Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2824

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
C18/148004 /KG ZA 14-132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opschorting retentierecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/148004 / KG ZA 14-132

Vonnis in kort geding van 6 juni 2014

in de zaak van

[A] ,

wonende te [plaatsnaam],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. Borsch,

tegen

1. [B]

[B] ,

gevestigd te [woonplaats],

2.[C],

wonende te [plaatsnaam],

3. [D],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. J.H. Linstra.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de eis in reconventie;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van mr. Linstra.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[B] houden zich bezig met het fokken en houden van schapen, geiten en paarden.

2.2.

Bij [B] is een viertal paarden gestald. Drie van deze paarden behoren in eigendom toe aan de vader van [A],[E]. Het vierde paard is eigendom van de zuster van [A], [F].

2.3.

Aan de stalling, verzorging en het ter beschikking stellen van trainingsfaciliteiten ten behoeve van de paarden ligt een met [B] gesloten overeenkomst ten grondslag. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of [B] deze overeenkomst met [A] dan wel met[E] heeft gesloten.

2.4.

Met het oog op het trainen en verzorgen van de paarden heeft [A] een zadelkast met inhoud en een paardenvrachtwagen (merk DAF) met kenteken [kenteken] op het terrein van [B] geplaatst.

2.5.

Op 3 december 2013 hebben [B] een factuur aan[E] gezonden van € 920,00 (inclusief btw) betreffende boxhuur, gebruik rijstal/sportbeoefening en overige dienstverlening en verzorging. Deze factuur is onbetaald gelaten.

2.6.

Bij brief van 7 maart 2014 heeft mr. B.J.K. Boter, werkzaam bij DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar van [B], aan[E] geschreven (voor zover thans van belang):

(…) Tot mij heeft zich gewend [B], gevestigd te [plaatsnaam], met het verzoek tot invordering van de door u aan haar verschuldigde facturen uit hoofde van de stallingsovereenkomst over te gaan.

Tussen cliënte en u is een overeenkomst ten aanzien van de stalling van een viertal paarden tot stand gekomen. Cliënte heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen voortvloeiend uit de tussen u gesloten overeenkomst, namelijk het beschikbaar stellen van de stalling en binnenbak. U bent toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van uw betalingsverplichtingen. (…)

Zoals cliënte reeds aan u heeft medegedeeld bij aangetekend schrijven van 20 februari en middels persoonlijke overhandiging van deze brief, zal cliënte - totdat u volledig aan uw betalingsverplichtingen heeft voldaan - haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst opschorten en derhalve gebruik maken van het retentierecht. Dit houdt onder meer in dat cliënte u (tijdelijk) de toegang tot de stal en het erf heeft ontzegd. Uiteraard neemt cliënte daarbij wel haar zorgplicht in acht, hetgeen inhoudt dat zij de noodzakelijke verzorging zal bieden aan uw paarden.

2.7.

Bij e-mail van 2 april 2014 heeft mr. Boter aan de advocaat van [A] geschreven (voor zover thans van belang):

(…) Uw cliënte stelt zich blijkbaar op het standpunt dat de stallingsovereenkomst is gesloten met de heer[E]. Cliënte is echter een andere mening toegedaan. Zij stelt dat de overeenkomst is gesloten met de dochters van de heer[E] nu zij uitvoering geven aan de overeenkomst (…)

2.8.

Op 2 april 2014 hebben [A] en[E] de paarden bij [B] opgehaald.

2.9.

Bij e-mail van 8 april 2014 heeft de advocaat van [B] aan mr. Boter geschreven (voor zover thans van belang):

(…) Uw cliënte heeft kennelijk een mondelinge overeenkomst gesloten met de vader van mevrouw [A]. Dit kan niet alleen worden aangetoond aan de hand van uw eigen correspondentie d.d. 7 maart en 20 maart 2014 in dossiernummer 0.14.021004, maar ook door de facturen over de maanden juli tot en met december 2013, die door uw cliënte allen aan de heer[E] zijn geadresseerd. Deze brieven en facturen staan ellen op naam van[E] en niet op naam van cliënte. Daarbij komt ook dat cliënte heeft niet deelgenomen aan de gesprekken met uw cliënte en de dochter van uw cliënte, die hebben geleid tot de mondelinge overeenkomst en hierdoor bevestig ik u dan ook nogmaals dat cliënte geen partij is bij deze overeenkomst. (…)

Zoals ik u heb aangegeven houdt uw cliënte ten onrechte de zadelkast met inhoud alsmede de DAF vrachtwagen, die in eigendom toebehoort aan cliënte, onder zich. (…)

Uw cliënte heeft nu ruim de tijd gehad om de zadelkast met inhoud en de vrachtwagen te retourneren aan cliënte. (...) Voor de schade stel ik uw cliënte dan ook aansprakelijk en deze schade zal ik dan ook op uw cliënte verhalen. (…)

3 De vordering

In conventie

3.1.

[A] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [B] te veroordelen om uiterlijk 2 dagen na betekening van het vonnis aan haar in originele en goede staat af te geven de zadelkast met inhoud en de paardenvrachtwagen van het merk DAF met kenteken [kenteken];

II. [B] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat [B] niet voldoen aan het gevorderde onder I;

III. [B] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van

€ 11.000,00;

IV. [B] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

V. een en ander, voor zover mogelijk, bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren.

3.2.

[B] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.4.

[B] vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [A] te gebieden de DAF paardenvrachtwagen met kenteken [kenteken] binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis te (doen) verwijderen en verwijderd te houden van het terrein van [B], gelegen aan de [adres] te[plaatsnaam], met veroordeling van [A] tot het betalen van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag, of een deel daarvan, dat [A] niet aan dit gebod voldoet, met veroordeling van [A] in de kosten van deze procedure.

4 De beoordeling

In conventie

Spoedeisend belang

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang bij het gevorderde genoegzaam gegeven. [A] heeft gemotiveerd uiteengezet dat de goederen waarvan thans afgifte wordt gevorderd noodzakelijk zijn voor het trainen van de paarden waarmee zij de (wedstrijd)sport uitoefent en dat de voor de wedstrijden noodzakelijke conditie van de paarden achteruitgaat indien training achterwege blijft.

Retentierecht op zadelkast

4.2.

[A] vordert afgifte van een zadelkast die [B] onder zich houden. Op grond van artikel 5:2 BW is [A], eigenaar van de zadelkast, bevoegd de zadelkast op te eisen indien [B] deze zonder recht of titel onder zich houden. [B] voeren als verweer dat hen een retentierecht toekomt, hetgeen toewijzing van de vordering tot afgifte in de weg zou staan. Aan het retentierecht hebben [B] ten grondslag gelegd dat tussen hen en [A] een overeenkomst tot stand is gekomen en dat [A] een deel van de verschuldigde kosten onbetaald heeft gelaten. [A] heeft in dat kader aangevoerd dat de overeenkomst niet met haar is gesloten maar met[E] zodat [B] zich voor wat betreft achterstallige betalingen (die in deze procedure niet worden betwist) niet op een retentierecht kunnen beroepen.

4.3.

De voorzieningenrechter laat in het midden of [B] de overeenkomst met [A] dan wel met[E] hebben gesloten. In beide gevallen kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan hen een beroep op het retentierecht toekomt.

4.4.

Indien de overeenkomst met [A] tot stand is gekomen kunnen [B] zich beroepen op de hoofdregel van 3:290 BW. Een deel van de verschuldigde kosten voor stalling, verzorging en training is onbetaald gelaten, derhalve kunnen [B] afgifte van het eigendom van [A] opschorten.

4.5.

In het geval een overeenkomst met[E] tot stand is gekomen kunnen [B] de verplichting tot afgifte opschorten voor zover aan de vereisten van artikel 3:291 lid 2 BW is voldaan. [B] kunnen het retentierecht inroepen tegen een derde met een ouder recht wanneer hun vordering bestaat op grond van een met betrekking tot de teruggehouden zaak gesloten overeenkomst. Waar [B] hun vordering ter zake van achterstallige kosten voor stalling, verzorging en gebruik van trainingsfaciliteiten op[E]

dienen te verhalen moet voor een beroep op het retentierecht voldoende samenhang bestaan met de teruggehouden zadelkast.

4.6.

Ter mondelinge behandeling hebben [B] gemotiveerd toegelicht dat zij in het kader van de overeenkomst faciliteiten voor het trainen van de paarden ter beschikking hebben gesteld, dat [A] deze faciliteiten frequent heeft gebruikt en dat de zadelkast met het oog op dat gebruik op het erf van [B] is geplaatst.

Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat sprake is van voldoende samenhang tussen de vordering ter zake van onbetaald gelaten kosten voor stalling, verzorging en trainingsfaciliteiten en de zadelkast die ter training van de paarden op het erf van [B] is geplaatst, aangezien zowel het een als het ander voortvloeit uit de onder rechtsoverweging 2.3 bedoelde overeenkomst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aan de vereisten van 3:291 lid 2 BW voldaan.

4.7.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [B] hun verplichting tot afgifte van de zaak rechtmatig hebben opgeschort. Het door [A] gevoerde verweer dat [B] het retentierecht op voor haar minder belastende wijze had kunnen uitoefenen door het achterhouden van de paardenvrachtwagen wordt afgewezen. [B] hebben gemotiveerd toegelicht dat zij een zwaarwegend belang hebben bij verwijdering van de (omvangrijke) vrachtwagen van hun terrein. De vordering tot afgifte van de zadelkast zal derhalve worden afgewezen.

Schade

4.8.

Voor toewijzing van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is slechts plaats als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat (zie onder meer HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602).

4.9.

[A] vordert een vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden althans zal lijden vanwege het feit dat [B] het retentierecht ten onrechte hebben ingeroepen. Als gevolg van het feit dat [A] niet over de zadelkast heeft kunnen beschikken zijn de paarden niet langer wedstrijdfit. Haar schade bestaat uit gederfde inkomsten in de vorm van het prijzengeld dat zij daardoor misloopt.

4.10.

Waar de voorzieningenrechter voorshands heeft geoordeeld dat aan [B] een retentierecht toekomt bestaat geen grond voor toewijzing van de door Boerema gevorderde schadevergoeding.

In conventie en in reconventie

Afgifte paardenvrachtwagen

4.11.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over het verwijderen van de paardenvrachtwagen van het erf van [B] door [A]. De daartoe strekkende vorderingen in conventie en in reconventie worden derhalve toegewezen op de wijze als in het dictum omschreven. Voor de verwijdering van de vrachtwagen zal een redelijke termijn van vijf dagen na betekening van het vonnis worden bepaald. De nevengevorderde dwangsommen worden toegewezen op de wijze als in het dictum omschreven.

4.12.

De in conventie gevorderde uitvoerbaar verklaring op alle dagen en uren wordt afgewezen. [A] heeft geen gronden aangevoerd die aanleiding geven om af te wijken de in artikel 64 lid 1 Rv vervatte (hoofd)regel dat geen exploot mag worden gedaan tussen acht uur ’s avonds en zeven uur ’s ochtends.

4.13.

De in conventie door [A] gevorderde nakosten worden op hierna vermelde wijze toegewezen.

Proceskosten

4.14.

Als de in conventie in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij zal [A] in proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

4.15.

De voorzieningenrechter ziet in de uitkomst van de procedure in reconventie - partijen hebben overeenstemming bereikt over afgifte en teruggave van de vrachtwagen - aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

5.1.

veroordeelt [B] [A] in staat te stellen om de paardenvrachtwagen van het merk DAF met kenteken [kenteken], van het terrein van [B], gelegen aan de [adres] te[plaatsnaam] te (doen) verwijderen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [A] van € 100,00 voor iedere dag dat zij na betekening van dit vonnis aan [B] weigeren daaraan te voldoen, zulks tot een maximum van € 2.000,00,

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden vastgesteld op € 1.424,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [B] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van de betekening van de uitspraak,

In reconventie

5.4.

veroordeelt [A] de paardenvrachtwagen van het merk DAF, kenteken

[kenteken], binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis te (doen) verwijderen en verwijderd te houden van het terrein van [B], gelegen aan de [adres] te[plaatsnaam], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [A] van

€ 100,00 voor iedere dag dat zij weigeren daaraan te voldoen, zulks tot een maximum van

€ 2.000,00,

5.5.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder partij haar eigen kosten draagt,

In conventie en in reconventie

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2014.

rh