] c.s. geen verweer is gevoerd. Er heeft aldus geen inhoudelijke toetsing ten gronde van de vordering van Iebe Lease plaatsgevonden. Indien de executie van zodanig vonnis pas vijftien jaar nadien daadwerkelijk concreet ter hand wordt genomen, kan redelijkerwijs niet van de schuldenaar worden verwacht dat hij nog over bewijsstukken ter zake de betreffende schuld beschikt, te minder waar niet gebleken is dat de kredietverlenende instelling in de tussentijd pogingen heeft ondernomen om tot incasso te komen, in welk geval de schuldenaar er rekening mee had kunnen houden dat hij bepaalde bewijsstukken had dienen te bewaren. [A] stelt in dat verband ook dat hij na vijftien jaar niet meer over bewijsstukken beschikt, waarmee hij kan aantonen dat hij – zoals hij stelt – wel degelijk aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

- Daarbij komt nog dat de renteverplichting van [A] c.s. in een periode van vijftien jaar na het verstekvonnis inmiddels een flinke omvang had bereikt, zo volgt uit de aan [A] c.s. op 4 mei 2010 betekende grosse van het verstekvonnis. De omvang van de rentevordering was toen meer dan het dubbele van de hoofdsom.

5.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de hiervoor vastgestelde inactiviteit van IeBe Lease bij het innen c.q. het verhalen van haar vordering op [A] c.s. uit hoofde van het verstekvonnis bij [A] c.s. het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat IeBe Lease verdere maatregelen ter tenuitvoerlegging van het verstekvonnis achterwege zou laten. Daarnaast is voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat [A] c.s. onevenredig benadeeld worden door het na vijftien jaar alsnog innen c.q. verhalen van de vordering door IeBe Lease, nu laatstgenoemde [A] c.s. niet tijdig heeft geconfronteerd met de noodzaak (financiële) maatregelen tegen de steeds verder oplopende rentelast te nemen. Voorts kan worden aangenomen dat [A] c.s. thans niet meer over de bij de financiering behorende bewijsstukken beschikt.

5.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat IeBe Lease nakoming van het in 1995 gewezen vonnis verlangt, zodat de bevoegdheid om dit vonnis (verder) ten uitvoer te leggen aan IeBe Lease zal worden ontzegd.

De tot een gebod tot het stoppen met deze tenuitvoerlegging strekkende vordering van [A] ligt dan ook voor toewijzing gereed, zoals hierna in het dictum nader te melden. Daarbij merkt de rechtbank overigens op dat de heer [A] in deze procedure als eisende partij optreedt en niet ook zijn echtgenote[B]. Het gevorderde gebod kan daarom niet óók ten gunste van de echtgenote van [A] worden uitgesproken. Zij zal daarvoor eventueel zelf een vordering in rechte moeten instellen.

5.10.

Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, kan als niet meer van belang zijnde voor de uitkomst van deze procedure, onbesproken blijven.

5.10.

IeBe Lease zal als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [A] als volgt vastgesteld:

- dagvaardingskosten € 92,82

- overige kosten € 6,53

- vast recht € 75,00

- salaris van de advocaat € 400,00 (2 punten x € 200,00, tarief kanton)

€ 226,00 (1/2 punt x € 452,00, tarief II, handel)

-----------

totaal € 800,35.

6 BESLISSING

De rechtbank:

6.1.

gebiedt IeBe Lease om jegens [A] met onmiddellijke ingang te stoppen met het uitvoeren van (verdere) incassomaatregelen uit hoofde van het hiervoor bedoelde op 11 januari 1995 gewezen verstekvonnis;

6.2.

veroordeelt IeBe Lease in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [A] vastgesteld op € 800,35;

6.3.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

fn 343