Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2899

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
Awb 14/1538, 14/1539, 14/1822 en 14/1937
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vier voorlopige voorzieningen, gericht tegen schorsing en disciplinaire ontslag van een ambtenaar bij de belastingdienst. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen deels niet-ontvankelijk verklaard en deels afgewezen, nu verweerder het strafontslag heeft mogen baseren op de bij de FIOD afgelegde bekentenissen van verzoeker en een medeverdachte. Niet aannemelijk is geacht dat verzoeker door leesproblemen niet wist wat hij tekende, noch dat hij t.t.v. de verhoren van de FIOD in een roes verkeerde.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: AWB 14/1538, Awb 14/1539, Awb 14/1822 en Awb 14/1937

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2014 in de zaak tussen

[naam verzoeker], wonende te Veendam, verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Laken-Steehouwer)

en

De Staatssecretaris van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst, verweerder

(gemachtigde: mr. B.A. Raydt).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2014 (besluit I) heeft verweerder verzoeker met ingang van
23 februari 2014 op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) geschorst. Bij dit besluit heeft verweerder voorts op grond van artikel 92, eerste lid, van het ARAR de bezoldiging van verzoeker gedurende zes weken voor één derde ingehouden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 april 2014 (besluit II) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat zijn bezoldiging tijdens de nog doorlopende schorsing geheel wordt ingehouden met ingang van 7 april 2014.

Tegen dit besluit heeft verzoeker ook bezwaar gemaakt.
Tevens heeft verzoeker op 24 april 2014 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de beide genoemde besluiten van verweerder worden geschorst totdat op een eventueel in te stellen beroep is beslist.

Bij besluit van 17 april 2014, verzonden op 22 april 2014, (besluit III) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat verzoeker wegens zeer ernstig plichtsverzuim met ingang van 19 april 2014 disciplinair wordt ontslagen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker op 12 mei 2014 bezwaar gemaakt.
Op 12 mei 2014 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht ook met betrekking tot dit besluit een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de werking van het ontslagbesluit wordt geschorst totdat op een eventueel in te stellen beroep is beslist.

Bij besluit van 23 mei 2014 (besluit IV) heeft verweerder geweigerd verzoeker tijdens ziekte loon door te betalen op grond van artikel 38 van het ARAR. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 26 mei 2014 bezwaar gemaakt bij verweerder. Ook heeft verzoeker op 26 mei 2014 de voorzieningenrechter verzocht dit besluit te schorsen en te bepalen dat verweerder gehouden is het volledige salaris van verzoeker uit te betalen.

Verweerder heeft gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 mei 2014 heeft de gemachtigde van verzoeker nog nadere stukken, aangeduid als producties A tot en met D ingediend bij de rechtbank. Bij brief van 28 mei 2014 heeft zij een rapport van psychiater W.H.J. Mutsaers d.d. 27 mei 2014, aangeduid als productie E, ingediend. Bij brief van 2 juni 2014 heeft de gemachtigde van verzoeker nadere stukken, aangeduid als producties F, G en H bij de rechtbank ingediend. Alle stukken zijn ook naar de gemachtigde van verweerder verzonden.

De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 3 juni 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn als gemachtigden verschenen
mr. B.A. Raydt, mr. M.A.T. Salden en dhr. J. Zwart.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1. 1

Verzoeker is sinds 1 juli 1974 bij de belastingdienst werkzaam, laatstelijk in de functie van behandelfunctionaris C bij het team 12 BPM. Verzoeker behandelde daar aangiftes inzake de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM). Verzoeker was werkzaam in Groningen.

1.2

In de periode van 11 november 2013 tot en met 22 november 2013 is verzoeker in voorlopige hechtenis genomen in verband met een gerezen verdenking van overtreding van artikel 363, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (het aannemen van steekpenningen).
In opdracht van de Officier van Justitie is verzoeker in genoemde periode als verdachte van fraude door opsporingsambtenaren van de FIOD gehoord.

1.3.

Verzoeker is door de vrijheidsberoving ingaande 11 november 2013 op grond van artikel 90 van het ARAR van rechtswege geschorst. Dit is hem door verweerder meegedeeld bij brief van 11 november 2013. Verzoeker is in dit besluit voor de periode na de schorsing van rechtswege de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd. Tegen dit besluit heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt.

1.4

Op 10 december 2013 zijn de processen verbaal van het strafrechtelijk onderzoek van de periode 11 november 2013 tot en met 22 november 2013 doorgestuurd naar de leidinggevenden van verzoeker, de heren C.H. de Haan (plaatsvervangend directeur SMP) en H. Siemens. Op 11 februari 2014 is het dossier door gestuurd naar het Ministerie van Financiën, Cluster Bedrijf/Juridische Zaken, ter verdere behandeling.

1.5

Vervolgens heeft verweerder de besluiten 1 en II met betrekking tot de schorsing en inhouding van salaris genomen. Bij brief van 21 februari 2014 heeft verweerder verzoeker voorts een voornemen tot disciplinair ontslag gestuurd en hem in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze daarop te geven.


1.6 Op 5 maart 2014 heeft een zienswijze gesprek plaatsgevonden. Daarvan is een verslag opgemaakt. Verzoeker heeft naar aanleiding van dit verslag nog een nadere zienswijze ingediend.

1.7

Bij besluit van 17 april 2014 (besluit III) heeft verweerder verzoeker met ingang van 19 april 2014 disciplinair ontslagen wegens plichtsverzuim.

1.8

Bij brief van 13 mei 2014 heeft de gemachtigde van verzoeker verweerder verzocht verzoeker per 19 april 2014 een uitkering als bedoeld in artikel 38 van het ARAR toe te kennen, naar de hoogte van zijn volledige bezoldiging.

1.9

Bij besluit IV van 23 mei 2014 heeft verweerder dit geweigerd.

2.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst het volgende.
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1

De voorzieningenrechter is met betrekking tot de spoedeisendheid van het verzoek dat is gericht tot besluit III (disciplinaire ontslag) van oordeel dat, gelet op de aard en de implicaties van dit besluit voor verzoeker de spoedeisendheid van het verzoek gegeven is.
De voorzieningenrechter zal dan ook beginnen met de beoordeling van het verzoek dat is gericht tegen besluit III.

3.

Partijen stellen zich op de volgende standpunten.

3.1

Verweerder heeft aan het bestreden besluit tot disciplinair ontslag van verzoeker het volgende ten grondslag gelegd.

Uit de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal, die door verzoeker na doorlezing zijn ondertekend, blijkt dat verzoeker heeft erkend dat hij sinds 2009 van de eerdergenoemde [naam autohandelaar], autohandelaar, regelmatig geldbedragen ontving van € 500,00 per keer en dat dit in ieder geval twee maal per jaar gebeurde. Daarnaast ontving verzoeker, volgens zijn eigen verklaring, regelmatig (twee keer per maand) voor zijn privé auto een volle brandstoftank. Verzoeker stelde hier tegenover dat hij ‘de andere kant opkeek’ als genoemde[naam autohandelaar] een bewust onjuiste aangifte deed inzake de Wet BPM bij de invoer van motorrijwielen. Verzoeker accepteerde deze onjuiste aangiftes, in de wetenschap dat ze onjuist waren. Dit gebeurde niet incidenteel, maar structureel vanaf 2009 tot het moment in november 2013 dat verzoeker door de politie werd aangehouden en in voorlopige hechtenis werd gesteld. De tot het dossier behorende verklaringen van de ook gehoorde autohandelaar [naam autohandelaar] bevestigen dit. Volgens verweerder betreft het een groot aantal ingevoerde auto’s, waarmee aldus is gefraudeerd. Volgens verweerder blijkt uit de verhoren duidelijk dat er bij deze gang van zaken sprake was van samenwerking tussen verzoeker en genoemde [naam autohandelaar]. Verweerder verwijst daarvoor naar de verklaringen van zowel verzoeker als [naam autohandelaar] inzake het bewust plaatsen van nietjes op de plek in het formulier waar de kilometerstand van de aangegeven auto moet worden vermeld. Op die manier kon een foutieve kilometerstand verbloemd worden. Ook heeft verweerder gewezen op de verklaring van verzoeker dat hij de verschillen in waarde van de ingevoerde auto’s soms ‘te’ vond en in zo’n geval [naam autohandelaar] belde om de aangifte aan te passen. Gevolg van de handelwijze van verzoeker is dat de belastingdienst grote bedragen aan verschuldigde belasting is misgelopen. Ter zitting is in dit verband van de kant van verweerder aangegeven dat uit het onderzoek is gebleken dat het totale fiscaal nadeel dat door verweerder of het Rijk is geleden als gevolg van het feit dat over een reeks van jaren op grote schaal aangiftes BPM voor een te laag bedrag zijn ingediend en geaccordeerd 7,2 miljoen bedraagt. Er zou voorts nog een bedrag tussen de 8,5 en 14 miljoen aan belastinggeld zijn misgelopen voor wat betreft de fiscale bijtelling van het privé gebruik van auto’s (PGA).

3.2

Verzoeker heeft hier tegen ingebracht dat zijn verklaringen, zoals hij die tijdens zijn voorlopige hechtenis tegenover de FIOD heeft afgelegd, niet juist zijn. Verzoeker verkeerde in een roes en wilde alleen maar snel naar huis. Verzoeker heeft in bezwaar wel erkend soms bedragen van [naam autohandelaar] te hebben ontvangen, maar deze bedragen ontving hij privé, omdat beide mannen in auto’s geïnteresseerd waren. Verzoeker heeft bij de notaris een verklaring laten vastleggen, waarin is opgenomen dat hetgeen hij bij de FIOD heeft verklaard niet juist is en waarin is aangegeven dat de reden hiervan is dat hij in een roes verkeerde. Ook heeft verzoeker aangegeven ziek te zijn. Met het rapport van de psychiater Mutsaers wil verzoeker aantonen dat hij niet in staat is geweest om adequaat te reageren op de verhoren die hem door de FIOD zijn afgenomen. Als gevolg van een acute stress stoornis, die weer het gevolg was van de plotselinge arrestatie op 11 november 2013 en de daaropvolgende detentie met beperkingen, is verzoeker, volgens Mutsaers voornoemd, tijdens deze detentie en de maand erna niet of slechts ten dele toerekeningsvatbaar geweest om de verhoren te ondergaan. Door zijn karakterproblematiek c.q. karakterstoornis is verzoeker bij stress zeer snel geneigd om zich te voegen naar de wensen en eisen van zijn omgeving waardoor hij zich makkelijk woorden in de mond laat leggen, aldus Mutsaers.
Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat hij bij de FIOD-verhoren verklaringen heeft ondertekend die hij niet heeft gelezen. Hij kon de verklaringen niet lezen omdat hij zijn leesbril niet bij zich had en hem er ook geen is verstrekt. Verzoeker heeft als productie F een kopie overgelegd van een bestelling voor de penitentiaire winkel. Onderaan de bestelling is met de hand geschreven “leesbril +1”. Voorts is als productie G een transcriptie van een verhoor overgelegd, waarin verzoeker heeft verklaard over het slecht kunnen lezen. Als productie H is tenslotte een transcriptie van een verhoor van de FIOD overgelegd, waarmee verzoeker wil aantonen dat hem woorden in de mond werden gelegd, in dit geval met betrekking tot het bewust plaatsen van nietjes op de formulieren dwars door de kilometerstanden.

3.3

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting deze stellingen van verzoeker gemotiveerd bestreden.

4.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4.1

De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom verweerder niet van de juistheid van de processen verbaal van de FIOD zou mogen uitgaan. Deze processen verbaal zijn op ambtseed opgemaakt, door de verbalisanten ondertekend en hebben daarmee een zeer zware bewijskracht. Uit deze processen verbaal blijkt dat verzoeker aan het begin van ieder verhoor is gevraagd of hij zich goed voelde en of hij in staat was om te worden gehoord. Daarop gaf verzoeker steeds een bevestigend antwoord. Ter zitting is bevestigd door J. Zwart, projectleider bij de FIOD en verantwoordelijk voor het afnemen van het eerste verhoor van verzoeker, dat hij verzoeker de middag na de arrestatie heeft verhoord en dat verzoeker geen tekenen van stress vertoonde. Hij gaf adequate antwoorden en gaf aan, onder verwijzing naar een eerdere aanhouding in 2009, dat de FIOD er nu ook wel weer naast zou zitten, aldus Zwart.

Verzoeker heeft ook steeds de processen verbaal voor juist getekend. Uit niets blijkt dat hij iets heeft getekend waarvan hij de inhoud niet kende. Met betrekking tot de leesbril overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt, ook niet met de producties F en G, dat verzoeker niet heeft kunnen lezen wat hij heeft getekend.
Productie F is een bestellijst voor de winkel in de penitentiaire inrichting waar met de hand het woord ‘leesbril +1’ is bijgeschreven. Niet duidelijk is wie dit wanneer op de bestelling heeft geschreven. De voorzieningenrechter volgt verzoeker dan ook niet in zijn stelling dat hij hiermee heeft aangetoond dat hij heeft geprobeerd een leesbril te bestellen en dat dit niet is gelukt, als gevolg waarvan hij ongelezen verklaringen heeft getekend.
Met productie G heeft verzoeker dit, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, al evenmin aangetoond. Het enige dat uit deze passage blijkt is dat verzoeker moeite heeft om boeken te lezen zonder bril.

Verzoekers stelling dat hij de door hem getekende verklaringen niet heeft kunnen lezen door het ontbreken van een (lees)bril wordt derhalve door de voorzieningenrechter verworpen.

4.2

Daarmee komt de voorzieningenrechter toe aan de beantwoording van de vraag of aannemelijk is te achten dat verzoeker in een roes of ten gevolge van een psychiatrische aandoening onjuiste verklaringen heeft afgelegd bij de verhoren door de FIOD, zodat deze verklaringen terzijde zouden moeten worden gelegd.
De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat het feit dat verzoeker (en autohandelaar [naam autohandelaar]) bij de notaris een verklaring hebben doen opstellen die inhoudt dat hetgeen zij beiden bij de FIOD hebben verklaard niet juist is, op zich zelf onvoldoende is om de verklaringen die bij de FIOD zijn afgelegd, gelet op de hiervoor genoemde zware bewijskracht van op ambtseed opgemaakte processen verbaal, terzijde te schuiven. De voorzieningenrechter beantwoordt de hiervoor geformuleerde vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van psychiater Mutsaers van
27 mei 2014 blijkt dat bij verzoeker ten tijde van het afleggen van de voor hemzelf belastende verklaringen en bekentenissen sprake was van een psychiatrische aandoening die
- kort gezegd- maakte dat aan de inhoud van deze bekentenissen geen betekenis toekomt, althans zo weinig betekenis dat het besluit van verweerder tot disciplinair ontslag hierop niet had kunnen worden gebaseerd. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in deze opvatting. Daarvoor is het volgende redengevend.

De voorzieningenrechter constateert allereerst dat het opmerkelijk is dat de heer Mutsaers reeds in de vraagstelling, ter inleiding van zijn rapportage, concludeert dat verzoeker zich makkelijk woorden in de mond laat leggen. De heer Mutsaers vervolgt de door hem geformuleerde vraagstelling met de woorden: “Dit kan natuurlijk ook bij de verhoren die de FIOD heeft afgenomen hebben gespeeld.” Gelet op de formulering van de vraagstelling plaatst de voorzieningenrechter reeds vraagtekens bij de objectiviteit van het op de vraagstelling volgende onderzoek.
De volgende vijf pagina’s van het rapport vormen een weergave van de anamnese,
verzoekers verhaal, gevolgd door de heteroanamnese, het verhaal van verzoekers partner.
Hierna volgt onder het kopje ‘aanvullende informatie’ een weergave van hetgeen verzoeker bij de notaris heeft laten optekenen. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat daarmee is beoogt de anamnese aan te vullen, het betreft immers nog steeds het verhaal van verzoeker.
Dan reeds volgen op pagina 8 en 9 van het rapport de samenvatting en conclusie door Mutsaers.

Aan de samenvatting, voorafgaand aan de conclusie, wordt hier ontleend:

“(…)[naam verzoeker][naam verzoeker] moet bij en door het trauma van zijn arrestatie door grote angst overvallen en als het ware geparalyseerd zijn geweest, niet alleen omdat hij er, naar hij zegt, nogal hardhandig aangepakt is (…) maar ook omdat hij nadien lang geïsoleerd is geweest.
(…)
Alhoewel in de definiëring van een acute stress stoornis het trauma van de bedreigde fysieke integriteit centraal staat, meen ik dat ook de ernstige bedreiging van de psychische integriteit gerekend kan worden tot de traumatogene effecten van een gebeurtenis, in onderzochtes geval die van zijn plotselinge arrestatie en gevangenneming. Die moet voor hem een psychische shock zijn geweest die, (…) tot verdoving leidt, waarbij emoties ontbreken en waarbij alles wordt ervaren alsof het een film is die niet echt is. De acute stress stoornis kan een riskante gemoedstoestand zijn omdat men in een dergelijke toestand niet adequaat kan reageren op signalen uit de omgeving. Dat laatste moge verduidelijken waarom onderzochte tijdens de verhoren op allerlei suggestieve vragen positief heeft geantwoord en antwoorden heeft gegeven die hem in de mond werden gelegd.
(…)
Men kan het geheel van onderzochtes klachten en verschijnselen tijdens en volgende op zijn arrestatie een acute stress stoornis noemen (…)

Ter afsluiting van het rapport en ter beantwoording van de vraagstelling rapporteert de heer Mutsaers tenslotte:

“(…) De plotselinge arrestatie op 11 november 2013 en de daarop volgende isolerende detentie hebben bij [naam verzoeker] een acute stress stoornis teweeg gebracht die als ziekte aangemerkt moet worden als gevolg waarvan hij niet in staat is geweest om adequaat te reageren op de verhoren die door de FIOD zijn afgenomen. (…) “

Het bevreemdt de voorzieningenrechter dat de heer Mutsaers vergaande conclusies heeft verbonden aan zaken die voor het overgrote deel voortvloeien uit de anamnese, derhalve de weergave van feiten door verzoeker zelf (en zijn partner). Uit niets blijkt dat de heer Mutsaers zelfstandig en objectief onderzoek door middel van bijvoorbeeld een wetenschappelijk verantwoorde test heeft gedaan. Waarop de heer Mutsaers zijn vaststelling baseert dat ‘onderzochte tijdens de verhoren op allerlei suggestieve vragen positief heeft geantwoord en antwoorden heeft gegeven die hem in de mond weren gelegd’
is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden. Uit de processen-verbaal van de FIOD blijkt niet dat hiervan sprake is geweest en ook uit de transcriptie van een verhoor die door verzoeker is overgelegd kan dit niet worden afgeleid. Voorts is het opmerkelijk dat de terughoudendheid en veralgemenisering in de samenvatting (blijkend uit bewoordingen als ‘[naam verzoeker] moet door grote angst zijn overvallen’ en ‘men kan het geheel van klachten een acute stress stoornis noemen’) in de beantwoording van de vraagstelling door de heer Mutsaers is overgegaan in de zekerheid dat de arrestatie en detentie bij verzoeker bij hem een acute stress stoornis hebben teweeg gebracht.


De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rapportage van Mutsaers dan ook niet alleen onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu daarbij naar het zich laat aanzien geen objectieve testmethodes zijn gebruikt, maar ook innerlijk tegenstrijdig en niet concludent is te achten. De conclusie van de heer Mutsaers vloeit namelijk niet logischerwijs voort uit het voorafgaande betoog, omdat de stelligheid van de conclusie niet wordt gedragen door de terughoudende constateringen in het daaraan voorafgaande deel van het rapport.
Op basis van dit rapport heeft verzoeker, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, dan ook niet aannemelijk gemaakt dat geen betekenis zou toekomen aan de verklaringen die hij bij de verhoren door de FIOD heeft afgelegd.

Bij dit alles is de voorzieningenrechter van oordeel dat, zoals verweerder terecht heeft gememoreerd, verzoeker niet één maal maar herhaaldelijk bij de FIOD-verhoren heeft verklaard dat hij bedragen heeft ontvangen en wat hij daarvoor deed of naliet. Verweerder heeft in het ontslagbesluit van 17 april 2014 uitvoerig verwezen naar passages in de processen verbaal waarin verzoeker consequent hetzelfde heeft verklaard. Op 12 december 2013 is verzoeker nogmaals twee maal verhoord. In deze verhoren heeft hij hetzelfde verklaard als daarvoor, alleen wilde verzoeker de aangenomen gelden niet als ‘steekpenningen’ betitelen. De alerte houding die verzoeker, volgens de ter zitting aanwezige J. Zwart, bij het eerste verhoor na de aanhouding aan de dag heeft gelegd, wijst al evenmin op een persoonlijkheidsstructuur van iemand die zich woorden in de mond laat leggen. Door Zwart is ter zitting verklaard:

“(…) Na de arrestatie bij het eerste verhoor trof ik verzoeker aan, aan het eind van de middag, en ik heb niet kunnen waarnemen dat er sprake was van stress; hij gaf goed antwoord; hij verwees naar een schorsing in 2009, zei dat we er nu ook wel weer naast zouden zitten (…)”.

Voor de voorzieningenrechter weegt voorts zwaar dat niet valt in te zien - en verzoeker heeft dit ter zitting ook niet kunnen uitleggen- hoe het mogelijk is dat door [naam autohandelaar] tegenover de FIOD eveneens is verklaard dat verzoeker bewust onjuiste aangiften van [naam autohandelaar] accepteerde en dat verzoeker daarvoor door [naam autohandelaar] werd beloond. [naam autohandelaar] verklaart bijvoorbeeld in proces-verbaal VI-11 pagina 6:

Hij was gewoon op de hoogte van het feit dat ik opzettelijk onjuiste aangiften indiende voor de BPM en dus ook oor de PGA waarde, daar heb ik al over verklaard.”
En in proces-verbaal VI-13 pagina 5: “Ik weet dat [voornaam verzoeker] de aangiften er snel door kan krijgen en ook dat daardoor mijn onjuiste aangiften er al door waren waardoor ik snel het kenteken kreeg. Voor deze service heb ik [voornaam verzoeker] geld en goederen gegeven, maar niet meer dan het bedrag dat ik al eerder heb genoemd.”


De voorzieningenrechter heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat de processen verbaal naar inhoud niet juist zouden zijn. Verzoeker heeft ook in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat de bedragen die hij van [naam autohandelaar] een privé aangelegenheid betrof.

4.3

De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot de overige grieven die verzoeker naar voren heeft gebracht nog het volgende.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hem niets te verwijten valt. De werkdruk op de afdeling was veel te hoog. Iets waarvan hij, blijkens de vele mails die hij dienaangaande heeft overgelegd, regelmatig bij zijn leidinggevende gewag heeft gemaakt. Verzoeker heeft zich er op beroepen dat hij ziek is als gevolg van stress op het werk. Deze stress is weer een gevolg van hoge werkdruk en slecht materiaal. Door verzoeker is aangegeven dat hij in 1988 al overspannen was en daarna ook periodes van overspanning en/of depressie heeft gekend. Volgens verzoeker was hij feitelijk vanaf 2010 dermate ziek dat hij door zijn teamleider meerdere keren per week vroegtijdig naar huis werd gestuurd. Verweerder deed echter niets aan deze werkdruk. Verzoeker vindt dan ook dat, als al sprake is van het laten passeren van foute aangiften, dat geheel aan verweerder te wijten is.
Ook dit standpunt heeft verweerder bestreden. Niet alleen is er niet gebleken van een hoog ziekteverzuim op verzoekers afdeling, maar wat er ook zij van de werkomstandigheden, dat alles is geen excuus om mee te werken aan fraude.

De voorzieningenrechter deelt dit standpunt van verweerder en voegt er aan toe dat bij verzoeker niet alleen sprake was van het (bewust) accepteren van foute aangiften, maar ook van het in ruil daarvoor ontvangen van betalingen en diensten.

4.4

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat er geen gerede kans bestaat dat het bezwaar dat verzoeker heeft gemaakt tegen besluit III, het besluit van 17 april 2014 om over te gaan tot disciplinair ontslag van verzoeker, zal slagen. Het verzoek dat aan dit bezwaar connex is wordt daarom afgewezen.

4.5

Gelet op dit oordeel heeft verzoeker geen spoedeisend belang meer bij een beoordeling van het verzoek, gericht tegen besluit I van 21 februari 2014, betreffende de schorsing en inhouding van salaris voor een derde deel. Dit verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.

4.6

Het verzoek tegen besluit II, inhoudende een schorsing met volledige inhouding van salaris per 7 april 2014 wordt voor wat betreft de schorsing eveneens niet- ontvankelijk verklaard, omdat de schorsing met het ontslagbesluit van 17 april 2014 is uitgewerkt en niet valt in te zien welk spoedeisend belang verzoeker nog heeft bij een beoordeling van de schorsing op zich zelf. Voor wat betreft het daarin vervatte deelbesluit tot volledige inhouding van salaris wordt het verzoek afgewezen, nu van de kant van verzoeker niet is aangetoond dat bij hem sprake is van een onoverkomelijke financiële situatie.
De voorzieningenrechter onderschrijft hetgeen van de kant van verweerder hierover in het verweerschrift is opgemerkt.

4.7

Het oordeel over het hiervoor bedoelde verzoek brengt met zich mee dat ook het verzoek tegen besluit IV, inhoudende de weigering van verweerder om salaris door te betalen tijdens ziekte van verzoeker, moet worden afgewezen, waarbij verweerders standpunt met betrekking tot wat voor de toepassing van artikel 38 van het ARAR onder ‘laatstgenoten bezoldiging’ moet worden verstaan, onder verwijzing naar de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 april 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA5297) dezerzijds voor juist wordt gehouden.

4.6

Er bestaat geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.



Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het verzoek onder registratienummer Awb 14/1538
    en het verzoek onder registratienummer Awb 14/1539, voor wat betreft het schorsingsbesluit, niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst alle overige verzoeken af.

Deze uitspaak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. H.W. Wind als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2014.

De griffier, De voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: