Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:3076

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
C-17-125557 - HA ZA 13-65
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderwijsovereenkomst. Niet nakomen internaatsverplichting. Weigering toegang lessen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/125557 / HA ZA 13-65

Vonnis van 18 juni 2014

in de zaak van

1 [A],

2. [B],

voor zichzelf alsook in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun zoon

[C] ,

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat: mr. B.M. Paijmans te Utrecht,

tegen

de stichting STICHTING DUNAMARE ONDERWIJSGROEP,

gevestigd te Haarlem,

gedaagde,

advocaat: mr. J.P. Dikker te Hoofddorp.

Eisers zullen hierna verder gezamenlijk [A] c.s. worden genoemd. De zoon van [A] c.s. zal hierna verder [C] worden genoemd. Gedaagde zal hierna verder Dunamare worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van [A] c.s.;

  • -

    de akte overlegging producties (nummers 1 tot en met 44) van [A] c.s.;

  • -

    de conclusie van antwoord (inclusief een productie, met nummer 1) van Dunamare;

  • -

    het mondeling vonnis van 1 mei 2013, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de brief van 14 oktober 2013 (inclusief producties, met nummers 45 tot en met 47) van [A] c.s.;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 17 oktober 2013;

  • -

    de akte na comparitie van [A] c.s.;

  • -

    de antwoordakte (inclusief producties, met nummers 2 en 3) van Dunamare.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Dunamare is een onderwijsorganisatie die zowel openbaar als bijzonder voortgezet onderwijs aanbiedt, van gymnasium tot praktijkonderwijs. Onder Dunamare ressorten 24 scholen, waaronder de Maritieme Academie Harlingen (hierna verder te noemen: de MAH). De MAH is een bijzondere school voor voortgezet onderwijs en biedt onder meer een vier jaar durende maritieme VMBO-opleiding. De MAH beschikt over opleidingsschepen en over een internaat.

2.2

Op de website van de MAH heeft de volgende mededeling gestaan:

"Omdat leerlingen uit het hele land komen, is aan de school een 24-uurs interne huisvesting voor 150 leerlingen verbonden. Het grootste gedeelte van de vmbo-leerlingen (85%) stroomt via de verticale leerweg van de Maritieme Academie door naar de eigen mbo-vervolgopleidingen in de binnen- en zeevaart. Om deze populaire vmbo-opleiding van genoeg ruimte te voorzien staat nieuwbouw voor 2007 op het programma."

2.3

Op de website van Dunamare heeft de volgende mededeling gestaan:

"Wil je een vmbo-opleiding volgen voor een beroep in de havenlogistiek of binnenvaart? Bij de Maritieme Academie kan dat in IJmuiden en Harlingen. (….). Voor jongeren die niet dagelijks van huis naar school kunnen reizen, bieden wij huisvesting; in of dichtbij de school."

2.4

In een van de website van Dunamare te downloaden brochure hebben de volgende mededelingen gestaan:

"Scholierenhuisvesting Is de Maritieme Academie voor jou te ver van huis? Geen probleem. Wij hebben moderne scholierenhuizen waar je door de week kunt verblijven. Kun je alvast een beetje wennen aan het verblijf op een schip als je ook ver van huis bent. Je woont in een gezellige 3-persoonskamer, samen met twee klasgenoten. Je krijgt huiswerkbegeleiding en kunt gewoon je sport blijven beoefenen. (….). Meer weten? Kijk op maritieme-academie.nl. (….). Van het begin af wen je op school om zelfstandig te werken en te wonen. De huisvesting op school hoort bij de opleiding. Je deelt je kamer met drie of vier studiegenoten. Met zijn allen maak je gebruik van het gebouw, restaurant en de recreatieruimtes. Het evenaart het leven aan boord."

2.5

In het Schoolplan 2007-2011 van de MAH (hierna verder te noemen: het Schoolplan) is het volgende aangegeven:

"Koers Maritieme Academie Harlingen

(….). De Maritieme Academie Harlingen verzorgt behalve onderwijs ook de huisvesting van leerlingen (dan bewoners). Een belangrijk deel van de bewoners verblijft op de huisvesting tijdens schoolweken van maandag tot en met vrijdag. Dit voegt een belangrijke taak toe aan ons instituut, de Maritieme Academie Harlingen: begeleiding en verzorging van de bewoners van de huisvesting. De Maritieme Academie Harlingen heeft de beschikking over moderne opleidingsschepen die een belangrijke rol spelen in het onderwijs op de MAH; de schepen worden nadrukkelijk ingezet als leermiddel. School, huisvesting en schepen vormen een drie-eenheid."

2.6

[C] is geboren op [geboortedatum]. De vader van [C], eiser sub 1, vaart als kapitein op een koopvaardijschip wereldwijd. [D] (hierna verder te noemen: [D]), de oudere broer van [C], heeft de maritieme VMBO-opleiding aan de MAH aan het einde van het schooljaar 2007-2008 met goed gevolg afgesloten en heeft aansluitend de MBO-opleiding tot Maritiem Officier aan het NOVA-college te IJmuiden, eveneens ressorterend onder Dunamare, met goed gevolg afgesloten.

2.7

Bij brief van 12 maart 2007 heeft [E] (hierna verder te noemen: [E]), de directeur van de MAH, [A] c.s. het volgende laten weten:

"Ik hoop dat [D] aan het eind van dit jaar overgaat naar de vierde klas. Voor dit jaar heeft hij vrijstelling van de internaatsplicht maar volgend jaar moet hij in principe intern. Immers vanaf de derde klas geldt al de internaatsplicht. (….). Mocht u bezwaar hebben tegen de plaatsing op het internaat, dan kunt u ons dit schriftelijk, binnen 14 dagen, laten weten."

2.8

Bij brief van 15 maart 2007 heeft [A] c.s. [E] laten weten dat geen gebruik wordt gemaakt van de internaatsplicht voor [D]. In reactie hierop heeft [E] [A] c.s. op 19 april 2007 het volgende laten weten:

"Omdat wij dit jaar meer aanmeldingen hebben dan dat er plaats is op het internaat, hebben wij besloten uw zoon volgend jaar van de internaatsplicht te ontheffen. Wel wijzen wij u er op dat wij ons het recht voorbehouden uw zoon in de loop van volgend schooljaar intern te plaatsen indien hier aanleiding toe bestaat."

2.9

[D] heeft gedurende zijn opleiding aan de MAH nimmer in het internaat gewoond.

2.10

Op 6 maart 2008, door middel van een daartoe strekkend inschrijfformulier, heeft [A] c.s. [C] ingeschreven als leerling van de MAH, voor het schooljaar

2008-2009.

2.11

Voorafgaand aan het begin van het eerste schooljaar van [C] heeft tussen de MAH en [A] c.s. een intakegesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is aan de orde gekomen dat leerlingen vanaf de derde klas in het internaat moeten wonen.

2.12

In de Schoolgids 2008-2009 is aangegeven:

"Schoolgebouw en huisvesting

De Maritieme Academie Harlingen is gevestigd aan de Almenumerweg 1 te Harlingen. (….). Ten westen van het nieuwe schoolgebouw staat het gebouw van de huisvesting waarin de leerlingen wonen. Een uitzondering kan gemaakt worden voor leerlingen uit het eerste en tweede jaar die zo dichtbij wonen dat het onderwijs hiervan geen schade ondervindt. Vanaf het derde leerjaar is de huisvesting voor alle leerlingen verplicht.

De leerweg

(….). Binnen de school staat het nautische aspect centraal. Dat houdt in dat de meeste vakken iets met varen te maken hebben. (….). De huisvesting speelt bij de nautische vorming een belangrijke rol. Leerlingen van onze school zijn in principe intern. Niet alleen omdat de meeste leerlingen te ver weg wonen om elke dag heen en weer te reizen, maar ook omdat leerlingen zich daarmee een sociale houding eigen maken die nodig is in de kleine gemeenschap van een schip."

Deze passages zijn ook opgenomen in de Schoolgids 2009-2010.

2.13

In de schooljaren 2008-2009 en 2009-2010 heeft [C] het eerste leerjaar en het tweede leerjaar met goed gevolg afgerond, waarna hij voor het schooljaar 2010-2011 is bevorderd naar de het derde leerjaar.

2.14

Gedurende de schooljaren 2008-2009 (eerste jaar) en 2009-2010 (tweede jaar) heeft [C] niet in het internaat gewoond, maar thuis bij zijn ouders in Harlingen.

2.15

Bij brief van 11 maart 2010 heeft [E] [A] c.s. het volgende laten weten:

"Ik hoop dat [C] aan het eind van dit jaar overgaat naar de derde klas en dan is het zover dat hij intern bij ons komt wonen. Vanaf de derde klas geldt immers de verplichting om op onze huisvesting te komen wonen."

2.16

In reactie hierop heeft [A] c.s. [E] bij e-mail van 6 april 2010 het volgende laten weten:

"Met betrekking tot de verplichting van interne huisvesting aan de Maritieme Academie voor [C] [A], is reeds gemaild dat wij geen gebruik zullen maken van deze geboden optie. De combinatie van thuis wonen - waarbij de vader zeevarend is - en uw opleiding is voor zowel [D] en [C] aantoonbaar succesvol gebleken. [D] heeft met zeer hoge resultaten de Maritieme Academie voltooid en voor [C] zijn de vorderingen ook weer veelbelovend. Aangezien vader voor zijn beroep veel van huis is, achten wij het voor de vorming van [C] (gezien zijn jonge leeftijd) van het grootste belang dat [C] na schooltijd thuis is. Er is geen enkele indicatie waaruit geconcludeerd kan worden dat deze constructie, t.w. verblijven in de thuissituatie, nadelige gevolgen heeft voor het succesvol afronden van de opleiding, hetgeen uiteindelijk de doelstelling is. Erop vertrouwend dat het verzoek c.q. levensbeschouwing van de ouders gerespecteerd wordt."

2.17

In reactie hierop heeft [E] [A] c.s. bij brief van 13 april 2010 het volgende laten weten:

"U heeft bij ons aangegeven dat u er de voorkeur aan geeft om uw zoon volgend jaar extern te laten zijn. Uw levensbeschouwing ligt hieraan ten grondslag. Wij hebben besloten uw verzoek te honoreren. Het betreft het schooljaar 2010-2011."

2.18

De leerlingen van de derde klas krijgen aan het begin van dat leerjaar het Programma van Toetsing en Afsluiting (hierna verder te noemen: het PTA) uitgereikt. In het PTA is onder meer aangegeven, samengevat weergegeven, in welke vakken schoolexamen, centraal examen (CE) en centraal schriftelijk en praktisch examen (CSPE) moet worden afgelegd, op welke wijze de examenresultaten worden gewaardeerd, wanneer een leerling geslaagd is en wanneer de mogelijkheid tot een herkansing (inhalen gemiste toetsen en opdrachten) bestaat.

2.19

Gedurende het schooljaar 2010-2011 (derde jaar) heeft [C] niet in het internaat gewoond, maar thuis bij zijn ouders.

2.20

Bij brief van 12 januari 2011 heeft [E] [A] c.s. het volgende laten weten:

"Ik hoop dat [C] aan het eind van dit jaar overgaat naar de vierde klas. Voor dit jaar heeft hij vrijstelling van de internaatsplicht maar volgend jaar moet hij intern. Zoals wij vaker met u hebben gecommuniceerd zullen wij uw zoon/dochter niet toelaten tot de 4e klas als hij/zij niet intern gehuisvest wordt."

2.21

In reactie hierop heeft [A] c.s. [E] op 14 februari 2011 de tekst van de hiervoor onder 2.16 genoemde e-mail gemaild.

2.22

In reactie hierop heeft [E] [A] c.s. brief van 11 maart 2011 het volgende laten weten:

"U heeft bij ons aangegeven dat u er de voorkeur aan geeft om uw zoon volgend jaar extern te laten zijn. Wij kunnen dit verzoek niet honoreren. Ik wil u er op wijzen dat de internaatsplicht in het 3e en 4e leerjaar bij ons ingevoerd is, zodat de leerlingen zich voor kunnen bereiden op een varend bestaan. Wij zijn van mening dat intern wonen onderdeel is van de beroepskwalificatie "matroos". Hiervan bent u destijds tijdens het intakegesprek op de hoogte gesteld."

2.23

Bij brief van 22 juli 2011 heeft [E] [A] c.s. het volgende laten weten:

"Op uw verzoek hebben wij naar aanleiding van de brieven die wij u op 12 januari 2011 en 11 maart 2011 hebben verzonden en waarin wij de interne plaatsing gedurende het 4e leerjaar bevestigden daarover een gesprek gehad op 22 maart 2011. In dat gesprek hebben wij u er nogmaals op gewezen dat [C] alleen in het 4e leerjaar zullen accepteren als hij intern komt wonen op onze huisvesting. Vervolgens heb ik dat ook nog in een apart gesprek met [C] besproken op 24 maart 2011. (….). Ik wijs u er nogmaals op dat wij [C] alleen zullen toelaten in het 4e leerjaar wanneer hij zich volgens de u toegezonden instructies meldt op onze huisvesting en intern komt. (….). Mocht u het niet eens zijn met deze brief dan kunt u in beroep gaan bij het bestuur van de Maritieme Academie Harlingen."

2.24

Bij brief van 8 augustus 2011 heeft [A] c.s. bij het college van bestuur van Dunamare (hierna verder te noemen: het CVB) zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen de brief van 22 juli 2011 en het CVB verzocht terug te komen op de in die brief verwoorde beslissing tot weigering ontheffing te verlenen van de internaatsverplichting.

2.25

Bij ongedateerde brief, met als aanhef "start schooljaar 2011/2012" (productie 15 dagvaarding) heeft [E] [A] c.s. het volgende meegedeeld:

"Ik maak u attent op het volgende: wij verwachten [C] op dinsdag 6 september a.s. om 18.00 uur op de huisvesting van de Maritieme Academie Harlingen. Wanneer hij zich niet meldt zal hij op woensdag 7 september geen toegang krijgen tot de lessen of overige activiteiten van de school. Het staat u natuurlijk vrij om [C] aan te melden bij een andere school voor voortgezet onderwijs en wij zijn altijd bereid u daarbij te assisteren. Ik heb inmiddels contact gehad met RSG Simon Vestdijk in Harlingen. Zij zijn bereid om [C] een mogelijkheid te bieden om zijn VMBO af te maken."

2.26

[C] heeft zich op 6 september 2011 niet gemeld op het internaat van de MAH.

2.27

Op 7 september 2011 heeft [C] zich voor de eerste schooldag van het vierde schooljaar (2011/2012) gemeld bij de MAH. Bij die gelegenheid heeft [E] [C] de toegang tot de lessen ontzegd, waarna [C] naar huis is gegaan. Nadien heeft [C] geen lessen gevolgd aan de MAH.

2.28

Tijdens een hoorzitting bij de MAH op 9 september 2011 heeft [A] c.s. zijn bezwaren tegen de internaatsverplichting en zijn verzoek om [C] voor wat betreft het vierde schooljaar (ook) te ontheffen van deze verplichting toegelicht tegenover de voorzitter van het CVB, [F] (hierna verder te noemen: [F]). In het van de hoorzitting gemaakte verslag is het volgende aangegeven:

"[C] [A] heeft in het derde leerjaar ontheffing van de internaat verplichting gekregen. Voor het vierde leerjaar geldt deze ontheffing niet meer. [C] [A] zal nu intern moeten wonen. Dit is mevrouw en meneer [A] in april 2010 medegedeeld door de Maritieme Academie Harlingen. Zij geven aan dat zij op de hoogte waren van de internaatsverplichting."

2.29

Bij brief van 14 september 2011 heeft [F] [A] c.s. namens het CVB laten weten dat er geen aanleiding bestaat om de beslissing van 22 juli 2011 van [E] te herzien en dat [C] ook het huisvestingsgedeelte van de opleiding zal moeten doen.

2.30

Op 27 september 2011 heeft [A] c.s., mede in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [C], Dunamare in kort geding gedagvaard en gevorderd, samengevat weergegeven:

- dat [C] binnen één dag na betekening van het vonnis wordt toegelaten tot de lessen in de vierde klas en tot alle overige voorzieningen waar leerlingen op grond van hun inschrijving aanspraak kunnen maken, en

- dat [C] in staat wordt gesteld om de inmiddels opgelopen achterstanden in te lopen en dat de schoolexamens voor hem zo vorm worden gegeven dat hij in staat wordt gesteld dit jaar zijn eindexamen te behalen en hem daarbij adequaat te begeleiden.

Aan deze vorderingen heeft [A] c.s. ten grondslag gelegd dat Dunamare toerekenbaar tekort schiet in de uitvoering van de onderwijsovereenkomst, dan wel dat zij onrechtmatig handelt, door [C] niet toe te laten tot de lessen van het vierde leerjaar.

2.31

Bij vonnis van 17 oktober 2011 (185496 / KG ZA 11-428) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem deze vorderingen afgewezen. Met betrekking tot de beslissing van Dunamare om [C] de toegang tot de lessen te ontzeggen, heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:

"De door Dunamare genomen beslissing om [C] toegang tot de lessen te ontzeggen kan de toets der kritiek doorstaan. Daarvoor acht de voorzieningenrechter van belang dat het aan de ouders van [C] reeds voorafgaand aan de opleiding duidelijk was of moest zijn dat daaraan een internaatsverplichting was verbonden. Ook hun oudste zoon had immers al de Maritieme Academie doorlopen en aan hem was ontheffing van de reeds bestaande verplichting verleend. De ouders van [C] hadden moeten begrijpen dat deze ontheffing een uitzondering vormde op de bestaande regels. De directeur van de Maritieme Academie heeft tijdig kenbaar gemaakt dat voor het vierde leerjaar géén ontheffing zou worden verleend. Dunamare heeft eisers in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren tegen de internaatsverplichting kenbaar te maken en heeft, gehoord deze bezwaren, in redelijkheid kunnen beslissen om de internaatsverplichting te handhaven. Dunamare heeft in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat [C], indien hij niet intern komt wonen, aan het einde van zijn opleiding niet zal voldoen aan de van overheidswege opgelegde vaardageneis en om die reden niet het diploma matroos zal kunnen verwerven. Bij die stand van zaken kan van Dunamare niet worden verlangd dat zij wel doorgaat met het geven van onderwijs aan [C] en kan de weigering om hem de toegang tot de lessen te ontzeggen niet als disproportioneel of anderszins niet passend kan worden aangemerkt."

2.32

Vervolgens heeft [A] c.s. [C] ingeschreven voor een gewone,

niet-maritieme, VMBO-opleiding aan het Marne College te Bolsward (hierna verder te noemen: het MC).

2.33

[C] heeft aan het MC de derde klas overgedaan, in het schooljaar 2011-2012. In het daarop volgende schooljaar 2012-2013 heeft [C] de vierde klas gevolgd en zijn VMBO-opleiding afgerond, zij het zonder maritieme aantekening.

3 De vordering

3.1

[A] c.s. vordert voor recht te verklaren dat Dunamare aansprakelijk is voor geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en dat Dunamare wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover. Daarnaast vordert [A] c.s. dat Dunamare wordt veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf twee weken nadat het vonnis is gewezen tot de dag der algehele voldoening, en betaling van nakosten van € 199,00 indien Dunamare niet binnen twee weken de proceskosten voldoet.

3.2

[A] c.s. legt aan de door haar gevorderde schadevergoeding ten grondslag dat Dunamare toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen (artikel 6:74 BW) althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] c.s. en [C] (artikel 6:162 BW) door [C] niet toe te laten tot de lessen van het vierde leerjaar van de MAH.

3.3

Dunamare voert verweer.

3.4

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1

[A] c.s. stelt zich primair op het standpunt dat Dunamare in het geheel niet bevoegd was om [C] de toegang tot de lessen te ontzeggen. Dunamare is gebonden aan de strikte regelgeving op het terrein van het onderwijs, zoals de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna verder te noemen: de WVO) en het Inrichtingsbesluit WVO (hierna verder te noemen: het Besluit). Op grond van deze regelgeving kan Dunamare een leerling, zoals [C], schorsen en/of verwijderen van school. Nu Dunamare van deze bevoegdheden geen gebruik heeft gemaakt, had Dunamare niet kunnen besluiten [C] de toegang tot de lessen te ontzeggen. Naast de bevoegdheden om een leerling te schorsen en/of te verwijderen van school, komt Dunamare niet tevens een beroep toe op de algemene rechtsmiddelen als bedoeld in boek 6 van het BW die ingezet kunnen worden ingeval van het niet en/of onvoldoende nakomen van contractueel overgekomen verbintenissen. Tussen [A] c.s. en [C] enerzijds en Dunamare anderzijds bestaat immers geen overeenkomst. Bovendien hebben de schorsings- en verwijderingsbevoegdheden op grond van de WVO en het Besluit te gelden als lex specialis ten opzichte van de in boek 6 van het BW opgenomen rechtsmiddelen, die hebben te gelden als lex generalis. De schorsings- en verwijderingsbevoegdheden op grond van de WVO en het Besluit gaan dus vóór op de in boek 6 van het BW opgenomen rechtsmiddelen, te meer nu de WVO en het Besluit de rechtspositie van specifiek (van de school afhankelijke) leerlingen waarborgen jegens de (sterkere) school, aldus [A] c.s.

4.2

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De eerste volzin van artikel 8.1.1. lid 1 van de Wet op de educatie en beroepsonderwijs (hierna verder te noemen: de WEB) bepaalt dat een ieder die gebruik wenst te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, zich door het bevoegd gezag als deelnemer dient in te laten inschrijven. Op 6 maart 2008 heeft [A] c.s. [C] ingeschreven bij de MAH. [C] heeft dus te gelden als (onderwijs)deelnemer in de zin van de WEB. Nu de MAH een bijzondere school is die ressorteert onder Dunamare, heeft het CVB, gelet op de definitiebepaling van artikel 1.1.1. onder w WEB, ten opzichte van [C] te gelden als bevoegd gezag in de zin van de WEB. Artikel 8.1.3. lid 1 WEB bepaalt dat aan de inschrijving een overeenkomst tussen het bevoegd gezag en de deelnemer ten grondslag ligt. Deze overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en bevat tenminste bepalingen over onder meer de inhoud en inrichting van een opleiding, de examenvoorzieningen, de locaties waarop het onderwijs verzorgd wordt, en de wijze waarop partijen uit de overeenkomst voortkomende prestaties gestalte zullen geven (artikel 8.1.3. lid 3 WEB). De rechtbank oordeelt dat uit voormelde WEB-bepalingen, in onderlinge samenhang beschouwd, volgt dat tussen [C] en het college gedurende de periode dat [C] stond ingeschreven bij de MAH een onderwijsovereenkomst bestond en dat deze overeenkomst dient te worden beschouwd als een wederkerige overeenkomst in de zin van artikel 6:261 lid 1 BW. Dit betekent dat aan [A] c.s., in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C], en Dunamare in beginsel de in boek 6 van het BW genoemde rechten (bijvoorbeeld schadevergoeding) en bevoegdheden (bijvoorbeeld opschorting en ontbinding) toekomen indien de ene partij ten opzichte van andere partij tekortschiet in de nakoming van een uit de onderwijsovereenkomst voortvloeiende verbintenis. Deze dus ook aan Dunamare toekomende, privaatrechtelijke rechten en bevoegdheden doorkruisen niet haar publiekrechtelijke bevoegdheid, op grond van onderwijsregelgeving, om een leerling te schorsen en/of te verwijderen. De rechtbank verwerpt aldus het betoog van [A] c.s. dat Dunamare in het geheel, buiten de toepassing van publiekrechtelijke bevoegdheden, niet bevoegd was om [C] de toegang tot de lessen / het onderwijs te ontzeggen.

4.3

[A] c.s. stelt zich subsidiair op het standpunt dat, zo al aangenomen zou moeten worden dat Dunamare bevoegd was haar uit hoofde van de onderwijsovereenkomst bestaande verplichting tot het geven van lessen aan [C] op te schorten, Dunamare van deze bevoegdheid geen gebruik had mogen maken. Daartoe is door [A] c.s. aangevoerd dat van een internaatsverplichting geen sprake is, maar dat het wonen op het internaat ter vrije keuze is. Dit betekent dat [C] door het niet wonen op het internaat niet tekort is geschoten in zijn verplichting jegens Dunamare, zodat het Dunamare niet vrij stond, bij wijze van opschorting, hem de toegang tot de lessen te ontzeggen totdat hij zijn intrek zou nemen in het internaat. Bovendien, zo al aangenomen zou moeten worden dat sprake is van een internaatsverplichting, mocht er op vertrouwd worden dat [C] (ook) in zijn vierde leerjaar ontheven zou worden van deze verplichting, gelet op de eerder aan [C] en zijn broer [D] verleende ontheffingen van deze verplichting, aldus [A] c.s.

4.4

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit de hiervoor weergegeven, vaststaande, feiten blijkt dat de MAH destijds [D] voor wat betreft diens derde en vierde leerjaar aan de MAH heeft ontheven van de internaatsverplichting. Een ontheffing van een verplichting valt alleen maar te begrijpen indien sprake is van een verplichting; een ontheffing van een niet bestaande verplichting heeft immers geen betekenis. Uit de besluitvorming van de MAH met betrekking tot het wonen in het internaat door [D] had [A] c.s. dus al redelijkerwijs moeten begrijpen dat het wonen op het internaat niet ter vrije keuze van de leerling en zijn of haar ouders is, maar een verplichting inhoudt. Voor zover dit [A] c.s. al niet duidelijk en kenbaar was op basis van voormelde besluitvorming van de MAH met betrekking tot [D], had dit [A] c.s. voldoende duidelijk en kenbaar moeten zijn op basis van de Schoolgids 2008-2009. In deze gids, die betrekking heeft op het eerste leerjaar van [C], heeft de MAH aangegeven dat leerlingen vanaf het derde leerjaar worden verplicht om in het internaat te wonen. Deze mededeling laat naar het oordeel van de rechtbank niets aan onduidelijkheid over. Dat Dunamare onder meer op de website het op het internaat wonen niet als een verplichting heeft aangeduid, doet hier niet aan af. Ook nadien, bijvoorbeeld in de brief van 11 maart 2010 van [E], in aanloop naar het derde leerjaar van [C] (2010-2011), is [A] c.s. namelijk meegedeeld dat vanaf het derde leerjaar leerlingen verplicht zijn om te wonen in het internaat. De rechtbank verwerpt dus het betoog van [A] c.s. dat het wonen op het internaat vanaf het derde leerjaar geen verplichting betreft of dat zulks onvoldoende kenbaar was.

4.5

De rechtbank oordeelt dat het feit dat ten behoeve van [D] (leerjaren 3 en 4) en [C] (leerjaar 3) eerder wel ontheffing is verleend, met als gevolg dat beide broers feitelijk gezien beide tot en met hun derde leerjaar niet in het internaat hebben hoeven wonen en [D] zelfs gedurende zijn opleiding aan de MAH in het geheel niet in het internaat heeft gewoond, nog niet maakt dat Dunamare gehouden was [C] toe te staan dat hij ook in zijn vierde leerjaar extern mocht wonen, net als [D]. Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt dat de MAH steeds per leerjaar heeft beoordeeld of [D] en later [C] ontheven kon worden van de internaatsverplichting. Zoals ter comparitie is gebleken, heeft Dunamare haar beleid ten aanzien van het verlenen van ontheffingen vooraf niet kenbaar gemaakt. Daarmee heeft Dunamare bij [A] c.s. mogelijk de indruk gewekt dat de ontheffing voor het vierde leerjaar van [C] zou worden verleend. De rechtbank verwerpt echter het betoog dat [A] c.s. en [C] er op mochten vertrouwen dat [C] (ook) voor zijn vierde leerjaar zou worden ontheven van de internaatsverplichting. Daarbij acht de rechtbank van belang dat gesteld noch gebleken is van een onvoorwaardelijke toezegging zijdens de MAH en/of Dunamare, inhoudende dat [C] (ook) in zijn vierde leerjaar niet in het internaat hoefde te wonen. Het vorenstaande maakt dat Dunamare jegens [A] c.s. naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat zulks als onrechtmatig handelen dient te worden aangemerkt.

4.6

[A] c.s. stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat [C], door geen gevolg te geven aan de internaatsverplichting voor zijn vierde leerjaar (2011-2012), slechts in zeer beperkte mate zijn verplichtingen jegens Dunamare niet is nagekomen hetgeen niet rechtvaardigt dat hem de toegang tot de lessen is ontzegd. Daartoe is aangevoerd dat de internaatsverplichting geen deel uit maakt van het PTA of het onderwijsprogramma, zodat van het niet nakomen van een onderwijsverplichting geen sprake is.

4.7

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van artikel 6:262 lid 1 BW mag een partij zijn verplichtingen jegens zijn wederpartij opschorten indien die wederpartij zijn verplichtingen jegens die partij niet nakomt. Ingeval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming, is opschorting slechts toegestaan voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt, aldus artikel 6:262 lid 2 BW. Voor zover in de stelling van [A] een beroep op artikel 6:262 lid 2 BW besloten ligt, faalt dit beroep. Duidelijk is immers dat [C] in zijn geheel niet heeft voldaan aan zijn internaatsverplichting. Dit betekent dat artikel 6:262 lid 2 BW niet van toepassing is. Ook overigens, los van het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat Dunamare in de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon besluiten [C] de toegang tot de lessen te ontzeggen, in reactie op de niet-nakoming van de internaatsverplichting. Met betrekking tot de stelling van [A] c.s. dat de internaatsverplichting op zich zelf geen deel uitmaakt van het PTA of het onderwijsprogramma oordeelt de rechtbank als volgt. Het PTA heeft betrekking op de te volgen vakken, de diverse examens en de wijze van waarderen van examenresultaten, inclusief de beoordeling of een herexamen moet plaatsvinden. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het vanzelfsprekend dat de internaatsverplichting niet is opgenomen in het PTA of een ander, door de MAH en/of Dunamare gehanteerd onderwijsprogramma. "Internaatsverplichting" is immers geen vak en in "Internaatsverplichting" kan geen examen worden afgelegd. Wat hier ook van zij, dit betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de internaatsverplichting geen deel uit maakt van de verplichtingen die uit hoofde van de onderwijsovereenkomst rustten op [C] als leerling van de MAH. In de Schoolgids 2008-2009 en in de Schoolgids 2009-2010 heeft de MAH gemotiveerd aangegeven en kenbaar gemaakt waarom het belangrijk is dat leerlingen vanaf hun derde leerjaar moeten wonen in het internaat. In het Schoolplan 2007-2011 heeft de MAH bovendien gewezen op het belang van de zogenoemde drie-eenheid "school-huisvesting-schepen" voor een nautische opleiding en de eisen die de Minister van Infrastructuur en Milieu stelt aan een nautische opleiding en het verkrijgen van de vaarbevoegdheid. Tijdens de comparitie heeft [E] dit namens Dunamare nader toegelicht. Hiermee is voldoende uiteengezet en kenbaar gemaakt dat de internaatsverplichting een verplichting is uit hoofde van de onderwijsovereenkomst, die voor Dunamare minstens zo belangrijk is als de gebruikelijke, uit de onderwijsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen en rechten, zoals het verzorgen (door de MAH) en ontvangen (door [C]) van onderwijs. Dunamare was dus bevoegd om, in reactie op de omstandigheid dat [C] zich op 6 september 2011 niet meldde op het internaat om aldaar gedurende zijn vierde leerjaar te wonen, haar verplichting tot het geven van lessen en hem daartoe de toegang tot de school te verschaffen, op te schorten. Dat andere maritieme opleidingen in Nederland een dergelijke internaatsverplichting niet kennen, doet aan voornoemde bevoegdheid niet af. Van een ondergeschikte niet-nakoming (van de internaatsverplichting), die een opschorting van de verplichtingen van Dunamare / de MAH niet rechtvaardigt, is geen sprake. Voor zover [A] c.s. beoogt te stellen dat de MAH [C] op zijn minst had moeten toelaten tot de lessen en hem, bij het met goed gevolg afleggen van examens, het diploma had moeten verstrekken, verwerpt de rechtbank dit standpunt. Immers, indien [A] c.s. in zijn standpunt gevolgd zou worden, zou de internaatsverplichting illusoir worden en feitelijk gezien neerkomen op een ontheffing van deze verplichting.

4.8

[A] c.s. stelt zich tenslotte op het standpunt dat Dunamare, nadat zij [C] de toegang tot de school en het volgen van de lessen had ontzegd, haar zorgplicht jegens [C] heeft geschonden. Daartoe is aangevoerd dat Dunamare niet heeft gezorgd voor vervangend onderwijs, op een andere school, of door onderwijs op afstand.

4.9

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Vast staat dat [A] c.s. [C] omstreeks medio oktober 2011 als leerling heeft aangemeld bij het MC.

De vraag is derhalve slechts of Dunamare zich gedurende de periode van 7 september 2011, de dag waarop [C] de toegang tot de lessen is ontzegd, en omstreeks medio oktober 2011, voldoende heeft gekweten van haar zorgplicht jegens [C]. Vast staat dat Dunamare, nadat zij [C] de toegang tot de MAH had ontzegd, begin september 2011, meteen RSG Simon Vestdijk te Harlingen, [[]], bereid heeft gevonden [C] toe te laten tot de vierde klas van het VMBO en dat Dunamare [A] c.s. en [C] daarover terstond heeft geïnformeerd. [A] c.s. is echter niet ingegaan op dit aanbod. Verder staat vast dat Dunamare schoolboeken heeft verstrekt aan [C]. Alle omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat Dunamare en/of de MAH zich gedurende de periode dat [C] de toegang tot de lessen / de school was ontzegd tot het moment waarop [C] werd ingeschreven aan het MC voldoende heeft gekweten van haar zorgplicht jegens [C]. Dat [C] mogelijk geen huiswerk of begeleiding kreeg en geen toegang had tot het digitale netwerk van de MAH doet hier niet aan af.

4.10

Uit al het voorgaande volgt dat de vorderingen van [A] c.s. zullen worden afgewezen.

4.11

[A] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dunamare worden vastgesteld op in totaal € 1.719,00 (griffierecht: € 589,00; salaris advocaat: 2,5 punt x tarief € 452,00 is € 1.130,00).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van [A] c.s. af;

5.2.

veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Dunamare vastgesteld op € 1.719,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 674