Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2931

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
Kl-2485520 - CV EXPL 13-9172 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease en/of -overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 2485520 \ CV EXPL 13-9172

vonnis van de kantonrechter d.d. 17 juni 2014

inzake

[A]

en

[B] ,

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

tegen

de besloten vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

Partijen zullen hierna [A] en [B] (tezamen [A] c.s.) en Dexia worden genoemd.

Procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[A] is geboren op [geboortedatum]. [B] is de vader van [A].

2.2.

[B] heeft 22 december 2000 met (de rechtsvoorgangster van) Dexia een aandelenleaseovereenkomst (Korting Kado) met contractnummer [nummer] gesloten ten behoeve van [A] en/of zichzelf. Voor zover de overeenkomst is afgesloten op naam van [A] heeft [B] gehandeld als wettelijk vertegenwoordiger van [A]. De inleg voor de overeenkomst is betaald vanaf de bankrekening van [A].

2.3.

Voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst is geen machtiging van de kantonrechter gevraagd en/of verkregen als bedoeld in artikel 1:345 BW.

2.4.

De moeder van [A] heeft bij schrijven van 5 december 2005 de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen op grond van artikel 1:347 BW wegens het ontbreken van de machtiging van de kantonrechter voor het aangaan van de overeenkomst.

2.5.

[A] heeft op dezelfde grond bij brief van 30 maart 2012 de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen.

Het standpunt van [A]

3.1.

[A] c.s. vordert - zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad -:

Primair

1.

te verklaren voor recht dat de onderhavige overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door en ten behoeve van [A] krachtens de overeenkomst aan Dexia is betaald aan [A] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag der door [A] gedane betalingen althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening;

Subsidiair

2.

te verklaren voor recht dat Dexia door schending van haar zorgplichten en van haar mededelingsplicht [A] op onrechtmatige wijze heeft laten benaderen en heeft bewogen om de overeenkomst met Dexia aan te gaan en aansprakelijk is voor de volledige als gevolg daarvan door [A] geleden schade;

3.

Dexia te veroordelen om aan [A] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen al hetgeen door of namens [A] krachtens die overeenkomst aan Dexia is betaald aan [A] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de betaling aan Dexia, althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der algehele voldoening;

Meer subsidiair

4.

voor recht te verklaren dat Dexia door schending van haar zorgplichten en van haar mededelingsplicht [B] op onrechtmatige wijze heeft laten benaderen en heeft bewogen om (mede) de overeenkomst met Dexia aan te gaan en dat zij aansprakelijk is voor de volledige als gevolg daarvan door [A] en/of [B] geleden schade;

5.

Dexia te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen al hetgeen krachtens die overeenkomst aan Dexia is betaald aan [A] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de betaling aan Dexia, althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der algehele voldoening;

Primair en subsidiair

6.

voorwaardelijk, voor het geval Dexia een kredietregistratie aan het Bureau Kredietregistratie in Tiel heeft doorgegeven op naam van [A] en [B] afzonderlijk Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat elke registratie op naam van [A] en [B] afzonderlijk bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,-;

7.

Dexia te veroordelen om aan [A] c.s. de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden, vast te stellen conform Rapport Voorwerk II, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze dagvaarding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der algehele voldoening;

8.

Dexia te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

[A] c.s. stelt dat [B] de overeenkomst alleen op naam en voor rekening van [A] af wilde sluiten. [B] heeft zulks ook meegedeeld aan de medewerker van Dexia, die bij hem thuis langs kwam. Volgens de medewerker van Dexia diende ook de naam van [B] op de overeenkomst te worden vermeld en de medewerker van Dexia heeft vervolgens de overeenkomst op doen stellen.[B] heeft vervolgens de overeenkomst ondertekend als wettelijk vertegenwoordiger van [A] en niet als lessee. Dat de overeenkomst ook alleen voor [A] bedoeld was blijkt ook uit het feit dat de ouders van [A] ook overeenkomsten hadden gesloten op hun eigen naam. Dexia wist dus dat de overeenkomst alleen voor [A] bedoeld was, aldus [A] c.s. De inleg is ook betaald vanaf de bankrekening van [A].

3.3.

[A] beroept zich ten aanzien van zijn primaire vorderingen op vernietiging van de overeenkomst ex artikel 1:347 BW. Op grond van artikel 3:53BW werkt vernietiging terug tot het tijdstip waarom de rechtshandeling is verricht. Hierdoor ontstaat voor Dexia de verplichting tot terugbetaling van hetgeen onverschuldigd is betaald. De vernietiging is door zijn moeder als zijn wettelijk vertegenwoordiger ingeroepen bij brief van 5 december 2005 en door hemzelf nogmaals bij brief van 30 maart 2012.

3.4.

Ten aanzien van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen heeft [A] c.s. aangevoerd dat Dexia haar zorgplicht jegens zowel [A] en [B] heeft geschonden, op grond waarvan Dexia gehouden is de door [A] c.s. geleden schade te vergoeden.

Het standpunt van Dexia

4.1.

Met betrekking tot de door de moeder van [A] bij brief van 5 december 2005 ingeroepen vernietiging van de overeenkomst stelt Dexia dat dit niet tijdig is gedaan, nu de wettelijk vertegenwoordiger van [A] op grond van artikel 3:52 lid 1 onder a BW zulks binnen drie jaar na het afsluiten van de overeenkomst had moeten doen. Nu zij dit niet heeft gedaan, is deze rechtsvordering verjaard, zodat buitengerechtelijke vernietiging ook niet meer mogelijk was. Dexia erkent dat [A] zelf bij brief van 30 maart 2012 tijdig een beroep op een vernietigingsgrond heeft gedaan.

4.2.

Op grond van het arrest van het Gerechthof 's Gravenhage d.d. 23 oktober 2012 bestaan er volgens Dexia - vanuit de beschermingsgedachte van de artikelen 1:345 en 1:347 BW - geen verplichtingen meer voor [A] jegens Dexia. Dexia betwist dat het rechtsgevolg van de vernietiging is dat de ouders, die in strijd met deze beschermingsregels hebben gehandeld, recht hebben op terugbetaling van hetgeen onder de overeenkomst is betaald. Het arrest biedt volgens Dexia echter geen enkele aanleiding om de ouders terug te betalen voor het speculeren met een aandelenleaseproduct. Dit valt buiten de beschermingsgedachte van de artikelen 1:345 en 1:347 BW.

4.3.

Indien de vorderingen van [A] (gedeeltelijk) zouden worden toegewezen, dienen volgens Dexia de bedragen die [A] heeft ontvangen aan dividend en andere uitkeringen, te worden verrekend of op het door [A] gepretendeerde nadeel in mindering te worden gebracht.

4.4.

Voorts heeft Dexia gesteld dat de overeenkomst tevens op naam van [B] is gesteld. [B] is volgens Dexia dan ook aan te merken als lessee en hij is naast [A] hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit de overeenkomst. Ingevolge artikel 6:7 BW heeft hierbij te gelden dat een aantasting inzake het vorderingsrecht van de schuldeiser jegens de ene schuldenaar het vorderingsrecht van de schuldeiser met betrekking tot de andere schuldenaar niet zonder meer beïnvloedt. De tijdige vernietiging door [A] ex artikel 1:345 jo. 1:347 BV heeft dan ook geen gevolgen voor [B], aldus Dexia. In verband met de schending van de zorgplicht kan de vordering van [A] c.s. (subsidiair) worden toegewezen tot een bedrag van

€ 4.120,66, nu de overeenkomst voor [B] een onaanvaardbaar zware financiële last opleverde, zoals bedoeld in de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009, waardoor Dexia aansprakelijk is voor twee derde van de inleg en de restschuld.

4.5.

De vordering tot het doorhalen van de kredietregistratie treft volgens Dexia geen doel omdat er geen registratie (meer) bestaat.

4.6.

Tevens betwist Dexia de verschuldigdheid van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

De beoordeling van het geschil

5.1.

De primaire vordering behelst de vernietiging van de overeenkomst wegens het ontbreken van de toestemming van de kantonrechter voor het aangaan van de overeenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat deze toestemming vereist was. Nu Dexia heeft erkend dat het inroepen van de vernietiging van de overeenkomst tijdig is geschied door het inroepen daarvan door [A] bij brief 30 maart 2012, staat daarmee in rechte vast dat de overeenkomst is vernietigd. Of de vernietiging van de overeenkomst reeds had plaatsgevonden met de brief van de moeder van [A] van 5 december 2005 zal de kantonrechter daarmee in het midden laten, nu een en ander geen gevolgen heeft voor de beoordeling van de vorderingen.

5.2.

Op grond van artikel 3:53 lid 1 BW werkt een vernietiging terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. Hetgeen door partijen op basis van die overeenkomst is voldaan, is dientengevolge onverschuldigd betaald als bedoeld in artikel 6:203 BW. De kantonrechter kan Dexia niet volgen in haar stelling dat de vernietiging er niet toe zou leiden dat op haar de verplichting rust om hetgeen onverschuldigd aan haar is voldaan, aan [A] terug te betalen. [A] was immers zowel de contractspartij - en daarmee degene op wie de verplichting tot betaling rustte - als degene die succesvol de vernietiging van de overeenkomst heeft ingeroepen. Op grond daarvan dienen de prestaties die onder de overeenkomst zijn verricht - over en weer - ongedaan te worden gemaakt.

5.3.

De vordering tot terugbetaling van hetgeen [A] aan Dexia heeft voldaan, is dan ook toewijsbaar. Op die betalingsverplichting dient in mindering te komen hetgeen [A] ter zake van de overeenkomst van Dexia heeft ontvangen. Dexia heeft weliswaar bij conclusie van antwoord een overzicht overgelegd met bedragen, doch naar het oordeel van de kantonrechter blijkt daaruit onvoldoende welke bedragen exact in mindering dienen te strekken op hetgeen Dexia aan [A] dient te voldoen. Dexia zal de in de gelegenheid worden gesteld om dit nader toe te lichten. [A] zal vervolgens hierop bij antwoordakte mogen reageren.

5.4.

De door [A] gevorderde rente is naar het oordeel van de kantonrechter verschuldigd met ingang van de datum waarop Dexia met terugbetaling van hetgeen op de voet van de overeenkomst onverschuldigd is betaald in verzuim is geraakt. Voor het toewijzen van de wettelijke rente vanaf de dag van de door [A] gedane betalingen, zoals door [A] gevorderd, ontbreekt iedere grondslag. Dat Dexia bij het sluiten van de overeenkomst te kwader trouw zou zijn geweest, zoals [A] heeft gesteld, heeft hij niet nader toegelicht. De kantonrechter stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente op 2 april 2012, zijnde de datum waarop de vernietigingsbrief van [A] bij Dexia is binnengekomen. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom, zoals door Dexia gesteld, de wettelijke rente twee weken na ontvangst van die brief zou gaan lopen.

5.5.

Vervolgens moet worden vastgesteld of [B] de overeenkomst uitsluitend voor [A] is aangegaan of dat [B] de overeenkomst daarnaast voor zichzelf heeft afgesloten. De enkele vermelding van zijn naam op de overeenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter daartoe onvoldoende. Immers, de overeenkomst vermeld als lessee "De heer[A en/of De heer B]". , Deze vermelding brengt niet zonder meer met zich dat beide personen gebonden zijn en derhalve hoofdelijk aansprakelijk zijn voor nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst. Deze onduidelijkheid in de tenaamstelling dient naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel voor rekening en risico van Dexia als professionele contractspartij te komen. Dexia heeft voorts niet gemotiveerd weersproken dat [B] aan de medewerker van Dexia kenbaar heeft gemaakt dat hij de overeenkomst op naam en voor rekening van [A] wilde aangaan. Tevens staat vast dat de inleg ten laste van de bankrekening van [A] is betaald. Onder deze omstandigheden moet het er naar het oordeel van de kantonrechter voor worden gehouden dat [B] de overeenkomst uitsluitend op naam en voor rekening van [A] is aangegaan. [B] is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen contractspartij bij de onderhavige overeenkomst.

5.6.

Voor zover [A] c.s. heeft gevorderd Dexia te veroordelen tot doorhaling van de achterstandcodering bij het BKR overweegt de kantonrechter dat - los van het feit dat een dergelijke bevoegdheid alleen het BKR toekomt - hij Dexia daartoe niet zal veroordelen nu

Dexia onweersproken heeft gesteld dat er geen registratie bij het BKR (meer) bestaat.

5.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 juli 2014 voor akte uitlating aan de zijde van Dexia inzake hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 5.3.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 471