Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2592

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
C-17-123364 - HA ZA 12-341
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2013:8036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zonder toestemming plaatsen van een filmpje op Youtube en delen van foto's via MSN; onrechtmatige daad; verjaring; vermogensschade; inbreuk op een recht en smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/123364 / HA ZA 12-341

Vonnis van 21 mei 2014

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.H. Lanting te Leeuwarden,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.J.P.M. Grijmans te Bolsward.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 december 2013

  • -

    de akte na tussenvonnis van 12 februari 2014 van [A]

  • -

    de akte van 12 maart 2014 van [B].

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1.

De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 18 december 2013 (verder: het tussenvonnis).

2.2.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [B] (uitsluitend) onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] voor zover hij een filmpje van een naakte [A] op YouTube heeft geplaatst en blootfoto’s van [A] via MSN heeft gedeeld. De rechtbank heeft [A] vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij akte de omvang van de inbreuk op het recht, de schade, de hoogte daarvan en het causaal verband nader te onderbouwen.

2.3.

[A] heeft in haar akte na tussenvonnis (verder: de akte) gesteld dat de totale schade als gevolg van het onrechtmatig handelen door [B] een bedrag van

EUR 359.450,00 beloopt. Het gaat hierbij volgens haar om de volgende posten en bedragen:

a. materiële schade: EUR 4.450,00

 eigen risico 2007 t/m 2013 en toekomstig EUR 2.000,00

(schatting)

 twee facturen dhr. De Mönnink EUR 1.950,00

 vier te voeren gesprekken (met De Mönnink) EUR 500,00

inkomensschade: EUR 330.000,00

 boekingen EUR 26.000,00

 televisiewerk EUR 25.000,00

 coaching EUR 50.000,00

Uitgaande van een kostenpercentage van 40 kan de winst voor belastingen worden gesteld op EUR 60.000,00 en na aftrek van belastingen op EUR 30.000,00 per jaar. De inkomensschade bedraagt over de helft van 22 jaar in totaal EUR 330.000,00.

immateriële schade: EUR 25.000,00.

2.4. (

De advocaat van) [A] heeft in de akte de stellingen en bedragen niet nader toegelicht. Wel zijn in totaal een viertal verklaringen van [A] als productie overgelegd. Deze hebben (naast een verklaring over de schade in het algemeen) betrekking op respectievelijk de materiële schade, de inkomensschade alsmede de immateriële schade. Voorts heeft [A] twee facturen van De Mönnink (GZ-psycholoog; zie rechtsoverweging 2.13. en 4.4.2. van het tussenvonnis) in het geding gebracht. Deze facturen hebben betrekking op sessies die hebben plaatsgevonden in de periode 19 juni 2012 tot en met 19 februari 2013 en belopen in totaal een bedrag van EUR 1.950,00. Tot slot heeft [A] verklaringen in het geding gebracht van haar boekingsagent [Y]. In een verklaring van 19 maart 2008 heeft hij - voor zover hier van belang - opgemerkt:

(…) Vóór 19 november 2007 was mevrouw [X] zeer regelmatig werkzaam voor diverse opdrachtgevers. Echter na 19 november 2007 zijn alle reeds lopende overeenkomsten en opties voor toekomstige data geannuleerd. Ook zijn er sinds de bewuste datum geen aanvragen voor opdrachten meer binnengekomen. Navraag bij diverse voormalige opdrachtgevers geeft aan dat zij ondanks de professionele kwaliteiten van mevrouw [X] tot nader order geen gebruik willen maken van haar diensten. De financiële schade voor zowel mevrouw [X] als ons kantoor is daardoor aanzienlijk.

[Y] heeft daarnaast een “omzetverklaring ten behoeve van mevrouw [X]” opgesteld, gedateerd 3 januari 2014. Deze verklaring bevat over de periode 2005 tot en met 2013 een opsomming van het aantal aanvragen voor optredens van [A], het aantal gerealiseerde optredens en de omzet exclusief BTW per jaar. Dit overzicht ziet er als volgt uit:

Jaar Aantal aanvragen Gerealiseerde optredens Omzet

2005 21 12 26.450,00

2006 24 14 31.300,00

2007 22 9* 20.492,00

2008 9 4** 8.050,00

2009 5 3 5.900,00

2010 4 2 4.400,00

2011 2 1 3.650,00

2012 2 0 0

2013 1 0 0

*Exclusief 5 door opdrachtgevers geannuleerde optredens in de laatste anderhalve maand van 2007.

** Exclusief 3 door opdrachtgevers geannuleerde optredens in de eerste maanden van 2008.

2.5.

[B] heeft zich bij akte verzet tegen de akte van [A] en wel in die zin dat hij zich op het standpunt stelt dat een akte volgens het bepaalde in artikel 1.2 onder 9 van het Landelijk Procesreglement slechts een korte mededeling mag behelzen. Volgens [B] heeft [A] deze regel “omzeild door een uitvoerig inhoudelijk verhaal (van de zijde van [A]) als producties over te leggen” en heeft zij aldus een verkapte conclusie genomen. Deze akte dient op die grond buiten beschouwing gelaten te worden, aldus nog steeds [B]. Tevens heeft [B] aangevoerd dat [A] ten onrechte heeft volstaan met het verwijzen naar overgelegde producties. Deze producties zijn bovendien tardief in het geding gebracht. Uit de producties volgt dat het geen stukken betreffen waarover [A] eerst recentelijk kon beschikken, aldus nog steeds [A].

2.5.1.

De rechtbank verwerpt de hiervoor bedoelde verweren. De rechtbank heeft [A] immers bij tussenvonnis opgedragen om op bepaalde punten bij akte nader in te gaan. Aan haar kan derhalve niet worden tegengeworpen dat zij een "uitvoerig inhoudelijk verhaal" heeft gehouden. [A] heeft een akte van net iets meer dan een pagina genomen en voor het overige verwezen naar de bijgevoegde producties. Omdat de producties de punten betreffen ten aanzien waarvan de rechtbank [A] heeft opgedragen om bij akte nader in te gaan, kan [A] evenmin worden tegengeworpen dat deze producties tardief zijn overgelegd. In de enkele omstandigheid dat een deel van deze producties verklaringen van [A] zelf betreffen, naar de inhoud waarvan in de akte wordt verwezen, ziet de rechtbank in het onderhavige geval bovendien geen aanleiding om deze buiten beschouwing te laten. De door [A] opgestelde stukken - die helder en duidelijk zijn geformuleerd - betreffen onderwerpen waarvan het voorstelbaar is dat de advocaat van [A] deze door [A] zelf heeft laten opstellen. Een samenvatting van de berekening van de volgens [A] door haar geleden schade is vervolgens door de advocaat van [A] in de akte zelve weergegeven.

2.6.

Hierna zal nader worden ingegaan op de hoogte van de door [A] beweerdelijk geleden schade. De rechtbank overweegt reeds nu dat [A] niet heeft toegelicht - zoals de rechtbank haar in rechtsoverweging 4.4.3. van het tussenvonnis heeft verzocht - waarom de schade thans nog niet begroot zou kunnen worden. Op grond van het ná het tussenvonnis gevoerde partijdebat - waarbij een volwaardig debat is gevoerd omtrent de omvang van de door [A] geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [B] - ziet de rechtbank aanleiding om de schade in deze (hoofd)procedure definitief te begroten (zie rechtsoverweging 4.4.3. van het tussenvonnis). Een verwijzing naar de schadestaatprocedure zal derhalve achterwege blijven. Daarbij merkt de rechtbank op dat [A] in de bij akte in het geding gebrachte - door haarzelf opgestelde - verklaringen diverse keren heeft aangegeven dat zij bepaalde informatie niet zal geven om privacy-redenen. Gesteld noch gebleken is dat zij die informatie op een later tijdstip - zoals in het kader van een schadestaatprocedure - wél zou willen geven. Hierin ziet de rechtbank derhalve geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat een volwaardig debat omtrent de omvang van de door [A] geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [B], (nog) niet is gevoerd.

2.7.

Materiële schade

2.7.1.

Eigen risico

2.7.1.1. [A] heeft in haar "verklaring omtrent geleden materiële schade" gesteld dat haar gezondheid te lijden heeft gehad als gevolg van het onrechtmatig handelen van [B]. Sinds 2007 kwam zij - anders dan voordien - met grote regelmaat bij de huisarts en zijn aan haar diverse medicijnen voorgeschreven. De schade bestaat uit het eigen risico over de periode van 2007 tot en met 2013 ter hoogte van in totaal EUR 2.000,00, aldus [A].

2.7.1.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] de door haar gestelde schade, alsmede het causaal verband met het onrechtmatig handelen door [B] - zoals [B] terecht heeft aangevoerd - onvoldoende onderbouwd. [A] heeft niet concreet gesteld wanneer de bezoeken aan de huisarts hebben plaatsgevonden en wat concreet de aanleiding van die bezoeken zijn geweest. Ook heeft zij niet gesteld welke medicijnen daarbij aan haar zijn voorgeschreven. Bovendien heeft [A] geen stukken in het geding gebracht waaruit volgt dat zij in de jaren vóór het jaar 2007 het eigen risico niet verschuldigd was.

2.7.2.

Kosten GZ-psycholoog De Mönnink

2.7.2.1. [A] heeft - onder overlegging van een tweetal nota's van De Mönnink van 5 juli 2012 en 26 februari 2013 - in haar "verklaring omtrent geleden materiële schade" gesteld dat zij diverse sessies heeft gevolgd bij de GZ-psycholoog De Mönnink. Volgens [A] heeft zij schade geleden ter hoogte van EUR 1.950,00, te weten het totaalbedrag van de door De Mönnink bij haar in rekening gebrachte bedragen, aldus [A]. Voorts heeft zij gesteld dat zij denkt nog vier gesprekken nodig te hebben met De Mönnink om het traject af te ronden, waarmee een bedrag van in totaal 500,00 gemoeid zal gaan, aldus [A]. Volgens [A] had [B] haar vóór het onrechtmatig handelen door [B] toegeschreeuwd dat hij haar te schande zou maken voor heel Nederland, hetgeen zij op geen enkele manier kon rijmen met haar normen en waarden en respect voor de mensheid. De Mönnink heeft haar geholpen daar inzicht in te krijgen, aldus [A].

2.7.2.2. Evenals [B] bij akte heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een causaal verband tussen de bezoeken van [A] aan De Mönnink en het onrechtmatig handelen van [B] onvoldoende is gesteld of gebleken. Uit de stellingen van [A] blijkt onvoldoende dat deze sessies het gevolg waren van het onderhavige onrechtmatig handelen door [B], te weten (uitsluitend) het plaatsen van het onderhavige filmpje van een naakte [A] op YouTube en het delen van blootfoto's van [A] via MSN. Zoals in het tussenvonnis in rechtsoverweging 4.4.2 is overwogen, blijkt uit de verklaring van De Mönnink veeleer dat de sessies nodig waren in verband met nieuwe "uploads" van foto's, waarvoor echter - zoals in het tussenvonnis is overwogen - geen aansprakelijkheid bij [B] kan worden aangenomen. Ook de omstandigheid dat de sessies bij De Mönnink blijkens de in het geding gebrachte facturen van De Mönnink eerst in de jaren 2012 en 2013 hebben plaatsgevonden - en niet in de periode vlak na het onrechtmatig handelen door [B] in het jaar 2007 - is naar het oordeel van de rechtbank een indicatie dat deze sessies hebben plaatsgevonden naar aanleiding van deze nieuwe "oploads". Ook in zoverre zal de vordering derhalve worden afgewezen.

2.8.

Inkomensschade

2.8.1.

Ook wat betreft de inkomensschade acht de rechtbank het causaal verband met het onrechtmatig handelen van [B], alsmede de omvang van de schade onvoldoende onderbouwd. De door [A] bij akte in het geding gebrachte eigen verklaring, te weten de "verklaring inkomensschade" en de door [Y] in zijn afgelegde (en bij akte in het geding gebrachte) genoemde bedragen zijn niet nader onderbouwd met (financiële) stukken. Tevens wordt weliswaar gesproken over annuleringen van boekingen en heeft [A] verklaard: "na november 2007 is mij te kennen gegeven dat men mij in deze kringen nog steeds respecteerde als vakvrouw, maar dat men niet meer met mij/naast mij gezien kon worden", maar deze stellingen zijn op geen enkele wijze onderbouwd. Zo ontbreekt enige onderbouwing van de gestelde boekingen (wanneer, door wie), alsmede (met stukken onderbouwde) annuleringen daarvan. Zoals [B] terecht bij akte heeft aangevoerd, blijkt uit de door [A] in het geding gebrachte "verklaring inkomensschade" dat zij in de jaren 2006 en 2007 investeerde in haar carrière als coach en dat zij diverse aanbiedingen van commerciële en publieke omroepen om programma's voor hen te presenteren heeft afgeslagen omdat deze "qua inhoud en/of niveau niet strookten met het niveau van mijn overige werkzaamheden". De omstandigheid dat boekingen stagneerden kan dan ook gelegen zijn in deze eigen keuze. Dat sprake zou zijn van een door [A] genoemd "verlies per jaar" ter zake van coaching, valt bovendien - zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt - niet in te zien gelet op de omstandigheid dat [A] deze carrière blijkens haar eigen stellingen net was begonnen. Evenals ten aanzien van de nota's van De Mönnink merkt de rechtbank ten slotte nog op dat indien al enige schade zou zijn ontstaan als gevolg van het openbaar maken van naaktfilmpjes/blootfoto's van [A], niet (voldoende) is gesteld dat dit het gevolg is van specifiek het onderhavige filmpje van een naakte [A] in bad en de onderhavige foto's die door [B] via MSN zijn gedeeld.

Ook in zoverre zal de vordering derhalve worden afgewezen.

2.9.

Immateriële schade

2.9.1.

[A] vordert voorts een bedrag van EUR 25.000,00 ter zake van immateriële schadevergoeding. In haar "verklaring immateriële schade" heeft [A] gesteld dat de impact op haar en haar gezin enorm is, dat zij en haar gezin bijna dagelijks worden geconfronteerd met beschimpingen en smalende opmerkingen en dat hun sociale leven is gereduceerd tot contacten binnenskamers.

2.9.2.

De rechtbank acht een bedrag aan immateriële schadevergoeding toewijsbaar ter hoogte van EUR 3.000,00. Reeds de enkele inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van [A] geeft [A] recht op vergoeding van immateriële schade. Door [B] is een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [A] door het op internet plaatsen van een naaktfilmpje van [A], alsmede door het delen van blootfoto's van [A] via MSN. Weliswaar blijkt uit door [A] in het geding gebrachte foto's dat er op internet ook foto's van haar te vinden zijn die naar het oordeel van de rechtbank als enigszins gewaagd kunnen worden bestempeld en welke foto's met toestemming van [A] op internet zijn geplaatst, doch gesteld noch gebleken is dat dit ook blootfoto's/naaktfilmpjes betreffen. De rechtbank acht voorts bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding van belang dat [A] een bekende tv-presentatrice is. Daarentegen acht de rechtbank de stelling van [A] dat het sociale leven van [A] en haar gezin is gereduceerd tot contacten binnenskamers - mede gelet op het gemotiveerde verweer door [B] - onvoldoende onderbouwd. Voor zover zij is geconfronteerd met beschimpingen en smalende opmerkingen, is het voorts de vraag of en in hoeverre dit het gevolg is van specifiek het onderhavige filmpje van een naakte [A] in bad en de onderhavige blootfoto's die door [B] via MSN zijn gedeeld. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is [B] niet aansprakelijk voor de gevolgen van nieuwe "uploads" van foto's. [A] zal niet gevolgd worden in haar verwijzing naar de zaak van de rechtbank Amsterdam, 19 april 2006, Smartengeldgids 18e druk, nummer 1171, welke zaak naar het oordeel van de rechtbank niet te vergelijken is met de onderhavige zaak.

2.10.

Op grond van het voorgaande zal [B] worden veroordeeld om aan [A] een bedrag van EUR 3.000,00 te betalen. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

2.11.

In de omstandigheid dat aansprakelijkheid van [B] is komen vast te staan, ziet de rechtbank aanleiding om - ondanks de omstandigheid dat een substantieel lager bedrag zal worden toegewezen - [B] te veroordelen in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- dagvaardingskosten EUR 110,05

- griffierecht EUR 73,00

- salaris voor de advocaat EUR 960,00 (2,5 punt x tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.143,05.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [B] om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 3.000,00,

3.2.

veroordeelt [B] in de kosten van het geding, aan de zijde van [A] vastgesteld op EUR 1.143,05,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2014.1

1 82.